zaterdag 17 april 2021

Zoo Antwerpen: een zeeleeuw, zeldzame huisdieren, een lerend mensje

In de Antwerpse Zoo is altijd wel iets te beleven, ook nu in coronatijden. De gebouwen zijn niet open, dus je kunt nergens naar binnen, maar buiten is er ook merkwaardig leven. Heel druk is het niet, behalve in de speeltuintjes: kinderen speels en dartel alom, en ouders die soms wel dicht bij elkaar zitten: je kunt niet iedereen onder een stolp zetten. De Zoo draait ook nog niet op volle toeren, en hier en daar en elders zijn werken aan de gang. Je kunt je ogen echter wel de kost geven. 

Aan de Egyptische tempel bijvoorbeeld, waar de olifanten thuis zijn. Het gebouw is wel afgesloten, de buitenkant is ook het bekijken waard. Op de voorgevel, van onderen aan de rechterkant, prijkt een Egyptiserende muurschildering: twee slaven laten huisdieren uit, een leeuw alsof het een hond was, en een struisvogel alsof het een braadgans was. Of dit tafereel zich ooit aan een faraonisch hof af heeft gespeeld, betwijfel ik ten zeerste: ofwel waren die oude Egyptenaren fantastische dierentemmers, ofwel hadden de schilders uit de negentiende eeuw een fantastische verbeelding. Maar het ziet er exotisch uit: de negentiende-eeuwers konden ook niet elke avond naar een natuurdocumentaire van Sir David Attenborough kijken, en hun ogen wilden ook wat!

Egyptische slaven aan de wandel met huisdieren

Eventjes verder zitten, liever zwemmen de zeeleeuwen. Je zou zeggen dat ze in hun element zijn, maar eentje kan van water niet genoeg krijgen. Een hydroholic is het! Hij drinkt onophoudelijk van een, zo lijkt het wel, eeuwigdurende  waterstraal. Het zal voor hem meer dan een frisse slok zijn, zoals voor ons een frisse pint: menselijke en dierlijke behoeften lopen soms nogal gelijk, zoogdieren onder elkaar zijn we. Die zeeleeuwen moeten binnenkort uit de Zoo verdwijnen: de dierentuin slaagt er niet in dierenwelzijn, bezoekersbeleving en bescherming van het erfgoed te verenigen. Het niet zo ruime bassin wacht nu op zeehonden. De mannetjes van die zeeleeuwen gaan niet naar de Kaspische, Dode of Rode Zee, maar naar Engeland: daar hebben ze hier of daar wel een plas waar ze kunnen floreren. De vrouwtjes gaan naar Duitsland: niet naar de Schwammelauelsee of de Bodensee, wel naar een of andere Tiergarten.

Zeeleeuw aan de borrel

Interessant voor ouders en grootouders is natuurlijk gade te slaan hoe hun nageslacht zich ontwikkelt en zijn grenzen verlegt, wat die kinderen al durven en kunnen. In onze familie hebben wij daar een prachtexemplaar voor: Vic, 4 jaar, een geboren spring-in-'t-veld, wat zeg ik: iemand die in alles tegelijkertijd zou springen. Hij valt al wel eens op zijn gezichtje, met melktandenverlies als gevolg, of een kin die overvloedig bloedt, of hij wordt op de grond geduwd met daarna de obligate geschaafde knieën. Zoals men in Turnhout zegt: 'Daar zijn ze nog niet mee aan de nief petatte!' Natuurlijk wil het ventje ook te weten komen of een carrière als koorddanser voor hem weggelegd zou zijn, en mama Dieuwertje helpt hem op een evenwichtsparcours. Eerst zeer behoedzaam: ze moet zijn handje vasthouden, en hij kijkt geconcentreerd en in alle ernst naar het dikke touw waarover hij zachtjes vooruit schuifelt.

Met steun, ernst en concentratie

Fase 2: zelfstandig, Vic zoekt met zijn twee handjes steun, schat zijn nabije toekomst en de afstand in, nog steeds vol ernst en concentratie. Hij is gewoonlijk wel een en al beweging, maar hij weet kennelijk toch wat een uitdaging is.

