zondag 5 april 2020

Zonder en toch met kleinkinderen

Coronacrisis: je mag de deur niet uit, tenzij om eten te gaan kopen. Gaan wandelen mag wel: bij mij is dat scootmobielen, en dan geraak je vanzelf een eind verder. Zomaar autorijden kun je beter ook niet doen: alleen echt noodzakelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Naar mijn kleinkinderen rijden, die allemaal in Antwerpen wonen, is ten eerste al verboden, en ten tweede mag je geen generaties vermengen: diep is dus de eenzaamheid, woehoe!


Nona, een week voor Corona

Op de woensdagochtend van de eerste week lock down krijg ik om drie over negen telefoon van Nona, mijn oudste kleindochter: vijf en een half is ze. Ze denkt aan opa, die wil ze nog wel eens horen. Ik pluk een tekening van de computer en wil die haar sturen, maar ze is te klein: de moeite niet. Teken dan zelf iets, zegt mijn Noortje, Nona's mama. En zo gebeurt: maar eerst stiften gaan kopen, en daarna kleurpotloden. En ik konterfeit een groot huis, met een vijvertje ervoor, een reiger in de vijver, en een meisje dat met een hondje naar huis loopt.

Daarop  antwoordt Nona met een zelfgemaakte tekening: ze ziet me zwemmend in de blauwe zee, duidelijk een zwembril op, want grote ronde 'glazen'. Rechts boven schijnt de zon zoals dat hoort, links boven grote regenwolken waar immense regendruppels uitvallen, een vliegende vis is evenmin aan haar fantasie ontsnapt, en de zon op de regen tovert een regenboog te voorschijn. Kniesoor die vindt dat er iets niet klopt. Mij noemt ze 'Opa Noot', dat vindt ze leuk: die domme opa's toch! (Zo had ik mezelf genoemd in mijn tekening voor haar.) Quarantaine belet ons niet vrolijk contact met elkaar te hebben, tot blijdschap van mezelf, Nona en haar ouders.


Opa Noot zwemmend

De andere kleinkinderen hebben natuurlijk ook recht op tekeningen of ingekleurde tekenplaten: die kun je gemakkelijk van het internet plukken. Mil krijgt ingekleurde Bumba's, met verkeerde kleuren, Chinese namen (Bing Bong Woe Lie en zijn broer Bing Bong Wie Loe) en andere verzinsels die niet in het verhaal kloppen, (weer die domme opa toch!), en natuurlijk komt er weer een eigen werk van Mil terug: de jonge ingenieur in spe zoekt het in de robotica: een metalen menselijke figuur ontspruit uit zijn verbeelding, drie rode harten maken een en ander gevoelig, en de tekst is overrompelend: Dieuwertje heeft gevraagd wat Mil nog wilde schrijven, heeft dat dan voorgeschreven en kleinzoon lief heeft de hoofdletters foutloos gekopieerd! Alweer vrolijk contact, tot blijdschap van mezelf, Mil en zijn ouders!


 Liefhebbende robot


Mil, 5 april 2020

Als alleenstaande ben je dezer dagen echt wel alleen, en na drie weken begint dat te wegen. Maar een mens zoekt andere wegen en manieren van contact. Tekeningen maken en kleurplaten inkleuren zou je nog bezigheidstherapie kunnen noemen, maar het is veel meer dan dat: het is vooral een warme dialoog waarmee we uitdrukken dat we elkaar graag zien. Zonder corona hadden we dat niet bedacht! Wat zei die filosoof weer? Elk nadeel heb se voordeel! Kijk eens aan!

