vrijdag 18 april 2008

Abdul in de Priba


Jaren ongeteld al ga ik winkelen in de Priba, het warenhuis op mensenmaat in de Korte Gasthuisstraat, pal in het centrum van Turnhout. Jonge mensen van Turnhout zelf, of inwijkelingen van welke aard ook, kijken onbegrijpend als je het over de Priba hebt: zo heet het daar al lang niet meer. Maar veertig jaar geleden nog wel, en het woordgebruik krijg je er bij mijn generatie niet uitgesleten. Naderhand heette het daar de 'kleine GB', ter onderscheiding van de 'Maxi GB' aan de Ring, waar dagelijks een hoogmis met talloze celebranten ter grotere eer en glorie van het kapitalisme wordt opgedragen: megalomanie op zijn Kempisch. Overigens heet die zaak nu 'Carrefour', want in Franse handen geraakt, en nu dus met dito naam. 'Priba' is overigens ook Frans, en niet zomaar een woord: het is de vereenvoudigde spelling van 'prix bas' die je daar maar hoeft te betalen. In Malmédy was er indertijd nog een 'Nopri': 'nos prix' werden ook verondersteld laag te zijn, ten minste dat was de boodschap. Die Nopri heeft nu het kleed van 'Aldi' aangetrokken.

Maar ik sta dus vandaag, of zit in mijn elektronische rolstoel (zoals dat ding pretentieus genoemd wordt) aan te schuiven bij een kassa in de Priba: een vrouw voor me, weinig artikelen op de band, een vluggertje wordt het. De caissière (die dragen naamplaatjes) heeft een curieuze achternaam: Shaf. Mijn filologenhart klopt iets sneller, want waar komt die naam vandaan? Misschien Zweeds of Skandinavisch, en hij zou dan overeenkomen met het Nederlandse 'schaaf'. Wie weet? Als iemand in Vlaanderen 'bril' kan heten, en nog minister worden op de koop toe, waarom dan geen caissière van vreemde oorsprong met de naam 'schaaf'. Onwetenschappelijk linguïstisch denken, de fantasie zonder controle op een holletje.

Ik ben aan de beurt en vraag logischerwijze aan de dame waar haar achternaam vandaan komt. Met mijn voornaam heet ik 'Rim' zegt ze, en 'Shaf' en ikzelf komen uit Syrië. In best goed Nederlands vertelt ze dat, onwetend mijn Zweedse droom aan diggelen smijtend. Ik had beter moeten kijken: voor een Noord-Europese is ze veel te bruin, ze had hooguit een Italiaanse kunnen zijn. En die heten Scifo of Sciavo, niet Shaf.'O, uit Syrië,' antwoord ik, 'bij ons op school werkt een Syriër, hij geeft 'Islam', hij heet Abdul Shattour'. 'Ja, die ken ik.' 'Dat verbaast me niks, hij is ook een echt expansieve man.' En na wat vriendelijke small talk scooter ik naar huis.

Kom je Abdul toch niet tegen in de Priba, zomaar in het midden (enfin, op het einde) van de week. Ik zie hem nog wel eens, op school. Hij is een minzame man, heeft mij met rolstoel en al meermaals thuisgebracht, is in Westmalle actief in het voetbal, was ooit Syrisch international, heeft Engels gestudeerd, tolkt voor het gerecht in Turnhout, ondertitelt Arabisch voor de VRT, in een woord hij is een Johannes Factotum, een bezige bij.

In de Priba werken wel eens meer allochtonen: er is een zwarte vrouw geweest, die ik daar nu niet meer zie, er is een donkerbruine Indische die perfect Aantwaarps spreekt, een Nederlandse met waarschijnlijk Indonesische roots die de mooie naam Irene Flink draagt, en die haar taak zeer vriendelijk verricht. 't Zonnetje van de Priba, denk ik wel eens. En kennelijk discrimineert de Priba op dat gebied niet. Wat leuk is, voor een klein grootwarenhuis. Het geeft de burger moed.