 Vic schat de ernstige uitdaging in

Fase 3: dat moet ik toch kunnen, heeft hij gedacht, houdt alleen met zijn linkerhand het steuntouw vast, en vordert langzaam, waarbij zijn glimlach boekdelen spreekt. Mama is nog altijd waakzaam, want zij kent hem natuurlijk ook!

Een bijna verlossende glimlach

Fase 4: als een volleerde koorddanser, met zijn armen gespreid voor het evenwicht, voorzichtig bijna weer voetje voor voetje naar boven schuivend: Vic heeft de uitdaging overwonnen, dat  beseft hij zelf ook al! Gevallen is hij niet, en hij beloont zichzelf met een brede glimlach en met het idee: 'Dat heb ik toch maar lekker gefikst!

Dat heb ik toch maar lekker gefikst!

Mama en Opa worden daar natuurlijk best blij van. Ondertussen is het toch fenomenaal welke eigenschappen van het leven in die kleine Vic samenkomen: groeien, groter worden, beter willen worden, leren wat je nog niet kunt of kent, uitdagingen aangaan en karakter tonen, alles tot een goed einde brengen, en tevredenheid over het behaalde resultaat. Een klein mensje is Vic nog, maar al wel eentje met heel wat troeven. Voor Opa Toon is het formidabel om dat alles in een korte tijd samengebald te zien: au fond is er hoop voor de mensheid, denk ik dan, want er zijn miljoenen van zulke kleine ukken!!

donderdag 8 april 2021

Het pannenhuis in Balen (Schoor-Dorp)

De eerste keer dat een 'pannenhuis' mij intrigeerde, was in Merksplas. Daar staat er een, aan het Hofeinde. Eigenaardige naam, vond ik dat toen, alsof er in heel het dorp maar een huis met een pannendak zou gestaan hebben, en door deze uitzonderlijke toestand zijn naam verdiende. Mis was ik echter, driewerf mis! Enig zoekwerk bracht me bij de oorspronkelijke naam van een dergelijk huis: paanhuis is die. En een 'paan' of 'panne' is de Middelnederlandse benaming voor een 'brouwketel'. Een pannenhuis was dus een brouwerij of een brouwhuis: daar moesten de dorpelingen hun bier komen brouwen. Misschien was de zuiverheid van het water dan gegarandeerd, maar vooral: de heer van het dorp wist meteen hoeveel liter bier iemand brouwde, en hoeveel belasting hij daarvoor diende te betalen! In dat pannenhuis werd door rondtrekkende rechters ook recht gesproken. Dat alles heb ik elf jaar geleden geschreven over het gebouw in Merksplas. Ik wist dat er in Balen ook een stond, aan Schoor-Dorp 32, en daar moest ik dan een paar weken geleden maar eens coronaproof naartoe.

Links voor het Schoor-Dorpse pannenhuis staat een informatiebord met twee foto's van vroegere toestanden van het gebouw, en ook wat uitleg: in 1680 werd het houten skelet met lemen muren 'versteend', het werd beschermd in 1985, toch afgebroken in 2000, waarna bijna onmiddellijk met de heropbouw in de oorspronkelijke stijl is begonnen. Dat werk was al in 2002 voltooid, en nu is het gebouw een privé landhuis: het is dan ook niet toegankelijk voor het publiek.

De staat van het pannenhuis eruit op 2 augustus 1986. Anders geformuleerd: het zag er niet uit. In het jaar 2000 moet het nog erger geweest zijn!

Nu staat er een getrouwe kopie van het oude pannenhuis, natuurlijk wel met moderne materialen. En het ziet er best mooi uit, wat te foto's proberen te illustreren.

De voorgevel met de oprit.



De linkerkant van het nieuwe gebouw: ik veronderstel dat nu de leefruimte zich daar bevindt. Een venster in de zijgevel laat middaglicht binnen, en in de achtergevel van dit deel is waarschijnlijk een ander, breder venster gericht op het westen, en de ondergaande zon.

De oprit en de voorgevel, die nauwgezet gereconstrueerd is, met vakwerk. Op die oprit staat geen nederig deux-chevauxtje, maar een eerder een uit de kluiten gewassen Porsche, en helemaal rechts zie je nog een kleinere auto. Dit is duidelijk niet de vertrouwde stek van Jan met de pet, je zou hier eerder Jean François Xavier met de Hoge Hoed tegen het lijf kunnen lopen. Voor echt: het pand schijnt gekocht te zijn en bewoond te worden door een Nederlandse zakenman. Tenminste, dat heb ik op het internet gevonden. Van slechte smaak kan je de man niet betichten!

