Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

maandag 30 mei 2022

Felix Timmermans : Boerenpsalm - de roman

Bart Van Loo vindt 'Boerenpsalm' de beste van Timmermans' romans. En dat zou best wel eens waar kunnen zijn. Ik heb het werk gelezen toen ik 17-18 jaar was, en na bijna 50 jaar kun je daar niet veel meer over vertellen. Ik heb hem dus opnieuw gelezen, in de uitgave uit mijn vaders bibliotheek, van P.N. Van Kampen & Zoon, Amsterdam, zonder druk of jaartal.

Het eerste dat je opvalt, of bij de keel grijpt: er zit veel vaart in het boek, er blijft allerlei gebeuren. Ik ga het hier nu natuurlijk niet navertellen, maar het ene feit volgt na de andere verwikkeling. En ook de stijl trekt je door de roman: zelfs als Timmermans zinnen langer worden, blijven ze even vlot leesbaar. 

Wortel is de boer die probeert te overleven, die zo goed mogelijk zijn best doet, maar daar niet altijd in slaagt: hij is niet perfect. De pastoor en hij zijn beste vrienden, en de geestelijke kan best de zon in het water zien schijnen: het leven is  geen lach, beweert hij herhaaldelijk. Wortel pacht van het kasteel, en de lui die daar wonen, zijn niet altijd mededogend, wel integendeel: een late galm van de feodaliteit klinkt hier door.

Koen Broucke: De varkenskop

            Nadat zijn eerste vrouw, Fien van haar voortdurende hoofdpijn is verlost,                schenkt Wortel de varkenskop aan de pastoor. Die daarop antwoordt dat hij             liever gehad had dat zijn vrouw ergens anders pijn had gehad, dan had hij                misschien twee goede hespen gekregen.

De vraag is ook: in welke tijd speelt die verhaal zich af. Boer Wortel wil 'zonder chimiek' aan landbouw doen, maar voor de rest merk je niet veel van moderniteit. Een stad die eventjes een rol speelt, kan Antwerpen of Lier zijn, maar Timmermans benoemt ze niet. Wortel is ook een bedreven stroper: dat brengt vlees in de pot. Eenmaal wordt hij betrapt op het stropen van een haas, en daar krijgt hij een gevangenisstraf van acht maanden voor. In een strenge samenleving leeft hij, streng vooral voor wie op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder staat. Het gaat ook over bijgeloof, over hekserij en belezers: de verlichting is ver weg! Het enige dat naar een vaste realiteit verwijst, is wanneer er gesproken wordt over 'loten', over 'erin of eruit loten', om al dan niet in dienst te gaan. Dat ben ik eventjes gaan opzoeken: de loting is bij wet afgeschaft op de eerste december 1909, en toen ook vervangen door de algemene dienstplicht. De roman loopt dan nog ettelijke jaren verder, maar over de Eerste Wereldoorlog lees je geen woord. Auto's komen in de wereld van Wortel ook niet voor. Die 'onbepaalde tijd' maakt de roman tijdloos, universeler, een symbool voor hoe het boerenleven in de Kempen,  en niet alleen daar, was in de periode 1860-1930, als ik er dan toch jaartallen op zou moeten plakken.

De taal is 'Timmermans', dat wil zeggen zijn zelf geschapen Kempisch-Vlaams-Nederlands van 85 of meer jaren geleden, maar dat nooit ergens gesproken is. Maar ze past uitstekend bij Wortel en de andere figuren uit de roman.

Van Smits hangt op de tentoonstelling in het museum ook een ets, 'De oogst', die erg goed past bij de roman: de overvloedige rijkdom spat niet dadelijk van het werk, Wortel kan best gewerkt hebben in dergelijke omstandigheden


Jakob Smits: De oogst (ca. 1922) 

Het geloof en God spelen natuurlijk een grote rol in 'Boerenpsalm', hoewel die God ook best vervloekt wordt. Maar Broucke heeft de sfeer toch goed aangevoeld: een Mariakapelletje siert de achterkant van de omslag.

