Identiteitscrisis
We zijn in feite pas terug van Italië (september) en we vliegen er weer heen: naar Pescara, naar de Abruzzen. Vertrekken doen we in Eindhoven, op de Ryan Air-luchthaven in onze achtertuin: het hemd is nader dan de rok, Charleroi te ver en we reizen af in de eigen landstaal. Boarding Pass moet je zelf uitprinten (zo veel mogelijk werknemers uitsparen), maar je moet er aan de incheckbalie wel je eigen fouten bijnemen. Want ik heet wel 'Toon', maar op mijn identiteitskaart staat 'Antonius' (met dank aan de priester uit 1947). Antonius mag best mee, maar Toon: is dat wel dezelfde? 'Ryan Air is daar zeer streng in', wordt me gezegd, 'het moet kloppen.' Maar ik kan eens naar de informatiebalie gaan, daar kan ik mijn boarding pass laten corrigeren. Dat kost wel € 150, maar Italië wenkt en wat doe je dan? De informatiebaliedame heeft meer taalkundig inzicht: 'Toon uit Antonius is makkelijk af te leiden' besluit ze, en keurt met een stempeltje mijn pass goed. 'Maar het kan wel zijn dat ze dat in Pescara niet zo zien, en dat kan het zijn dat u alsnog 150 euro zult moeten betalen.' 'Dank u, dank u', een kermis is een geseling waard, en vrolijk en blijgemoed stijgen we om half zes op. Pescara ligt om half acht aan onze voeten, tenminste de landingsbaan aldaar.
Pescara: kleine kennismaking
Gezicht op de Corso Vittorio Emanuele II
Een busje van het hotel komt ons ophalen en om acht uur zijn we in 'Best Western Hotel Duca d'Aosta', in het centrum van de stad. Uitpakken en wegwezen wordt het, want we hebben nog niet gegeten. Wij de straat op, zoekend naar eethuisjes. We steken een brug over, gaan naar rechts, naar links, maken een vierkantje en komen terecht in 'Hostaria del 3° Cerchio', wat me doet denken aan de Derde Orde van de franciskanen, maar daar heeft het lokaal niet zo veel van weg. Het leven speelt er zich 's nachts af, tussen middernacht en vier uur 's ochtends: zo'n 450 jongelui komen zich er dan uitleven, en vatten de volgende dag dan weer kwiek aan. Maar we komen voor een ander deel van de inwendige mens, en dat krijgen we dan ook. De chef spant zich voor een democratische prijs bijzonder in, en 'wij komen nog wel terug', de volgende dag al.
Hotel Duca D'Aosta: hoog atrium met lentehemel
Pescara is een redelijk grote en jonge stad: 120.000 inwoners, ze bestaat pas sinds 1927. Ze ligt aan de gelijknamige rivier, die er ook in de Adriatische zee uitmondt. Die Pescara is niet erg breed, ziet er ook niet zo diep uit, en lijkt me niet erg ver bevaarbaar. De pescara is zeker niet de economische slagader van de stad: scheepvaart zie je er nauwelijks, een uitgebouwde haven evenmin. Naast de monding ligt wel een jachthaven: Porto Turistico 'Marina di Pescara' heet dat dan. een historisch centrum waar zo veel Italiaanse steden prat op gaan, vind je ook al niet. Vlak bij ons hotel is er ooit wel een visserswijk of -dorp geweest, Penne was dat, maar de sporen daarvan zijn netjes verdwenen en opgeruimd. Wat daar nog wel aan herinnert is de kerk van Sant'Andrea Apostolo. Andreas is de beschermheilige van de vissers, vandaar.
Sant'Andrea Apostolo
Maar echte bezienswaardigheden heeft de stad niet te bieden. Daarom strekken we morgen naar Puglia, naar het schiereiland Il Gargano, de spoor boven de hiel van de Italiaanse laars. Natuurbeleving is de bedoeling, en dat zou best wel eens de moeite kunnen zijn. We verheugen er ons op.
Gezicht op de jachthaven, de stad, en in de achtergrond de Apennijnen
dinsdag 12 april 2011
maandag 4 april 2011
Werbeek: Kort Verhael Van den Oorspronck vande Miraculeuse Lieve Vrouwe ter Sneeuw
Nog over Werbeek: een gunstige wind (ik zal hem Raf Huet noemen) speelt mij een gefotokopieerd exemplaar door van het 'Kort Verhael ...' met de lange titel, over de oorsprong van de kapel van Werbeek. Een zeventiende-eeuwse Nederlandse tekst is het: de 'Approbatio', tegenwoordig heet dat 'Nihil Obstat', vermeldt op de laatste bladzijde van het boekje 'Datum Antverpiae 17. Novemb. 1664'. Wie enigszins belezen is, zou dat met een beetje inspanning en denkwerk toch moeten kunnen verstaan, denk ik dan.
De auteur, I. Gisberty, - in het Nederlands Gijsbrechts - stelt in zijn aanhef 'den wonderbaren Godt vol rechtveerdigheden' in de eerste plaats voor als een straffende god voor: het deed me sterk denken aan de wrede Zeus uit Homerus' Ilias. Voor dat probleem is er gelukkig een oplossing: 'maer dickwijls moeten wij door sijne beste vrinden, / Een toeganck tot den troon van zyne goetheyt vinden'. Die beste vriend(in) is natuurlijk Maria, voor wie de kapel is opgericht. En dan volgt een reeks argumenten die duidelijk maken waarom zij de juiste persoon is om de vertoornde God te vermurwen en de zondige mens te redden. Het volgende fragment uit het 'Kort Verhael' maakt dat duidelijk.