Nogmaals de voorgevel met vakwerk

Het pannenhuis in Merksplas: tenminste de buitenkant is nog oorspronkelijk. Jaartal in de zijgevel: 1654, dezelfde tijd als Schoor-Dorp, 1680

Die twee pannenhuizen dateren uit min of meer dezelfde tijd. Ik vermoed dat er in de Zuidelijke Nederlanden veel meer pannenhuizen hebben gestaan, maar dat er maar weinig de geschiedenis overleefd hebben. Wel vind ik hotels en b&b's met de naam het Pannenhuis. Daar zal allicht bier gedronken worden, maar niet gebrouwen. En rechtspreken: we zullen maar hopen van niet! Dat is nuchter al moeilijk genoeg. Niettemin: Proost!

maandag 5 april 2021

Een torenvalk in Wortel

Eind november was ik met Yves op paddenstoelenwandeling in Wortel Kolonie: ik wilde meer soorten kunnen herkennen dan de vliegenzwam of de inktzwam. Menig paddenstoeltje heb ik toen gefotografeerd, me een boek aangeschaft om ze te kunnen determineren, maar ik blijf een kleine liefhebber die nog in zijn kinderschoenen staat: er zijn  dan ook zo veel verschillende soorten paddenstoelen en zwammen en schimmels: verbazingwekkend is dat! Volgens mij moet het heel wat tijd in beslag nemen voor je je een onderlegd mycoloog kunt noemen. Dat zou pas een ambitie zijn!

Gewone zwavelkopjes

Maar je ziet ook wel ander leven: op een weiland net ten westen van het domein van Wortel Kolonie zit een vogel stil, als versteend. Een mus is het niet, een albatros ook zeker niet, eerder iets tussenin. Foto van genomen, thuis mijn 'Complete natuurgids' uit de la gehaald, en dan op zoek. Yves hield het op een kiekendief, maar volgens mij heeft hij iets met kiekendieven: hij meent ze vaker te zien, of hij spreekt het woord graag uit, dat kan ook. Maar onze gevleugelde vriend blijkt een torenvalk te zijn, een vrouwtje. Dan vraag ik mij natuurlijk af waar dat beestje vandaan komt. Van de hoge toren van Hoogstraten, van de veel lagere van Wortel, van die van Merksplas? Waarom ze 'torenvalk' heten, blijft in het ongewisse: ze bouwen zelfs geen nesten.  Ze gebruiken daarvoor oude kraaiennesten, of tegenwoordig ook torenvalkkasten aan de rand van bossen. Die nesten zijn half open zijn, zodat de vogels  de open ruimte goed in de gaten kunnen houden en hun volgende maaltijd kunnen opspeuren. Hoofd- en lievelingsgerecht: muizen, vooral veldmuizen: vanaf hun nest doen ze dus aan 'takeaway', daarvoor hoeft er niet eens een coronacrisis aan de gang te zijn. Ander leuk kenmerk: zij zijn echt specialist in bidden, stilhangen met de kop in de wind en nauwgezet de omgeving afspeuren, dat is hun aperitief.

Torenvalk (vrouwtje)

Het mannetje is iets kleurrijker, en zoals zijn partner 30 tot 38 cm groot. Zeggen dat het mannetje duidelijker mooier is dan het vrouwtje is waarschijnlijk seksistisch, dus vormen we de neutrale zin: mannetje en vrouwtje zijn allebei op hun eigen manier even mooi.

Koppel torenvalken, zoals getekend in mijn Complete natuurgids

En voor wie zich zou afvragen: 'Hoe ziet er een kiekendief dan uit?' Zo, met nog een beetje (on)leesbare uitleg erbij. U gratis aangeboden door het u 'Vertrouwde Huis van Gedane Zaken'.