woensdag 25 maart 2020

Tweede coronawandeling in het Vennengebied

Voorlopig vind ik verplicht thuisblijven niet zo erg, ik zeg wel: voorlopig! Ik verveel me niet: krant lezen, met Italiaans bezig zijn, sudoku's oplossen, eens kijken wat de computer aan nieuws te bieden heeft. Het is wel zo dat je vooral je ogen en je hersenen aan het werk zet: helaas ligt sporten buiten mijn bereik. En dan word je op het einde van de dag een beetje suf, en verlang je naar enige frisheid. De natuur is gelukkig niet helemaal tegen de Kempen en zijn bewoners: stralend blauwe lucht, vandaag was de wind ook wat minder actief: tijd om de beentjes los te gooien: dat wil zeggen ik loop tien meter naar mijn scootmobiel en vervoer me alweer naar het Vennengebied. Ik zou eigenlijk ook naar het Prinsenpark willen, en naar Wortel Kolonie, maar dan moet ik daar eerst met de auto naartoe rijden, en dat is zoals iedereen kan horen en weten niet de bedoeling. En laat ik het Vennengebied vooral ook niet ontrouw worden!

Naar het Peerdsven wil ik eerst: ik wil wel eens zien hoe vol dat ven in de loop van de voorbije regenperioden is gelopen. En jawel hoor, letterlijk boordevol. En rustig en glad ook, want de wind raakt het wateroppervlak niet: strakblauw uitspansel boven even blauw water, eenvoudig Kempisch, en laat ik dat nu mooi vinden!


Het Peerdsven

Dan neem je de Langvenstraat noordwaarts, en voor je het goed merkt, zit je in Merksplas, op de Geheulse Dijk. In die omgeving wordt geregeld in de bossen gewerkt: exoten uitdunnen en verwijderen, de bossen gezond houden, heet dat. En daar zie je dan zeer duidelijk de gevolgen van de overvloedige regenval van de afgelopen tijd: een behoorlijk uitgedund stuk grond is een stuk water geworden, zo was de toestand verleden jaar nog niet. Het grondwater staat op peil, denk ik dan.


Nieuwe plas naast de Geheulse Dijk

Nog een eind verder kom ik aan een drasland dat ik 'Ezelsven' noem. Dat heet eigenlijk niet zo, maar toen ik daar zo'n 10 jaar geleden kwam, stonden op dat weiland altijd een drietal ezels. En naast Koeven en Peerdsven vond ik Ezelsven best passen. Alleen is het zo dat die ezels de laatste jaren ook niet meer te zien zijn. 'Panta rhei', niet blijft hetzelfde, zelfs niet in het Vennengebied. Op dat grasland is onbestendigheid troef: in de lange, hete zomers staat dat gebiedje zo 'droog als e nötje', zoals een fatsoenlijke Turnhoutenaar zou zeggen, maar na de winter is het Ezelsven een pleisterplaats voor meeuwen, Canadese ganzen, grutto's, kieviten en eenden: daar kan behoorlijk wat leven te horen en te zien zijn.




Twee gezichten op het Ezelsven

Kokmeeuwen zitten er veel, maar ik heb een eenzaat gefotografeerd. Van achteren zaten er heel veel: dat hoor ik aan hun lawaai. Mijn Natuurgids beschrijft ze als zeer luidruchtig, en inderdaad, dat zijn ze: als ze ruzie maken maken ze geluid van jewelste, zodat ik op bepaalde ogenblikken dacht dat ik een troep chimpansees in volle conflict bezig hoorde! Van de Kempen naar Centraal Afrika: een kleine stap voor deze mens!


Kokmeeuw, met zwarte kop

En nog een dier, een diertje zeggen we beter: een kuifeend, een paar dus, gespot op het Peerdsven. Met enige moeite kun je de kuif van het mannetje opmerken, van het vrouwtje zegt men dat ze een rudimentaire kuif heeft: die is dan ook niet te zien. Het geluid dat ze maken wordt beschreven als 'gewoonlijk zwijgzaam': het moeten niet allemaal kokmeeuwen zijn.