En wie heeft beter oyt zijn gramme borst bewogen,
Dan die, met haere borst hem eertyts heeft gesogen?
Wie kan het blixems-vier hem rucken uyt de handt,
Dan die sijn stercken arm met teere doeckxkens bandt?
Wie kan den grooten Godt bedwingen tot medoogen?
Dan die hem heeft geleyt met t' wincken van haer oogen?
Seght wie hem stillen sal, voor wie het aerdryck beeft,
Dan die, in wiens schoot hy stil geslapen heeft?
Wie kan sijn gram gesicht in soetigheyt verkeeren?
Dan die, van wie hy eerst het lacchen moeste leeren,
Wie sal getrouwer ons behoeden voor de straf?
Dan die, hy onder 't cruys ons voor een moeder gaf,
'T schynt dat hy al sijn gunst heeft aen dees Maegt gebonden
En dat er buyten Haer geen hulp en wordt gevonden.
'T schynt dat sy is gestelt in lyden een troosters,
En tusschen Godt en mensch een soete middelers.
Hans Memling: Maria met Kind en schenker
Zwaar stichtelijk is deze literatuur, zeer indrukwekkend kan ik me indenken voor de zeventiende-eeuwse Kempenaar die dit verhaal hoorde voorlezen: zelf lezen was er hoogstwaarschijnlijk nog niet bij. En als dat dan uit de mond van een geleerde prelaat of priester kwam, dan kon je dat toch alleen maar vurig geloven? En dan gaat hij verder met het verhaal van 'Mari ter Sneeuw': hoe haar beeld onbesneeuwd gevonden wordt, hoe Willem Verreyt dat mee wil nemen en ergens veilig onderbrengen. Maar de boze wereld ligt op de loer: 'twee Soldaeten, / Twee stroopers' vallen hem aan: geld willen zij. Zij 'setten hem 't roer op 't lyf', met andere woorden: er wordt met een geweer gedreigd. Maar Verreyt, ook al gesterkt door het wonder dat hij net heeft beleefd, slaagt erin zich met zijn stok zo te weren en verdedigen, 'dat het roer hem niet en konder deiren'. De tweede soldaat wil dan op zijn beurt schieten, maar het geweer ontploft in zijn handen. De pelgrim 'Is door Marias hulp van dese doodt bewaert'. Tweede wonder door Maria: Gisberty had er kennelijk zin in, hij kijkt op geen argument. En Verreyt maakt het vaste voornemen het Mariabeeld naar Werbeek te brengen.
Spannend verhaaltje met een glorierijk happy end afgewerkt.
Barokke uitvoering van hetzelfde onderwerp
Het verhaal druipt natuurlijk van de godsvrucht en de stichtelijke bedoelingen: Maria kan best nog wonderen verrichten: 'De mancke zyn te been, tot schaemt der geusen krengen'. De reformateurs worden zonder pardon grof uitgescholden: Gisberty's gevoelen en opvattingen worden zeer duidelijk, hij steekt ze niet onder stoelen of baneken. Soms heeft het werkje literaire kwaliteiten, niet vaak, maar toch. Gisberty heeft me zelfs aan Bredero doen denken, aan zijn gedicht 'Wat dat de wereld is': zou onze dichter hem ooit gelezen hebben? Niet zo waarschijnlijk, maar hij heeft het toch over: ' Een swaer benouwden geest, een lichaem vol gequyn, / Een hooft dat suysebolt, een hert geperst door pyn / Een uytgeteerde borst, een keil vol van gebreken': 's mensen ongeluk en jammerlijke toestand worden wel bijzonder indringend opgeroepen. Zijn tijdgenoten moeten zich door zijn woorden platgeklopt gevoeld hebben. Herhaling als retorisch trucje kent hij net zo goed, het versterkt zijn bedoeling: 'Want dit houd'ick voor vast, dit houd'ick voor gewis': je moet het wel snappen.
Om zijn vers te vullen formuleert onze schrijver de jaartallen op een zeer eigenaardige manier: 'In 't vyf-en-viertigste, naer sestien hondert jaeren,': zonder zwakheden is hij ook weer niet.
Pure propaganda is dit 'gedicht': in zijn tijd ongetwijfeld zeer overtuigend. Een bewijs ook voor het feit hoe wonderen toen het eigen gelijk moesten bewijzen: kapel en plastische kunsten werden ervoor ingezet, plus het woord. De clerus heeft het natuurlijk altijd geweten: 'In den beginne was het woord' en van dat woord maakte de kerk in de zeventiende eeuw op een doeltreffende manier gebruik. En nu doen we dat nog altijd, maar over andere onderwerpen, verlicht en modern, veel rationeler. Denken we dan.
De auteur, I. Gisberty, - in het Nederlands Gijsbrechts - stelt in zijn aanhef 'den wonderbaren Godt vol rechtveerdigheden' in de eerste plaats voor als een straffende god voor: het deed me sterk denken aan de wrede Zeus uit Homerus' Ilias. Voor dat probleem is er gelukkig een oplossing: 'maer dickwijls moeten wij door sijne beste vrinden, / Een toeganck tot den troon van zyne goetheyt vinden'. Die beste vriend(in) is natuurlijk Maria, voor wie de kapel is opgericht. En dan volgt een reeks argumenten die duidelijk maken waarom zij de juiste persoon is om de vertoornde God te vermurwen en de zondige mens te redden. Het volgende fragment uit het 'Kort Verhael' maakt dat duidelijk.