woensdag 16 april 2008

Culinaire geneugten


Eens per jaar gaan we met zijn drieën uit eten: Cees, Vic en ik. Cees nodigt uit, want hij is pas jarig geweest, de twee anderen geven hem twee boeken: gedichten van Brecht in een tweetalige editie (faciliteiten voor een Nederlander als het ware), en 'Het land van aankomst', wat Cees als Nederlander zeker interesseert, want hij woont al zo'n twintig jaar in België, in Rijkevorsel meer bepaald. Vic en ik zijn autochtonen: hij uit Hoogstraten, ik uit Turnhout. Twee raszuivere Kempenaars en eentje van de eerste generatie: een voorspoedige mix. Wij vieren onze jaren: Cees, 74, iets ouder, maar uitmuntend, Vic 64 en ik, nog eventjes 60, oudere medioren, zeg maar. In 'De Farmasie' pleisteren wij, op de Antwerpse Steenweg in Vosselaar, vlak bij Janssen Pharmaceutica, van waar het restaurant zijn naam betrekt (maar dan eigenzinnig gespeld, om te tonen dat ze toch origineel zijn), en mogelijk ook motilium en immodium. Hoewel: de spijzen van De Farmasie maken deze medicijnen volstrekt overbodig, voor ons is het inmiddels een huis van vertrouwen geworden. Niets dan lof.

In 2008, zeker om deze tijd van het jaar praat je dan over 1958, zijdelings over de Expo, maar over de culinaire gebruiken van toen. Cees heeft onlangs voor het eerst Vlaamse stoemp gegeten, savooipuree, waar obligaat ook een paar spruiten in zitten, herinnert Vic zich, en bij voorkeur ook nog stukjes spek. Andere verleden gewoonten komen ter tafel, zoals warm eten uit een en hetzelfde bord (ieder zijn bord natuurlijk): eerst soep, dan aardappelen met groenten en vlees, daarna de pap. Meestal was dat pudding (vanille of chocolade, ofwel 'gele of shoekelatte), smoelpap (griesmeel, in het Frans 'semoule'), of havermoutpap, bij ons thuis door mijn vader 'motsekletpap' genoemd: dat woord (van eigen makelij?) moet uit de oorlog dateren, toen de haver niet zo goed bewerkt of gepeld werd, zodat je de kleine vliesjes uit die pap op het puntje van je tong moest leggen en ze zonder speeksel te produceren toch beschaafd moest wegspugen, ongezien maar hoorbaar op tafel. 'Tuffen' heette dat ook, en dat woord is een pracht van een exacte klanknabootsing. Een 'motseklet' is Kempisch voor het Franse 'une motocyclette', en als de motor daarvan aanslaat hoorde je ook een herhaald puffend, tuffend geluid. Smoelpap was dan weer zo'n lelijk woord dat dat toetje (die term bestond toen ook nog niet in Vlaanderen)zeer zelden opgediend werd. Labbonen (lab met een b, en niet, zoals ik altijd gedacht heb, met een p)heb ik nooit gegeten: die werden ook 'boerentenen' genoemd, en de ingebeelde geur alleen al van die lichaamsdelen was mij veel te veel. Ik ben altijd nogal taalgevoelig geweest, stel ik vast. Een viesneus, zo kun je het ook noemen.'Motsekletpap' ging er wel in: lekker smeuïg was die. En je beleeft vijftig jaar later evenveel genoegen aan de etymologie van het woord als toentertijd aan het gerecht. We keuvelen en kouten, ondertussen genietend van een rundscarpaccio, een ossenhaas of een succulente steak, met pepersaus of béarnaise, en met crème brulée na: 'The times they are a'changing' zong Bob Dylan al: zijn gelijk is groter dan hij weet.

Lezen hadden we in '58 ook al geleerd, en ik las alles wat onder mijn handen kwam, tot de tekstjes en drukseltjes op jam- en mayonaisepotten toe: 'zwijgt en eet' kreeg zo toch enige verlichting. Maar we lazen ook boeken, jeugdboeken, vaak van Nederlandse schrijvers, want Vlaamse in die tijd?... In zo'n Hollands boek las ik op mijn tiende of mijn elfde dat een 'boterham uit het vuistje' voor een keer wel eens kon. Waar hebben ze het over, dacht ik. In de loop van het verhaal bleek dat een boterham uit een bord gegeten werd, met mes en vork, in dat buitenlandse milieu. Wij maar warm eten alles uit één bord, maar over de grens, nee hoor. Mijn eerste cultuurschok was dat. Later heb ik mijn geboortejaar (1947) levendig herkend in 'De avonden' van Gerard Reve: reële typering van een tijd die nog zo in mijn geheugen zit. Maar die Nederlandse kinderen van toen gingen naar de HBS: de Hogere BurgerSchool. Wat ook zeer raar was: waarom geen atheneum, lyceum of college? Anders waren die, die van over de grens. Athenaeum en gymnasium heb ik pas later leren kennen.

