dinsdag 2 november 2021

Sevilla: de dagwandeling - 2

Als je nu eens een goed uit de kluiten gewassen kathedraal wil zien, dan raad ik die van Sevilla aan. Er zijn maar twee grotere: Sint-Pieter in Rome en Saint-Paul's Cathedral in Londen. Brons voor Sevilla dus! Hij staat op de plaats van de vroegere moskee - die moesten er na de reconquista overal aan geloven - maar de minaret lieten de reconquistadores staan: die hebben ze omgevormd tot klokkentoren. De kathedraal is een gotisch bouwwerk, het laatste in Spanje gebouwd.We naderden deze kerk via de Puerta de San Cristobal, en de versiering daarboven laat een soort van buitengewone gotiek zien. Het torentje rechts heeft naar boven draaiende banden, waardoor enige elegantie gesuggereerd wordt. Rond het ronde venster in de muur zie je gotische motieven, maar zo overvloedig heb ik ze nooit gezien: dat lijkt na een week Andalusië typisch voor de kerken aldaar. Bekleding en versiering zijn steevast zeer exuberant, wat mij schijnt overeen te komen met de eigenheid van het Spaanse geloof, de beleving kan niet diep en uitbundig genoeg zijn, en dat uit zich ook in de vormentaal gebruikt voor en in de gebouwen.

Uitbundige gotische vormentaal

In de klokkentoren zie je dat minder: dat is gewoon een bijgewerkte minaret, die er hetzelfde uitziet als onder de Moren, behalve het kleinere torentje dat er op gezet is, maar dat je op deze foto niet ziet. Deze toren is veel strakker, een meesterwerk van de Almohadische kunst, vertelt mijn gids me. De Almohaden waren een dynastie met streng religieuze principes, en dat komt in de karig versierde minaret tot uiting. Dat er een groot contrast is tussen de versiering boven de poort en de eerder kale klokkentoren behoeft geen betoog. En dat schoonheid in de eenvoud kan zitten, is meteen ook wel duidelijk.

Van minaret tot klokkentoren: de Giralda

Ook in de kathedraal weet je niet waar je eerst moet kijken: de diepe godsdienstzin van de Andalusiërs vraagt kennelijk een uitdrukking die de overvloed niet schuwt. Het best komt dat tot uiting in het hoogaltaar: daar staat een reusachtig retabel van 20 meter hoog. Het is een veelluik van 7 verticale panelen en 45 vakken met taferelen uit het leven van Christus en Maria. Ik heb al wat retabels gezien, maar dit slaat wel alles, verbluffend is het gewoon! Er is aan gewerkt van 1482 tot 1525, door Vlaamse houtsnijders/beeldhouwers nota bene! Verbazend is dat niet: de Vlaamse kunst stond toen in hoog aanzien, contacten tussen Spanje en de Lage Landen waren legio, en op het einde van de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw was het 'kunstig snijden van beelden'  een heuse nijverheid in onder andere Antwerpen en Brussel. Met enig ontzag sta ik dat te bewonderen, probeer de juiste foto's te nemen om die thuis van naderbij te bekijken! 

Het reusachtige Spaanse retabel van Vlaamse makelij

 

Fragment van het vorige

Centraal achter het altaar zit Maria in haar houding van 'Sedes Sapientiae' (Zetel der wijsheid), de zeer traditionele voorstelling van de Moeder Gods, zoals ze ook voorkomt als symbool van de KULeuven. Vlak boven haar zien we de geboorte van Christus, met Maria en Jozef, de obligate os en ezel, en engelen boven de kribbe: zeer gedetailleerd werk leverden die beeldensnijders. Links van de geboorte staat de aankondiging van die geboorte, en de engel Gabriël die de Maagd meedeelt dat zij de moeder van Gods Zoon zal worden. Rechts van de geboorte is al de moord op de onnozele kinderen aan de gang, met oog voor de gruwel die toen plaats had. Als je al die 45 taferelen zou kunnen bekijken en bestuderen, dan heb je het hele Nieuwe Testament bekeken en gelezen, en dat zal ook wel de bedoeling van de opdrachtgevers geweest zijn: stel visueel voor wat de gewone mens toch niet kan lezen. Overrompelend is zo'n kunstwerk, zonder meer.