Koen Broucke: Mariakapelletje

Wortel besluit zijn lange monoloog over zijn leven met een lange dankzegging over alle weelde en vreugde die hij in zijn leven heeft mogen ervaren: dat is dan ook eindelijk de psalm van de boer. Die is gericht tot God, de Heer, want het blijft een werk met sterk religieuze inslag, maar voor jezelf kun je God vervangen door het leven of de natuur, hoewel dat zeer uitdrukkelijk Timmermans' bedoeling niet was. Ontkerkelijking en secularisatie: daar was in zijn tijd nog geen sprake van. Die finale dankzegging doet ook zeer sterk denken aan het Zonnelied van Sint Franciscus: de schrijver kende dat ongetwijfeld ook. Die laatste bladzijden komen mij over als het bijna euforische laatste deel van een symfonie, van iemand als Beethoven om maar iemand te noemen: ik vind het prachtig, maar dat is natuurlijk subjectief, dat neem ik voor mijn rekening.

Pour la toute petite histoire

Tijdens mijn lectuur van mijn vaders exemplaar kom ik hem verrassenderwijze in hoogsteigen persoon tegen, op blz. 173, eerste regel. Natuurlijk herken ik zijn handschrift, en daar heeft hij de nacht echt 'donker' gemaakt. Van 'Doch op een nacht..' veranderde hij in 'Doch op een donkere nacht...'. Dat is net wanneer de 'kwade hand' heeft toegeslagen: 'En het duurde niet lang of men hoorde van alle kanten van behekste stallen, betooverd vee, ziekte en geheimzinnigen tegenslag.' - ' Bij den Ossekop zat heel zijn hof vol slekken, van die vette, geel met zwarte plekken, tot zelfs bij mijnheer pastoor zat er een onpakbaar beest in den hof, een soort van mol, maar grooter en met een witte moustache, die rats de wortels van zijn boomen afvrat'. (p. 172) Vader moet zeker gedacht hebben dat het er nog niet griezelig genoeg uitzag, en maakte de nacht nog donkerder dan hij al was. Hij probeerde met andere woorden Timmermans te verbeteren, maar echt geslaagd vind ik zijn poging niet, sorry, paps! In de nieuwe uitgave is dat woord 'donkere' evenmin te vinden: navolgers heeft hij niet gehad.

Vaders aanvulling: een dichterlijke vrijheid

Tot slot: 'Boerenpsalm', zeer aanbevelenswaard!

woensdag 2 februari 2022

Weesgedicht

Tijdens de 'Week van de Poëzie' van dit jaar kwamen vooral de zogenaamde 'weesgedichten' onder de aandacht. De bibliotheek van Aalst is daar mee begonnen in 2020, en dit jaar hebben ettelijke steden en gemeenten zich bij dat initiatief aangesloten, waaronder ook Turnhout. In onze stad bood de bibliotheek 100 gedichten aan die een peter en een raam zochten. Bedoeling is immers dat de kandidaat-peters of -meters een raam op de gelijkvloerse verdieping ter beschikking stelden waarop dan in afwasbare verf een gedicht wordt geschilderd. Als gewezen leraar Nederlands voelde ik me ook geroepen, en ik was niet de enige: na drie dagen hadden alle gedichten al een adoptieraam gevonden. Verzen van bekende en minder bekende dichters waren bij die weesgedichten, en ook plaatselijke dichters kwamen aan bod. Het gedicht op mijn raam heet 'Lichtmatroos' en is van de Turnhoutse dichter André Sollie. Op mijn raam ziet het er zo uit:

Lichtmatroos, Molenbergstraat 62, Turnhout

 

Laat ik de tekst maar leesbaar maken:

 

Lichtmatroos

 

Ik herken je.

Je schip manoeuvreerde zich al eerder

door mijn straatje van Gibraltar.

Laag water. De wanden van het ruim

schuren langs de romp van mijn huis.

Wijdbeens op het achterplecht

gluur je me mijn bed uit.

De vlag van Elders

slaat een blos op je wangen.

Laat me je verstekeling zijn.

Bombay, Batavia, Montevideo.

Langs loodsen, sluizen en dokken.

Kijk, ik gooi mijn raam wijd open.

