Gisteren nog eens naar het vennengebied gereden: met de scootmobiel deze keer. Zulk stralend weer mag je niet aan je laten voorbijgaan: vlekkeloos blauwe hemel, lentezonnetje dat zijn best doet, temperatuur best te doen. 'De winter is vergangen, ik zie des meien schijn' leerden we vroeger zingen: zover is het nog niet, maar het gaat duidelijk in die richting. Vandaag toch.
Aan 'De Kasteeltjes' weer volop wakker wordend leven, en Canadese ganzen als een klein bezettingsleger. Maar ik wil weten of er al snippen te zien zijn: hier in ieder geval niet.
Kleine invasie
Maar het mooiste beleef ik aan het 'Ezelsven', aan de Geheulse Dijk. Een vader en zijn zoon van een jaar of zestien staan naast hun automet de verrekijker het drasland en de weilanden erachter af te speuren. Ik hou er ook halt, ze zien mij ook over het vennetje turen, foto's proberen te maken, en: 'Da's genieten, hé' zegt de vader tegen me. Zeker weten is dat genieten, en ik zie dat ze zelfs een telescoop naast hun auto hebben staan: professionele bird watchers zijn het. Ze zien de grutto, de wulp, een roodborsttapuit, en laten me door hun telescoop meekijken. Die grutto en die wulp die gelijken echt op elkaar vind ik. 'Ja maar', zegt vader, 'de grutto heeft een lange rechte bek, die van de wulp buigt naar beneden'.
Grutto met de rechte bek
Wulp met gebogen bek
Gratis biologieles krijg ik, volkomen à l'improviste. Thuis lees ik in een natuurgids dat de wulp in onze streken de grootste waadvogel is: hij kan 53-58 cm groot worden. Dat is al geen kolibrie meer, natuurlijk. De grutto is ook een vogel die voortdurend zijn naam roept, zoals de tureluur en de kievit. Mijn vogelgids omschrijft die naamroeping als 'kr-wie-toe'. Het lijkt inderdaad op 'grutto', maar de vogel schijn een klein spraakgebrek te hebben. Het Ezelsven en de weilanden erachter zitten in elk geval vol geluid: het zou de moeite lonen ze allemaal te kunnen identificeren
Op de afsluiting van een wei spotten vader en zoon nog een roodborsttapuit, en die laten ze me ook eens bekijken. Een leek als ik vindt dat hij wat op een mees gelijkt, een zwartkopmees dan, maar natuurlijk is dat ook weer niet helemaal zo: bij deze tapuit komt er natuurlijk veel meer rood aan te pas.
Roodborsttapuit
Vlak voor we vertrekken zien de 'real bird watchers' nog een boerenzwaluw, de eerste van het jaar. 'Een zwaluw maakt de lente niet', dat weten we allemaal, maar ze is er dan toch. En ik ging dus uitkijken naar snippen: die zijn er helemaal nog niet, maar de lente komt er langzamerhand aan, dat heb ik wel gezien. En heel wat opgestoken, dat heb ik ook.
zondag 20 maart 2011
vrijdag 11 maart 2011
Weer thuis
Weer thuis! Dat wil voor mij zeggen in het Vennengebied, na een sombere winter waarin mijn scootmobiel alleen dient om boodschappen mee te doen. Hoewel, de dertiende februari heb ik de protestwandeling meegereden: het was redelijk weer, maar na twee uur protesteren vanuit mijn rolstoel-met-batterij was ik verkleumd van de kou. Ik wist meteen weer waarom ik in de winter niet uitrijd, ook al had ik vanaf de uitkijktoren graag het besneeuwde landschap eens bekeken. Maar af en toe gebruik je beter je verstand.
Drie dagen geleden heb ik dat nog eens gedaan, de rede laten werken: de zon straalt met de volle kracht van de achtste maart, er is geen spatje wolk aan de hemel, stralend weer dus, maar toch een nijdige frisse wind. Lente is nog iets anders, hoewel, je voelt hem komen, of je hoopt hem komen. Ik dus naar de vennen, maar met de auto, want de accu van mijn Harley-Davidson voor gehandicapten loopt op zijn laatste benen - als ik dat zo mag uitdrukken - en ik dus autogewijs naar de natuur. Bijna een blasfemie is dat, ik weet het, maar nood breekt wet rationaliseer ik dan maar. En op de obligate maar geliefde plekken stap ik uit en maak een wandelingetje en wat kiekjes. Aan het Peerdsven bijvoorbeeld. Nooit zoveel water in het ven zien staan: het is door de restauratie (natuurherinrichting zeg maar) behoorlijk groter geworden, kan dus meer bevatten, en is inderdaad tot aan de randjes boordevol. Het moet toch een natte winter geweest zijn, denk je dan.
Het Peerdsven: vol blauw water en bomen die op herleven wachten (sommige tevergeefs)
De restaurateurs hebben het gebied ook netjes afgesloten: het ziet er pront en patent uit, het ven. Een eind verder kom ik aan het Ezelsven, dat al op Merksplas ligt, iets voorbij de Turnhoutse Nieuwe Bossen. 'Geheulse Dijk' heet de weg daar. Op een kaartje van Natuurpunt wordt die plek aangeduid als 'drasland', maar dat drasland wordt steeds groter, lijkt mij, en je kunt hier eigenlijk wel van een ven(netje) spreken. Ik kan mijn zin van net hierboven herhalen: nooit zoveel water in het ven zien staan. En hier leeft de natuur al wat meer: de kieviten zijn terug, wat ik vroeg vind, achter het ven zie ik twee Canadese ganzen, en in het ven zijn drie eenden slobberend op zoek naar eten.
Het Ezelsven in zijn volle uitgestrektheid
Zoektocht naar het dagelijks brood?
Eventjes verder, achter het Zwart Water maar nog op Merksplas, ligt een gebied dat 'De Kasteeltjes' heet: waar die naam vandaan komt, is me een raadsel, want al wat je er ziet zijn weilanden en rechts een populierenbos. Op De Kasteeltjes liggen ook twee plassen: ondergelopen weiland zou ik het noemen, maar waarschijnlijk is dat ook zogenaamd drasland. Op de linkse plas maken ganzen driftig gakkerend luidkeels ruzie om eten, zo vroeg op het seizoen dat nog moet beginnen, en kieviten roepen zoals voorgeschreven hun naam. Snippen zijn er nog niet te horen of te bespeuren, evenmin koeien in de wei: de lente is er nog niet echt. En veel water kun je zien, ook waar dat anders niet staat. En heel vroegwijze vroegrijpe madeliefjes: drieste bloempjes!
Onverwacht water
Drieste madelieven
Ten slotte: mijn auto geparkeerd aan het Bels Lijntje, achter de Grote Klotteraard, en naar de uitkijktoren lopen. Het vertrouwde panorama, maar veel jong groen is er niet te merken. Boven op de toren kun je wel een foto nemen van 'Turnhouts Vennengebied: een toekomstimpressie'. Dat is vandaag in alle betekenissen waar.
Toekomstimpressie van het Vennengebied
P.S.:
Op een weerwebsite van Zuid-Limburg (Netherlands) lees ik: 'Wat neerslag betreft was de winter opnieuw een vrij nat seizoen. (Wat een on-zin!) Er viel gemiddeld in onze provincie zo'n 210 mm neerslag, tegenover 180 mm neerslag normaal. Samen met het natte najaar zorgt dat er dus voor dat de bodem nog steeds helemaal verzadigd is van het vocht.'
Dat heb ik hier ook kunnen vaststellen.
P.S. 2:
Wie ook al vaak te horen was: de tjiftjaf. Lees ik vandaag (17.03) in 'Natuur.blad', het driemaandelijkse tijdschrift van Natuurpunt in het artikel 'Lenteboodschappers' dat het vogeltje overwintert in de landen rond de Middellandse Zee, maar dat vanaf maart zijn roep weer volop in onze streken klinkt.
Een tjiftjaf heb ik nog nooit gezien (het is een klein, overwegend bruin vogeltje leert het artikel me), maar al zeer vaak waargenomen: je moet niet eens echt je oren spitsen. de tutreluur is ook zo'n vogel: die heb ik eens gehoord op de plaasen aan 'De Kasteeltjes', maar gezien? Ook nog nooit.