De Heilige Isidorus van Toledo hebben we ook gezien, tenminste een schilderij met zijn afbeelding. Hij leefde in de zevende eeuw, en dit is een barok schilderij uit de zeventiende eeuw: zijn voorstelling is gebaseerd op fantasie. Maar niet dat hij bisschop was - hij toont met enig zelfbewustzijn zijn staf - en niet zijn geleerdheid: hij bladert in een best indrukwekkend foliant. Die Isidorus is in de twintigste eeuw uitgeroepen, of aangesteld of bevorderd tot patroonheilige van al wie met computers te maken heeft en ermee werkt. Misschien was hij nog niemands patroonheilige, was hij een werkloze heilige, maar nu heeft hij zijn part wel binnen. En de massa die hij verondersteld wordt te beschermen, groeit ongeveer exponentieel aan: zware baan heeft nu deze Isidorus, die zijn dagen niet langer in ledigheid slijt.

Sint Isidorus van Toledo

Laat ik besluiten met een beroemdheid die niet heilig is geworden: Christoffel Columbus ligt in deze kerk begraven. Voor zijn zerk komen vier mannen - zij stellen Castilië, Leon, Navarra en Aragon voor - de kathedraal binnengeschreden: op hun schouders dragen zijn de doodskist van Columbus. Dit is een 19de-eeuws grafmonument in romantische stijl; Columbus lag natuurlijk niet in die kist, hij was al eeuwen eerder gestorven. Maar zij dragen schijnbaar, maar toch met enige grandeur zijn stoffelijk overschot naar zijn laatste rustplaats, de zerk die voor hen ligt, en waarin de ontdekkingsreiziger de eerste vijfhonderd jaar van zijn eeuwigheid doorbrengt. Twan, onze gids had het erover dat de zoon van Columbus hier begraven zou liggen, en dat het graf van de laatste onbekend is, d.w.z. het is niet geweten waar hij begraven zou zijn. Mijn uitgebreide Michelingids beweert zonder twijfel dat hier Columbus zelf ligt, en de grafzerk wijst daar ook op.

Vier Spaanse provincies dragen Columbus naar zijn laatste rustplaats

A Castilla y a Leon...

Op die grafzerk staat namelijk een wapen met interessante informatie: een staande leeuw, een schouw, en daaronder centraal een wereldbol met een kruis erop, en daarrond de silhouetten van landkaarten van zeven landen, waarvan we mogen veronderstellen dat ze in Zuid-Amerika liggen. Maar de tekst rond deze tekening is relevant: in het Spaans staat daar te lezen: 'A Castilla y a Leon Nuevo Mundo Dio Colon'. Ik vertaal dat zo: 'Columbus (gaf) door God (of: met Gods hulp) de Nieuwe Wereld aan Castilië en Leon.' Wat zou die uitspraak daar staan als die Colon (Spaans voor Columbus) niet in dat graf zou liggen? Weinig zinvol lijkt me dat dan. Wat mij betreft heb ik voor het graf van de echte Columbus gestaan. Niet dat de man erdoor opgekikkerd is, dat ook weer niet, maar dat had hij waarschijnlijk ook niet verwacht: hij is niet eens heilig!

Besluit: de Kathedraal van Sevilla is zeer de moeite, maar tijdens ons verblijf is er geen wonder gebeurd!

Sevilla: de dagwandeling - 1

De eerste volledige dag van ons verblijf in Sevilla besteden wij aan een iets langere verkenning van de stad. We worden daarbij kundig geïnformeerd over wat we zien door een Nederlandstalige gids, met name Toine of Twan: spelling naar believen. Na afloop van onze tocht zal blijken dat hij zich uitstekend van zijn taak gekweten heeft: wat kan je  anders verwachten van een rasechte Nederlander.

Hij brengt ons eerst naar de Plaza de España, een plein in de vorm van een halve maan, en met een doorsnede van 200 meter. Het is aangelegd voor de Ibero-Amerikaanse Tentoonstelling van 1929. Ibero-Amerikaans slaat op die landen in Zuid-Amerika waar Spaans of Portugees de voertaal is. Uit de uitleg van Twan heb ik verstaan dat die expositie onder andere moest zorgen voor meer verzoening tussen de vroegere kolonisatoren en de nieuwe onafhankelijk geworden landen. Tezelfdertijd bracht deze expo Sevilla voor het voetlicht, en bracht de stad haar industriële en culturele erfgoed onder de aandacht. Ook de meer de vijftig Spaanse provincies moesten door deze tentoonstelling dichter bij elkaar gebracht worden: in zo'n groot land als Spanje willen provincies nog wel eens ver van elkaar liggen, en niet altijd dezelfde belangen hebben. Daarvoor zijn in de halve cirkel banken aangebracht, elk gewijd aan een provincie, waarop met azulejos belangrijke gebeurtenissen van een landstreek opgeroepen worden, en die zijn best om aan te kijken.