Bruine kiekendief

zondag 28 maart 2021

Wortel Kolonie op een prille lentedag

De lente komt er schuchtertjes aan: tijd en gelegenheid om een kleine natuurwandeling te maken, samen met mijn dierbare vriend Vic, die buitenlucht en wat lichamelijke in- en ontspanning nodig heeft. En wij naar Wortel Kolonie, die hij kent van in zijn jeugd, en waar hij heel wat herinneringen aan heeft. Maar er zijn ook vernieuwingen: sinds vorig jaar is een een ruime parkeergelegenheid aangelegd, met wel vijf plaatsen voor gehandicapten, wat ik natuurlijk heel sympathiek vind! En voor wie niet juist weet waar hij zich bevindt, staat er een cortstalen bord met de duidelijke woorden 'Wortel-Kolonie'.

Plaatsaanduiding in cortenstaal

Je kunt de vierentwintigste maart natuurlijk geen weelderig landschap verwachten met bloemen en kleuren t'allen kant, sappig groene weilanden en alle bomen dik in het lover, maar de natuur doet moeite en komt al bescheiden piepen. Kleine witte bloempjes in groepjes bij elkaar: bosanemonen zijn dat. Die bloeien in maart en april: echte voorjaarsbloeiers zijn het, ze geven nederig al wat kleur aan de wereld die uit zijn winterslaap ontwaakt.

Bosanemonen: een van de eerste boodschappers

En hondsdraf is er ook zo vroeg bij: zijn bloeiperiode gaat van april tot juni: hij loopt dus een week voor. Groot wordt hondsdraf niet echt (20 tot 40 cm), en die op de foto zullen nog een kleine groeispurt in moeten zetten, maar ze hebben nog tijd, laten we optimistisch zijn. Dat zijn we ook bij beginnend menselijk leven, we hoeven de bloemen niet te discrimineren. Uit ingetogen vreugde om de nieuwe geboorte van het leven zouden we lenteliedjes moeten zingen, zo van 'Es ist eine Waldanemone entsprungen', of 'Es ist eind Gundermann entsprungen'. Dat de Duitsers daar niet aan gedacht hebben. Ze hebben het kennelijk meer voor rozen. Maar dat is dan weer een ander verhaal!

Beginnende hondsdraf

We lopen tot aan Bootjesven: daar staan banken waar Vic kan rusten. Het ven zelf lijkt nog ingeslapen: weinig leven is er te merken. Een enkele eend heb ik zien peddelen, andere watervogels of aalscholvers geven niet thuis. Maar het heeft wel iets, Bootjesven in bijna volmaakte rust.

 

Bootjesven in rust

Bij Bootjesven staat ook een open gebouwtje waar posters hangen over vogels en de natuur: dat is zo goed als obligaat hier. Links aan de gevel merk ik een ingemetselde steen,  waarop het jaartal 1822! Ik ben hier al zo vaak geweest, maar die steen was me nog nooit opgevallen, shame on me! 1822 wil in Wortel Kolonie best wat zeggen: 'Op 3 januari 1822 werd de 'Société de Bienfaisance pour les Pays-Bas Méridionaux' opgericht met de bedoeling voor bedelaars en landlopers te zorgen en de arme Kempen te ontginnen. Een vrije landbouwkolonie ontstond te Wortel.' (citaat uit 'Gids van de Kempen, Harry de Kok en Roger Haest, Brepols 1993) Met andere woorden: die steen is hier al van het allereerste begin! Ik vraag me wel af in welk gebouw die oorspronkelijk ingemetseld was: maar vast niet in een achterafgebouwtje aan Bootjesven. Maar hij is tenminste bewaard gebleven.

Onder het jaartal 1822 prijkt een ovale en gekroonde lauwerkrans, met in het midden van de krans een lang zwaard, en links daarvan een sleutel, en rechts daarvan twee symbolische dennenboompjes. Het geheel geeft weer waar het hier om te doen is. 

De stichting van Wortel-Kolonie dateert dus uit de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, toen wij hier in de Antwerpse Kempen ook echte Nederlanders waren. Koning Willem I was toen onze vorst, en onder zijn bewind zijn die kolonies gesticht, niet alleen die bij ons, maar ook die in Nederland zelf.