Vang me op.

Ik dicht je sterke arme toe.


Ik vind het ook een goed gedicht, moet ik zeggen. De Turnhoutse schilder die het op het raam geconterfeit heeft, schrijft in de plaats van 'langs' het dialectwoord 'langst': een beetje couleur locale kan nooit kwaad, moet die gedacht hebben.

André Sollie is geboren in Mechelen in 1947. Zijn 'Wachten op matroos' is een kinderboek over een vuurtorenwachter die verliefd wordt op een zeiler. Hij won er de 'Gouden Griffel' mee, in 2001 was dat. De Engelse vertaling van het boek zorgde voor heel wat ophef in het UK, toen het op de lijst voor het onderwijs terchtkwam: christelijke organisaties konden zich niet vinden in de homofiele personen in het boek; je kunt nooit voor iedereen goed doen, denken we dan maar. Morgen loopt de 'Week van de Poëzie' ten einde: ik zal het raam van de buurman overmorgen gaan lappen, dan is iedereen tevreden. Hoe de verzen daar zijn terechtgekomen, is een verhaal van balsturige huisnummers, mar voor de rest onbelangrijk: niet alles loopt perfect in ons Belgenland, zelfs niet in de deelstaat Vlaanderen!

donderdag 24 september 2020

Postel en Renier Snieders

Tijdens onze wandeling in Postel leest Yves een paar regels over een legende die daar nog niet vergeten is, over een Rosse Bruno en Zwarte Kaat. Of me dat iets zegt, vraagt hij, waarop ik 'nee' zeg. Thuis lees ik die fragmentjes nog eens na, en ik besef dat een en ander me wel degelijk bekend is: ik heb die twee figuren onlangs ontmoet in een roman van Renier Snieders, in 'Het Kind met 'den Helm'

Dit kom je tegen in de begeleidende tekst bij wandeling 2  van 'Klavertje Vijf':

'Ook een andere legende leeft nog in Postel, deze van 'Rosse Bruno en Zwarte Kaat', leden van een roversbende die uit Bladel (Nederland) kwamen om de streek te plunderen. De Rosse zou, samen met twee trawanten, aan een kastanjeboom voor de abdijpoort opgehangen zijn. Zwarte Kaat zou versmacht zijn onder een zwaar neerploffend bed, een executie die in vroegere eeuwen nogal eens werd toegepast.'

In een eerdere uitgave van die tekst lees je:

'Volgens de legende en historische bronnen zou Rosse Bruno in de nabijheid van de oostelijke poort opgehangen zijn'.


Renier Snieders

Het boek begint in het jaar 1596, in de Tachtigjarige Oorlog, en speelt zich voor een groot deel af in Bladel, de geboorteplaats van Snieders. In de loop van het verhaal wordt het 'Godshuis' van Postel belangrijker. De bewoners van het Hellenend (Bladel) zijn een verzameling bandieten en schorremorrie: ze leven van roof en overvallen; mutatis mutandis zijn ze de terroristen van hun tijd. Op Driekoningendag van 1596 ontvoeren ze het pasgeboren zoontje van de president-schepen van de plaatselijke rechtbank. Het kindje is met den helm geboren: daardoor zal het de bende altijd geluk brengen. Hij wordt in huis gehaald door Rosse Bruno en Zwarte Kaat, die hem als hun eigen zoontje beschouwen. Hij is een 'man van grote gestalte', de verpersoonlijking van het recht van de sterkste, en zij is wellicht de slechtste vrouw die ik in mijn lectuur ooit ontmoet heb: door- en doorslecht is zij, een hart schijnt ze niet te hebben, scrupules ook niet, ze is rot tot op het bot. Ze doet me denken aan 'Cathy' uit 'East of Eden' van Steinbeck; die vrouw deugde ook voor geen millimeter. De familie van de vermoorde president--schepen beleeft ongeval na ongeluk, de roversbende gaat het redelijk voor de wind, want zij hebben de Helm, zoals ze het zoontje noemen. Maar ze overspelen uiteindelijk hun hand: ze overvallen het Godshuis in Postel, ze willen dat plunderen en vernietigen - in 1619 zijn we dan. De twee leiders en hun twee trawanten worden gevat, veroordeeld  en opgehangen. Zwarte Kaat wordt pas iets later gevat: als zij gevangen zit, wordt een zwaar bed op haar neergelaten: wanneer ze dat merkt, huilt ze in doodsangst: 'Mij versmachten...! ongelukkigen...! ellendige beulen...! medelijden! o, een ogenblik...! Vergeving, genade, hulp, Bruno!' Het gezin van de president-schepen wordt in haar vroegere glorie hersteld: het goede en deugdzame wordt beloond, het kwade en slechte gestraft, zoals het hoort volgens Snieders.