Het uitgestrekte Plaza de Espana, met aan de linkerkant Tine

Na de tentoonstelling, in januari 1930, zou de universiteit van Sevilla in de gebouwen gehuisvest worden, maar die bleken al snel te klein. Waar die universiteit dan wel terechtkwam, lees je verder.

Het centrale gebouw

 De verovering van Almeria (hier zijn ooit betere foto's van gemaakt!)

De val van Granada

Deze val van Granada is een belangrijk feit in de geschiedenis van Spanje: Granada was namelijk het laatste Moorse koninkrijk dat zich overgaf, en daarmee was de reconquista afgerond. Ferdinand en Isabella kregen van de paus de titel 'Katholieke Koningen, omdat zij hun missie succesvol beëindigd hadden. Voor bekeerde moslims of joden, die stiekem toch nog hun godsdienst bleven belijden, was er vanaf dan de Inquisitie: die wist met ketters van allerlei slag wel raad. Tolerantie stond toen niet echt in de Spaanse woordenboeken, laat staan in de geesten van kerkvorsten, prelaten en andere dominicanen!

Pour la petite histoire: de laatste Moorse koning van Granada kwam naderhand terecht in wat nu Marokko is. Daar zou zijn grootmoeder hem hartgrondig en ten diepste vernederd hebben. Ze zei hem namelijk: 'Huil dan als een vrouw om wat je als man niet kon behouden!' Wat de koning daar verder mee gedaan heeft, vertelt de geschiedenis niet. Zoals de Italianen zeggen: 'Si non è vero, è ben trovato!'

We lopen verder naar de universiteit: die is gevestigd in de Antigua Fabrica de Tabacos (de tabaksfabriek). Die is zonder dat ze er iets voor moeten doen heeft nogal beroemd geworden: de Carmen van Bizet is daar arbeidster, en een scene van de opera speelt zich dan ook af op het plein voor de fabriek. Het achttiende-eeuwse gebouw is nu de universiteit geworden: in de loop van de geschiedenis boekt Spanje ook vooruitgang. Wij wandelden er voorbij, laverend tussen Spanjes jong intellect en hoop. Niks meer sigarenmakerij, hersenarbeid houdt de jonge mens hier bezig, tot eer en glorie van hemzelf en het vaderland. Hopelijk vinden ze dan ook werk, wat in Zuid-Europese landen wel eens een probleem kan zijn.


Nog azulejos. Je vraagt je af of een toenmalige Carmen dit kon lezen

Zo zit de universiteit van Sevilla nu in een ruim achttiende-eeuws gebouw. Het portaal heeft twee verdiepingen. Boven op het timpaan staat een allegorische voorstelling van de 'Roem'. Je stapt hier niet direct eender welke bruine kroeg binnen, daar zal de modale student (m/v) zich wel bewust van zijn! Het decor doet er ook toe, laten we eerlijk zijn: je trouwt ook niet in een versleten overall, niet in Spanje, niet in Belgenland.

 En nu gaan we naar de kathedraal!

zondag 31 oktober 2021

Naar Andalusië: Sevilla

Met 'wetravel2' wilde ik toch echt wel naar Andalusië: iets leren over de Moorse beschaving in de Middeleeuwen aldaar, over de reconquista, over de Katholieke Koningen, over cultuur en geschiedenis. En dan ben je bij 'wetravel2' aan het juiste adres: mijn twee vorige reizen met deze organisatie, naar Kenia en naar Peru, waren onberispelijk en impeccable. Waarom zou het nu anders zijn? 

Dit keer ging het om een zogenaamde 'slow walkers vakantie': voor mensen die nog wel kunnen lopen, maar niet zo goed meer. Er konden zelfs scootmobiels gehuurd worden: alles voor het gemak van de reiziger met een beperking, daarin is 'wetravel2' het neusje van de zalm! Ik dus vroeg opgestaan, om 7 uur opgestegen in Zaventem, om half 10 geland in Malaga, rond de middag met de bus aangekomen in Sevilla, onze eerste grote halte. Op de autoweg uiteraard Spaanse plaatsnamen, wat had je verwacht? Eentje sprong er toch uit: Villa Nueva de la Concepcion! Bij ons heb je Sint-Maria-Latem en Sint-Maria-Horebeke, maar iets als 'Nieuw Dorp van de Ontvangenis', nee, dat bestaat bij ons niet. Met een andere cultuur hebben we hier te maken, dat is wel duidelijk. 