Zichtbare tjiftjaf
Drie dagen geleden heb ik dat nog eens gedaan, de rede laten werken: de zon straalt met de volle kracht van de achtste maart, er is geen spatje wolk aan de hemel, stralend weer dus, maar toch een nijdige frisse wind. Lente is nog iets anders, hoewel, je voelt hem komen, of je hoopt hem komen. Ik dus naar de vennen, maar met de auto, want de accu van mijn Harley-Davidson voor gehandicapten loopt op zijn laatste benen - als ik dat zo mag uitdrukken - en ik dus autogewijs naar de natuur. Bijna een blasfemie is dat, ik weet het, maar nood breekt wet rationaliseer ik dan maar. En op de obligate maar geliefde plekken stap ik uit en maak een wandelingetje en wat kiekjes. Aan het Peerdsven bijvoorbeeld. Nooit zoveel water in het ven zien staan: het is door de restauratie (natuurherinrichting zeg maar) behoorlijk groter geworden, kan dus meer bevatten, en is inderdaad tot aan de randjes boordevol. Het moet toch een natte winter geweest zijn, denk je dan.
Het Peerdsven: vol blauw water en bomen die op herleven wachten (sommige tevergeefs)
De restaurateurs hebben het gebied ook netjes afgesloten: het ziet er pront en patent uit, het ven. Een eind verder kom ik aan het Ezelsven, dat al op Merksplas ligt, iets voorbij de Turnhoutse Nieuwe Bossen. 'Geheulse Dijk' heet de weg daar. Op een kaartje van Natuurpunt wordt die plek aangeduid als 'drasland', maar dat drasland wordt steeds groter, lijkt mij, en je kunt hier eigenlijk wel van een ven(netje) spreken. Ik kan mijn zin van net hierboven herhalen: nooit zoveel water in het ven zien staan. En hier leeft de natuur al wat meer: de kieviten zijn terug, wat ik vroeg vind, achter het ven zie ik twee Canadese ganzen, en in het ven zijn drie eenden slobberend op zoek naar eten.
Het Ezelsven in zijn volle uitgestrektheid
Zoektocht naar het dagelijks brood?
Eventjes verder, achter het Zwart Water maar nog op Merksplas, ligt een gebied dat 'De Kasteeltjes' heet: waar die naam vandaan komt, is me een raadsel, want al wat je er ziet zijn weilanden en rechts een populierenbos. Op De Kasteeltjes liggen ook twee plassen: ondergelopen weiland zou ik het noemen, maar waarschijnlijk is dat ook zogenaamd drasland. Op de linkse plas maken ganzen driftig gakkerend luidkeels ruzie om eten, zo vroeg op het seizoen dat nog moet beginnen, en kieviten roepen zoals voorgeschreven hun naam. Snippen zijn er nog niet te horen of te bespeuren, evenmin koeien in de wei: de lente is er nog niet echt. En veel water kun je zien, ook waar dat anders niet staat. En heel vroegwijze vroegrijpe madeliefjes: drieste bloempjes!
Onverwacht water
Drieste madelieven
Ten slotte: mijn auto geparkeerd aan het Bels Lijntje, achter de Grote Klotteraard, en naar de uitkijktoren lopen. Het vertrouwde panorama, maar veel jong groen is er niet te merken. Boven op de toren kun je wel een foto nemen van 'Turnhouts Vennengebied: een toekomstimpressie'. Dat is vandaag in alle betekenissen waar.
Toekomstimpressie van het Vennengebied
P.S.:
Op een weerwebsite van Zuid-Limburg (Netherlands) lees ik: 'Wat neerslag betreft was de winter opnieuw een vrij nat seizoen. (Wat een on-zin!) Er viel gemiddeld in onze provincie zo'n 210 mm neerslag, tegenover 180 mm neerslag normaal. Samen met het natte najaar zorgt dat er dus voor dat de bodem nog steeds helemaal verzadigd is van het vocht.'
Dat heb ik hier ook kunnen vaststellen.
P.S. 2:
Wie ook al vaak te horen was: de tjiftjaf. Lees ik vandaag (17.03) in 'Natuur.blad', het driemaandelijkse tijdschrift van Natuurpunt in het artikel 'Lenteboodschappers' dat het vogeltje overwintert in de landen rond de Middellandse Zee, maar dat vanaf maart zijn roep weer volop in onze streken klinkt.
Een tjiftjaf heb ik nog nooit gezien (het is een klein, overwegend bruin vogeltje leert het artikel me), maar al zeer vaak waargenomen: je moet niet eens echt je oren spitsen. de tutreluur is ook zo'n vogel: die heb ik eens gehoord op de plaasen aan 'De Kasteeltjes', maar gezien? Ook nog nooit.
Zichtbare tjiftjaf
vrijdag 4 maart 2011
Anselm Kiefer in Antwerpen (II)
Het is niet allemaal oorlog wat Anselm Kiefer schildert. Met een aantal werken die refereren aan de bijbel plaatst hij zich in een eeuwenoude traditie: ik denk aan 'Jacobsleiter', 'Am Anfang' en 'Der Furchtbare Halbmond'.
Volgens Genesis 28:12 zag Jacob in een droom een ladder die de aarde met de hemel verbond toen hij op de vlucht was voor zijn tweelingbroer Esau. Op die ladder zag hij engelen naar de aarde dalen en weer ten hemel klimmen: boven aan de ladder zag Jacob Jahweh die zijn nageslacht het land Kanaän beloofde (tenminste, dat leer ik van Wikipedia). Rembrandt heeft een 'Jacosladder' geschilderd, ene Michael Willmann in 1691, in recentere tijden Marc Chagall: het thema schijnt in de westerse schilderkunst niet onbekend te zijn. En je ziet de engelen dalen en stijgen op die ladder, een verbinding, een verbond makend tussen hemel en aarde. Niet zo bij Kiefer: geen engelen te bespeuren, in het midden splitst de ladder, de weelderige plantengroei van bij Willmann is verdwenen: dode takken en twijgen zie je achter de ladder, die bovendien op dorre, uitgedroogde en gebarsten grond staat, en helemaal tot in de hemel reikt ze ook niet. In de begeleidende uitleg lees ik dat de Jacobsladder 'binnen de Joodse traditie staat voor een spirituele klim die leidt tot een beter begrip van de relatie tussen God en de mens'. Dat lijkt me hier echt niet mogelijk: al die dorheid, de ladder die twee richtingen heeft, naar twee vergeefse doelen leidt. Kiefer zegt mij dat in de wereld van vandaag de relatie tussen God en mens onbestaande is, dat contact van de mens met God een irrealistische wens is, een illusie, meer niet.
Jacobsladder: nutteloos middel tot contact
Een ander schilderij dat 's mensen machteloze eenzaamheid uitbeeldt is 'Am Anfang'. De titel verwijst naar de eerste verzen van het boek Genesis: 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de geest Gods zweefde over de wateren'. Aarde is er op dit schilderij niet al te veel: een klein strookje strand, dat is alles. Je ziet wel een zware, aanrollende, dreigende zee (dat is ook aarde, natuurlijk). De lucht boven die zee - de hemel dus - lijkt vol donderwolken en onweer te zitten. Tussen hemel en zee bevindt zich een neutrale strook: ze raken elkaar niet. Waar of hoe Gods geest over de wateren zweeft? Hij blijft afwezig in deze woestijn van zee en dreigende storm. Toch zoekt de mens in zijn wanhoop contact te leggen met die God: een ladder reikt in dit geval tot in de hemel. Tussen de sporten is een rol gevlochten, en rol die vol staat met foto's van torens, van hoge gebouwen die soms zeer wankel lijken. Een andere manier is het om het verhaal van de 'Toren van Babel', het failliet van de hubris, uit te beelden: het is weer mislukt. En wat meer is: die fotorol glijdt langzamerhand naar beneden. Op de grond ligt de rest van de rol letterlijk uitgezakt en in de war, terug op aarde. De boodschap is duidelijk, en consistent met die van de 'Jacobsladder'.
Am Anfang
Voor mij is het indrukwekkendste werk van de tentoonstelling 'Der Fruchtbare Halbmond', 'De vruchtbare halve maan'. Zo wordt ook het gebied genoemd waar zich de bakermat van de westerse beschaving bevond, het Tweestromenland tussen Tigris en Eufraat. Het is ook in dat gebied dat de bijbelse Toren van Babel te situeren is. Je moet al ziende blind zijn om bij die werk niet aan Breughels versie te denken, zijn uitbeelding van de menselijk hubris.Kiefer plaatst zich zo weer netjes in de westerse traditie, zij het dan dat zijn manier van schilderij heel anders is, en dat hij het verhaal weer andere accenten geeft. Bij Breughel wordt er over de bouw van de toren gepraat, steenhouwers zijn druk in de weer, schepen voeren materiaal aan, de bedrijvigheid is zich van haar illusoire onderneming nog niet bewust. Niet zo bij Kiefer: geen mensen te zien, geen bedrijvigheid, de toren is afgebrokkeld, niet volledig ingezakt dat niet, maar van een project dat met suces bekroond is, kun je toch moeilijk spreken: je ziet het troosteloze resultaat van bovenmenselijke inspanningen. De tekst over dit schilderij zegt dan: 'Kiefer beschouwt de ruïne niet als het einde, maar als een nieuw begin. Kiefer wil bouwen aan eenheid in verscheidenheid'. Het ligt allicht aan mij, maar dat zie ik niet. Toch is volgens mij dit werk het 'pièce de résistance' van de tentoonstelling. Ik word er alweer niet vrolijk van, maar ik werd naar dit werk toegezogen, ik wilde er per se een stiekeme foto van.Kiefer is kennelijk geen optimist, maar hij geeft oude verhalen een nieuwe inhoud, de inhoud van deze, zijn tijd, en hij doet dat met een zeer overtuigend métier. Moet je gezien hebben, vind ik dan.