Ingemetselde steen uit 1822

Aan de zijgevel van 'De Klapekster' hangt nog zo'n getuigenis uit de 19de eeuw: een overzicht van hoe de kolonie er toen uitzag. Het idee van Willem I was al in 1842 ten onder gegaan, en pas in 1881, toen Wortel rijksbezit was geworden, werd de kolonie gebruikt om er volwassen landlopers en bedelaars in onder te brengen. (zelfde bron, Gids van de Kempen). Ik veronderstel dat deze plaat uit die periode dateert, eind 19de eeuw. De legende is 'uniquement en français', zoals dat hoorde in 'La Belgique de jadis'. Rechts boven, rond het ovaal staat 'Maison de Refufge de L'Etât / Section de Wortel - Belgique'.

Overzicht van Wortel-Kolonie, eind negentiende eeuw

En zo hebben we de eerste lente van 2021, timide nog, zien ontluiken, zijn tweehonderd jaar terug geweest en hebben 'onze' Koning Willem I heel bescheiden ontmoet, en de Franse cultuur van de Belgische staat tegen een muur zien plakken. Wat je allemaal niet beleeft op een natuurwandeling, daar in de Wortel van veel goeds!

'

zondag 28 februari 2021

Vorselaar: een wandeling met kasteel en kunst

Yves, my partner in walking) wil het kasteel van Vorselaar in de winter zien, wanneer de bomen bladloos zijn en je het gebouw in zijn volle glorie kunt bekijken. Hij stippelt dus een knooppuntenwandeling uit, en wij weg naar dat dorp.

Onze eerste stop op de wandeling is het kerkhof: niet dat wij zo macaber zijn aangelegd of we ons voortdurend bezighouden met wat er op de Laatste Dag zal gebeuren, maar omdat er een 'Christus aan het kruis' van George Minne (1866-1941) te zien is, midden op de kerkhof. Je zou een beeld van Minne, een van de bekendste symbolistische beeldhouwers van Europa, niet meteen in een klein Kempisch dorp verwachten. Toch staat het er, en dat komt door Kardinaal Van Roey, die van Vorselaar was: in 1951 heeft hij het aan zijn geboortedorp geschonken. Typisch Minne is het wel: een magere, eerder lange, je zou zeggen een wat uitgelengde man hangt aan het kruis, geen man in de volle kracht van zijn leven, zoals Rubens hem voorstelde, maar gewoon een man zoals er veel meer zijn. Ik vind het dan ook een heel menselijk beeld, het is geen krachtige godheid die hier ter dood gebracht is.

 

De menselijke christus van George Minne

Zijn hoofd en gezicht zijn stil en ingetogen: er is geen doornenkroon te zien , eerder twee touwen rond zijn hoofd. Alle pathetiek is verdwenen: rustig lijkt hij ingeslapen te zijn, wat aan een marteltuig als een kruis best moeilijk moet zijn. Maar ook hier: menselijkheid. Je moet niet echt gelovig zijn om dit beeld te appreciëren.

Het gezicht van de Mensenzoon

We komen ook gewoon levende mensen tegen: collega Carl en zijn vrouw Paula, wat een leuke babbel oplevert, een schaakvriend van Yves, met een aangenaam praatje, iemand die ons voorbijgaat en tegen zijn meeloper zegt: 'Dat is Toon',  terwijl ik niet eens weet wie dat was: een onbekende bewonderaar allicht! Ook, leven zonder woorden valt ons ten deel: een loopvogel die zich de weg over spoedt, twee Brabantse trekpaarden die na een week van hard labeur in een weiland staan uit te rusten. En die hebben ook last van corona, of zijn solidair met het mensdom: de lange manen in geen maanden meer geknipt!

Paard zonder kapper

In het midden van ons tochtje komen we aan Yves' doel: het kasteel! Er ligt heel veel groen, een park, bossen rond dit 'huisje wel te vree': rustig wonen is het hier alleszins. In de 3de eeuw zou hier al een Romeinse villa gestaan hebben, maar van een versterkte burcht is pas sprake vanaf 1270. In de loop der tijden zijn  verschillende adellijke families er de eigenaar van geweest: nu is dat de familie 'de Borrekens. Zijn huidige neogotische uitzicht kreeg het in 1860: graaf Filip van de Werve was daar verantwoordelijk voor: hij heeft er een neogotische waterburcht van gemaakt. Het deed me tegelijkertijd aan de Efteling denken, en aan Neuschwanstein in Beieren: letterlijk een eigenaardig bouwwerk is het, in het midden van de Kempische bossen.