Als we bij ons hotel aankomen, voel ik me meteen bijzonder welkom: we liggen in een van de 'MS Hoteles'! Kun je met die aandoening nog beter terechtkomen, hoezee, hoezee! Natuurlijk heeft het niets met mijn ziekte te maken: als ik aan de receptie uitleg vraag, blijkt het om de naam van de eigenaar van de keten te gaan: Miguel Sanchez heet die man met een zeer doordeweekse Spaanse naam, en voor zover ik weet, heeft hij niets met de bekende neurologische kwaal te maken. Dat was mijn eerste, zij het pseudo Andalusische opsteker.

 

Personen met MS welkom, maar niet alleen zij

Onze begeleidster, Tine, het tegendeel van 'lui uitgevallen', neemt ons na het eten meteen mee op een wandeling in de buurt van ons hotel. We wandelen naar een waterloop die volgens mijn gids over Andalusië niet de Guadalquivir is, maar het 'Canal de Alfonso XIII', het Alfons XIII-kanaal zeg maar, een variatie op ons Albertkanaal. De genoemde rivier blijkt later veel breder. Op de oevers is allerlei te zien, onder andere een zeer expressieve buste van een man met de naam Antonio Mairena, die meteen ook 'Andaluz universal' genoemd wordt. Hij heeft vanaf de jaren vijftig de flamenco een nieuwe impuls gegeven: hij maakte 16 langspeelplaten, stichtte het flamencofestival in Cordoba en de Biënnale van de flamencokunst in Sevilla, en richtte ook nog de leerstoel 'flamencologie' aan de universiteit van Fez op. Bij ons is hij onbekend, maar voor zijn kunst en Andalusië heeft hij een niet te onderschatte betekenis en verdienste gehad. Hij wordt passioneel zingend voorgesteld, waarbij zijn hand met gespreide vingers de kracht van zijn lied nog onderstreept. Het beeld is onthuld op 1 november 1990, en is van de hand van Augusto Morilla. Kenners kunnen volgens mij niet anders dan dat ten zeerste appreciëren.

Antonio Mairena door Augusto Morilla

Een eindje verder in dezelfde richting, iets voor een brug over het kanaal, staat een toren met een lucratieve naam: de 'Torre del Oro', de Gouden Toren, met andere woorden. Het is een Moors bouwwerk, en werd in dezelfde tijd - de dertiende eeuw - opgericht als de Giralda, nu de toren van de kathedraal. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de stadswallen. Het kleine ronde torentje helemaal van boven kreeg hij toen hij in 1760 verbouwd werd. Toen alle rijkdommen uit de Amerikaanse koloniën hier gelost werden, kreeg hij zijn huidige naam. Typisch Moors zijn nog wel de kantelen, die allemaal in een driehoek eindigen.

De 'Torre del Oro'

'Triana' is een oude pottenbakkerswijk; nu is zij de bakermat van talrijke flamencozagers en torero's. Overigens leerden we daar ook dat het woord 'toreador' in het Spaans niet bestaat, en enkel gebruikt wordt in Bizets Carmen: 'Toreador, prends garde à toi!'  We komen bij de Iglesia de Santa Ana, de oudste kerk van Sevilla: ze dateert al uit de 13de eeuw, en is gesticht door Alfons X de Wijze. Er is nog weinig origineels uit de tijd van haar oprichting te zien. Op de zijmuren van die kerk zie je echter wel zaken die ik echt mooi vind: schitterende siertegels met metaalglans die samengevoegd worden tot een mooi tableau. Azulejo wordt die techniek genoemd.

Het eerste daarvan is het eenvoudigste: de dode Christus aan het kruis, Maria die met al haar smart het kruis omarmt: bij zijn voeten of enkels kan ze niet komen. De achtergrond toont een min of meer middeleeuwse stad: in dit geval kan dat niet anders dan Sevilla zijn.

Christus aan het kruis met een rouwende Maria

De tweede mozaïek is totaal anders van opvatting: je ziet Maria die het kind draagt, en naast haar de Heilige Anna, aan wie deze kerk is toegewijd. Hier is de eenvoud verdwenen, je zou zelfs kunnen zeggen dat de triomferende kerk (de Ecclesia triumphans uit de 17de eeuw) door deze figuren wordt uitgebeeld. Beide vrouwen dragen rijkelijk versierde vorstelijke gewaden die passen bij hun buitengewone kronen. En dat kleine Christuskind heeft natuurlijk ook een passend kroontje op zijn hoofdje.

De Ecclesia triumphans?