Gutwald, de Helm, bij het lijk van zijn vermoorde vader, van wie hij dan nog niet vermoedt dat die zijn vader is. Op de achtergrond Zwarte Kaat: velen geloven dat zij een heks is, en de schrijver laat het ook zo voorkomen. Hij keert zich wel duidelijk tegen bijgeloof.Tekening van G. Mertens in de uitgave van 1975.

De Helm, ook genoemd Gutwald, is dus van betere afkomst, van deugdzame ouders, gelovige christenen, en zijn milieu heeft geen invloed op hem: hij neemt nooit effectief deel aan hun rooftochten, voelt dat hij bij hen niet thuishoort, en op het einde komt hij weer bij de familie terecht waaruit hij geroofd was.

Enkele citaten 

'En toch was de ongelukkige Ten Vorsel (vader van de Helm) gelaten in zijn lot. Alleen kon hij zijn dierbare Helm nimmer uit zijn gedachten bannen. Anders zou hij met zijn geliefde vrouw en zijn twee kinderen betrekkelijk gelukkig kunnen geleefd hebben: want Dirk was een deugdzaam man, en waar is het godsdienstige hart, dat onder de last der beproevingen bezwijkt?'

'Indien ... konden wij nog gelukkig zijn, Lisa, omdat ons geweten onbevlekt is, en ons hart op God betrouwt'.

'(hij) sprak van het onbesefbaar geluk, dat de Loner van het goed bereidt voor hen, die Hem beminnen, en van de eeuwige straffen, die de ondeugd hierna mag verwachten'.

Dat is de vaste levenshouding die Snieders zijn lezers mee wil geven: een goed christen die geduldig zijn onheil verdraagt en zijn geloof niet verliest, wordt door God altijd geholpen.

De versie die ik gelezen heb komt uit 1975: de spelling is gemoderniseerd, en dat vind ik niet zo erg, maar ook aan de taal is geschaafd, en dat vind ik wel jammer, want zo lees je niet wat Snieders echt geschreven heeft. 'Het Kind met 'den Helm' is een roman uit een voltooid verleden over en nog voltooidere verleden tijd, dat is wel duidelijk. Maar in dit werk gebeurt veel, er zit best wat vaart in. De overval en de plundering van het Postelse Godshuis en het gevecht en de aanhouding van Rosse Bruno en zijn trawanten worden best episch en indrukwekkend beschreven: Snieders heeft zeker zijn kwaliteiten. Psychologisch is het niet steeds even geloofwaardig: daar heeft de trouw aan God mee te maken. Op momenten is de roman best bloederig, en tranerig ook: er wordt meermaals gehuild: als het ongeluk weer toegeslagen heeft, of als de ontroering bij een weerzien of een goede afloop de protagonisten te machtig wordt. De sentimentaliteit maakt het af ten toe redeloze geweld goed.

Eigenaardig, en leuk ook, vind ik, is dat Snieders meer dan eens de lezer waarschuwt dat hij weer over een andere figuur gaat beginnen, 'die we een tijd geleden hebben verlaten'. Hij neemt de lezer graag bij het handje, zodat die toch maar goed kan volgen. Hij schrijft wel, maar lijkt tezelfdertijd een voorlezer te zijn.

Snieders is natuurlijk niet mijn literaire ontdekking van het laatste decennium, maar ik vond deze roman toch interessant, al is het maar vanuit literair-historisch standpunt. Hoewel, dat niet alleen: hij is spannend, heeft epische fragmenten en brengt een tijd, toen er in de Kempen nog niets eens een stille hei was, dichterbij. 