Een koppeltje kuifeenden

Laat ik besluiten met een stukje flora. Op de Geheulse Dijk was een grachtkant helemaal begroeid met hondsdraf: vanaf april bloeit die, hij is er dit jaar dus vroeg bij. Ooit, in het eerste jaar middelbaar moesten we voor biologie een herbarium bij elkaar zoeken: 15 bloemen moesten we determineren. Hondsdraf was er daar een van, bij mij toch, en herderstasje, en smalle weegbree. In de 6de Latijnse was dat, in het schooljaar 1959-60, voor mevrouw Van Overloop. Een mens onthoudt al eens iets. Onderwijs dient wel eens ergens toe.


Hondsdraf, vroeg dit jaar

En binnenkort kunnen we luid en duidelijk zingen:

'Die winter is vergangen,
ik zie des meien schijn...'

We hadden er slechter voor kunnen staan.

maandag 16 maart 2020

Coronawandeling in het Vennengebied.

Wat doe tegenwoordig als je als opa zeventigplusser bent? In ieder geval niet naar je kleinkinderen gaan, want je behoort tot het kwetsbare deel van de bevolking. In het andere iedere geval niet in alle eer en deugd een tripel gaan drinken in een deftig etablissement, want die zijn allemaal gesloten: veel mensen bij elkaar kan niet meer. Vriend Yves komt met het idee: een wandeling in het Vennengebied, de natuur in, want er mag verondersteld worden dat die nog virus- en ziektevrij is. We vertrekken in de Dombergstraat aan het Bels Lijntje, een probleemloze geasfalteerde weg. Een vijftal kilometer zal ons tochtje duren, schat ik, want veel meer wil Yves niet lopen: hij is ook geen achttien meer. Ik wil best meer afstand verhapstukken, maar ik heb makkelijk praten: ik wandel al zittend in mijn scootmobiel, en dan is het makkelijk sportief te zijn.

Wij dus het Bels Lijntje op: veel groen is er nog niet te zien, bijna helemaal geen. Het is inderdaad nog winter. Hoewel! We horen de tjiftjaf, even later een kievit, aan de Klotteraard grutto's, en tegen het eind van de uitstap zien we snippen komen aanvliegen en landen in een weiland: veilig ver genoeg van ons, want snippen dat zijn schuwe vogels, meneer. En omgewaaide bomen, daar heeft de winter ook voor gezorgd: berken vooral, want die blijken niet zo stoer en sterk als het bronsgroen eikenhout. 'Semper excelsior' denken wij, en we beklimmen de uitkijktoren, waar het op 12 meter hoogte best waait: de wind huilt in de open constructie die de toren is. We hebben eerst het vlakke water beneden, dan het uitzicht over het water en de verdere omgeving: altijd de moeite.


De vlakke Klotteraard

Vanaf de toren zie je pas hoe hoog het ven staat: op de overgang tussen Kleine en Grote Klotteraard merk je dat de weidepaaltje netjes in het water staan: dat had ik nog nooit gezien. Ik had al dat gevoelen, en het is ook echt: het heeft echt veel geregend deze winter!


Een beetje panorama, met weidepaaltjes die aan een overstroming doen denken

De voorspelde zon geeft voorlopig echter niet thuis, het blijft grijsjes, niet dreigend, maar toch. Maar ook dan laat het ven zich van zijn fotogeniekste kant zin: bomen ondersteboven!


Fotogenieke Klotteraard

Op onze terugweg zien we toch wat kleur: drie witte zwanen in een groen weiland! Eentje lijkt al genoeg gerust te hebben: ze staat op, en strekt de nek, tegen haar gezellen teken doend van 'Komaan, jongens, we moeten iets gaan doen!' Vijftig meter links van die opstandeling waren net met enig gekwetter een tiental snippen geland: waarschijnlijk hadden die de platte rust verstoord.


Een opstandeling en twee lauwe soortgenoten

Op het einde van onze wandeling probeert de voorspelde zon er toch nog door te komen: het lukt haar nog niet helemaal, maar het wordt lichter, en samen bedanken Yves en ik Laura voor haar edoch late inspanning. We kijken terug op weer een goed bestede coronadag: wat wenst een mens nog meer!