Het volgende beeld zet sfeer en inhoud van het vorige verder: Maria met een grote kroon en een aureool van sterren er net achter. Ze heeft echter in dolk in haar hart: Maria is de moeder der smarten. Ik dacht eerst dat dit een van de zeven weeën van Maria voorstelde, maar dat klopt niet. Je kunt het natuurlijk ook metaforisch interpreteren: alles wat de Moeder Gods meegemaakt heeft, kan niet anders dan een dolksteek in haar hart geweest zijn (of verscheidene steken): vandaar deze voorstelling, denk ik dan.

Maria, de moeder der Smarten

Laten we met dezelfde vrouw een beetje blijer afsluiten: aan haar kledij te zien, krijg je hier, als ik me niet vergis, een Maria uit de achttiende eeuw: ze lijkt wel een herderin, maar dan zeer luxueus gekleed. Rechts naast haar staat het Jezuskind dat al wat gegroeid is, links van haar het Lam Gods, een metafoor voor alweer Jezus. De Andalusiër werd wel zeer nadrukkelijk met zijn godsdienstige waarheden geconfronteerd!

In de herdersstijl uit de achttiende eeuw

Bij de volgende brug slaan we rechtsaf: zo zijn we zonder problemen klaar voor het avondmaal van die dag. We hebben op korte tijd al veel gezien: we waren in de dertiende eeuw, in de zestiende, zeventiende en achttiende, en in de twintigste. We hebben op ons eerste tochtje al heel wat verhapstukt, tot ons aller tevredenheid! Durf ik dan te verhopen.


Onze brug over het 'Canal de Alfonso XIII'

woensdag 29 september 2021

Dirk Baksteen en Guillaune Apollinaire

In een grote lege vlakte staan drie bomen, bladerloos, alle drie, de linkse is de kleinste.'Troosteloos', meer dan een beetje troosteloos zou ik zeggen: eenzaamheid zover het oogt reikt. Die ets heet 'Requiem' of In Memoriam', dat herinner ik me niet juist meer. Boven de tekening kun je 'L'Adieu' lezen, en eronder het gedicht van Guillaume Apollinaire.

Dat gaat als volgt:

J'ai cueilli ce brin de bruyère

L'automne est morte souviens-t'en

Nous ne nous verrons plus sur terre

Odeur du temps brin de bruyère

Et souviens-toi que j'attends


Ik heb er een Nederlandse vertaling van gevonden, van de Nederlander Wouter van der Land, die een blog heeft over Guillaume Apollinaire. Ik vermoed dat hij een liefhebber van de dichter is, en dat hij er veel over weet en van kent. Die vertaling luidt:

Het afscheid

Geplukt heb ik dit twijgje heide

de herfst is dood je weet 't nog

Onze wegen zijn voorgoed gescheiden

Geur van de tijd twijgje heide

Ik kijk naar je uit weet dat toch


Ik vind het nog een goede vertaling ook. Dirk Baksteen kende dus meer dan de Kempen rond Achterbos, Franse dichters bijvoorbeeld. Daarbij kan opgemerkt worden dat hij van oorsprong een Rotterdammer was, maar dat scheen in zijn geval geen bezwaar te zijn. Het gaat hier onder andere over de heide, dat wel.

Ik vraag me wel af voor wie hij deze ets met gedicht gemaakt heeft: zoals ik al zei staan in de summiere catalogus geen jaartallen van ontstaan van zijn werk, dus is het gissen. Misschien is dit werk het afscheid van Hilda van den Panhuyzen, zijn echtgenote met wie hij zeven kinderen had. Maar zoals gezegd: ik weet dat niet zeker, het is mogelijk, dat is alles wat ik erover kan schrijven.

Merkwaardig vind ik wel: je gaat etsen van Dirk Baksteen bekijken, en je komt een gedicht van Apollinaire tegen, in Mol-Sluis dan nog! Alles is met alles verbonden, daar zullen we het maar bij houden!

dinsdag 28 september 2021

Dirk Baksteen: etsen bij Jakob Smits

Dirk Baksteen werd in 1886 geboren, in Rotterdam, net zoals zijn leermeester Jakob Smits; hij was wel 31 jaar jonger. Baksteen kwam in 1912 naar zijn landgenoot in de Kempen, in Achterbos, en bleef er. Smits ontdekte al gauw de kwaliteiten van Baksteen, die zou uitgroeien tot een zeer bekwaam etser. Voor zijn vijftigste verjaardag 1935 was hij tot Belg genaturaliseerd.