En wie heeft beter oyt zijn gramme borst bewogen,
Dan die, met haere borst hem eertyts heeft gesogen?
Wie kan het blixems-vier hem rucken uyt de handt,
Dan die sijn stercken arm met teere doeckxkens bandt?
Wie kan den grooten Godt bedwingen tot medoogen?
Dan die hem heeft geleyt met t' wincken van haer oogen?
Seght wie hem stillen sal, voor wie het aerdryck beeft,
Dan die, in wiens schoot hy stil geslapen heeft?
Wie kan sijn gram gesicht in soetigheyt verkeeren?
Dan die, van wie hy eerst het lacchen moeste leeren,
Wie sal getrouwer ons behoeden voor de straf?
Dan die, hy onder 't cruys ons voor een moeder gaf,
'T schynt dat hy al sijn gunst heeft aen dees Maegt gebonden
En dat er buyten Haer geen hulp en wordt gevonden.
'T schynt dat sy is gestelt in lyden een troosters,
En tusschen Godt en mensch een soete middelers.
Hans Memling: Maria met Kind en schenker
Zwaar stichtelijk is deze literatuur, zeer indrukwekkend kan ik me indenken voor de zeventiende-eeuwse Kempenaar die dit verhaal hoorde voorlezen: zelf lezen was er hoogstwaarschijnlijk nog niet bij. En als dat dan uit de mond van een geleerde prelaat of priester kwam, dan kon je dat toch alleen maar vurig geloven? En dan gaat hij verder met het verhaal van 'Mari ter Sneeuw': hoe haar beeld onbesneeuwd gevonden wordt, hoe Willem Verreyt dat mee wil nemen en ergens veilig onderbrengen. Maar de boze wereld ligt op de loer: 'twee Soldaeten, / Twee stroopers' vallen hem aan: geld willen zij. Zij 'setten hem 't roer op 't lyf', met andere woorden: er wordt met een geweer gedreigd. Maar Verreyt, ook al gesterkt door het wonder dat hij net heeft beleefd, slaagt erin zich met zijn stok zo te weren en verdedigen, 'dat het roer hem niet en konder deiren'. De tweede soldaat wil dan op zijn beurt schieten, maar het geweer ontploft in zijn handen. De pelgrim 'Is door Marias hulp van dese doodt bewaert'. Tweede wonder door Maria: Gisberty had er kennelijk zin in, hij kijkt op geen argument. En Verreyt maakt het vaste voornemen het Mariabeeld naar Werbeek te brengen.
Spannend verhaaltje met een glorierijk happy end afgewerkt.
Barokke uitvoering van hetzelfde onderwerp
Het verhaal druipt natuurlijk van de godsvrucht en de stichtelijke bedoelingen: Maria kan best nog wonderen verrichten: 'De mancke zyn te been, tot schaemt der geusen krengen'. De reformateurs worden zonder pardon grof uitgescholden: Gisberty's gevoelen en opvattingen worden zeer duidelijk, hij steekt ze niet onder stoelen of baneken. Soms heeft het werkje literaire kwaliteiten, niet vaak, maar toch. Gisberty heeft me zelfs aan Bredero doen denken, aan zijn gedicht 'Wat dat de wereld is': zou onze dichter hem ooit gelezen hebben? Niet zo waarschijnlijk, maar hij heeft het toch over: ' Een swaer benouwden geest, een lichaem vol gequyn, / Een hooft dat suysebolt, een hert geperst door pyn / Een uytgeteerde borst, een keil vol van gebreken': 's mensen ongeluk en jammerlijke toestand worden wel bijzonder indringend opgeroepen. Zijn tijdgenoten moeten zich door zijn woorden platgeklopt gevoeld hebben. Herhaling als retorisch trucje kent hij net zo goed, het versterkt zijn bedoeling: 'Want dit houd'ick voor vast, dit houd'ick voor gewis': je moet het wel snappen.
Om zijn vers te vullen formuleert onze schrijver de jaartallen op een zeer eigenaardige manier: 'In 't vyf-en-viertigste, naer sestien hondert jaeren,': zonder zwakheden is hij ook weer niet.
Pure propaganda is dit 'gedicht': in zijn tijd ongetwijfeld zeer overtuigend. Een bewijs ook voor het feit hoe wonderen toen het eigen gelijk moesten bewijzen: kapel en plastische kunsten werden ervoor ingezet, plus het woord. De clerus heeft het natuurlijk altijd geweten: 'In den beginne was het woord' en van dat woord maakte de kerk in de zeventiende eeuw op een doeltreffende manier gebruik. En nu doen we dat nog altijd, maar over andere onderwerpen, verlicht en modern, veel rationeler. Denken we dan.
Werbeek
Je bent niet echt van deze streek als je de kapel van Werbeek niet kent. Laat staan Werbeek zonder meer. Het is een gehucht van Retie, een kilometer of twee in de richting Dessel. Met de auto ben je er voorbij voordat je het goed en wel gezien hebt, ware het niet dat er een merkwaardige kapel staat, vlak naast de weg. Een mooie naam heeft die kapel: het is de 'Kapel van Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw'. Een hele mondvol is het, zeker als je weet dat de hoofdkerk van Antwerpen het meestal moet stellen met 'de kathedraal'.