Laura probeert zich door de wolken te wringen

dinsdag 28 januari 2020

Sint-Truiden: prof. Luc Snoeckx over 'Les Aquafortistes Belges'

Al bijna twee weken geleden hield mijn schoonbroer Luc Snoeckx een lezing over de 'Société des Aquafortistes Belges', een genootschap van etsers dat bestaan heeft van 1886 tot 1913. In Sint-Truiden had die voordracht plaats omdat zich daar, in het stadsarchief, een belangrijke verzameling van die etsen bevindt. Die komt van de Truienaar Jan Govaerts, een kanunnik aan de kathedraal van Luik, die zijn collectie etsen aan de vzw Vrienden van het St. Agnes Begijnhof heeft nagelaten. Daar diende enige orde in geschapen te worden en daar heeft Luc Snoeckx zich mee beziggehouden, zodat hij ondertussen ook een excellente kenner van die 'Belgische etsers' geworden is.


In 1888 werd een eerste map met 15 geselecteerde etsen uitgegeven - daar ging een wedstrijd aan vooraf -, en dat duurde zo, met een paar onderbrekingen tot 1913: in 1914 werd er geen map meer gepubliceerd, want de mensen, ook de kunstenaars, hadden toen andere besognes.


Prof. Luc Snoeckx

Voor de voordracht waren een aantal van die etsen te bekijken en te bewonderen, onder andere van James Ensor, Theo Van Rijsselberghe, Eugène Laermans, Fernand Knopff, zelfs Jakob Smits. Veel meer kunstenaars hebben voor die mappen werken geleverd, maar hun namen zijn vooral bij specialisten bekend: ik kende er in ieder geval weinig of geen van. Maar dat ligt natuurlijk aan mij, zoveel zal duidelijk zijn. Ik hoor niet bij die specialisten!


Henri Cassiers, L'église de Veere, Album 1902

De eerste ets die mij trof, is er een van Henri Cassiers, een Antwerpenaar: van hem verbeeldt een werk de grote kerk van Veere, en die herkende ik natuurlijk meteen: zo ziet dat gebouw er nu nog uit. De ets zelf komt uit het album van 1902. Die Henri Cassiers heeft veel in Zeeland gewerkt, en hij is ook de man die affiches voor de Red Star Line gemaakt heeft: in het gelijknamige museum in Antwerpen kun je ze zien, en worden ze in veel kleiner formaat als koelkastmagneten aan de man/vrouw gebracht.

Het volgende werk is van ene D. De Haene: 'periode niet gekend' staat achter zijn naam. Laten we maar denken dat deze raaf een tribuut is aan 'De onbekende Kunstenaar'. Raadselachtig vond mijn schoonbroer wat in de rechterbovenhoek van de ets stond: 'Never more'. Waarop de germanist in mezelf eventjes sprak: E.A Poe is de dichter van 'The raven', waarvan de strofen vanaf halfweg het gedicht eindigen op 'Never More'. Raadsel opgelost, ik heb hem nadien nog de tekst bezorgd. In dat gedicht heeft de ik-persoon zijn geliefde Lenore verloren, een raaf komt zijn kamer, of zijn dromen binnen, en herhaalt hem voortdurend dat zijn verlangen om haar terug te zien nooit vervuld kan worden: de zwarte raaf maakt de onverbiddelijke onomkeerbaarheid van de dood duidelijk! Laatste verzen van de voorlaatste strofe: 'Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!' 'Quoth the raven, 'Nevermore.' Je kunt dit zien als een Orpheusverhaal, het gaat over het diepe verlangen naar de gestorven geliefde, en de raaf staat voor de dood zelf. Achttien strofen van vijf en een halve verzen besteedt Poe aan dit tragische gegeven, en wat mij betreft: zeer indringend is het. Na grondige lezing sta je niet op en huppel je monter en opgewekt weer de wereld in.