Kasteel de Borrekens: achterzijde, burcht en slotgracht.

Ook interessant is de kerk van Vorselaar: schip en koor dateren uit de 14de eeuw, wat behoorlijk oud is. De twee zijbeuken dateren uit 1839: dat die van later zijn, is zeer goed te merken. De toren met peer komt uit 1610


De Sint-Pieterskerk met het onderste deel van de toren uit de 14de eeuw

In de kerk zie ik de glas-in-loodramen van Raph Huet weer: die zijn iets meer dan 10 jaar geleden ingewijd in aanwezigheid van 'le tout Vorselaar' en vrienden van de kunstenaar. Nu heb ik de gelegenheid er foto's van te maken, en ik laat me niet pramen. Non-figuratief zijn deze ramen, maar ze passen goed in de kerk, ze bepalen mee de sfeer. Mooi vind ik ze.

Raph Huet: streven naar het hogere?

Raph Huet: evocatie van het lijden van Christus?

Zo kunnen Yves en ik weer terugkijken op een zinvolle middag: we hebben het kasteel gezien, en we werden verrast door een beeld van George Minne en de ramen van Raph Huet. Corona hoeft niet altijd verveling, ennui, Langeweile en boredom te zijn: zelf initiatief nemen en op zoek gaan kan best betekenisvol zijn.

donderdag 25 februari 2021

Terug naar de achtertuin: het Vennengebied op een lenterige winterdag

Natuurlijk wil op de dag in februari wanneer de temperaturen tot 19, 20 graden oplopen naar het Vennengebied: eens kijken hoe het erbij ligt, wat er veranderd is, wat er al leeft, hoe het met de vennen en de plassen staat. En dat valt goed mee: het Haverven staat goed vol, net zoals de Kleine en Grote Klotteraard. De uitkijktoren is mijn eerste echte stop: naar boven klauteren is dan weer verplichte kost. Netjes volgeregend is het ven, met aan de rand ijdele bomen die zich jaar in, jaar uit staan te spiegelen: het vertrouwde beeld van andere jaren.

IJdele spiegelbomen

Op het hoogste platform staat een man van mijn leeftijd naar beneden te turen: hij ziet iets zwemmen. 'Ik wist niet dat karpers hier konden overleven,' zegt hij 'dit milieu is toch veel te zuur, dat heb ik toch altijd geweten.' Een karper? Dan heeft hij toch eigenaardige vinnen, ik zie iets dat meer op een pootje gelijkt. Als de man een verdieping lager staat, neem ik een paar foto's van de 'karper', en wat blijkt: het is een schildpad, een waterschildpad dus. Hoe is dat dier hier gekomen, wie heeft dat hier gedumpt, hoe overleeft dat, hoe lang zit het er al? Thuisgekomen probeer ik uit te zoeken welk soort schildpad in de Kleine Klotteraard rondzwemt, traagjes en op zijn gemakje, zoals het die dieren past, ook in Kempische stilstaande wateren. En het lukt me: het is een geelbuikschildpad: niet dat ik van daarboven zijn gele buik gezien heb - hij zwom helaas niet op zijn rug - maar als ik mijn foto op de computer vergroot, kan ik wel de s-vormige gele streep op de zijkant van zijn kop zien. En dat is een typisch kenmerk van die beestjes;

Hoera dus, of maar niet. De geelbuikschildpad is natuurlijk een exoot: hij leeft in het zuidoosten van de Verenigde Staten en het noordoosten van Mexico. Geïmporteerd is hij dus, heeft waarschijnlijk in een vijvertje gezeten waarvoor hij te groot geworden is, en dan hebben zijn eigenaars-dierenvrienden hem maar in de Klotteraard gedropt, weggekieperd kan je ook zeggen, erop vertrouwend dat dat water groot genoeg voor hem is. Als enige van zijn soort verblijft hij daar nu: eenzaam en verlaten, zonder kans op voortplanting, een ander voorbeeld van dierenleed. Wikipedia schrijft dat hij leeft van kleine waterdiertjes en waterplanten, hij is een omnivoor. Verhongeren zal hij waarschijnlijk niet. Ze worden zo'n 30 cm groot: het Klotteraardse exemplaar lijkt mij volwassen.