Der Furchtbare Halbmond
Breughel: De toren van Babel, foto van de reproductie van de versie (1563) in het Kunsthistorisches Museum in Wenen
Volgens Genesis 28:12 zag Jacob in een droom een ladder die de aarde met de hemel verbond toen hij op de vlucht was voor zijn tweelingbroer Esau. Op die ladder zag hij engelen naar de aarde dalen en weer ten hemel klimmen: boven aan de ladder zag Jacob Jahweh die zijn nageslacht het land Kanaän beloofde (tenminste, dat leer ik van Wikipedia). Rembrandt heeft een 'Jacosladder' geschilderd, ene Michael Willmann in 1691, in recentere tijden Marc Chagall: het thema schijnt in de westerse schilderkunst niet onbekend te zijn. En je ziet de engelen dalen en stijgen op die ladder, een verbinding, een verbond makend tussen hemel en aarde. Niet zo bij Kiefer: geen engelen te bespeuren, in het midden splitst de ladder, de weelderige plantengroei van bij Willmann is verdwenen: dode takken en twijgen zie je achter de ladder, die bovendien op dorre, uitgedroogde en gebarsten grond staat, en helemaal tot in de hemel reikt ze ook niet. In de begeleidende uitleg lees ik dat de Jacobsladder 'binnen de Joodse traditie staat voor een spirituele klim die leidt tot een beter begrip van de relatie tussen God en de mens'. Dat lijkt me hier echt niet mogelijk: al die dorheid, de ladder die twee richtingen heeft, naar twee vergeefse doelen leidt. Kiefer zegt mij dat in de wereld van vandaag de relatie tussen God en mens onbestaande is, dat contact van de mens met God een irrealistische wens is, een illusie, meer niet.
Jacobsladder: nutteloos middel tot contact
Een ander schilderij dat 's mensen machteloze eenzaamheid uitbeeldt is 'Am Anfang'. De titel verwijst naar de eerste verzen van het boek Genesis: 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de geest Gods zweefde over de wateren'. Aarde is er op dit schilderij niet al te veel: een klein strookje strand, dat is alles. Je ziet wel een zware, aanrollende, dreigende zee (dat is ook aarde, natuurlijk). De lucht boven die zee - de hemel dus - lijkt vol donderwolken en onweer te zitten. Tussen hemel en zee bevindt zich een neutrale strook: ze raken elkaar niet. Waar of hoe Gods geest over de wateren zweeft? Hij blijft afwezig in deze woestijn van zee en dreigende storm. Toch zoekt de mens in zijn wanhoop contact te leggen met die God: een ladder reikt in dit geval tot in de hemel. Tussen de sporten is een rol gevlochten, en rol die vol staat met foto's van torens, van hoge gebouwen die soms zeer wankel lijken. Een andere manier is het om het verhaal van de 'Toren van Babel', het failliet van de hubris, uit te beelden: het is weer mislukt. En wat meer is: die fotorol glijdt langzamerhand naar beneden. Op de grond ligt de rest van de rol letterlijk uitgezakt en in de war, terug op aarde. De boodschap is duidelijk, en consistent met die van de 'Jacobsladder'.
Am Anfang
Voor mij is het indrukwekkendste werk van de tentoonstelling 'Der Fruchtbare Halbmond', 'De vruchtbare halve maan'. Zo wordt ook het gebied genoemd waar zich de bakermat van de westerse beschaving bevond, het Tweestromenland tussen Tigris en Eufraat. Het is ook in dat gebied dat de bijbelse Toren van Babel te situeren is. Je moet al ziende blind zijn om bij die werk niet aan Breughels versie te denken, zijn uitbeelding van de menselijk hubris.Kiefer plaatst zich zo weer netjes in de westerse traditie, zij het dan dat zijn manier van schilderij heel anders is, en dat hij het verhaal weer andere accenten geeft. Bij Breughel wordt er over de bouw van de toren gepraat, steenhouwers zijn druk in de weer, schepen voeren materiaal aan, de bedrijvigheid is zich van haar illusoire onderneming nog niet bewust. Niet zo bij Kiefer: geen mensen te zien, geen bedrijvigheid, de toren is afgebrokkeld, niet volledig ingezakt dat niet, maar van een project dat met suces bekroond is, kun je toch moeilijk spreken: je ziet het troosteloze resultaat van bovenmenselijke inspanningen. De tekst over dit schilderij zegt dan: 'Kiefer beschouwt de ruïne niet als het einde, maar als een nieuw begin. Kiefer wil bouwen aan eenheid in verscheidenheid'. Het ligt allicht aan mij, maar dat zie ik niet. Toch is volgens mij dit werk het 'pièce de résistance' van de tentoonstelling. Ik word er alweer niet vrolijk van, maar ik werd naar dit werk toegezogen, ik wilde er per se een stiekeme foto van.Kiefer is kennelijk geen optimist, maar hij geeft oude verhalen een nieuwe inhoud, de inhoud van deze, zijn tijd, en hij doet dat met een zeer overtuigend métier. Moet je gezien hebben, vind ik dan.
Der Furchtbare Halbmond
Breughel: De toren van Babel, foto van de reproductie van de versie (1563) in het Kunsthistorisches Museum in Wenen
maandag 31 januari 2011
Anselm Kiefer in Antwerpen (I)
Het 'Koninklijk Museum voor Schone Kunsten' wordt gefatsoeneerd en gerestaureerd, maar toch slaagt het er toch nog in een belangrijke tentoonstelling te organiseren. Werk van de Duitse schilder Anselm Kiefer, een geweldig verontwaardigde, zou ik op het eerste gezicht zeggen. De nazi's zouden zijn kunst zonder meer en zonder twijfel als 'entartete Kunst' in het vreugdevuur van hun brandstapels gekieperd hebben: zij zijn ondertussen overwonnen, maar in het werk van Kiefer zijn ze prominent aanwezig met hun oorlog en de gevolgen daarvan. En klap in je gezicht is deze tentoonstelling, een dreun op je hersens, een steek in je hart. Je wordt er niet bepaald vrolijk van.
Je kunt bij het binnengaan een tekst meenemen, waarin Kiefers werk wordt geduid en de schilderijen een korte commentaar krijgen. Paul Depondt is de bron van de tekst op de eerste bladzijde: hij typeert het werk naar mijn gevoelen zeer goed. Ik citeer: 'In zijn schilderijen laat Kiefer zelden hoop opflakkeren. Hij schildert 'verkoolde landschappen na de slag': desolate, duistere en onvruchtbare landschappen, waarin hij versteende varens en doornstruiken plaatst. Het zijn beelden van de wereld na de apocalyps, zonder overlevenden. Zijn marines tonen een zee des doods, waarin het roestige marineschepen aanbrengt, alsof de oorlog eindeloos doorgaat (Voyage au bout de la nuit).' Ik kan me nogal vinden in deze typering, moet ik zeggen.
Voyage au bout de la nuit
De titel van dit schilderij heeft Kiefer ontleend aan de eerste zeer invloedrijke roman van de Franse anti-semitische schrijver L.F. Céline: Kiefer werkt niet in een vacuüm: hij is zeer betrokken bij zijn tijd en zijn wereld. De roestige schepen en roestkleurige zee zijn niet in de eerste plaats aantrekkelijk: een soort van afgrijzen schijnt eruit te klinken. Botticelli's 'Geboorte van Venus' is van een totaal andere orde. Hier zie je het gevolg van het tegendeel van liefde.
'Schwarze Flocken' is nog zo'n werk dat je een stomp in de maag geeft. In het midden van het schilderij trekt een loodzwaar boek de aandacht: uit het boek komen verzen te voorschijn uit het gedicht 'Schwarze Flocken' van de Duits-joodse dichter Paul Celan. Ik heb dat gedicht gezocht en gevonden: diepe rouw en treurnis, wanhoop spreken er uit. Het begint zo:
'Sneeuw is gevallen, lichtloos. Eén maan her
is het al of twee dat de herfst ook mij in monnikspij
een tijding bracht, een blad uit Oekraïense heuvels:
Bedenk dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu
in het land waar de grootste stroom vliedt:
Jaäkobs hemelse bloed, gebenedijd door bijlen...'.