D. De Haene, levensdatums niet gekend, Le corbeau / Never more, Album 1893

In het Album van 1896 zit ook een Ensor: 'Le triomphe de la mort', en dat is ook niet dadelijk het vrolijkste tafereel denkbaar! Een stoet opeengepakte mensen komt uit een straat gedrumd - dat doet nog denken aan de 'Intocht van Christus in Brussel' - daarboven vliegt Magere Hein, Pietje de Dood of hoe zijn naam ook mag zijn: een afschrikwekkend geraamte is het, met een zeer grote zeis, niemand zal ontsnappen. De twee hoekhuizen staan in brand, rechts vliegt of valt iemand door het dak het huis in, op de benedenverdieping houdt een hoerenkast haar laatste 'voorstelling': Eros en Thanatos, waar hebben we het meer gehoord of gezien? Dit is een Ensor op zijn best: waanzinnige, macabere humor, even absurd als het leven zelf. Ik hou wel van deze Ensor.


James Ensor, Le triomphe de la mort, Album 1896

Het naturalisme is vertegenwoordigd met een ets van Eugène Laermans: La sieste, uit 1898. Op een uitgestrekt veld, dicht bij het dorp met kerktoren, wordt het koren gepikt: vader, met zijn zeis nog in de hand, komt vrouw en kinderen te drinken brengen. Het tafereel op de voorgrond is nogal duister, je zou nog kunnen zeggen dat dat past bij het 'Hard Labeur', zoals de titel van een roman van Reimond Stijns uit 1904 luidde. Beide gaan alleszins over dezelfde tijd, toen men sprak van 'Arm Vlaanderen'.


Eugène Laermas, La sieste, Album 1898

Van een totaal andere aard is een werk van Armand Rassenfosse uit 1894: Eva. Geen Eva uit het scheppingsverhaal is dit, voor mij is het meer en verbeelding van 'das ewig weibliche': deze vrouw zit daar vrank en vrij verleidelijk te wezen, met een blik van 'wie doet mij wat?' of 'wie durft, komt maar af!' Ze doet mij eerlijk gezegd ook aan de vrouwen van Paul Gauguin denken, en dat zal ook wel komen door de bloemen in haar haar. Aantrekkelijk ets van Rassenfosse, die overigens zeker niet zomaar een prutser was, wel integendeel. Menige naakte vrouw heeft hij weergegeven: voor hem scheen het vrouwenlichaam ook het mooiste dat er was.


Armand Rassenfosse, Eva, Album 1894

Ten slotte: een eigenaardige ets van Albert Delstanche, uit 1914. In dat jaar werd er geen album meer uitgegeven, maar de onvermoeibare zoeker die Luc Snoeckx is, heeft in Zulte nog 9 etsen gevonden van een nooit uitgegeven Album. Die exemplaren dragen niet de droogstempel met de tekst 'Sté/ACQVAF./BELGES.' (Société des Aquafortistes Belges). Delstanche noemt zijn ets 'Pâques': maar van lente is nog helemaal geen sprake. Een kale, knoestige winterboom op de voorgrond, links een groepje van vijf of misschien meer treurende vrouwen, nonnen, aan hun hoofddeksel te zien, en rechts nog twee vrouwen in dezelfde desolate kleine vlakte. Veel contact schijnt er tussen de menselijke figuren niet te bestaan. Van lente is nog geen sprake schreef ik al, maar de vraag is of er ooit nog lente zal komen, want we zijn in 1914! Mogelijk is dit Hineininterprätation, maar het lijk mij ook wel een plausibele verklaring voor de uitwerking van deze ets.


Albert Delstanche, Pâques, Album 1914

Deze lezing was heel interessant, en heeft het talrijk opgekomen publiek van begin tot einde geboeid. De mensen hebben er ongetwijfeld veel bijgeleerd over kunstenaars van wie de namen nu voor de meesten van ons onbekend zijn: onbekend is onbemind zeggen we dan, en voor deze artiesten is dat ten onrechte: Cassiers en Rassenfosse om er maar twee te noemen. Luc Snoeckx weze dus bedankt voor zijn exposé. Ingrid Desmedt, van wie de naam op de eerste foto staat, is kunsthistorica en heeft Luc wegwijs gemaakt en begeleid in zijn onderwerp, want zelf is hij niet in de kunsten opgeleid. De vrouw van Luc, Agnes Dierckx, heeft de tentoongestelde foto's gemaakt: de echte etsen zijn ietwat te precieus om zomaar aan het licht blootgesteld te worden. Het publiek keek terug op een welbestede avond, die nog afgerond werd met een kleine receptie in Museum De Mindere in Sint-Truiden. En zo was iedereen verguld en tevreden.