Maar 'er kwamen andere tijden'. Dorpen zoals Turnhout en Hoogstraten werden groter, Nederlanders kwamen hier naartoe, en niets menselijks is ons nog vreemd. Ten minste: dat zouden we willen denken. Het etentje van en met Cees was heerlijk.

dinsdag 8 april 2008

Lazarus



Het gedicht






Lazarus is zoals bekend de man die door Christus uit de doden werd opgewekt, en wiens naam redelijk vaak kon aangetroffen worden: nomen sit omen, wie uit de doden opstaat
leeft eeuwig. De mirakelman is een veel bekender voorbeeld. Maar je hebt de Gare Saint-Lazare in Parijs, een kathedraal Saint-Lazare in Autun (Bourgondië), met een zeer beroemd tympaan dat het Laatste Oordeel voorstelt, en een handtekening van de kunstenaar draagt: 'Gislebertus hoc fecit', in de jaren 1130-1135 moet dat geweest zijn. In de beste middeleeuwse traditie weten we verder niets over hem. In het Nederlands leeft de naam op een meer prozaïsche manier verder: vroeger werd hij geassocieerd met melaatsen en melaatsheid (een lazarushuis is of was een leprozerie), tegenwoordig kun je je lazarus drinken, maar net zo goed werken. Als dat nog niet duidelijk genoeg is, spreekt men van het apelazarus: niet erg vriendelijk kun je iemand toevertrouwen dat hij 'het apelazarus kan krijgen'. Gezelle wist het al: de tal taal is wonderzoet / voor wie haar geen geweld aandoet.

Maar Lazarus is ook de naam van de dichteres van een sonnet met als onderwerp het Vrijheidsbeeld in New York. Emma Lazarus heet ze voluit, geboren in The Big Apple in 1849, er gestorven op de leeftijd van 38 jaar in 1887. Zij stamde uit een Portugees-Sefardische familie die al een aantal generaties in Amerika woonde. Ze was een ontwikkelde vrouw: al zeer vroeg studeerde zij Amerikaanse en Europese literatuur, en ze kende verscheidene talen, waaronder Duits, Engels en Italiaans. Ze was niet echt 'Mieke van de bakker'. Als joodse is zij bovendien een bekende voorloper van de zionistische beweging: ze had het al over het oprichten van een joods thuisland 13 jaar voordat Herzl de term 'zionisme' begon te gebruiken.

Zij schreef dus ook dat gedicht voor, of over het Vrijheidsbeeld, en ze noemde dat vol negentiende-eeuwse 'pomp''The New Colossus'.


Ze heeft het over het verschil tussen de Oude en de Nieuwe wereld, stelt de USA voor als een zeer gastvrij land, het beloofde land zonder meer, dat zich zal ontfermen over de armen, verworpenen, over allen die naar vrijheid verlangen. Een machtige vrouw met een toorts zal de gouden poort naar geluk en voorspoed verlichten. De Oude Wereld wordt aangemaand zijn gedateerde bombast bij zich te houden; zij vervangt die ondertussen door nieuwe pracht, praal en staatsie. Want het nieuwe, jonge vaderland had een nieuwe mythologie nodig, nieuwe kolossale verhalen die voor de eeuwigheid bedacht moesten zijn. En zo zegt zij het dus:

Not like the brazen giant of Greek fame,
With conquering limbs astride from land to land;
Here at our see-washed, sunset gates shall stand
A mighty woman with a torch, whose flame
Is the imprisoned lightning, and her name
Mother of Exiles. From her beacon-hand
Glows world-wide welcome; her mild eyes command
The air-bridged harbor that twin cities frame.

"Keep ancient lands, your storied pomp!" cries she
With silent lips. "Give me your tired, your poor,
Your huddled masses yearning to breathe free,
The wretched refuse of your teeming shore;
Send these, the homeless, tempest-tost to me,
I lift my lamp beside the golden door!".



De beroemde tiende en elfde verzen zijn in 'the statue's museum' te bekijken, terwijl ik altijd gedacht heb dat 'give me the poor ...' op de sokkel van het beeld waren te zien. Maar ik hoop het over afzienbare tijd daar met mijn eigen ogen te lezen: ik wil eens op Ellis Island staan, bij het Vrijheidsbeeld en de verzen erover. Ik wel eens gestaan hebben op de plek waar duizenden immigranten de VS binnenkwamen. Ze kwamen uit Oost-Europa, behoorlijk wat joden bij voorbeeld, maar in Antwerpen vertrokken met de Red Star Line natuurlijk ook veel landgenoten en tal van andere Europese nationaliteiten. En de Italianen uit Lucania, Calabrië en het arme 'Mezzogiorno' emigreerden net zo talrijk uit de laars. Carlo Levi vertelt erover in 'Cristo si è fermato a Eboli'. Indrukwekkend.