Hij werkte in de stijl van Smits, maar er zijn verschillen: op Baksteens etsen zijn er weinig mensen te zien, soms zie je er een of twee. Zijn onderwerpen zijn vaak Kempische boerderijen of schuren, met het obligate strooien dak en de wit gekalkte muren. En dan vraag ik me af: zag de Kempen er toen nog altijd zo uit? Als je 'Kempische boerderijen uit de eerste jaren van de twintigste eeuw' googelt, zie je huizen in baksteen en een pannendak. Luxe was het ook niet, maar het waren stevigere bouwwerken dan die op Baksteens etsen te zien zijn. Zelden zie je strooien daken een witte muren: ze zijn er, maar in de grote minderheid. O ironie: een voorbeeld ervan is een ets van Baksteen. Hij tekende een Kempen die niet meer bestond. Terug naar het verleden was het, niet dat dat zo glorieus was, zeker niet, maar het was simpel en eenvoudig, je kon er naar terug verlangen, met andere woorden: dat noem ik een romantisch kunstenaarsgevoel. 

Zijn etsen zijn technisch zeer goed, zonder twijfel, maar bij Baksteen vind je geen vernieuwing, geen experiment, geen spoor van stadsleven of moderniteit: het blijft veel van hetzelfde. En waarschijnlijk wist hij dat zelf ook: een ets heet 'Finis Campiniae', (Het einde van de Kempen), en die is mooi uitgevoerd, maar tezelfdertijd ook een symbool van de veranderende tijden. Hij toont niet alleen een vervallen schuur, hij laat ook het einde van een tijdperk zien. Zo komt een spoor van de moderniteit onrechtstreeks toch zijn werk binnen, en de tentoonstelling in het Jakob Smits Museum.

Finis Campiniae

Mooi is ook 'De drie Molens': het landschap is in een ovaal gevat, van onderen de donkere aarde, van boven even donkere wolken. En de drie molens geven perspectief en diepte aan dit werk: voor het derde molentje moet al een beetje speuren: het staat onderaan in het midden. Ik twijfel eraan of er ooit een degelijk Kempisch landschap heeft bestaan, maar voor Baksteen was het ideaal om zijn etskunst uit te leven. Als ets is het zeker geslaagd.

De drie molens

'De Dorpsstraat' is een idyllisch gezicht op een landschap met de witte- strooien-dak-huizen die in Baksteens tijd al geschiedenis waren. Goed gemaakt, alleszins, maar verder zegt het me niet veel.

Jammer is ook dat in de catalogus die je meekrijgt de jaartallen van ontstaan van de etsen niet worden meegedeeld: het zou interessant zijn om die te kennen.

De dorpsstraat

Een paar etsen gaan over de natuur: 'De Koppigaards' is daar een voorbeeld van. Twee oude, knoestige bomen zonder veel lover staan op en klein bultje heel allenig in weer en wind te wachten op het einde van hun leven tot ze omgewaaid worden, maar ze geven niet toe, de koppigaards. Leuke titel ook voor deze ets. Deze ets vind ik van een hoge niveau: dit kan overal voorkomen, is niet aan tijd een plaats gebonden, en geen teruggrijpen naar enig verleden.

De koppigaards

De vergankelijkheid van de natuur en het leven heeft Baksteen nog treffender uitgebeeld in 'Vergane Schoonheid': twee uitgebloeide zonnebloemen laten in een fles hun koppen hangen. Verder is het een alles zeggende kale ets: zeer krachtig beeld vind ik dit. En heel anders dan de zonnebloemen van Van Gogh, om die maar te noemen.

Vergane schoonheid

Vernieuwend is Baksteen niet, zeker niet in zijn onderwerpen, maar zijn etsen zijn technisch zeer goed gemaakt. En als hij van zijn verleden Kempen loskomt, en de natuur zijn onderwerp wordt, overstijgt hij zijn beperkte milieu. En dat betekent ook al iets.

zondag 26 september 2021

Tom Liekens in De Bijl - 2

De werken van Tom Liekens zijn echt niet klein: die 'Fisherman's Friend' meet zowat 4 bij 2 meter. Ook zijn houtsneden zijn niet in een gewone lijst te vatten: Liekens schuwt het grote werk niet, dat is wel duidelijk. Bevreemdend zijn die houtsneden ook, bijvoorbeeld 'Minotaurus', waarbij een forse stier een jonge vrouw a tergo neemt, zoals dieren dat doen. 'Nemen' is een te vriendelijke omschrijving: hij verkracht haar. Het dier blijft daarbij onbewogen, zij schreeuwt het uit van de pijn en ontzetting, haar gezicht drukt maakt best duidelijk wat zij voelt, wat er in haar omgaat. Links en rechts staan nog twee vrouwen in bontmantel en met een vos als halsband toe te kijken als machteloze getuigen. Kunnen we deze Minotaurus zien als de wraak van de dieren en de natuur op de mens die zo weinig respect heeft voor precies die natuur en dieren? Ik ben in ieder geval geneigd het zo te zien.