zondag 5 januari 2020

Wenduine, Fernando Pessoa en Nona

Net zoals verleden jaar zat ik ook deze 1ste januari eventjes aan zee: drie dagen Wenduine, niet in de stralende zon, maar wel in het begin van de volgende 366 hoopvolle en gelukkige dagen waarin alles weer eens beter wordt dan in het afgelopen jaar. Mijn dochter, haar vriend en mijn kleindochter vergezelden mij, of eerder ik hen, want aan hen heb ik het te danken dat ik de Noordzee nog eens bezig kan zien. Dat noem je dan een gelukkige start van het jaar: wie hoort mij klagen?

Steeds binnen zitten is natuurlijk geen optie, en een wandeling onder grijze wolken en in behoorlijk wat wind is ook een uitstap: wie hoort ons klagen? Dus wij naar de zeedijk. Het eerste wat ik tegenkom is een gedicht, preciezer een fragment van een gedicht van nog niet eens de eerste de beste: van Fernando Pessoa is het, een Portugees in het kille Noorden!


Ode Maritima (fragment)

O, de dauw over mijn opwinding!
De koelte van de nacht over mijn innerlijke oceaan!
Plotseling staat alles in mij voor een nacht op zee.
Vol van het enorme en zo menselijke mysterie van de nachtelijke golven.
De maan rijst aan de horizon
En als een traan ontwaakt in mij de blijde kindertijd.
Mijn verleden keert terug, als was die kreet der zeeën
Een geur, een stem, de echo van een lied
Dat mijn verleden aanriep
Om dat geluk dat ik nooit meer zal hebben.

Die waarheid staat daar te lezen: het geluk van de blije kindertijd komt nooit meer terug! In de zomer lees je dat gedicht misschien ook, maar de stralende zon en een helblauwe hemel lokken je het water in, op zoek naar dat geluk dat je nooit meer zal hebben.

Van de 'Ode Maritima' staan langs heel de Belgische kust 38 fragmenten in dijken en op staketsels. En als je dat nog niet genoeg vindt: je kunt er nog 65 vooral Nederlandstalige gedichten lezen: het moet niet altijd zonnebrandolie en Nivea zijn! Al van in 2004 kun je van deze teksten genieten: dat leer ik uit een artikel in 'De Tijd'.

Maar wij willen wandelen, hoewel dat soms een groot woord is: ik zit pontificaal in mijn scootmobiel, en de kleine Nona wordt door vader verplaatst en vervoerd in een bolderkar: kleine beentjes kunnen nog niet zo lang bewegen. En ze geniet ervan dat ze wat vertroeteld wordt: ouders ten dienste van, kindje kan zich uitleven, in en uit de bolderkar.


Bijna de boottrekkers van de Wolga


Nona leeft zich uit, in...


... en uit de bolderkar

Als ze een een massa strandzand op een hogere rij ziet liggen, - dat dient om tegen het nieuwe seizoen het strand weer op te hogen - is de kar plots te beperkt en te benepen: ze springt eruit en zet het op een hollen, boven op die hoge rij. Mama kan er achteraan, en zo blijft iedereen fit, en heeft iedereen plezier.

En zo beleeft Nona een klein deeltje van het geluk dat ze nooit meer zal hebben, maar dat zal ze zich later pas realiseren, zoals wij allemaal dat gedaan hebben. En daar word je dan weer melancholisch van.

O ja, hoe sterk was de wind op nieuwjaarsdag?