Jacobs hemelse bloed is onderaan links te lezen, in het Duits natuurlijk. De sneeuw is ook niet stralend wit, en je hebt de indruk dat je op een uitgestrekt oorlogskerkhof staat te kijken, maar wat uit de grond steekt zijn geen kruisen (natuurlijk niet, Celan heeft het over zijn volk, de Joden), maar je ziet hier en daar dingen die op runetekens gelijken, het oudste bekende geschrift van de Germanen. De stokken die je ziet zouden door en door verbrande wijngaardranken kunnen zijn: alle leven is uitgewist. De laatste strofe van het gedicht nog:
'Bloedde, moeder, de herfst me maar weg, brandde de sneeuw me maar:
zocht ik mijn hart maar, dat het huilt, vond ik de zucht maar, ach,
van de zomer
was-ie als jij.
Kwam me de traan, Weefde ik dat doekje.'
Zeer indringend is het gedicht, net zoals het schilderij overigens.
Schwarze Flocken
Wat je ook niet alle dagen op een schilderijententoonstelling ziet: een vliegtuig scheert over het eerste schilderij. Neen natuurlijk, het maakt deel uit van het werk. Het gaat om een gevechtsvliegtuig, voor de constructie waarvan volgens de informatie lood gebruikt is van het dak van de Dom van Keulen: Kiefer vlucht niet voor het Duitse verleden. Integendeel, hij doet een poging om het te verwerken. Enige troost is te vinden in de gedroogde zonnebloemen die het vliegtuig meedraagt: mij lijkt het hoop tegen beter weten is, een pleister op een houten been. Misschien ben ik te streng, maar het grijs van de aanrollende zee, en het even grijze landschap waarin kennelijk ooit aan landbouw gedaan is, domineren zo zeer, dat de zonnebloemen op mij een niet erg geloofwaardige indruk maken. Maar ik begrijp de Duitse kunstenaar wel: het leven gaat hoe dan ook verder, hij moet zich op een of andere manier wat hoop verschaffen, er moet licht zijn om naar uit te kijken. Hoe zou je het anders volhouden? En die zonnebloemen met hun zaden zijn natuurlijk de 'Grosse Fracht': je krijgt hier de paradox van de vernietiging die tezelfdertijd nieuw leven in zich draagt. Toch, ik heb er gemengde gevoelens bij. Maar indrukwekkend is het zeer zeker: het stemt tot nadenken: dit schilderij en heel de tentoonstelling is geen vrijblijvend evenement over 'Blumen aus Deutschland'.
Grosse Fracht
Hetzelfde thema, oorlog, beeldt Kiefer uit in 'Schlacht über England': een troosteloos grijze hemel, aan de linkerkant een lichtblauwe vlek, witte strepen over heel het doek suggereren dat die hemel vol vernietiging zaaiende vliegtuigen gehangen heeft, een overgebleven vliegtuig stort, vernietigd, neer. Een Duits vliegtuig allicht: de schilder stelt zijn landgenoten nergens als heroïsche overwinnaars voor. Boven aan het schilderij is 'the last of England' te lezen: voorbarige conclusie was dat. Engeland is opnieuw recht gestaan, de Duitsers zijn ten slotte ingestort. Ik vind het formidabel hoe Kiefer hier met weinig middelen en kleur de geschiedenis en zijn houding ertegenover kan weergeven, en zijn houding tegenover oorlog in het algemeen.
Schlacht über England
Je kunt bij het binnengaan een tekst meenemen, waarin Kiefers werk wordt geduid en de schilderijen een korte commentaar krijgen. Paul Depondt is de bron van de tekst op de eerste bladzijde: hij typeert het werk naar mijn gevoelen zeer goed. Ik citeer: 'In zijn schilderijen laat Kiefer zelden hoop opflakkeren. Hij schildert 'verkoolde landschappen na de slag': desolate, duistere en onvruchtbare landschappen, waarin hij versteende varens en doornstruiken plaatst. Het zijn beelden van de wereld na de apocalyps, zonder overlevenden. Zijn marines tonen een zee des doods, waarin het roestige marineschepen aanbrengt, alsof de oorlog eindeloos doorgaat (Voyage au bout de la nuit).' Ik kan me nogal vinden in deze typering, moet ik zeggen.
Voyage au bout de la nuit
De titel van dit schilderij heeft Kiefer ontleend aan de eerste zeer invloedrijke roman van de Franse anti-semitische schrijver L.F. Céline: Kiefer werkt niet in een vacuüm: hij is zeer betrokken bij zijn tijd en zijn wereld. De roestige schepen en roestkleurige zee zijn niet in de eerste plaats aantrekkelijk: een soort van afgrijzen schijnt eruit te klinken. Botticelli's 'Geboorte van Venus' is van een totaal andere orde. Hier zie je het gevolg van het tegendeel van liefde.
'Schwarze Flocken' is nog zo'n werk dat je een stomp in de maag geeft. In het midden van het schilderij trekt een loodzwaar boek de aandacht: uit het boek komen verzen te voorschijn uit het gedicht 'Schwarze Flocken' van de Duits-joodse dichter Paul Celan. Ik heb dat gedicht gezocht en gevonden: diepe rouw en treurnis, wanhoop spreken er uit. Het begint zo:
'Sneeuw is gevallen, lichtloos. Eén maan her
is het al of twee dat de herfst ook mij in monnikspij
een tijding bracht, een blad uit Oekraïense heuvels:
Bedenk dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu
in het land waar de grootste stroom vliedt:
Jaäkobs hemelse bloed, gebenedijd door bijlen...'.
Jacobs hemelse bloed is onderaan links te lezen, in het Duits natuurlijk. De sneeuw is ook niet stralend wit, en je hebt de indruk dat je op een uitgestrekt oorlogskerkhof staat te kijken, maar wat uit de grond steekt zijn geen kruisen (natuurlijk niet, Celan heeft het over zijn volk, de Joden), maar je ziet hier en daar dingen die op runetekens gelijken, het oudste bekende geschrift van de Germanen. De stokken die je ziet zouden door en door verbrande wijngaardranken kunnen zijn: alle leven is uitgewist. De laatste strofe van het gedicht nog:
'Bloedde, moeder, de herfst me maar weg, brandde de sneeuw me maar:
zocht ik mijn hart maar, dat het huilt, vond ik de zucht maar, ach,
van de zomer
was-ie als jij.
Kwam me de traan, Weefde ik dat doekje.'
Zeer indringend is het gedicht, net zoals het schilderij overigens.
Schwarze Flocken
Wat je ook niet alle dagen op een schilderijententoonstelling ziet: een vliegtuig scheert over het eerste schilderij. Neen natuurlijk, het maakt deel uit van het werk. Het gaat om een gevechtsvliegtuig, voor de constructie waarvan volgens de informatie lood gebruikt is van het dak van de Dom van Keulen: Kiefer vlucht niet voor het Duitse verleden. Integendeel, hij doet een poging om het te verwerken. Enige troost is te vinden in de gedroogde zonnebloemen die het vliegtuig meedraagt: mij lijkt het hoop tegen beter weten is, een pleister op een houten been. Misschien ben ik te streng, maar het grijs van de aanrollende zee, en het even grijze landschap waarin kennelijk ooit aan landbouw gedaan is, domineren zo zeer, dat de zonnebloemen op mij een niet erg geloofwaardige indruk maken. Maar ik begrijp de Duitse kunstenaar wel: het leven gaat hoe dan ook verder, hij moet zich op een of andere manier wat hoop verschaffen, er moet licht zijn om naar uit te kijken. Hoe zou je het anders volhouden? En die zonnebloemen met hun zaden zijn natuurlijk de 'Grosse Fracht': je krijgt hier de paradox van de vernietiging die tezelfdertijd nieuw leven in zich draagt. Toch, ik heb er gemengde gevoelens bij. Maar indrukwekkend is het zeer zeker: het stemt tot nadenken: dit schilderij en heel de tentoonstelling is geen vrijblijvend evenement over 'Blumen aus Deutschland'.
Grosse Fracht
Hetzelfde thema, oorlog, beeldt Kiefer uit in 'Schlacht über England': een troosteloos grijze hemel, aan de linkerkant een lichtblauwe vlek, witte strepen over heel het doek suggereren dat die hemel vol vernietiging zaaiende vliegtuigen gehangen heeft, een overgebleven vliegtuig stort, vernietigd, neer. Een Duits vliegtuig allicht: de schilder stelt zijn landgenoten nergens als heroïsche overwinnaars voor. Boven aan het schilderij is 'the last of England' te lezen: voorbarige conclusie was dat. Engeland is opnieuw recht gestaan, de Duitsers zijn ten slotte ingestort. Ik vind het formidabel hoe Kiefer hier met weinig middelen en kleur de geschiedenis en zijn houding ertegenover kan weergeven, en zijn houding tegenover oorlog in het algemeen.