Geelbuikschildpad: eenzaam en verlaten

In een plas iets ten noorden van de Kasteeltjes meer water dan ik er ooit gezien heb: gegak van ganzen hoor ik er, en de roep van grutto's, maar ze zijn niet te zien. Overigens is hoor je daar 's zomers zeer veel grutto's lopen, vliegen en roepen: een geprefereerde nestel- en broedplaats is het. Daar moeten we zuinig op zijn: grutto's zijn geen snel groeiende soort, wel integendeel.

Ik scooter rond het Zwart Water, en de Geheulse Dijk volgend kom ik aan het Ezelsven (dat is privé naamgeving).  In de loop van de heel warme zomers van de laatste jaren komt dat ven altijd droog te staan: nu is het echter boordevol, de winter heeft zijn werk gedaan. Nogal wat ganzen op de oever, een meerkoet op de plas: het leven laat zich al wat zien.

Ganzen aan de rand van het Ezelsven

Meerkoet op het Ezelsven

Ik moet het Peerdsven nog voorbij, dan heb ik water genoeg gezien voor vandaag. Daar aangekomen zie ik een nadarhek staan. Wat staat dat daar te doen, denk ik dan, maar ik had niet zorgvuldig genoeg gekeken: voor dat hek staat een plaat met de tekst: 'Verboden het ijs te betreden'. Het is 20 graden of daaromtrent! De stadsmedewerker die dat daar verleden week gezet heeft, weet niet dat ijs kan smelten, of is zijn beschermende plaat vergeten: in ieder geval het levert een pracht van een voorbeeld op van typisch Turnhoutse absurde humor! Samuel Becket had het moeten weten: hij had een toneelstuk geschreven met de titel: 'Wachten op de stad(swerkman)'! En dan dat betreden: alsof een pas getrouwd paar de kerk met alle mogelijke 'pomp and circumstances' verlaat. Schaatsen en baantje glijden mocht hier verleden week niet, da's al. We mogen al eens lachen!

Samuel Becket waardig!

Ik kijk terug op een welbestede namiddag: de vennen zijn in orde, een geelbuikschildpad leeft heel allenig, en dat vind ik verkeerd, en een fragment absurde literatuur van het  zuiverste plank! Meer moet dat niet zijn, in tijden van corona.

dinsdag 23 februari 2021

Op wandel: Wortel Kolonie Zuid

En dan staat in het verkeerde seizoen onverwachts de zon toch niet in de lucht zeker? Het vaderland trekt massaal naar de kust, naar Planckendael, naar de Zoo in Antwerpen, om eens andere apen te gaan bekijken: we gooien alle coronaremmen los, dat wil zeggen: we proberen toch een beetje van wat vrijheid te proeven. Wij doen dat al wandelend, in Wortel Kolonie. Yves, mijn wandelvriend, heeft een alternatieve tocht uitgestippeld: van knooppunt naar knooppunt, aan de zuidkant van het gebied. Aan de noordkant is het veel te druk, en daar gooit iedereen de beentjes los. 

En we krijgen een ander zicht op de Kolonie, want we lopen langs onbetreden paden. We kijken op de brede witte villa, met een mooi grasveld ervoor, en daarvoor dan weer een heuse vijver: een idyllische plaats voorwaar. Helaas is die villa in verhullend Nederlands een strafinrichting, in Kempisch dialect 'tgevang'. Al goed dat de gevangenen hun verblijfplaats vanaf ons standpunt niet kunnen bewonderen: zo cynisch is de Belgische staat dan ook weer niet, laten we dat maar hopen. Les extrèmes se touchent ici: vrijheid en schoonheid tegenover gevangenschap en leed. Maar de zon schijnt voor iedereen zegt de volksmond: hopelijk ook voor diegenen die binnen zitten. Op het einde van de wandeling horen we ze toch met overtuiging en enig lawaai aan sport doen.

Idyllisch gelegen gevangenis, in de stille Kempen, aan de rand van het land.

Natuurlijk zijn de bomen nog kaal, maar dat belet niet dat de omgeving rustig is, en mooi. Bruine voorgrond, uitgestrekt grasveld dat op een foto tot een streepje groen krimpt, en de brede blauwe hemel, en dat in februari! Waar kunnen wij nog beter zijn?