'Het Kind met 'den Helm' heeft me wel geboeid, eerlijk gezegd. En ik kan toch zeggen dat ik een paar werken van deze 'Turnhoutse' schrijver gelezen heb: 'De Meesterknecht' en 'Goed geborgen' zijn ook nog leesbaar?

zondag 9 augustus 2020

Renier Snieders

Soms ontdek je in eigen stad iets verrassends, maar dat je al lang had moeten kennen als je wat beter uitgekeken had. Dat overkwam mij eergisteren: ik spoed me met mijn scootmobiel dagelijks twee keren door de Otterstraat - heen en weer naar de 'Priba' - en vrijdag zag ik voor het eerst dat er in de gevel van nummer 26 een gedenksteen is gemetseld. Over Renier Snieders heeft de steen het: '1812-1912 / Hier / leefde en stierf / de Vlaamsche schrijver / D Jan Renier Snieders'. Die steen is daar duidelijk aangebracht ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van zijn geboortedag. En ja, hij was een Vlaamse schrijver, echter van Nederlandse afkomst: hij is geboren in Bladel, eventjes over de grens, studeerde geneeskunde in Leuven, en vestigde zich in 1838 als arts in de Otterstraat.

Otterstraat 26: de gedenkplaats voor Renier Snieders

In 1912 was de man al 24 jaar overleden: de herinnering aan hem was kennelijk nog lang niet dood. Zelfs niet in 1930: toen is op het Patersplein, in aanwezigheid van Stijn Streuvels nota bene, zijn standbeeld onthuld. Daar zit hij nu al 90 jaar, en dat is er helaas aan te zien: onze Renier mag best wel een fris bad krijgen, hij ziet er niet uit. Ik vraag me wel af of de voorbijgangers weten wie daar versteend zit te kijken. Hij heeft heel wat romans en vertellingen geschreven, naar ik lees in de stijl van Conscience, maar realistischer.  Dat zou ik eens moeten nagaan: de volgende keer dat ik in de bib kom, vraag ik een werk van hem, gesteld dat ze dat daar hebben. Want laten we eerlijk zijn, Renier Snieders als schrijver is vergeten: sic tansit gloria mundi. Toch ben ik benieuwd wat de lectuur van een paar van zijn werken zou opleveren. Blijf verwonderd, zegt Klara dan.

Het standbeeld uit 1930

Als arts was hij zeer verdienstelijk: volgens 'wikipedia' had hij een uitgebreide praktijk, was hij wetsdokter, hij zorgde voor de zieken van het bureau van weldadigheid, de zieken in de gevangenis, het gasthuis en het godshuis voor grijsaards en wezen'. Je vraagt je af hoe die man de tijd vond om te schrijven, tenzij de volksgezondheid toen fenomenaal goed was, wat ik dan weer betwijfel. Maar hijzelf was ongetwijfeld iemand, deze Renier Snieders. Niet voor niets is er in Turnhout een straat naar hem genoemd: die loopt van de Zeshoek tot aan de Hollandse Schuif.

De Renier Sniedersstraat.

De watertoren heeft Renier Snieders nooit zien staan: die is pas gebouwd na zijn overlijden

Overigens was August Snieders, de broer van Renier, ook bedrijvig als journalist en schrijver, maar dan in Borgerhout. 

Nu moet ik alleen nog maar op zoek gaan naar pennenvruchten van Renier: dan kan ik een negentiende-eeuwse Turnhoutse stem horen, wat zeer interessant kan zijn.

maandag 3 juni 2019

Aan een boom in het Te Boelaerpark

Ik was te vroeg op de afspraak met een van mijn dochters, en scootmobiel eventjes naar het Te Boelaerpark, Borgerhout, want dat is dichtbij en groen en de zon schijnt. Nog maar net ben ik de ingang voorbij of ik zie een majestatische eik uitgestrekt liggen, geveld als reusachtige held.  En M. Vasalis schiet me te binnen met haar 'Aan een boom in het Vondelpark'. De eerste strofe luidt zo:

'Aan een boom in het Vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien die hem heeft weggetrokken.'