Zo stond de wind op nieuwjaarsdag!

donderdag 12 december 2019

Henri de Braekeleer bij Félicien Rops in Namen (2)

De Braekeleer schilderde ook interieurs pur sang, zonder dat hij de buitenwereld liet meespelen. Een daarvan is 'Het atelier', de omgeving die hij, zullen we maar veronderstellen, het best kende. Links zit een kunstenaar te schilderen - zelfportret vanop de rug gezien? - centraal het model dat vereeuwigd wordt: ze kijkt links naar beneden, zodat het voor de schilder iets kunstzinnigs heeft. En voor de rest staat het atelier vol kunst: een schildersezel, natuurlijk hoort die erbij, op de schouw een beeld, op de kast vazen in allerlei vorm, en aan de achterwand talloze schilderijen: als die allemaal van dezelfde schilderende man zijn, zou je zeggen dat hij niet goed in de markt ligt, de verkoop kan beter. Maar dat is allicht een slechte gedachte van mezelf. De Braekeleer lijkt te willen zeggen: dit ben ik in mijn wereld, en hier voel ik me goed. En wie zou hem dat misgunnen? Een mooi portret van de werkomgeving van de kunstenaar is dit.


Het atelier

'De man in de stoel' hangt ook op deze tentoonstelling. Misschien is dit het bekendste schilderij van De Braekeleer, voor mij is het in ieder geval 100 % jeugdsentiment. Toen ik mijn middelbare school deed (in het Atheneum van Turnhout) hingen in de gangen veel reproducties van Vlaamse en Belgische schilderijen: 'De man in de stoel' was er een van. Ik herinner me ook een ruiker van Frits van den Berghe, en 'De therapeut' van Magritte: die laatste is ook een zittende man, maar totaal anders van aard dan deze De Braekeleer. 'Humaniora' betekende toen meer mens worden, je werd naar een hoger peil getild:je wandelde dan ook voortdurend voorbij kunstreproducties.

Maar naar 'De man in de stoel' dus. Typisch De Braekeleer: de vensters staan open en laten het licht binnen (dat heeft hij bij de 17de-eeuwers gezien). Dat licht valt dan volop op de man in de stoel: een sukkelaar is dat niet. Hij is fatsoenlijk gekleed, een horlogeketting wijst op enige welstand, de hoed maakt hem tot een burger van stand. Maar hij is oud, hij zit te rusten en te mijmeren met de ogen open: hij denkt aan vroeger, overpeinst zijn leven? Boven hem hangt een schilderij met naakte, vechtende figuren (tenminste, dat maak ik ervan), en daarboven staat een gemijterde bisschop met staf in de hand. Ook zeer nauwkeurig uitgewerkt is het behang op de achterwand: geduld en uren werk moeten daarin zitten. En zo hangt er een zeer rustgevende sfeer over dit schilderij: ik vind het prachtig.

s

De man in de stoel, 1876

Een ander genrestuk is de maaltijd: aan een volle tafel zit een goed geklede dame uit de bourgeoisie te eten: je moet haar rok eens bekijken: krot en compagnie is nog wat anders! Het interieur en wat er allemaal in staat, getuigt niet direct van armoede: die is de betere klasse, ongetwijfeld!


De  maaltijd, 1885

Vlak bij deze twee De Braekeleers hangt een doek van de vroege Ensor, uit 1880.
'Le salon bourgeois' heet het, en het laat een totaal andere manier van schilderen zien: je ziet een vrouw, een tafel met wit tafelkleed, een raam met een wit gordijn, maar toch blijft het schilderij redelijk donker, en alles wat er te zien is, wordt allesbehalve nauwgezet weergegeven. Ensor lijkt een totaal andere houding tegenover de bourgeoisie te hebben dan de Braekeleer. Ensor was dan ook niet de brave burgerman. Leuk is het wel om het contrast tussen beide schilders te zien: niet iedere schilder gaat dezelfde richting uit. Ensor is meteen een heel stuk moderner.