En als je een diepgravend boek over migratie en haar gevolgen wil lezen: Paul Scheffer, Het land van aankomst. Aanbevolen. Vooral als je wilt zien dat 'alles' niet zo simpel was of is als volksmenners zouden willen wensen.

maandag 31 maart 2008

The Red Star Line


De Belgenland





Waarom ga je naar de tentoonstelling in het Nationaal Scheepvaartmuseum over de Red star Line? Die heet dan nog met enige zin voor Antwerps chauvinisme 'Antwerpen = Amerika = Red Star Line'. Maar ik moet toegeven: eind negentiende, begin twintigste eeuw was Antwerpen de draaischijf van waaruit vele migranten de plas overtrokken, naar Amerika, naar een nieuwe toekomst. En de Red Star Line behoort tot het nationale collectieve geheugen, het is de laatste tentoonstelling in het 'Steen', en migratie is deze tijd niet uit de lucht. Migratie is een fenomeen van alle tijden, heet het alom.

Dus ik naar een zeer publieksonvriendelijk museum, zoals de krant het noemt. Het Steen is natuurlijk een oude middeleeuwse burcht, de waak- en uitkijktoren over de Schelde, en natuurlijk ligt daar de rode loper niet uit. Mijn dochter Dieuwertje duwt mij in de rolstoel de toegangshelling op, zeer matig geasfalteerd is die, verder over kinderkopjes die me doen denderen, maar de tentoonstelling is volledig op de gelijkvloerse verdieping, bovendien mogen rolstoelpatiënten en hun begeleider gratis
naar binnen: wie blijft dan nog zeuren en kniezen?

Er is behoorlijk veel volk, we mogen van een succes spreken: je hoort onder anderen Antwerpenaren praten over wat ze zelf nog meegemaakt hebben, of over wat ze er zelf al, of nog, van wisten of van gehoord hadden: de couleur locale is onmiskenbaar. Het eerste wat je ziet is een gedetailleerde panoramische kaart/schilderij van de stad: ze werd gemaakt voor de Wereldexpo van 1913. 'Hypsospanorama' heet het werk;Het is ongelooflijk hoe veel groter en uitgebreider Antwerpen in honderd jaar tijd geworden is. Je probeert herkenningspunten op die kaart te vinden: het kerkje van Berchem, dat ik altijd al zeer landelijk heb gevonden en nu vlak aan de Antwerpse Ring ligt, bevindt zich nog echt in een plattelandsgebied. En verder zie je veel weilanden en groen (akkers, velden) voorbij een stad omringd door buiten. Verderop toont een twee groot schilderij 'Belgische landverhuizers'. Het komt uit het jaar 1890, en is een werk van Louis van Engelen: niet alleen Eugène van Mieghem heeft de haven en de mesnsen errond geschilderd, weet de krant mij te melden.

Je ziet een film over de overtocht, beginnend bij het Centraal Station (de Middenstatie in Schoon Vlaams) en eindigend op Ellis Island. Grote schepen, volgestouwd met vertrekkers, vooral in derde klasse: weinig plaats voor veel mensen. In tweede klasse is het beter, in eerste zonder meer luxueus. Bij het vertrek zie je vanaf de wal en op het schip duizenden zakdoeken wuiven, het eerste zicht op het Vrijheidsbeeld met zijn verzen 'Give me your tired, your poor,/ your huddled masses yearning to breathe free.'leidt tot ongekende uitingen van euforische vreugde. Haar brandende toorts heet hen welkom in 'the land of the free': sommigen zullen er een beter leven hebben, anderen keren terug naar het oude continent. Wie ze waren, landgenoten, maar ook veel Oost-Europeanen en joden. Foto's van de overtocht maken duidelijk hoe oncomfortabel die wel niet geweest moet zijn, maar landen op Ellis Island en toegelaten worden tot de Verenigde Staten maakt alle leed ongedaan. Voor de meesten althans: 2 op 100 werden teruggestuurd wegens niet gezond genoeg.

En modellen en halfmodellen van de stoomschepen, die zie je ook. Typische namen hebben die: SS Belgenland, I en II, SS Vaderland, SS Finland, SS Lapland, SS Noordland en SS Westernland. 'Love Boat' komt eerst vele jaren later: rond de vorige eeuwwisseling was het idee alleen al 'sadly out of time and place', en veel te frivool. Uitwijken was, en is, het harde leven.