Schlacht über England
maandag 15 november 2010
Brugge: Van Eyck tot Dürer
De Vlaamse Primitieven liggen me na aan het hart, en als er dan weer een tentoonstelling over hen te bekijken is, dan wordt het ongeveer spoorslags ernaartoe rijden, zeker als het, zoals bijna altijd, in Brugge te doen is, want daar wil ik ook bijzonder graag komen. Als je dan een beeld kunt krijgen van Van Eyck tot Dürer, van de invloed van de Vlaamse schilders op de Duitstalige landen en verder op het oosten van Europa, dan wil je dat natuurlijk gezien hebben. Dat wil zeggen: ik toch.
Jan van Eyck stierf al in 1441, Hans Memling in 1494, maar dan een halve eeuw later dus. Maar de uitstraling van de Vlaamse Primitieven begint, volgens de naam van de tentoonstelling, al bij Van Eyck. Behoorlijk wat Duitse schilders hebben zich ingespannen om het niveau van hun Vlaamse vakgenoten te evenaren, zo van: dat moeten we ook kunnen. Onbekende namen blijken zeer verdienstelijke kunstenaars te zijn geweest. Een opsomming: Hans Multscher, Konrad Witz, Conrad Laib, Hans Pleydenwurff, Michael Wolgemut, Walter Schongauer. Van al die mensen is werk te zien, en dan stel je vast dat ze een grote inhaalbeweging gemaakt hebben, maar dat ze nog het laatste tikje talent of metier misten dat de Vlaamse Primitieven zo uitstekend maakte. Zo snel was het verschil (de achterstand?) niet helemaal te overbruggen. Tegen het eind van de vijftiende eeuw lijkt dat te veranderen: ik zie een prachtig 'Portret van een jonge vrouw' uit 1480 of daaromtrent. Zeer licht is dit vrouwenhoofd, tegen een donkere achtergrond, zeer fijn is ze geschilderd, helder en open kijkt zij, bescheiden glimlachend, zou ik zeggen: een beetje geïdealisereerd, foutloos, perfect. Een parel van een doek is het. Maar: schilder onbekend. Het schilderij komt uit Zwaben, misschien zelfs uit Ulm, maar dat laatste is niet zeker. Het belang van de kunstenaar als scheppend individu was kennelijk in die contreien nog niet doorgedrongen: in die zin is het echt middeleeuws. Maar daar komt verandering in.
Zwaben (Ulm): Portret van een jonge vrouw, ca. 1480
Want op het einde van de vijftiende eeuw komt Albrecht Dürer eraan, die moeiteloos het niveau van Van Eyck en andere Primitieven bereikt. En zijn realisme is nieuw: het is geen religieus realisme meer, geen godsdienstige taferelen naar de werkelijkheid geschilderd, maar eerder burgerlijk realisme: het 'Portret van een man' (1521 of 1524) is daar een prachtig voorbeeld van. Hier spreekt al een andere tijd: de renaissance heeft Duitsland al duidelijk bereikt. Hier is geen spoor van idealisme meer te bekennen, zoals in de tedere vrouw uit Zwaben: de man kijkt nors en vastberaden voor zich uit, kennelijk heeft iets of iemand hem best wel boos gemaakt of pijn gedaan. Gesloten, smalle mond heeft hij ook, en een beetje gefronste wenkbrauwen. Niet direct een schatje is hij, maar het doek wel een meesterwerk: hier spreekt een karakter, zonder twijfel. Maar die hand linksonder, die bijna rust op de lijst, dat deden de Primitieven ook al.
Albrecht Dürer, Portret van een man, 1521 (1524?)
Nog zo'n portret van een echt ernstige man is het 'Portret van een onbekende man', (ca. 1510-1515) van Michael Sittow. Die kunstenaar werd in 1469 geboren in Reval, wat toen de naam was van Tallinn, toen hanzestad en nu de hoofdstad van Estland. (Ik heb een bijzondere voorliefde voor al wat Ests is, maar dat terzijde.) Die Sittow komt in de loop van de jaren 80 naar Brugge (niet zo moeilijk, hij reist naar een andere hanzestad) en gaat vermoedelijk bij Memling in de leer. Met enig succes: hij wekte voor Isabella van Castilië en Margareta van Oostenrijk, hij was niet zomaar een verver zou je zeggen. Ook in dit schilderij gaat alle aandacht naar het gezicht van de man, dat het licht vangt op een donkere achtergrond. Ernstig kijkt hij, zich van zijn belang bewust. En zijn handen ook op de lijst van het doek: handtekeningetje van de Primitieven. Ik heb begrepen dat Sittow in feite als een Vlaamse Primitief wordt beschouwd: je kunt spreken van een succesvolle carrière voor de Est.
Michael Sittow, Portret van een onbekende man
Twee zeer mooie objecten zijn geen schilderijen, maar beeldhouwwerken. Van Conrad Meit is er een 'Adam en Eva', maar niet bepaald na de zondeval, tenminste, zo ziet het er toch niet uit. Geen oneindige droefenis om de verbanning uit de Hof van Eden, de twee lijken een eerder vriendelijke wandeling te maken. Beiden hebben wel een appel in de hand, maar daar lijken ze over te spreken, zo van: wat doen we hierrmee ? Gods toorn is niet echt te bespeuren. Die Conrad Meit is in 1480 in Worms geboren, maar werkte al vanaf 1514 als officiële beeldhouwer aan het hof van Margareta van Oostenrijk - weer zij! Met deze man zijn al wat verder opgeschoten in de renaissance, en de beeldjes van Adam en Eva uit 1520 lijken me eerder een alibi om de aardse en menselijke schoonheid gestalte te geven. Bloot mag, maar liever met min of meer religieuze figuren. De kunstenaar zelf is best succesvol geweest: Meit koopt in 1534 een huis in Antwerpen en wordt als beeldhouwer lid van de Sint-Lucasgilde. Hij is in 1550 in de Scheldestad gestorven. De Zuid-Nederlandse kunstscene was in die tijd behoorlijk aantrekkelijk, mag je wel zeggen.
Conrad Meit, Adam en Eva, 1520
Jacob Beinhart, De heilige Lucas schildert Maria, 1506
Voor een tentoonstelling van dit niveau zou ik elke jaar naar Brugge rijden: maar dat is wat hoog gegrepen, denk ik.
Jan van Eyck stierf al in 1441, Hans Memling in 1494, maar dan een halve eeuw later dus. Maar de uitstraling van de Vlaamse Primitieven begint, volgens de naam van de tentoonstelling, al bij Van Eyck. Behoorlijk wat Duitse schilders hebben zich ingespannen om het niveau van hun Vlaamse vakgenoten te evenaren, zo van: dat moeten we ook kunnen. Onbekende namen blijken zeer verdienstelijke kunstenaars te zijn geweest. Een opsomming: Hans Multscher, Konrad Witz, Conrad Laib, Hans Pleydenwurff, Michael Wolgemut, Walter Schongauer. Van al die mensen is werk te zien, en dan stel je vast dat ze een grote inhaalbeweging gemaakt hebben, maar dat ze nog het laatste tikje talent of metier misten dat de Vlaamse Primitieven zo uitstekend maakte. Zo snel was het verschil (de achterstand?) niet helemaal te overbruggen. Tegen het eind van de vijftiende eeuw lijkt dat te veranderen: ik zie een prachtig 'Portret van een jonge vrouw' uit 1480 of daaromtrent. Zeer licht is dit vrouwenhoofd, tegen een donkere achtergrond, zeer fijn is ze geschilderd, helder en open kijkt zij, bescheiden glimlachend, zou ik zeggen: een beetje geïdealisereerd, foutloos, perfect. Een parel van een doek is het. Maar: schilder onbekend. Het schilderij komt uit Zwaben, misschien zelfs uit Ulm, maar dat laatste is niet zeker. Het belang van de kunstenaar als scheppend individu was kennelijk in die contreien nog niet doorgedrongen: in die zin is het echt middeleeuws. Maar daar komt verandering in.
Zwaben (Ulm): Portret van een jonge vrouw, ca. 1480
Want op het einde van de vijftiende eeuw komt Albrecht Dürer eraan, die moeiteloos het niveau van Van Eyck en andere Primitieven bereikt. En zijn realisme is nieuw: het is geen religieus realisme meer, geen godsdienstige taferelen naar de werkelijkheid geschilderd, maar eerder burgerlijk realisme: het 'Portret van een man' (1521 of 1524) is daar een prachtig voorbeeld van. Hier spreekt al een andere tijd: de renaissance heeft Duitsland al duidelijk bereikt. Hier is geen spoor van idealisme meer te bekennen, zoals in de tedere vrouw uit Zwaben: de man kijkt nors en vastberaden voor zich uit, kennelijk heeft iets of iemand hem best wel boos gemaakt of pijn gedaan. Gesloten, smalle mond heeft hij ook, en een beetje gefronste wenkbrauwen. Niet direct een schatje is hij, maar het doek wel een meesterwerk: hier spreekt een karakter, zonder twijfel. Maar die hand linksonder, die bijna rust op de lijst, dat deden de Primitieven ook al.