De kapel van Werbeek: Onze-Lieve-vrouw ter Sneeuw
De kapel dateert van 1665, en dat bakstenen gebouwtje kwam toen in de plaats van een houten kapel die er al stond in 1646. En die verving toen op haar beurt een boomkapelletje uit 1645. Tegen die boom (een eik) werd toen een miraculeus Mariabeeld geplaatst. Dat was dan weer in de winter van dat jaar in Ulicoten gevonden door een 'ambachtsman' uit Baarle, ene Willem Verreyt, die overigens op weg was naar een Sint Antoniusfeest in Chaam. Het gebeurde allemaal 'In Januario, sestienden, 's winters tydt': de 17de is de feestdag van Antonius. Wat het mirakel was: Willem Verreyt vond 'dit weerde Beeldt' op de ondergesneeuwde heide: 'Een luttel buyten 's weegs, en op een kleine hooghte,/ In sneeuw en niet besneeuwt, maer rondom in de drooghte.' Ondanks het barre weer was Maria onbesneeuwd, dus onbevlekt gebleven: een duidelijk wonder. En het wordt naar Retie gebracht, toch een eindje uit de buurt van de vindplaats.
Nu lagen Baarle, Ulicoten en Chaam in de Noordelijke Nederlanden, in de zogenaamde Generaliteitslanden, en daar waren de calvinisten baas, hoewel de streek altijd overwegend katholiek was en is gebleven. Dat katholicisme werd ten hoogste gedoogd, zolang het maar niet opviel: in de openbare ruimte was er voor dergelijke uitingen van paapse volksdevotie geen plaats. Daarvoor moest je de grens over, naar de Zuidelijke Nederlanden, bijvoorbeeld naar Retie. Zo kan dat ongeveer gegaan zijn, durf ik te veronderstellen.
Eerder recent Mariabeeld boven de toegangspoort van de kapel
En de katholieke gezagsdragers hier te lande vonden een en ander van bijzonder belang: Augustinus Wichmans, prelaat van Tongerlo, heeft in 1646 'een fraey Cappel gesticht'. Dat miraculeus Mariabeeld is voor de katholieke clerus letterlijk een godsgeschenk te noemen: de reformatie moest te allen prijze buiten gehouden worden, bij ons was al wat de klok sloeg contrareformatie. Wat een prachtige buitenkans om het volk te stichten: God zelf had er de hand in.
Uit de Generaliteitslanden werden bedevaarten naar het nieuwe heiligdom georganiseerd, die trouwens tot op de dag van vandaag nog niet helemaal verdwenen zijn: jaarlijks komen nog georganiseerde bedevaarders uit Eersel en Veldhoven naar Werbeek.
Op zichzelf is dit al een opmerkelijk verhaal, maar wat daar nog bijkomt is dat die kapel achthoekig is, 'octogonaal' in de betere architectentaal. Nu ken ik natuurlijk niet alle religieuze gebouwen hier in de wijde omtrek, maar een achthoekige kapel lijkt mij toch uitzonderlijk. Hoe komt die hier terecht, iets na het midden van de zeventiende eeuw, in the middle of nowhere? Heeft die octogonale bouw een speciale betekenis? Ik zoek naar een antwoord op die vraag.
Het gebouw heeft wel stijl vind ik: 'classicerende barok' wordt die genoemd, of 'sobere en landelijke barokstijl'. Het interieur moet ik hoogdringend ook eens gaan bekijken: het schijnt de moeite te zijn.
Wat men een 'opengewerkte dakruiter' noemt
De enkele 17de-eeuwse citaten in deze tekst komen uit 'Kort Verhael van den Oorspronck van de miraculeuse L. Vrouwe ter Sneeu / geheeten Hulpe der Christenen tot Werbeecke onder de parochie van Rethy ... In rym geset door I. Gisberty'. In beschaafd Brabants: I(sidoor) Gijsbrechts.
De kapel van Werbeek: Onze-Lieve-vrouw ter Sneeuw
De kapel dateert van 1665, en dat bakstenen gebouwtje kwam toen in de plaats van een houten kapel die er al stond in 1646. En die verving toen op haar beurt een boomkapelletje uit 1645. Tegen die boom (een eik) werd toen een miraculeus Mariabeeld geplaatst. Dat was dan weer in de winter van dat jaar in Ulicoten gevonden door een 'ambachtsman' uit Baarle, ene Willem Verreyt, die overigens op weg was naar een Sint Antoniusfeest in Chaam. Het gebeurde allemaal 'In Januario, sestienden, 's winters tydt': de 17de is de feestdag van Antonius. Wat het mirakel was: Willem Verreyt vond 'dit weerde Beeldt' op de ondergesneeuwde heide: 'Een luttel buyten 's weegs, en op een kleine hooghte,/ In sneeuw en niet besneeuwt, maer rondom in de drooghte.' Ondanks het barre weer was Maria onbesneeuwd, dus onbevlekt gebleven: een duidelijk wonder. En het wordt naar Retie gebracht, toch een eindje uit de buurt van de vindplaats.
Nu lagen Baarle, Ulicoten en Chaam in de Noordelijke Nederlanden, in de zogenaamde Generaliteitslanden, en daar waren de calvinisten baas, hoewel de streek altijd overwegend katholiek was en is gebleven. Dat katholicisme werd ten hoogste gedoogd, zolang het maar niet opviel: in de openbare ruimte was er voor dergelijke uitingen van paapse volksdevotie geen plaats. Daarvoor moest je de grens over, naar de Zuidelijke Nederlanden, bijvoorbeeld naar Retie. Zo kan dat ongeveer gegaan zijn, durf ik te veronderstellen.