De lange stam die ik zie, heeft geen groene lokken meer, hij is allicht wel ruisend gevallen, daarna van zijn takken en bladeren ontdaan, en niet door een kar weggetrokken. Hij ligt daar gewoon te drogen, een hele tijd al, want daar duidt het groen bezijden de stam op. Maar imposant blijft hij ook hier: die eik moet zeer hoog geweest zijn. Geen wonder dat een goede dichter (en dat was Vasalis) daar verzen aan wijdt.


Verticaal is horizontaal geworden

Zoals Samson zijn haren verloor, zo is deze boom takken en blaren kwijtgespeeld:  krachteloos en naakt ligt hij erbij, omgezaagd, verslagen. Allicht was hij door een ziekte aangetast, want je zaagt tegenwoordig niet zomaar een
boom om, zeker niet in een stadspark.




Omgezaagd, krachtloos, verslagen (tweemaal)

In de eerste strofe wordt de boom verpersoonlijkt, in de tweede geïdentificeerd: het is Hector, voor Troje en in de Ilias verslagen door Achilles. En zo wordt de dode eik alsnog een held. Prachtig hoe Vasalis een natuurtafereel met het begin van de westerse literatuur verbindt, daarmee zo'n 2.800 jaar overspant, en de dode Hector eert. Daardoor heeft hij 'schone wonden', is hij of zijn hoofd 'ongeschonden', en is 'zijn trotse romp nog onverslagen'.


Dat zegt de dichteres in de tweede strofe:


'O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
de trotse romp nog onverslagen.'

Duidelijk zal zijn dat een en ander me raakt.

dinsdag 17 juli 2018

Zillebeke: poëziewandeling 'Ode aan de War Poets'

Vanaf de uitkijkbrug heb je een mooi uitzicht op de landartinstallatie van Koen Vanmechelen. Daar begint ook een wandeling waarop je
op verscheidene plaatsen oorlogspoëzie kunt horen: niet van de 'war poets zelf', maar van de Vlaamse dichter Willie Verhegghe. Hij citeert geen verzen of gedichten van die oorlogsdichters, maar probeert zich in hen in te leven, en hen vanuit dat standpunt te eren met eigen gedichten. Zo hoor en lees je odes aan Wilfred Owen, John McCrae en Käthe Kollwitz.

Laat ik een paar teksten citeren. Uit 'Wilfred Owen - Als een door kogels stervend kind':

                     Dood is hij, weet ik. Owen's adem sterft
                     in boeken...

                     En toch: ik zie, hoor, ruik hem,
                     alsof hij aan mijn tafel zit te schrijven,
                     rustig, met mooie zachte handen...

                     Laat mij als een wolf om hem huilen,
                     help mij de modder uit zijn ogen wrijven
                     en sta naast me bij zijn graf
                     waarin hij voor eeuwig ligt te wenen.
                     Als een door kogels stervend kind.


Die Wilfred Owen (1893-1918) is een van de bekendste war poets. Vaak wordt van hem geciteerd het gedicht 'Dulce et decorum est pro patria mori', waarin hij het effect van een gifaanval beschrijft, en  de gruwel en het ontzaglijke lijden door de oorlog oproept en aan de kaak stelt. Het eindigt met de volgende verzen:

'My friend, you would not tell with such high zest / To children ardent for some desperate glory / The old Lie: Dulce et decorum est / Pro patria mori.'

In de vertaling van Tom Lanoye wordt dat:

Mijn vriend, nooit meer verkocht u, trots en manifest, / Aan jongens die dorsten naar wat vergeefse glorie / Uw Oude Leugen: Dulce et decorum est / Pro patria mori.'

Dat 'Dulce est...' is een citaat van de Romeinse dichter Horatius, die overigens een vriend was van Keizer Augustus: hij zal wel geweten hebben waarom hij het schreef. De betekenis ervan is: 'het is zoet en goed (of: eervol) te sterven voor het vaderland.' Overigens heeft Owen de oorlog niet overleefd: hij is gesneuveld in Frankrijk op 4 november 1918, precies een week voor de wapenstilstand.