Albrecht Dürer, Portret van een man, 1521 (1524?)
Nog zo'n portret van een echt ernstige man is het 'Portret van een onbekende man', (ca. 1510-1515) van Michael Sittow. Die kunstenaar werd in 1469 geboren in Reval, wat toen de naam was van Tallinn, toen hanzestad en nu de hoofdstad van Estland. (Ik heb een bijzondere voorliefde voor al wat Ests is, maar dat terzijde.) Die Sittow komt in de loop van de jaren 80 naar Brugge (niet zo moeilijk, hij reist naar een andere hanzestad) en gaat vermoedelijk bij Memling in de leer. Met enig succes: hij wekte voor Isabella van Castilië en Margareta van Oostenrijk, hij was niet zomaar een verver zou je zeggen. Ook in dit schilderij gaat alle aandacht naar het gezicht van de man, dat het licht vangt op een donkere achtergrond. Ernstig kijkt hij, zich van zijn belang bewust. En zijn handen ook op de lijst van het doek: handtekeningetje van de Primitieven. Ik heb begrepen dat Sittow in feite als een Vlaamse Primitief wordt beschouwd: je kunt spreken van een succesvolle carrière voor de Est.
Michael Sittow, Portret van een onbekende man
Twee zeer mooie objecten zijn geen schilderijen, maar beeldhouwwerken. Van Conrad Meit is er een 'Adam en Eva', maar niet bepaald na de zondeval, tenminste, zo ziet het er toch niet uit. Geen oneindige droefenis om de verbanning uit de Hof van Eden, de twee lijken een eerder vriendelijke wandeling te maken. Beiden hebben wel een appel in de hand, maar daar lijken ze over te spreken, zo van: wat doen we hierrmee ? Gods toorn is niet echt te bespeuren. Die Conrad Meit is in 1480 in Worms geboren, maar werkte al vanaf 1514 als officiële beeldhouwer aan het hof van Margareta van Oostenrijk - weer zij! Met deze man zijn al wat verder opgeschoten in de renaissance, en de beeldjes van Adam en Eva uit 1520 lijken me eerder een alibi om de aardse en menselijke schoonheid gestalte te geven. Bloot mag, maar liever met min of meer religieuze figuren. De kunstenaar zelf is best succesvol geweest: Meit koopt in 1534 een huis in Antwerpen en wordt als beeldhouwer lid van de Sint-Lucasgilde. Hij is in 1550 in de Scheldestad gestorven. De Zuid-Nederlandse kunstscene was in die tijd behoorlijk aantrekkelijk, mag je wel zeggen.
Conrad Meit, Adam en Eva, 1520
Een laatste zeer opmerkelijk werk is het middenstuk van een altaarstuk, een houten beeldhouwwerk, nu in het Nationale Museum van Warschau, dat Sint-Lucas voorstelt terwijl hij de Maagd schildert. Dat was een geliefd onderwerp bij de Vlaamse Primitieven - ik heb het twee jaar geleden in Gent ook op een wandtapijt gezien - het was een soort van evergreen die iedereen die een beetje kunstenaar was probeerde te schilderen of uit te beelden. Natuurlijk deden de schilders dat met voorliefde: Sint-Lucas was immers hun patroonheilige, en zodoende konden zij zichzelf bij wijze van spreken afbeelden in het gezelschap van de Heilige Maagd. Maar dit tafereel is ook een scene uit het dagelijkse leven: Maria is met een hemd bezig en de kleine Jezus zit ongestoord en kinderlijk op de grond te spelen. Maria en de Heilige Lucas zorgen voor de nodige sacraliteit, en er is nog een leuk detail: onder de stoel van Lucas ligt een stier, het symbool van deze evangelist. Het algehele middeleeuws godsdienstige sérieux wordt zo langzamerhand doorbroken. Merkwaardig ook is dat dit altaarstuk al in het begin van de zestiende eeuw in een Poolse kerk te vinden was, toch een eind naar het oosten. Vlaanderen zond zijn zonen uit heet dat ouderwets, of tenminste de invloed van die zonen. Je staat te kijken van wat er hier 500 jaar geleefd heeft, je zou er vandaag nog een soort van vaderlandse fierheid aan overhouden.
Jacob Beinhart, De heilige Lucas schildert Maria, 1506
Voor een tentoonstelling van dit niveau zou ik elke jaar naar Brugge rijden: maar dat is wat hoog gegrepen, denk ik.
zondag 14 november 2010
Rik Poot: De vier ruiters van de Apocalyps
Soms loop je achteloos voorbij een kunstwerk, je besteedt er geen aandacht aan omdat je andere doelen voor ogen hebt, je kunt niet alles even geconcentreerd in je opnemen en je mist iets dat echt wel zeer belangrijk is. Later kom je op dezelfde plaats, en dan word je geraakt en getroffen door 'De vier ruiters van de Apocalyps' een beeldengroep van Rik Poot. De groep staat in Brugge in het Arentshof, tussen het Groeningemuseum en de achterzijde van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, in een eerder besloten omgeving, in de luwte, zeg maar. Een uitstekende plaats, vind ik.
De hologige dood op zijn lijdend paard
In de Openbaring heeft God, zittend op zijn troon, een boekrol met zeven zegels vast die alleen kunnen gebroken worden door het Lam, dat wil zeggen Christus. Het Lam opent het eerste zegel en tevoorschijn komt een wit paard, 'en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen' (Openbaring 6:2). Het paard staat voor de valse vrede, de ruiter zou de Antichrist zijn. Het tweede paard is rossig, 'en die erop zat werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zijn elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven' Openbaring 6:3). Het derde paard is zwart, de ruiter heeft een weegschaal, maar correct weegt hij niet: hij brengt honger en oneerlijke handel. Ten slotte volgt het vale paard, 'en die daarop zat, zijn naam was de dood, en het dodenrijk volgde achter hem' (Openbaring 6:8). Een werkelijk apocalyptisch beeld wordt in deze passage opgeroepen: algemene ondergang wordt opgeroepen: valse vrede met een overwinnende Antichrist, oorlog, honger en dood maken het plaatje compleet. Een bijbelse maar een veel wredere 'Doos van Pandora' is het: gelukkig zal het Lam ook het zevende zegel breken en zo verlossing brengen.
Een soevereine Antichrist
Die vier ruiters heeft Rik Poot gebeeldhouwd: het werk dateert uit de periode 19891-1987. Alle rampspoed die de wereld kan treffen heeft de kunstenaar op een bijzonder expressieve manier neergezet. Geen van de vier paarden staat er enigszins rustig bij, wel integendeel. Een stampt met het achterbeen, dat van de 'Honger' lijkt als een wanhopige wolf ten hemel te huilen, dat van de Antichrist (als hij het is) zet zijn achterbenen schrap en hinnikt ten strijde, dat van de dood lijkt stilstaand klaaglijk te huilen. De vier dieren bewegen, stellen net zo goed voor wat hun ruiter beweegt. Kleuren hebben de dieren niet: ze zijn in brons waarop alleen het weer natuurlijk nuances aanbrengt. Overigens: een kleurrijke kermis zou hier helemaal niet thuishoren.
De honger
Die ruiters hebben afstotelijke, grimmige en meedogenloze gezichten: zeer opvallend is dat bij de ruiter met de weegschaal. Bij de 'Honger' kun je de ribben tellen en zie je zijn moedeloze kop, de 'Dood' heeft een afschuwwekkend doodshoofd zonder meer. Zo krijg je een plastisch zeer indrukwekkende groep die huiveringwekkend het lijden, de gebreken en tekortkomingen van de 'condition humaine' duidelijk maakt. Een ongelooflijk en efficiënt kunstwerk is het: dat ik het voordien nooit zo gezien heb!