Eerder recent Mariabeeld boven de toegangspoort van de kapel
En de katholieke gezagsdragers hier te lande vonden een en ander van bijzonder belang: Augustinus Wichmans, prelaat van Tongerlo, heeft in 1646 'een fraey Cappel gesticht'. Dat miraculeus Mariabeeld is voor de katholieke clerus letterlijk een godsgeschenk te noemen: de reformatie moest te allen prijze buiten gehouden worden, bij ons was al wat de klok sloeg contrareformatie. Wat een prachtige buitenkans om het volk te stichten: God zelf had er de hand in.
Uit de Generaliteitslanden werden bedevaarten naar het nieuwe heiligdom georganiseerd, die trouwens tot op de dag van vandaag nog niet helemaal verdwenen zijn: jaarlijks komen nog georganiseerde bedevaarders uit Eersel en Veldhoven naar Werbeek.
Op zichzelf is dit al een opmerkelijk verhaal, maar wat daar nog bijkomt is dat die kapel achthoekig is, 'octogonaal' in de betere architectentaal. Nu ken ik natuurlijk niet alle religieuze gebouwen hier in de wijde omtrek, maar een achthoekige kapel lijkt mij toch uitzonderlijk. Hoe komt die hier terecht, iets na het midden van de zeventiende eeuw, in the middle of nowhere? Heeft die octogonale bouw een speciale betekenis? Ik zoek naar een antwoord op die vraag.
Het gebouw heeft wel stijl vind ik: 'classicerende barok' wordt die genoemd, of 'sobere en landelijke barokstijl'. Het interieur moet ik hoogdringend ook eens gaan bekijken: het schijnt de moeite te zijn.
Wat men een 'opengewerkte dakruiter' noemt
De enkele 17de-eeuwse citaten in deze tekst komen uit 'Kort Verhael van den Oorspronck van de miraculeuse L. Vrouwe ter Sneeu / geheeten Hulpe der Christenen tot Werbeecke onder de parochie van Rethy ... In rym geset door I. Gisberty'. In beschaafd Brabants: I(sidoor) Gijsbrechts.
maandag 28 maart 2011
Luc Tuymans in Bozar (III)
Het werk dat op mij de diepste indruk heeft gemaakt is ongetwijfeld 'The Nose' uit 2002. Niet voor niets staat het ook op het informatieve foldertje van de tentoonstelling. Nu is de titel van dit doek maar een titel: de neus is nu eenmaal het meest prominente deel van het gezicht - in alle betekenissen - en in dit geval is ze inderdaad best uitstekend. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Volgens de catalogus gaat het doek terug op een afbeelding die Tuymans licht gewijzigd heeft: een glimlach heeft plaats gemaakt voor een raadselachtige gezichtsuitdrukking. Tuymans zelf noemt het 'als het ware een Christuskop', omdat de stijl ervan herinnert aan de talloze 'Ecce Homo's' die de menselijkheid en het lijden van Christus moesten oproepen. Ik kan daar best inkomen: voor mij is de uitdrukking van het gezicht er een van immense, diepste droefheid (en ontgoocheling), waar woorden zonder meer tekortschieten, de zaken nog erger zouden maken, waar alleen woordeloos respect en empathie passend zijn. Bij mij roept 'The Nose' dat gevoelen heel sterk op, en daarom vind ik het ook zo'n schitterend werk. Daarvoor alleen al had ik de retrospectieve willen zien.
The Nose, 2002
The Secretary of State, 2005
Ik had een beetje schrik toen ik naar de tentoonstelling van Tuymans ging: te weinig kleur vond ik van te voren, zeer ernstig ook, hij leek mij niet echt doeken te schilderen waar je je woonkamer mee wil opvrolijken. Maar toch: hij heeft me overtuigd. In kunst gaat het, zeker tegenwoordig, niet zozeer om 'het schone', dan wel om 'het goede' of 'het ware'. Alleen kunnen die twee categorieën voor iedereen andere dingen betekenen. Dat probleem zullen we wel nooit oplossen, vrees ik. Tuymans heeft dat voor zichzelf wel gedaan en er uiting aan gegeven op een manier die behoorlijk wat mensen aanspreekt. Geen geringe verdienste is dat.
zondag 27 maart 2011
Gent-Wevelgem? Meer lente!
Het was Gent-Wevelgem vandaag: vroeger zou je daar nog naar gekeken hebben, maar nu, met zo'n mooi weer? Geen denken aan! De natuur in is tegenwoordig het parool. En het is een prachtig voorjaar dit jaar. Veel zon gehad deze maand, maartse buien zijn uitgebleven. We rekenen natuurlijk nog op de aprilse grillen, maar echt nodig zijn ze niet: het land ligt er nog nat genoeg bij.
Het Vennengebied straalt weer een beetje meer, er steken al meer bloemetjes de kop op. Aan 'De Kasteeltjes' vind ik behoorlijk wat speenkruid. Dat is nieuw voor mij, want ik ben nog nooit zo vroeg in het voorjaar uitgereden, en dat speenkruid is een vroege lentebloeier: van maart tot mei kun je hem zien. Echt groot wordt het niet, tot 30 cm hoog, bescheiden zou je zeggen, maar met zijn gele bloempjes is het zeer opvallend en aantrekkelijk.