Heel het gebeuren deed me nogal denken aan de slaventransporten in de 18de eeuw: dat was nog huiveringwekkender, maar ook tijdens deze migratie werden de mensen beschouwd als cargo en moest winst gemaakt worden. Onder druk van regeringen werden de omstandigheden aan boord beter. Een associatie die ik ook maak: de jodentransporten naar de uitroeiingskampen, maar die gruwel overtreft natuurlijk alles. En het doel van de reis was geen nieuwe toekomst, maar verdelging.

Na de tentoonstelling kun je ansichtkaarten kopen: vaak gaat het om posters uit de tijd. Je ziet bij voorbeeld grote schepen op de Schelde voorbijvaren, aangestaard door Zeeuwse vrouwen en kinderen, of door een visser met een zuidwester. De implicatie is duidelijk: verlangend zien zij de toekomst voorbijvaren. In Amerika staat een well-to-do dame met dochtertje te kijken naar een binnenkomend schip: zij tweeën stellen die zonnige toekomst voor die alle landverhuizers wacht.

Zo zijn Dieuwertje en ik getuige geweest van oplossingen voor ellende, en van wat honderd jaar geleden een deel van de glorie van de havenstad Antwerpen was. Aan te bevelen.

zaterdag 22 maart 2008

La Guelaguetza Oaxaquena


Ik heb ze weer, de muziek van 'La Guelaguetza Oaxaquena, een van de mooiste en meest indrukwekkende evenementen die ik ooit heb bijgewoond. Alles speelde zich af in Mexico, in de staat Oaxaca, in de zomer van 1975. Samen met een vriend heb ik toen met 'Jest' (Jongeren- en StudentenToerisme) een drieweekse reis door Mexico gemaakt, van Mexico-Stad, toen nog maar 11 miljoen inwoners, naar Merida op het schiereiland Yucatan. Wij kwamen natuurlijk ook in Oaxaca, zowat centraal in het land.

En daar woonden wij het feest bij dat de 'Guelaguetza' heet. Daarvoor komen de stammen uit de zeven streken van de staat in de hoofdstad samen; het woord 'guelaguetza' is Zapoteeks voor 'offerande, offergave', in het Spaans heet het 'Lunes del Cerro', 'Maandagen op de Heuvel': eind juli komen op twee maandagen na elkaar de stammen naar deze plaats, en tijdens dit van oorsprong duidelijk religieus feest worden de goden, of de natuur, bedankt voor de geslaagde oogst. Delen van de opbrengst van het veld (van graan tot ananas) worden ingetogen geofferd, terwijl de mensen tezelfdertijd uitbundig de rijke oogst vieren met dans en muziek: die dans is de levende folkore uit de staat, en die muziek een soort van fanfaremuziek die veel rauwer, directer en blijer is dan die van ons: we zitten veel dichter bij de natuur en de zon.

Een en ander speelde zich af in een amfitheater, ondertussen in 1975 al speciaal voor deze festiviteiten opgericht, want toeristen komen er in horden op af: het was dus een investering waard. Heel het theater vol toen, wij zittend in de vlakke zon, en toen zag ik het spektakel beginnen, anderhalf tot twee uur lang: de nietige mens die de grote kosmos zijn dank kwam betuigen, daarvoor in zijn mooiste kleren en klederdrachten uitgedost, zijn elegantste en meeslependste dansen kwam uitvoeren, zijn uitbundigste muziek kwam spelen. Ik zat naast mijn vriend, maar het eerste half uur heb ik niet links of rechts gekeken: heel die tijd biggelden de tranen over mijn wangen, zo ontroerd was ik, zo mooi was wat zich voor mijn ogen afspeelde. Zoiets heb ik bij mijn weten nooit meer meegemaakt: het deed sterk denken aan wat bij de Oude Grieken de oudste oorsprongen van het theater geweest moeten zijn, met mijn tranen van katharsis inbegrepen: het was een begenadigd moment, letterlijk de apo-theose van een succesrijk landbouwseizoen.

Mijn fotoboeken uit 1975 heb ik er ook nog eens op nageslagen: ongelooflijk veel foto's heb ik van die voormiddag: 'La Danza de Pluma' was de kleurrijkste en de sensationeelste, de meest acrobatische ook, 'Flor de Pina' (allemaal mooie jonge danseressen) de charmantste, de liefste, en mijn herinnering aan die uitbarsting van vreugde en levensmoed onuitwisbaar.