De bedriegende weger
Ets van Dürer over hetzelfde onderwerp, uit 1497-98
De hologige dood op zijn lijdend paard
In de Openbaring heeft God, zittend op zijn troon, een boekrol met zeven zegels vast die alleen kunnen gebroken worden door het Lam, dat wil zeggen Christus. Het Lam opent het eerste zegel en tevoorschijn komt een wit paard, 'en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen' (Openbaring 6:2). Het paard staat voor de valse vrede, de ruiter zou de Antichrist zijn. Het tweede paard is rossig, 'en die erop zat werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zijn elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven' Openbaring 6:3). Het derde paard is zwart, de ruiter heeft een weegschaal, maar correct weegt hij niet: hij brengt honger en oneerlijke handel. Ten slotte volgt het vale paard, 'en die daarop zat, zijn naam was de dood, en het dodenrijk volgde achter hem' (Openbaring 6:8). Een werkelijk apocalyptisch beeld wordt in deze passage opgeroepen: algemene ondergang wordt opgeroepen: valse vrede met een overwinnende Antichrist, oorlog, honger en dood maken het plaatje compleet. Een bijbelse maar een veel wredere 'Doos van Pandora' is het: gelukkig zal het Lam ook het zevende zegel breken en zo verlossing brengen.
Een soevereine Antichrist
Die vier ruiters heeft Rik Poot gebeeldhouwd: het werk dateert uit de periode 19891-1987. Alle rampspoed die de wereld kan treffen heeft de kunstenaar op een bijzonder expressieve manier neergezet. Geen van de vier paarden staat er enigszins rustig bij, wel integendeel. Een stampt met het achterbeen, dat van de 'Honger' lijkt als een wanhopige wolf ten hemel te huilen, dat van de Antichrist (als hij het is) zet zijn achterbenen schrap en hinnikt ten strijde, dat van de dood lijkt stilstaand klaaglijk te huilen. De vier dieren bewegen, stellen net zo goed voor wat hun ruiter beweegt. Kleuren hebben de dieren niet: ze zijn in brons waarop alleen het weer natuurlijk nuances aanbrengt. Overigens: een kleurrijke kermis zou hier helemaal niet thuishoren.
Die ruiters hebben afstotelijke, grimmige en meedogenloze gezichten: zeer opvallend is dat bij de ruiter met de weegschaal. Bij de 'Honger' kun je de ribben tellen en zie je zijn moedeloze kop, de 'Dood' heeft een afschuwwekkend doodshoofd zonder meer. Zo krijg je een plastisch zeer indrukwekkende groep die huiveringwekkend het lijden, de gebreken en tekortkomingen van de 'condition humaine' duidelijk maakt. Een ongelooflijk en efficiënt kunstwerk is het: dat ik het voordien nooit zo gezien heb!
Ets van Dürer over hetzelfde onderwerp, uit 1497-98
zondag 7 november 2010
125 jaar socialistische partij
De socialistische beweging in België bestaat in 2010 125 jaar. Je kunt niet zeggen de 'Socialistische Partij', want na de Belgische WerkliedenPartij, die tot 1940 bleef bestaan, kwam de Belgische Socialistische Partij (tot 1978, en beide unitair, zoals dat in het vaderlandse politieke jargon heet), dan de PS en aan Vlaamse kant de SP, die er ondertussen ook al een a'tje bijgekregen heeft: Sp.a heten we nu, vanaf 2001. Je kunt het jammer en betreurenswaardig vinden dat de Internationale, de socialistische beweging, in onze 'natie' alleen uit gewestelijke monden kan spreken, maar het is niet anders. En dat zal nog wel een hele tijd zo blijven, vrees ik. Solidariteit wel (dat is toch bij uitstek een socialistisch parool), maar eerst met het eigen volk. De mensen van het Charter van Quaregnon gaan in hun graf eventjes anders liggen, dat is het minste wat je zou kunnen veronderstellen.
Maar goed, het gaat hier over de tentoonstelling die '125 socialistische partij' heet, en een zeer treffende onder (of boven-) titel heeft: De droom van een betere wereld. Met foto's wordt een geschiedenis opgeroepen van die lange strijd: er zijn gravures te zien uit 1868 en 1886: twee keer gaat het over het leger dat ingezet werd tegen stakers en de orde herstelt. Uit die tijd (eind negentiende eeuw, aan de stijl te zien) komt ook een prachtige spotprent in het Frans; 'Pyramide à renverser' heet die (omvergooien het boeltje): helemaal boven zit de koning (duidelijk Leopold II) die heerst over u, daaronder twee geestelijken die bidden voor u, dan drie militairen die schieten op u, dan vier kapitalisten die eten voor u, en helemaal van onderen, aan de basis, staat het volk dat werkt voor u. Alleen is 'u' niet altijd dezelfde.
In een vitrine ligt 'De Beginselverklaring of Charter van Quaregnon' met het commentaar: 'De jonge Brusselse advocaat Emile Vandervelde schreef een ideologisch manifest dat zowel qua inhoud als qua werfkracht tot vandaag niet is overtroffen'. Het waren niet de minsten, de eerste dromers van een betere wereld. Belangrijke thema's uit de geschiedenis van de beweging komen op chronologische wijze aan bod: de strijd voor algemeen stemrecht, de strijd voor de achturendag, het Plan van de Arbeid van Hendrik de Man (die in de tweede wereldoorlog dan weer eerder donkerbruin dan rood was, heiligen zijn we niet), stemrecht voor vrouwen (affiche voor de wetgevende verkiezing van 1949, de eerste met stemrecht voor vrouwen - dat is dus nog maar pas geleden), de koningskwestie, de schoolstrijd, de eenheidswet uit 1960-61 met een affiche 'Eyskens buiten', die met een trap op diens achterste naar andere oorden wordt gelanceerd (overigens: in december 1960 trouwde Boudewijn met Fabiola, toen voor velen een lichtpuntje in donkere tijden). Uit recentere tijden zie je enkele jonge turken van de SP (Marcel Colla, Luc van den Bossche, Norbert de Batselier, en Freddy Willockx - ong. 1980), de teletubbies in 2003 (J. Vande Lanotte, Frank Vandenbroucke, Steve Stevaert, Freya van den Bossche en Patrick Janssens). Caroline Gennez sluit het rijtje af met een foto van de 1-meiviering van 2008 in Antwerpen. Zo krijg je een goed overzicht van de strijdpunten, de kameraden van vroeger, toen de strijd nog om de echt fundamentele zaken ging en de aanhang groeiend was en zeer groot werd, en de kopstukken van nu, die de boodschap van 'niets is voor altijd verworven' moeten brengen, een boodschap die niet als 'sexy' wordt ervaren, want wij hebben het toch allemaal goed, meneer! Daarom:socialisme is altijd herbeginnen, zoals Caroline Jos van Eynde citeerde.
Zeer interessant op de tentoonstelling vond ik ook de grote panelen (helaas niet gedateerd) uit einde negentiende-begin twintigste eeuw, waarop duidelijk te zien is hoe de nieuwe beweging ook naar een nieuwe beeldtaal zocht, maar daarbij duidelijk onder invloed stond van laten we maar zeggen de katholieke traditie. Op een wijze die wij nu zouden ervaren als 'pathetisch' worden gevoelens van solidariteit, vooruitgang en verheffing uitgebeeld, zoals in een paneel (ik zou zeggen bijna een doek) voor 'De Werker, socialistisch dagblad'. Een engel zweeft boven de gewone mensen: een kunstschilder, een man van de wetenschap, een filosoof, en een metaalbewerker die eendrachtig elkaars handen verenigen, terwijl de symbolen van hun emplooi net zo goed worden voorgesteld: lier en bazuin, palet en penseel, anker en wereldbol, aambeeld en tandrad. Links staat een jonge boom al flink in de blaren: maar hij zal nog groeien, daar mag je zeker van zijn. De engel laat ondertussen ook zien wat de werkers wensen: 'acht uren werk, acht uren uitspanning (sic) en acht uren rust'. Voor wie het dan nog niet begrepen zou hebben: van onderen op de sokkel staat 'De eerste mei is het wereldfeest van den arbeid'.
Socialistisch hoogaltaar
Dezelfde beeldtaal zie je in een prent van Jacob Wahre uit Berlijn: een jonge, uitgeputte arbeider, een kind nog, wordt letterlijk uitgezogen door een meedogenloze vampier (je kunt er ook een verschrikkelijke duivel in zien) die 'capitalisme' heet. Maar een beeldschone vrouw komt hem troosten en helpen: bij zich heeft zij een boek dat 'science' en travail' aanprijst: daar zal de redding vandaan komen. Je moet niet echt een fantast zijn om in die schoonheid een engel te zien, hoewel zij het hoofddeksel van de Franse revolutionairen draagt; maar dat is natuurlijk ook een deel van de boodschap.
De duivelse vampier, de maagd van wetenschap en werk en het nog lijdende kind
In Jugendstil en iets optimistischer is de prent 'Solidarity of Labour'. Maar weer beginnen we met een engel: zij draagt de kroon van de vrijheid (Freedom), spreidt haar armen over heel de wereld en haar bevolking (alle continenten worden genoemd), en laat duidelijk zien dat het om 'Fraternity' en 'Equality' gaat. Onderaan is te lezzen dat 'Labour's May Day' is 'dedicated to the workers of the world'. Jugendstil is een soort 'l'art pour l'art' heb ik altijd geweten: ik had nog nooit gezien dat die stijl voor politieke doeleinden werd gebruikt. De tekenaar was natuurlijk ook een kind van zijn tijd.