Speenkruid
Je kunt zo nog kleiner hebben, vooral als de plantjes nog maar net komen piepen. De 'kleine veldkers' heet niet voor niets zo: van 5 tot 20 cm hoog wordt hij. Zeer kleine bloempjes ook, nog bescheidener dan het speenkruid, maar wel zo opvallend wit dat je er niet naast kunt kijken..
Kleine veldkers
Prachtige bloemen in wording zie ik op de Klotteraard: vlak bij de uitkijktoren doen de waterlelies hun inspanningen om weer boven water te komen. Bloemen zijn er natuurlijk nog niet, maar de bladeren uit het donkere water naar het lichte oppervlak zien reiken: schitterend is het. Sommige hebben het al gehaald, andere zijn er bijna: nog eventjes en ze kunnen hun nog opgerolde bladeren ontplooien. En dan mogen de lelies zelf beginnen groeien, blauw geel of wit.
Waterlelie: van koele duisternis naar warm licht
De natuur zien groeien en openbloeien: een schitterende belevenis vind ik het. En ik hoop vast dat ik de enige niet ben.
En Gent-Wevelgem? Tom Boonen heeft gewonnen, wat meer is, hij heeft de bloemen gewonnen. Maar als je dat pas om zeven uur verneemt, vergaat de wereld toch niet. Waarom zou ie?
Het Vennengebied straalt weer een beetje meer, er steken al meer bloemetjes de kop op. Aan 'De Kasteeltjes' vind ik behoorlijk wat speenkruid. Dat is nieuw voor mij, want ik ben nog nooit zo vroeg in het voorjaar uitgereden, en dat speenkruid is een vroege lentebloeier: van maart tot mei kun je hem zien. Echt groot wordt het niet, tot 30 cm hoog, bescheiden zou je zeggen, maar met zijn gele bloempjes is het zeer opvallend en aantrekkelijk.
Speenkruid
Je kunt zo nog kleiner hebben, vooral als de plantjes nog maar net komen piepen. De 'kleine veldkers' heet niet voor niets zo: van 5 tot 20 cm hoog wordt hij. Zeer kleine bloempjes ook, nog bescheidener dan het speenkruid, maar wel zo opvallend wit dat je er niet naast kunt kijken..
Kleine veldkers
Prachtige bloemen in wording zie ik op de Klotteraard: vlak bij de uitkijktoren doen de waterlelies hun inspanningen om weer boven water te komen. Bloemen zijn er natuurlijk nog niet, maar de bladeren uit het donkere water naar het lichte oppervlak zien reiken: schitterend is het. Sommige hebben het al gehaald, andere zijn er bijna: nog eventjes en ze kunnen hun nog opgerolde bladeren ontplooien. En dan mogen de lelies zelf beginnen groeien, blauw geel of wit.
Waterlelie: van koele duisternis naar warm licht
De natuur zien groeien en openbloeien: een schitterende belevenis vind ik het. En ik hoop vast dat ik de enige niet ben.
En Gent-Wevelgem? Tom Boonen heeft gewonnen, wat meer is, hij heeft de bloemen gewonnen. Maar als je dat pas om zeven uur verneemt, vergaat de wereld toch niet. Waarom zou ie?
Luc Tuymans in Bozar (II)
'Mwana Kitoko' is natuurlijk lekker Belgisch, maar ander niet-vaderlands werk is even boeiend. Tuymans heeft het over onderwerpen als het nazisme, nine-eleven, de jezuïeten, de (Amerikaanse) politiek, thema's die maatschappelijk relevant zijn.
Nazisme
Our New Quarters
Nog zo'n Holocaustschilderij is 'Gaskamer', ook uit 1986. Het idee alleen al, een gaskamer schilderen: ik heb in elk geval nooit schilderij met dit onderwerp gezien. Weer krijg je kaalheid en naaktheid, nu in het centrum des doods zelve. Voor dit werk heeft Tuymans als studie eerst een aquarel gemaakt, na een bezoek aan het concentratiekamp en de gaskamers van Dachau. In het midden zie je het deksel van een afvoerput voor de fecaliën van de vermoorden. Tuymans laat eerder lege beelden zien: hoe ontstellend ze zijn, moet je zelf in- of aanvullen: 'the content is in the eye of the beholder', elke toeschouwer maakt voor zichzelf het werk af.
Gaskamer
Intrigerend is ook 'Wandeling' (1933). Twee figuren staan in de verte, in het dal, de afgrond te staren. De rechtse is makkelijk te herkennen als Hitler, de linkse stelt Albert Speer voor, samen de bedenker en de architect van het geweld. Ze staan met hun rug naar de kijker, hun gezichten (de gezichten van het kwaad?) blijven onzichtbaar. Nogal wat schaduw en vaalgeel lichtschijnsel bepalen de sombere atmosfeer van het werk.
Nazisme
Treffend in al zijn naaktheid is het werk 'Our New Quarters' (1986). Het schilderij is de artistieke verwerking van een ansichtkaart uit Theresienstadt: toen tijdens de Tweede Wereldoorlog joden van het ene kamp naar het ander werden overgebracht, brachten velen van hen een tijd door in het kamp Theresienstadt, een aantal gebouwen die de realiteit van de kampen des doods moesten verstoppen. De 'Häftlinge' kregen dergelijke kaarten die ze dan naar huis konden sturen: ze toondende grote binnenplaats van het kamp. Je zou er de façade van een groot hotel in kunnen zien, ware het niet dat de boom, het enige leven op het doek, er onheilspellend dood bij staat. De eentonige, sombere kleur, de afwezigheid van zon, wolken en begroeiing doen overigens ook niets goeds vermoeden. Een onthutsende stomp in je maag is het, dit werk.