 
Tom Liekens: Minotaurus (collage van houtsnede en monotype op doek)


Minotaurus - detail: de verschrikking van de vrouw

In 'Fur Forest' (Bontwoud) zien we weer drie vouwen in bontmantel, en een meisje van een jaar of 16, met eerder kleine oortjes die uit haar kapsel komen piepen, en een wolvenstaart. Naar haar gezicht hebben we het raden. Is zij een tussenvorm van wolf en mens, is zij een mutant, een gruwelijke vergissing van de natuur, of een voorbeeld van de Latijnse spreuk 'homo homini lupus'? Zij staat te kijken naar een haas die een wolvin verkracht, mogelijk haar moeder? Griezelig is het alleszins. De haas glimlacht bij zijn heldendaad: eindelijk heeft hij zijn spreekwoordelijke angst overwonnen, en triomfeert hij met zijn zege. Hier is het de wolvin die 'van de haas gepoept wordt', zoals we dat in de Vlaanderen zeggen: zij is nu de bangerik. Weer denk ik aan wraak, van de zwakkere dieren op de roofdieren, voor alles wat ze hazen en konsoorten hebben aangedaan. En dieren gedragen zich als mensen hier, in deze fantastische voorstelling.

Maar er gebeurt nog meer op deze collage van houtsnede en monotype: de tweede vrouw is dezelfde als de uiterst rechtse op de vorige collage: zij staart naar de beestachtige verkrachtingsscene die zich voor haar ogen afspeelt, en heeft geen oog voor de uiterst rechtse vrouw in bontmantel die, door al haar natuurlijke schoonheid te ontbloten, tevergeefs de vrouw voor haar probeert te verleiden: geweld is blijkbaar toch meer fascinerend. Ook de derde vrouw, verhuld onder haar bontkap, kijkt naar het geweld dat vlak voor haar voeten plaatsheeft. Eigenaardig werk, dat iedereen met zijn eigen interpretatie kan invullen.

Fur Forest

Twee werken heten 'Delacroix's Dream'. Ik ken heel het werk van Delacroix niet, maar Liekens zou kunnen refereren het doek 'La liberté guidant le peuple'. In de bouw daarvan is de driehoek ook belangrijk, en vechten voor de vrijheid komt met een prijs: op de voorgrond van het schilderij liggen heel wat gesneuvelden, de dood is duidelijk aanwezig. In de eerste 'Dream' worden mensen in een put geworpen als voedsel voor best wat hongerige leeuwen: een nogal ongelijke strijd lijkt me. Dit werk zou een verwijzing zijn naar het Colosseum, waar ook wilde dieren zich in de beste gevallen te goed konden doen aan mensenvlees: wreedaardiger kan moeilijk. 

  

Delacroix's Dream - 1

De tweede 'Dream' is weer een driehoeksgeval, maar nu zijn het vooral dieren die elkaar totterdood  te lijf gaan. Op de top van de piramide staat een woeste olifant, met zijn berijder nog op zijn rug. Met veel kracht en zijn slagtanden slingert hij een leeuw de nabije ruimte in: leeuwen moeten in dat dierenuniversum ook weer niet te hoogmoedig worden. 'Hoogmoed komt voor de val' schijnt in de leeuwenwereld geen spreekwoord te zijn, althans nog niet echt goed doorgedrongen. Na enig zoeken vind je onderaan drie lijken van mensen: ook gevolg van overschatting? De natuur is tenslotte de baas, zoals wijzelf deze zomer ondervonden hebben. De rest van het beeld biedt een feestelijk turbulente massa vechtende dieren, zonder rem op het geweld: leeuwen, luipaarden kunnen hun pret en geweld niet op! Een wemeling van beweging en kleuren is het, als in een barok schilderij: het doet me nog aan Rubens denken. Je kunt Tom Liekens niet beschuldigen van een gebrek aan levendige fantasie!