Bruin, groen, blauw

En dan komen we aan de 'pampa': Argentinië in ons Kempenlandje? Hoe komt die naam hier terecht? Kunnen we hier niet van hoogmoed spreken, een van de zeven hoofdzonden, open en bloot in de Kempen? Maar nee, deze naam is aan dit deel van het gebied gegeven door ene Albert Carlier (1872-1968), die landbouwingenieur was in Wortel en Merksplas Kolonie, maar die voordien in de beide Amerika's gewerkt had. En in zijn tijd zal dit Wortelse land hem aan Argentijnse landschappen doen denken hebben: raadsel opgelost. (Bron: Wandelen in Hoogstraten, deeltje 'Wandelpaden in Wortel-kolonie')

Exotische straatnaam

En verder: een maagdelijk blauwe hemel, waartegen de toppen van de masten zich zo mooi aftekenen, het treft mij elke keer. Ik heb iets met blauw, hoewel ik toch een echte rooie ben. Nobody's perfect.

Maagdelijk blauw en mastig bruin

Zo zuiver blauw is die hemel dat de maan gedacht moet hebben: als dat allemaal zo vredig is, en Helios doet ook onverdroten zijn best, dan wil ik er overdag ook bij zijn, tenminste voor de helft: en Luna, onze onvermoeibare satelliet, brengt maagdelijk wit in beeld.

Maagdelijk blauw en wit

Een eind verder zien we in het midden van de weg een dood vogeltje liggen: het is de weg van alles vlees gegaan. Onze 'wanderlust' meteen onder nul. Ik denk: het beestje mag dan wel dood zijn, maar hier in het midden van de weg kan het nog eens platgereden worden ook, en dat vind ik te veel vergankelijkheid voor zo'n klein schepseltje. Ik wil het aan de zijkant tussen de herfstbladeren leggen, en als ik het opraap, beweegt het toch nog met zijn rechtervleugeltje. Yves wil het nog redden, spreekt voorbijgangers aan, maar niemand kan hem en het diertje helpen, dus het komt terecht waar ik had gedacht het te leggen, in de zijkant, daar wachtend op zijn dood: het sterft misschien van honger, of een voorbij trippelende kat peuzelt het op, zo stilt het vleugellamme gevederde bolletje ongewild de honger van een ander dier: zo werkt de natuur, wreed en onverschillig.

Ik wil nog wel weten wat voor een vogeltje dit was. Ik duik thuis in mijn 'De complete natuurgids', wat een zeer optimistische en pretentieuze titel is, en ik kan het determineren als een 'fitis'. Ik kijk dat na op Google, bij 'fitis, afbeeldingen', en die geeft mijn natuurgids gelijk. De eerste keer dat ik een fitis gezien heb, was helaas geen aangename kennismaking.

Dode fitis

Toch nog een beetje levend

Laat ik iets vrolijker eindigen: een redelijk hoge boom, volledig omhuld door klimop. Nu wil het geval dat we bij Italiaans bezig zijn met het boek 'L'edera' (De klimop) van Grazia Deledda (Nobelprijs literatuur 1927). Het speelt zich in het begin van de 20ste eeuw, gaat over verarmde adel en arme lui in Sardinië. Het bevat een liefdesgeschiedenis van de twee hoofdpersonen, Annesa en Paulu, waarbij zij hem liefheeft zoals klimop een boom omvat of omhult. Dat is een beeld dat meermaals in de roman voorkomt, en hier in Wortel staat het in zijn duidelijke realiteit. Overigens gaat de roman niet over 'dolce far niente': het is een tragische geschiedenis over een vergane tijd.

L'edera - de klimop

Zo kom ik op een stille wandeling van 6,4 km in Wortel de hele wereld tegen: natuur, gevangenis en vrijheid, mooie gezichten, de maan overdag, Argentinië, Italië en een ongelukkige fitis. Redeloos, reddeloos en remmeloos hebben we ons daaraan overgeven, met inachtneming van de coronamaatregelen natuurlijk, want wij blijven nadenken, Yves en ik. En een tripel na afloop drinken we ieder apart, nagenietend van de leuke middag in Wortel.