Ik had van het evenement twee lp's gekocht, ze in België terug op een minimum van tijd grijs gedraaid, ze door een andere vriend nieuwe van Mexico laten meebrengen, en die weer overvloedig gedraaid, tot mijn platenspeler door een cd-speler vervangen werd. Bij mijn laatste verhuizing heb ik all mijn oude platen aan Herman en Mien gegeven, en hij heeft de oude lp's van 30 jaar geleden digitally remastered tot een behoorlijke cd: bekoorlijk voor mij.

Er zijn dingen die je hele leven meegaan. En da's goed zo.

woensdag 12 maart 2008

Oude liefde roest niet


Toen ik in mijn laatste jaar Germaanse zat, kregen we bij Nederlandse literatuur van professor Van Elslande Richard Minne te lezen. De man was me niet onbekend: op het atheneum hadden we in de retorica 'De arme en de rijke dagen IV' besproken: 'De wereld is een fluit met zoveel duizend monden.' Een sterk gedicht, een met inhoud die de moeite waard is: dat vind ik nog altijd. Later door de betreurde Dirk van Esbroeck ook opgenomen op zijn cd 'Van op de hoge brug', waarop hij gedichten van Minne en Jan van Nijlen zingt. En in I van die arme rijke dagen heet het heel melancholisch: 'Een leeuwerik boven ons / en onze twintig jaren'. Het gedicht eindigt met: 'het was een schone tijd. / Mijn hart kan niet bedaren'. Simpel van zegging, maar o zo beklijvend;

Natuurlijk lazen wij Richard Minne: de man was van Gent, wij zaten aan de RUG (Rijksuniversiteit Gent), professor Van Elslande was een Gentenaar (hij hield zich overigens ook met Cyriel Buysse bezig, een andere streekgenoot, en Minne zelf was pas in 1965 gestorven, 74 jaar oud. Maar dat zijn allemaal extra-literaire redenen. De dichter heeft niet zo veel geschreven, maar het is van een zeer goede kwaliteit, en toch helemaal anders dan zijn tijdgenoot modernist Paul van Ostaijen. Ten bewijze van een en ander: vijf gedichten van Richard Minne.

Uit 'In den zoeten inval (1927):

Hoveniersgedichten

IV


De boer heeft stroo,
- God zij geloofd -,
in zijn klompen
en in zijn hoofd.


De arme en de rijke dagen

I


Het koren al gemijt
bij 't eerste loof der beeten:
het was een schoone tijd.
Mijn hart kan niet vergeten.

De meerschen die uit brons
en goud gegoten waren.
Een leeuwerik boven ons
en onze twintig jaren.

En gansch de zon die brandt.
En witte umbelifeeren
die benglend op de hand
hun schaduwen doen keeren.

Ik floot een zacht lawijt
op een gespleten blaere:
het was een schoone tijd.
Mijn hart kan niet bedaren.


IV

De wereld is een fluit met zooveel duizend monden.
en elkeen blaast zijn lied. En 't maakt een droef geluid
waarin ik niets van eigen klank heb weergevonden.
En gij? Misschien hebt ge ook getikt aan meenge ruit
en werd ge net als ik weer feestelijk wandelen gezonden.

Nochtans: ik heb gedroomd, gehoopt; en ik droeg boete.
'k Zag de Alpen, Vlaanderen en Straatsburg aan den Rijn.
Ik heb bemind. Ik sloeg de trommel in veel stoeten.
Ik pluisde in boeken die vol oude wijsheid zijn.
Ik heb gezocht, zoo 't kan, met handen en met voeten.

En 't slot? Ik hield daaruit als onvervreemdbaar deel
den troost van 't eigen lied, wanneer ik stil gezeten,
des avonds, op den hoogen berm een wijsje speel,
niet voor 't heelal en de eeuwigheid, maar slechts voor 't heden.
Dat maakt me een blijden dag te meer En dat is veel.


Lentefanfare

De Lente komt zoo dapper aan.
Hobooien zijn 't en zilveren fluiten.
De weduw kijkt voor 't eerst weer buiten,
doet haar gekleurde jak weer aan.

Zoo zal de wereld blijde staan
vooral als bij het avondtuiten
weer de fanfare stapt naar buiten
met het bestuur er achter aan.