Our New Quarters
Nog zo'n Holocaustschilderij is 'Gaskamer', ook uit 1986. Het idee alleen al, een gaskamer schilderen: ik heb in elk geval nooit schilderij met dit onderwerp gezien. Weer krijg je kaalheid en naaktheid, nu in het centrum des doods zelve. Voor dit werk heeft Tuymans als studie eerst een aquarel gemaakt, na een bezoek aan het concentratiekamp en de gaskamers van Dachau. In het midden zie je het deksel van een afvoerput voor de fecaliën van de vermoorden. Tuymans laat eerder lege beelden zien: hoe ontstellend ze zijn, moet je zelf in- of aanvullen: 'the content is in the eye of the beholder', elke toeschouwer maakt voor zichzelf het werk af.
Gaskamer
Intrigerend is ook 'Wandeling' (1933). Twee figuren staan in de verte, in het dal, de afgrond te staren. De rechtse is makkelijk te herkennen als Hitler, de linkse stelt Albert Speer voor, samen de bedenker en de architect van het geweld. Ze staan met hun rug naar de kijker, hun gezichten (de gezichten van het kwaad?) blijven onzichtbaar. Nogal wat schaduw en vaalgeel lichtschijnsel bepalen de sombere atmosfeer van het werk.
Merkwaardig genoeg lijkt dit werk een oerduitse, oerromantische inspiratiebron te hebben: 'Der Wanderer' van Caspar David Friedrich. Met dit schilderij in je achterhoofd wordt 'Wandeling' van Tuymans nog navranter, wranger, kouder en killer.
Caspar David Friedrich: Der Wanderer
Een serie schilderijen van Tuymans staan bekend onder de naam 'Der diagnostische Blick'. Tuymans kijkt natuurlijk zelf met een diagnostische blik naar de wereld, zoveel is wel duidelijk. De diagnose moet je wel zelf uit het schilderij lezen.
vrijdag 25 maart 2011
Luc Tuymans: Retrospectieve in Bozar (I)
Zit ik vandaag te bladeren en te kijken in de catalogus die ik gisteren van Luc Tuymans' Retrospectieve in Bozar meegebracht heb. Ik bekijk de reproducties, en er schiet mij een vers van Lucebert te binnen: 'ik ben geen lieflijke dichter' (Uit school der poëzie). Evenmin is Tuymans een lieflijke schilder, maar zijn doeken verschillen wel aanzienlijk van het plastisch werk van de Nederlandse dichter. Hij is rustiger, schreeuwt niet om 'revolutie', stelt zich zeer kritisch en onderzoekend op, stelt aan de kaak, geeft commentaar, klaagt - scherp - aan zonder emotioneel te worden, toont zijn kijk op de wereld van de macht en geweld, kolonialisatie en nationalisme. Je moet behoorlijk stilstaan bij en nadenken over wat je ziet. En echt vrolijk word je er niet van, levensvreugde wordt niet kunstmatig opgeklopt.
Een en ander blijkt uit Tuymans' kleurgebruik: de kleuren spatten niet van het doek, helle tinten zie je niet te veel, vooral grijzige, beige en bruinige, soms vervaalde kleuren gebruikt hij. Niet echt dodelijk somber is het, wel doodernstig. En je moet het verhaal, de context van het schilderij wel kennen, wil je er iets aan hebben. Dat was bij schilders uit vroegere tijden ook zo: als je het verhaal van de Toren van Babel niet kent, of dat van Icarus, zijn die werken van Breughel ook maar goed geschilderde plaatjes. Tuymans heeft het over de verhalen en de mythen van vandaag, hij zoekt voor macht en kolonisatie moderne, nieuwe metaforen. De juiste metafoor is niet tijdsgebonden, ze overstijgt de eigen, enge actualiteit. De toeschouwer moet wel mee willen werken en proberen de visie van de kunstenaar te verstaan.
Mwana Kitoko
De eerste zaal die we zien, is eigenlijk de laatste (dat lag aan rolstoel- en lifttechnische problemen, maar dat terzijde), en die zaal is meteen zeer indrukwekkend. Het is eigenlijk een herhaling van de tentoonstelling in Venetië, in 2001, van 'Mwana Kitoko, Beautiful White Man'. Die naam draagt ook een opvallend schilderij van Koning Boudewijn die in 1955 de kolonie bezoekt. Hij stapt uit het vliegtuig, daalt uit de hemelen neer, komt pontificaal de trap af, gekleed in een schitterend wit uniform, niet dadelijk de kleur die je meteen met Congo associeert: een vreemde is hij eigenlijk ('volksvreemd' had ik bijna geschreven), ook al door zijn lange sabel, het teken van zijn macht. Het kan om niemand anders dan Boudewijn gaan, maar een gezicht heeft hij niet echt: een zonnebril staat op een suggestie van een neus, maar verder heeft dat gezicht niet veel menselijks. Volgens de catalogus betekent 'Mwana Kitoko' 'mooie meester' of 'mooie nobele'. Maar de koloniale overheid hoorde als vertaling liever 'mooie blanke', zo het verschil in rang, stand en ras duidelijk beklemtonend, duidelijk makend ook hoe de zaken er voor de zwarte bij stonden. Zo vat Tuymans met een op het eerste gezicht eenvoudig schilderij de essentie van de kolonisatie.