Wilfred Owen (1893 - 1918)

Ook, aan John McCrae wijdt Verhegghe een gedicht: 'Ieper, in Flanders Fields heet het. En hij heeft het zeer duidelijk over het 'In Flanders Fields Museum' in de Ieperse  lakenhalle.
              ....
              In de uit hun puin verrezen Hallen leven relikwieën die
              door de oorlog zijn geheiligd in beverige beelden verder,
              in roestige schrapnels die schedels deden barsten,
              in brieven waarin onvoltooide liefde slaapt.

              In zijn reuze tabernakel voor de vrede eert
              het museum de miljoenen zonen en vaders die
              gesneuveld en verminkt de rust hebben gevonden
              die hen in de loopgraven nooit werd gegund.

McCrae is natuurlijk bekend voor 'In Flanders fields where the poppies blow / Between  the crosses, row on row' en alles wat eruit gevolgd is, maar hij geeft zich niet gewonnen: 'Wij zijn de doden', zegt hij, en hij besluit:

               Toe, trekt gij u ons krakeel aan met de vijand.
               Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
               Houdt hem hoog. Weest gij de helden. Laat de doden
               Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
               Vrede - ook al klappen zoveel rozen open
                            In zoveel Vlaamse velden.

Weerzin van de oorlog spreekt uit deze verzen niet dadelijk: wel het verzoek onze strijd, die der doden, verder te zetten, opdat hij niet vruchteloos zou geweest zijn. Zelf stierf hij aan de gevolgen van een gecompliceerde longontsteking op 28 januari 1918.


John McCrae (1872 1918)

Ook Käthe Kollwitz wordt geëerd in 'Het versteend verdriet van Kollwitz'. Zij verloor haar eerste zoon, Peter', nauwelijks 17 jaar, in de
Eerste Wereldoorlog, haar tweede in de Tweede.  Hoeveel kan een moederhart dragen?

De laatste strofe van Verhegghes gedicht luidt:

           In Vladslo staat gebeiteld wat door geen god
           mag worden toegestaan, hier bloedt het hart
           van alle moeders die door de razernij
           van koningen en keizers een zoon hebben verloren.


Käthe Kollwitz, Het treurende ouderpaar








100 jaar later: volgelopen bomkraters


Need I say more? Wat moet daar nog aan toegevoegd worden?

dinsdag 25 april 2017

John Williams: Augustus

Ik ben John Williams (1922-1994) aan het lezen, de Amerikaanse vergeten auteur die een paar jaar geleden 'herontdekt' werd, en die wel wat furore maakt. Ik ben begonnen met zijn roman 'Stoner', over het leven onder professoren aan een universiteit in Missouri en over een zeer koud huwelijk; het speelt zich af in de jaren 20 van de vorige eeuw. Een tragische vertelling, waarover hij eerder zakelijk bericht. In de boekhandel kostte mijn exemplaar € 12.5: daarvoor kun je het niet laten liggen.


John Williams

Uit de bibliotheek heb ik vervolgens 'Augustus' meegenomen, over de eerste keizer van Rome. Williams probeert een beeld te schetsen van de man, meestal Octavius genoemd, in een briefroman, met fragmenten uit het dagboek van Augustus' dochter Julia, en met uittreksels uit werk van de geschiedschrijver Titus Livius. Al deze geschriften komen uit de pen van Williams: we bevinden ons in Rome van het keizerschap van Augustus, maar het is geen historische studie: het is een fictief verhaal, over wat kan geweest zijn: 'literatuur liegt de waarheid' luidt het gezegde, en de roman komt inderdaad zeer geloofwaardig over.

En dan lees je dus brieven van beroemde personen uit de tijd vlak voor en vlak na het begin van onze tijdrekening: Maecenas en Horatius zijn daarbij, in het begin Julius Caesar, later Marcus Antonius en Cleopatra, Cicero en Brutus, Livia, de vrouw van Octavius, en de beste vrienden van de keizer: de top van de toenmalige politiek aan het woord. Je leest over moorden en zelfmoorden op bevel, kuiperijen in de senaat, want voor het streven van macht moet veel wijken. Onze zeden mogen dan wat verzacht zijn, maar voor macht hebben diegenen die ze willen nog altijd veel over: moraal en ethiek moeten nog altijd wijken als dat zo'n beetje uitkomt.