Delacroix's Dream - 2

Om af te sluiten: het 'Zelfportret met Coelacanth'. Die coelacanth is een eigenaardige vis: lang werd hij beschouwd als een 'levend fossiel. Men dacht dat hij 65 miljoen jaar geleden samen met de dinosaurussen van de wereld was verdwenen, tot er in 1938 een exemplaar gevangen werd. Ze blijven zeer zeldzaam, en zijn geëvolueerd door 'springende genen': dat betekent dat deze vis 62 genen van andere soorten heeft overgenomen; de natuur is wonderbaarlijk! Met dit schepsel poseert Liekens voor zijn zelfportret, als wilde hij zeggen dat ook de natuur die tot een ver verleden teruggaat hem na aan het hart ligt: al leven is voor hem belangrijk. En dat hij het afgebeelde exemplaar zelf gevangen heeft: dat is hoogst twijfelachtig, maar hij mag me altijd tegenspreken.

Zelfportret met Coelacanth 

Dit was een tentoonstelling anders dan andere: grote werken met een thematiek die je niet vaak ziet. Zeer de moeite waard vond ik het. Die Tom Liekens wil ik verder wel volgen: interessant, qua inhoud en werkwijze vind ik hem.

woensdag 22 september 2021

Tom Liekens: 'Sauvage' in De Bijl (Zoersel)

Van Tom Liekens had ik al eens een tijdje geleden enige weken gezien ik het Jakob Smits Museum: etsen of houtgravures die mij wel intrigeerden, maar die ik moeilijk kon duiden. Nu er in Zoersel een tentoonstelling van hem liep onder de titel  'Sauvage', ben ik nog eens gaan kijken: een bijzondere wereld opent zich voor je. Volgens een bladzijde uitleg, die je bij het binnenkomen van de tentoonstelling mee kan nemen, geeft Liekens in 'Sauvage' uitdrukking aan het dierlijke in de mens en het humane in dieren. 

In de zaal wordt je aandacht onmiddellijk getrokken door een groot schilderij dat voor je aan de verste muur hangt: 'Fisherman's Friend' heet het. Vijf vissers tonen wat ze uit de zee gehaald hebben: allerlei vis waarvan ik de namen niet ken, maar het zijn wel exemplaren om u tegen te zeggen. Met meer dan gepaste trots laten de vijf hun vangst zien: kijk eens aan wat wij alweer gevangen hebben! Aan de Noordzee lijkt dit tafereel zich niet af te spelen: het doet mijn door de kleding van de vijf mannen eerder aan de Verenigde Staten denken. Een reiger op de voorgrond laat zien dat hij ook kan jagen: een kikker hangt uit zijn bek. En een behoorlijk aantal meeuwen proberen ook hun grantje mee te pikken, als ik die uitdrukking hier mag gebruiken. Dieren jagen ook op hun eten, maar ze vissen de zeeën niet leeg.

Fisherman's friend

Af en toe refereert Liekens aan de kunstgeschiedenis: de rog op de foto doet mijn meteen aan die van Ensor denken: daar krijg je binnenpretjes van.

De rog van Ensor geciteerd

Een spottend werk: The Congo Room, de kamer van een teruggekeerde oud-koloniaal: denk ik dan; ik kan me niet indenken dat een Congolees zo zijn huis inricht. Maar die koloniaal wil natuurlijk zoveel mogelijk herinneringen aan zijn gelukkige tijd in Afrika, toen hij de baas was en de leden van de plaatselijke bevolking als knipmessen voor hem bogen, en leerden wat dienstbaarheid en uitbuiting betekenden. De blanke was echter sentimenteel en zag liefst  zoveel mogelijk couleur locale in zijn dagelijkse omgeving. Dieren, of overschatten van dieren, zijn daarvoor het geëigende middel: een uitgespreide tijgervacht als vloerkleed, fauteuils met dezelfde huid bekleed, boven de schouw een kop van een forse neushoorn, daartegenover de kop van een frisse gnoe. Twee uit de kluiten gewassen slagtanden van een olifant bewaken de schouw, en ze flankeren een opgezette olifantenvoet, waarop je in glazen kommen rommel kan bewaren. Als degradatie van het grootste landdier kan het er mee door, net zoals het vloerkleed de tijger alle kracht ontneemt: wie loopt er ooit kwansuis over een levende tijger, die toch een te duchten roofdier is. Er zijn veel soorten kitsch, maar dit is er toch een summum van. Ondertussen spreekt de verkrachting van de natuur van die dieren boekdelen! Ik hou er wel van. Overigens: bij ons, in de Ardennen onder andere, kun je ook wel fraai opgezette hertenkoppen in interieurs zien: die bewijzen dan ook wat en excellente jager de bewoner van het pand is. Met recht een reden zijn die schutters zo trots als lekke gieters. Maar meer nog als het over echte dieren in Afrika gaat. De beschaving in al haar facetten hebben we daar gebracht, en daar zijn wij dan weer fier over. Hoewel, de laatste tijd iets minder.



 The Congo Room