Mwna Kitoko (Beautiful White Man)
Het portret van Lumumba heeft een totaal andere uitstraling: je krijgt een moderne jonge intellectueel uit 1960 te zien, bril, netjes in 't pak, snorretje, duidelijk herkenbaar. Hij ziet er niet al te blij uit, deze jonge Lumumba, deze jonge 'évolué' die zijn volk wilde emanciperen, maar die dat belet werd, en in verband daarmee waren alle berichten over het paleis niet denderend positief, zoals men zich zal herinneren.
Lumumba
In de zaal 'Mwana Kitoko' hangt ook 'The Mission', uitgerekend de missie waar Lumuba en zijn rivaal, de latere dictator Mobutu Sese Seko, studeerden. De kerk en de kolonisator ontmoeten elkaar: de eerste wilde bekeren en beschaven, de tweede wilde 'beschaven', eigen gewin maximaliseren en de macht in handen houden: meer dan évolués konden de Congolezen in die omstandigheden niet worden.
The Mission
Zo wordt deze afdeling van de retrospectieve een aanklacht tegen de kolonisatie, niet door er agressief op in te hakken, buitensporig geweld te tonen, maar door de hoofdrolspelers met elkaar te confronteren: de kerk, het paleis, het systeem, de koning als functie, en de mens Lumumba. Samen in een zaal versterken die schilderijen elkaar, en leggen ze bloot en maken ze mensen bewust. Het is Tuymans als geëngageerd deelnemer aan het maatschappelijke leven.
Een en ander blijkt uit Tuymans' kleurgebruik: de kleuren spatten niet van het doek, helle tinten zie je niet te veel, vooral grijzige, beige en bruinige, soms vervaalde kleuren gebruikt hij. Niet echt dodelijk somber is het, wel doodernstig. En je moet het verhaal, de context van het schilderij wel kennen, wil je er iets aan hebben. Dat was bij schilders uit vroegere tijden ook zo: als je het verhaal van de Toren van Babel niet kent, of dat van Icarus, zijn die werken van Breughel ook maar goed geschilderde plaatjes. Tuymans heeft het over de verhalen en de mythen van vandaag, hij zoekt voor macht en kolonisatie moderne, nieuwe metaforen. De juiste metafoor is niet tijdsgebonden, ze overstijgt de eigen, enge actualiteit. De toeschouwer moet wel mee willen werken en proberen de visie van de kunstenaar te verstaan.
Mwana Kitoko
De eerste zaal die we zien, is eigenlijk de laatste (dat lag aan rolstoel- en lifttechnische problemen, maar dat terzijde), en die zaal is meteen zeer indrukwekkend. Het is eigenlijk een herhaling van de tentoonstelling in Venetië, in 2001, van 'Mwana Kitoko, Beautiful White Man'. Die naam draagt ook een opvallend schilderij van Koning Boudewijn die in 1955 de kolonie bezoekt. Hij stapt uit het vliegtuig, daalt uit de hemelen neer, komt pontificaal de trap af, gekleed in een schitterend wit uniform, niet dadelijk de kleur die je meteen met Congo associeert: een vreemde is hij eigenlijk ('volksvreemd' had ik bijna geschreven), ook al door zijn lange sabel, het teken van zijn macht. Het kan om niemand anders dan Boudewijn gaan, maar een gezicht heeft hij niet echt: een zonnebril staat op een suggestie van een neus, maar verder heeft dat gezicht niet veel menselijks. Volgens de catalogus betekent 'Mwana Kitoko' 'mooie meester' of 'mooie nobele'. Maar de koloniale overheid hoorde als vertaling liever 'mooie blanke', zo het verschil in rang, stand en ras duidelijk beklemtonend, duidelijk makend ook hoe de zaken er voor de zwarte bij stonden. Zo vat Tuymans met een op het eerste gezicht eenvoudig schilderij de essentie van de kolonisatie.
Mwna Kitoko (Beautiful White Man)
Het portret van Lumumba heeft een totaal andere uitstraling: je krijgt een moderne jonge intellectueel uit 1960 te zien, bril, netjes in 't pak, snorretje, duidelijk herkenbaar. Hij ziet er niet al te blij uit, deze jonge Lumumba, deze jonge 'évolué' die zijn volk wilde emanciperen, maar die dat belet werd, en in verband daarmee waren alle berichten over het paleis niet denderend positief, zoals men zich zal herinneren.
Lumumba
In de zaal 'Mwana Kitoko' hangt ook 'The Mission', uitgerekend de missie waar Lumuba en zijn rivaal, de latere dictator Mobutu Sese Seko, studeerden. De kerk en de kolonisator ontmoeten elkaar: de eerste wilde bekeren en beschaven, de tweede wilde 'beschaven', eigen gewin maximaliseren en de macht in handen houden: meer dan évolués konden de Congolezen in die omstandigheden niet worden.
The Mission
Zo wordt deze afdeling van de retrospectieve een aanklacht tegen de kolonisatie, niet door er agressief op in te hakken, buitensporig geweld te tonen, maar door de hoofdrolspelers met elkaar te confronteren: de kerk, het paleis, het systeem, de koning als functie, en de mens Lumumba. Samen in een zaal versterken die schilderijen elkaar, en leggen ze bloot en maken ze mensen bewust. Het is Tuymans als geëngageerd deelnemer aan het maatschappelijke leven.
Abonneren op:
Posts (Atom)