Met Jugendstil naar het feest
Een affiche uit het begin van de jaren zestig is net zo goed tijdsgebonden: de overdreven boodschapperigheid is verdwenen, alleen de gelijkheid 'De Toekomst - Het Socialisme' blijft over. Begin jaren zestig zeg ik: dat zie je aan de kleren de kapsels van man en vrouw, het beetje stadsgezicht op de achtergrond lijkt mij ook naar die tijd te verwijzen. Maar de twee mensen lijken mij niet dadelijk dompelaars of sukkelaars te zijn: veel leek al verworven te zijn, we hadden 'Expo 58' al achter de rug, de tijden waren optimistisch en de eerste oliecrisis kon men nog niet vermoeden (1967). Toch blijft voor het paar naar de toekomst kijken omhoog kijken, nog altijd naar de hemel. Eigenaardig dat daar het heil toen nog altijd van verwacht scheen te worden. Nu nog?
Begin jaren 60: we hebben er vertrouwen in
Ik moet eerlijk zeggen: ik heb genoten van '125 jaar socialisme', van de historische hoogtepunten van de beweging, en van de affichekunst die er te zien was. En de tentoonstelling mag een bescheiden succes genoemd worden: de afwezigen hadden eens te meer ongelijk. Ze hadden kunnen zien dat wij allang ontwaakt zijn, veel verwezenlijkt hebben en nog altijd niet staan te slapen.
Maar goed, het gaat hier over de tentoonstelling die '125 socialistische partij' heet, en een zeer treffende onder (of boven-) titel heeft: De droom van een betere wereld. Met foto's wordt een geschiedenis opgeroepen van die lange strijd: er zijn gravures te zien uit 1868 en 1886: twee keer gaat het over het leger dat ingezet werd tegen stakers en de orde herstelt. Uit die tijd (eind negentiende eeuw, aan de stijl te zien) komt ook een prachtige spotprent in het Frans; 'Pyramide à renverser' heet die (omvergooien het boeltje): helemaal boven zit de koning (duidelijk Leopold II) die heerst over u, daaronder twee geestelijken die bidden voor u, dan drie militairen die schieten op u, dan vier kapitalisten die eten voor u, en helemaal van onderen, aan de basis, staat het volk dat werkt voor u. Alleen is 'u' niet altijd dezelfde.
In een vitrine ligt 'De Beginselverklaring of Charter van Quaregnon' met het commentaar: 'De jonge Brusselse advocaat Emile Vandervelde schreef een ideologisch manifest dat zowel qua inhoud als qua werfkracht tot vandaag niet is overtroffen'. Het waren niet de minsten, de eerste dromers van een betere wereld. Belangrijke thema's uit de geschiedenis van de beweging komen op chronologische wijze aan bod: de strijd voor algemeen stemrecht, de strijd voor de achturendag, het Plan van de Arbeid van Hendrik de Man (die in de tweede wereldoorlog dan weer eerder donkerbruin dan rood was, heiligen zijn we niet), stemrecht voor vrouwen (affiche voor de wetgevende verkiezing van 1949, de eerste met stemrecht voor vrouwen - dat is dus nog maar pas geleden), de koningskwestie, de schoolstrijd, de eenheidswet uit 1960-61 met een affiche 'Eyskens buiten', die met een trap op diens achterste naar andere oorden wordt gelanceerd (overigens: in december 1960 trouwde Boudewijn met Fabiola, toen voor velen een lichtpuntje in donkere tijden). Uit recentere tijden zie je enkele jonge turken van de SP (Marcel Colla, Luc van den Bossche, Norbert de Batselier, en Freddy Willockx - ong. 1980), de teletubbies in 2003 (J. Vande Lanotte, Frank Vandenbroucke, Steve Stevaert, Freya van den Bossche en Patrick Janssens). Caroline Gennez sluit het rijtje af met een foto van de 1-meiviering van 2008 in Antwerpen. Zo krijg je een goed overzicht van de strijdpunten, de kameraden van vroeger, toen de strijd nog om de echt fundamentele zaken ging en de aanhang groeiend was en zeer groot werd, en de kopstukken van nu, die de boodschap van 'niets is voor altijd verworven' moeten brengen, een boodschap die niet als 'sexy' wordt ervaren, want wij hebben het toch allemaal goed, meneer! Daarom:socialisme is altijd herbeginnen, zoals Caroline Jos van Eynde citeerde.
Zeer interessant op de tentoonstelling vond ik ook de grote panelen (helaas niet gedateerd) uit einde negentiende-begin twintigste eeuw, waarop duidelijk te zien is hoe de nieuwe beweging ook naar een nieuwe beeldtaal zocht, maar daarbij duidelijk onder invloed stond van laten we maar zeggen de katholieke traditie. Op een wijze die wij nu zouden ervaren als 'pathetisch' worden gevoelens van solidariteit, vooruitgang en verheffing uitgebeeld, zoals in een paneel (ik zou zeggen bijna een doek) voor 'De Werker, socialistisch dagblad'. Een engel zweeft boven de gewone mensen: een kunstschilder, een man van de wetenschap, een filosoof, en een metaalbewerker die eendrachtig elkaars handen verenigen, terwijl de symbolen van hun emplooi net zo goed worden voorgesteld: lier en bazuin, palet en penseel, anker en wereldbol, aambeeld en tandrad. Links staat een jonge boom al flink in de blaren: maar hij zal nog groeien, daar mag je zeker van zijn. De engel laat ondertussen ook zien wat de werkers wensen: 'acht uren werk, acht uren uitspanning (sic) en acht uren rust'. Voor wie het dan nog niet begrepen zou hebben: van onderen op de sokkel staat 'De eerste mei is het wereldfeest van den arbeid'.
Socialistisch hoogaltaar
Dezelfde beeldtaal zie je in een prent van Jacob Wahre uit Berlijn: een jonge, uitgeputte arbeider, een kind nog, wordt letterlijk uitgezogen door een meedogenloze vampier (je kunt er ook een verschrikkelijke duivel in zien) die 'capitalisme' heet. Maar een beeldschone vrouw komt hem troosten en helpen: bij zich heeft zij een boek dat 'science' en travail' aanprijst: daar zal de redding vandaan komen. Je moet niet echt een fantast zijn om in die schoonheid een engel te zien, hoewel zij het hoofddeksel van de Franse revolutionairen draagt; maar dat is natuurlijk ook een deel van de boodschap.
De duivelse vampier, de maagd van wetenschap en werk en het nog lijdende kind
In Jugendstil en iets optimistischer is de prent 'Solidarity of Labour'. Maar weer beginnen we met een engel: zij draagt de kroon van de vrijheid (Freedom), spreidt haar armen over heel de wereld en haar bevolking (alle continenten worden genoemd), en laat duidelijk zien dat het om 'Fraternity' en 'Equality' gaat. Onderaan is te lezzen dat 'Labour's May Day' is 'dedicated to the workers of the world'. Jugendstil is een soort 'l'art pour l'art' heb ik altijd geweten: ik had nog nooit gezien dat die stijl voor politieke doeleinden werd gebruikt. De tekenaar was natuurlijk ook een kind van zijn tijd.
Met Jugendstil naar het feest
Een affiche uit het begin van de jaren zestig is net zo goed tijdsgebonden: de overdreven boodschapperigheid is verdwenen, alleen de gelijkheid 'De Toekomst - Het Socialisme' blijft over. Begin jaren zestig zeg ik: dat zie je aan de kleren de kapsels van man en vrouw, het beetje stadsgezicht op de achtergrond lijkt mij ook naar die tijd te verwijzen. Maar de twee mensen lijken mij niet dadelijk dompelaars of sukkelaars te zijn: veel leek al verworven te zijn, we hadden 'Expo 58' al achter de rug, de tijden waren optimistisch en de eerste oliecrisis kon men nog niet vermoeden (1967). Toch blijft voor het paar naar de toekomst kijken omhoog kijken, nog altijd naar de hemel. Eigenaardig dat daar het heil toen nog altijd van verwacht scheen te worden. Nu nog?
Begin jaren 60: we hebben er vertrouwen in
Ik moet eerlijk zeggen: ik heb genoten van '125 jaar socialisme', van de historische hoogtepunten van de beweging, en van de affichekunst die er te zien was. En de tentoonstelling mag een bescheiden succes genoemd worden: de afwezigen hadden eens te meer ongelijk. Ze hadden kunnen zien dat wij allang ontwaakt zijn, veel verwezenlijkt hebben en nog altijd niet staan te slapen.
Abonneren op:
Posts (Atom)