James Ensor, Le salon bourgeois, 1880

zondag 8 december 2019

Henri De Braekeleer bij Félicien Rops in Namen

Nog tot 2 februari van volgend jaar kun je in Namen, in het Félicien Rops Museum, een mooie en interessante tentoonstelling bezoeken: 'Henri De Braekeleer' heet die, met de ondertitel 'Fenêtre ouverte sur la modernité'. Je zou nog denken: 'Tiens, De Braekeleer bij Félicien Rops, wat hebben die met elkaar gemeen?' Wel, meer dan op het eerste oppervlakkige zicht zou lijken. Rops is een iets oudere tijdgenoot, en ook een pleinairist, hoewel dat aspect van zijn werk weinig bekend is; het is er ook het grootste deel niet van. En van De Braekeleer is ook bekend dat hij naar zee ging: naar Heist (bij Knokke) om de duinen en de zee te schilderen. Rops had dat ook al gedaan, en hij apprecieerde De Braekeleer dan ook. En beiden waren ze modernisten: ze weken af van de begane paden, van het academisme, van de romantiek van Gustaaf Wappers bijvoorbeeld. Gustaaf wie?

De Braekeleer was ook gebiologeerd door het licht, en hoe hij dat kon weergeven: hij deed me denken aan Johannes Vermeer en Pieter de Hoogh, Nederlandse meesters uit de zeventiende eeuw. Vensters heeft hij nodig, zodat het licht naar binnen kan stromen, en kan contrasteren met het binnenhuis. Een prachtvoorbeeld vind ik 'De Teniersplaats'. De constructie van het werk bestaat uit twee hoofdletters 'L': eentje ondersteboven aan de rechterbovenhoek, en een gewone aan de linkerbenedenhoek: een chiasme is het doek eigenlijk. De vrouw zit voor het raam naar buiten te kijken, naar de Teniersplaats, en naar de kerk in de achtergrond: de Sint-Jacobskerk is dat, waar Rubens begraven ligt. Met liefde voor het detail is deze scène weergegeven, zeer echt doen de huizen en de kerk aan, net zoals de vrouw, die dromerig (verlangend) naar buiten zit te kijken. Rustig is het er, geen voertuigen of paarden te zien: Van de tegenwoordige drukte van de stad aan de Schelde had men toen nog geen benul. Rustig realisme vind ik dit, een doek om van te houden.


De Teniersplaats in Antwerpen (1878)

'Luisteren naar de beiaard' heet een werk uit 1874: Natuurlijk herkent iedereen de grote toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in het grote venster, en het onafgewerkte torentje in het kleine venster rechts. De Braekeleer heeft er links nog een klein venster bijgeschilderd, zodat je een symmetrie krijgt: hij wist zijn schilderijen wel te construeren, De Braekeleer. De vrouw die in de stoel zit en naar de toren wijst, is zijn echtgenote: zij tweeën hielden veel van beiaardmuziek, en dit schilderij is er het bewijs van.


Luisteren naar de beiaard, 1874

Als het over licht en weerspiegelingen gaat, is 'De man aan het venster' een meesterwerk zonder meer. Je ziet de daken weerspiegeld in het open venster rechts, en - maar dat zie je niet zo goed op de foto - genuanceerd en veranderend licht in de verschillende ruitjes: zo echt en zo mooi en zo subtiel is dat, je zou er over willen wrijven. Hier geeft De Braekeleer de essentie van licht op glas weer, en dat alleen maar met verf! Een grootmeester was hij, laten we daar maar niet aan twijfelen. De man en zijn reflectie is een tweeling in het andere raam dat openstaat. Symmetrie is er ook weer: drie ramen, in het midden de man. En boven de man drie schouwpijpen die de eentonigheid wat breken: het moet niet altijd overal hetzelfde zijn!


De man aan het venster, ca. 1874-76

Ik vind deze intieme stadsgezichten zeer geslaagd, maar wat interieurs betreft had De Braekeleer ook best heel wat pijlen op zijn boog. Daarover heb ik het nog wel!