En dan nog het langste gedicht van Minne: over 's mensen verlies van de onschuld, 24 strofen van 4 verzen, 96 verzen in 't totaal:


De wespen en de appelaar


God werd moe en lastig.
Uren lang had hij geschapen:
tijgers, boterbloemen,
rhumatiek en rapen.

En hij zat nu boven
op den eersten kam.
Onder hem liep Eva
en ernaast Adam,

die stil en gezapig
pafte aan zijn pijp.
't Was laat op den zomer
en de appels al rijp.

Rond het bleuzend ooft
zoemden de blonde wespen.
Menige zwerm zat
diep genesteld

in de lommerrijke
kroon der Wetenschap.
Hier en daar hing reeds
een appel zonder sap.

De zon dook onder in
een schotel roden wijn
op de plaats waar later
het westen zou zijn.

Dit is het uur uit duizend.
't Duizelt al. Men heeft 't gevoel
of alles, tot onder uw
zitvlak zelfs de stoel,

begeeft. Men zoekt een woord
dat als een roos zou geuren
en in de pupil van de
geliefde dansen kleuren

die Iris zelf niet kent.
Maar het eerste koppel
was nog niet gewend
aan de nuance. Hun taal

was ruw nog als het erts
en zonder decadente draaien:
kss kss prprprpr boem!
(zie Paul van Ostaijen)

De wind beefde door 't riet.
- Nu komen Eva de avond,
de muizenissen in het hoofd,
verveling en verdriet.

Zij stond rechtop en zweeg.
De nacht deed nog een stap vooruit.
Daar echter om den appelaar
doofde het licht niet uit.

Gelijk Eoolse harpen
zong 't bijenvolk, en zie
daar in hun vlucht, schreven ze
de axioma's der geometrie.

Eva bekeek dit al
en hoe de wespen waakten
over den boom der Wetenschap
en zich het leven gezellig maakten.

Zij vonden steeds wat nieuws en
benaderden langs alle kanten
des Wetens weelde, die ze uitbeeldden
in duizenden varianten.

En Eva woog heur armoe,
en de wrok, die 't bloed
- het beste - keren doet,
sloeg in. Toekomstbeelden

rezen voor haar droevig oog.
Zij zag de eindeloze avonden
dat ze over 't vuur zich boog
des winters bij een keers

wier vlam maar pover was.
Een hond baste op den koer.
En daar zat Adam die
rondekes spekelde op den vloer.

Ze luisterden naar den wind,
wat hadden ze zelf te zeggen?
Zij gingen zich in 't bedde leggen
en Eva kocht een kind.

Zo toverde zich voor haar
de rij der komende dagen.
En tussenin piepte 't verzet,
de duivel van 't weten en 't vragen.

Toen werd het Eva te erg.
Ze naderde zonder lawijd
en den laatsten appel grijpend:
- Ridder of mis, ik bijt.

Maar daar rees God overeind
en keek over de schans.
- 'Maakt uw paksken!' en wees
hun 't gat des timmermans.

Dit is 't bewogen einde
der eerste geschiedenis,
en de reden waarom het in
't leven zo gemengeld is:

Een groet, een grijns, een lach,
buigen voor 't gezag
en tussen de tanden
Verdi fluiten en Bach.




Vijf gedichten die voor een groot deel zeggen wie Minne is. Tijdens de Atheneumfeesten van 7 mei 1994 heb ik een poëzieprogramma gewijd aan Minne, met voordragers uit de vierde en vijfde jaren middelbaar, behalve een. 'De wespen en de appelaar', dat ik er per se in wilde, heb ik zelf voorgedragen, want niemand van de leerlingen durfde dat aan. Bij dat poëzieprogramma heb ik ook een inleiding geschreven en daarin Willem Elsschot over Richard Minne geciteerd. Over Minne schreef hij:


Nuchter dronkaard,
tedere woestaard;
snikkende vloeker,
weerstrevende Godzoeker
die troost vindt in brallen
maar lijdt voor ons allen
en dus blijkbaar niet weet
dat gij geen mens zijt maar profeet
en dat de drom der malcontenten
ééns, in graniet, uw naam zal prenten.



Dat laatste is waar geworden: op zijn Latemse graf staan ook nog dichtregels uit 'Ode aan den eenzame'. Dat laatste was hij wel: hij was niet de gemakkelijkste, maar zeker een groot dichter.

maandag 10 maart 2008

Malmédy



Het is een zachte rage op dit ogenblik, in dit jaar 2008, maar hoewel zacht doet menig mens van mijn leeftijd er hartstochtelijk aan mee: Expo '58 wordt uitgebreid onder de aandacht gebracht, de nostalgie is niet uit de lucht. Over de openingsmars van de wereldtentoonstelling heb ik het al eens gehad, maar er zijn ook boeken over de expo te koop dezer dagen. Een daarvan heb ik net gelezen: Annick Lesages 'Expo '58, Het wonderlijke verhaal van de fifties': zeer interessant, wat je allemaal niet herkent, ongelooflijk. Een tweede werk is van Rudolph Nevi: het heet even ad rem 'Expo 58, nostalgie in 400 foto's'.

Op een bepaald ogenblik heeft de auteur het erover dat overal te lande bij of op bestaande wegwijzers expowegwijzers werden gemonteerd: een behoorlijk groot rood-geel bord, de vijfpuntige exposter erop, in het zwart natuurlijk, en daarboven dan weer een rode auto die de hunkering naar de Brusselse Heizel waar zal maken. Maar de wegwijzer op de foto op pagina 29 is speciaal, tenminste voor mij. Uit de foto blijkt dat hij staat bij collega's die wijzen naar Waimes (4 km), Bütgenbach (11 km) en Robertville (10 km). Als je de andere richting uitgaat (links) kom je na 14 km in Stavelot, na 4 in Malmédy, na 14 in Francorchamps; Luik of Aken liggen al op 50 of meer kilometer. Ik weet heel precies waar die wegwijzer staat: in Baugnez, vlak aan het 'American War Memorial': tijdens het Von Rundstedtoffensief (eind '44, begin '45) zijn daar een vijftigtal Amerikanen gesneuveld. Op het internet vind je die strijd benoemd als 'le massacre de Baugnez'. Ik ben er ooit nog met heel mijn gezin gestopt om er foto's van te nemen: zulke dingen vind ik pakkend, en ze worden beter ook niet vergeten.

Hoe ik daar kwam, in Baugnez", vlak bij Malmédy? In de jaren '80 gingen we daar vaak op vakantie, zo vaak als we konden, soms vier of meer keren per jaar: mijn schoonouders hadden namelijk een stacaravan op de camping 'La Grotte des Nains', in Bévercé, een andere deelgemeente van Malmédy. Toevallig of niet heette de uitvalsweg 'le boulevard des Alliés.

Heel gelukkige vakanties waren dat toentertijd in Malmédy, zeker voor de kinderen. Ons Maartje heeft er Florence en Linde leren kennen, 'Deesje' van Joke van Leeuwen was toen de knaller onder de jeugdboeken, ons Noortje vroeg in '85 of '86 wanneer we nog eens naar de watervallen van Coola gingen, ons Dieuwertje heeft er in '85 leren lopen, en twee jaar later leren fietsen. Heel opmerkelijk was dat: we zetten haar op het fietsje, en de kleine meid reed gewoon weg, traag maar zonder haar evenwicht te verliezen. Overigens heb ik haar altijd een zeer evenwichtige meid gevonden: 't zat er al vroeg in. En onze Jasper: die liet steevast heel de camping weten wanneer er bij ons gegeten werd: hij huilde dan zo ongeveer als een speenvarken, want voedsel was aan hem niet besteed. Het is met hem later toch nog goed gekomen. Of hij charmeerde de buren, Iedje en Sjeraar, Nederlands-Limburgers, met zijn verzameling tutters: een in zijn mond en vier aan een lintje rond die eerste. En hij kreeg van Iedje de reden waarom hij geen veelvraat hoefde te zijn: koekjes en snoep, want Iedje was een gouden hart.

Zo zie je maar: je probeert '58 boven te spitten, en je komt 30 jaar later in de toekomst terecht die nu ook al twintig jaar verleden is. Ook nog leuk voor de mensen: hoe het woord 'Malmédy' door menigeen werd uitgesproken: klemtoon op de eerste lettergreep, met een eerder vette Kempische 'l', de tweede lettergreep met een doffe 'e', het woord klonk met dezelfde melodie van de Limburgse plaatsnaam 'Opgrimbie'. En wij voelden ons daar erg thuis, in het Walenland: op de markt van Breda is er een boekhandel die 'Van Turnhout' heet, maar dat is buitenland. Op de 'Place Albert Premier' spreekt ongeveer iedereen Frans, want Malmédy is een echt Waalse gemeente, maar het is binnenland, thuis. Belgisch zeg maar. Politiek niet zo correct tegenwoordig? Bart de Wever kan zich hiermee troosten: de kleuren van Malmédy zijn zwart en geel. Maar helaas geen leeuw in de buurt.