In het laatste deel van het boek (Boek III) kijkt Octavius op 9 augustus in 14 na Christus terug op zijn leven: hij heeft de wereld veranderd, vindt hij, de wereld zelfs verbeterd, maar hij vraagt zich wel af of het allemaal de moeite waard geweest is: een persoonlijk leven heeft hij niet echt gehad. En tijdens die bespiegelingen komt hij terecht bij de literatuur en de dichters. Een paar citaten:

Over zijn reactie op de moord op Caesar denkt hij nu als 76-jarige (ten tijde van de moord was hij 18-19:

'Hoewel ik het toen misschien niet had kunnen verwoorden, wist ik dat mijn bestemming eenvoudigweg hierop neerkwam: de wereld veranderen. Julius Caesar was aan de macht gekomen in een onvoorstelbare wereld'. (p. 371)


Maar als hij alles voor elkaar gebracht heeft, blijken er toch andere belangrijke dingen te zijn:

'Van de vele dingen die Maecenas voor me heeft gedaan, denk ik nu dat dit de belangrijkste is: ik mocht van hem kennismaken met de dichters met wie hij bevriend was. Dat waren de meest opmerkelijke mannen die ik ooit heb gekend'.
(p. 387)



Maecenas

'Ik kon de dichters vertrouwen omdat ik niet in staat was hun te geven wat ze wilden. Een keizer kan een gewoon mens de middelen geven om de meest buitengewone voorkeur voor luxe te overtreffen; hij kan zoveel macht verlenen dat maar weinig mensen zich ertegen durven verzetten; hij kan een vrijgemaakte slaaf met zoveel eer en glorie overladen dat zelfs een consul zich gedwongen kan voelen hem met eerbied te benaderen. Ooit bood ik Horatius de positie van mijn privésecretaris aan; hij zou er een van de machtigste mannen van Rome door worden, en een van de rijkste, zelfs als hij nauwelijks corrupt was geweest'. (p. 387-389) Maar de dichter weigert die positie.



Horatius

'Ik heb de dichters vermoedelijk bewonderd omdat ze me de meest vrije en dus de meest hartelijke mensen toeschenen, en ik heb altijd een band met hen gevoeld omdat ik in de taken die ze zich stelden enige overeenkomsten heb gezien met de taak die ik me lang geleden heb gesteld
De dichter bezint zich op de chaos van de praktijk, de verwarring van het toeval, en niet te bevatten domein van het mogelijke - dat wil zeggen de wereld waarmee we allemaal zo vertrouwd zijn dat maar weinigen van ons de moeite nemen die te onderzoeken. De uitkomst van deze bezinning is het ontdekken of het verzinnen van een vleugje harmonie en orde, die zijn te isoleren uit de wanorde die ze aan het zicht onttrekken, en het in overeenstemming brengen van die ontdekking met de poëtische wetten die hem uiteindelijk mogelijk maken. Geen generaal zal zijn troepen ooit zorgvuldiger in hun complexe formatie drillen dan de dichter die zijn woorden in de strenge ordening van het metrum dwingt; geen consul zal sluwer met de ene factie een front vormen tegen de andere om zijn doel te bereiken dan de dichter de ene zin tegen een andere afweegt om zijn waarheid te tonen; geen keizer zal de ongelijksoortige delen van de wereld ooit zorgvuldiger tot een geheel smeden dan de dichter de details van zijn gedicht ordent om een andere wereld, misschien werkelijker dan de wereld die we zo onzeker bewonen, in het universum van de geest van de mens te doen ontstaan.' (388-389)


En zo blijkt de keizer ook maar een mens te zijn, die de 'condition humaine'  maar kan aanvaarden door wat de dichter/schrijver/kunstenaar in het universum van de geest schept. Literatuur is een noodzaak zegt Augustus/ John Williams.

John Williams, Augustus, Lebowski Publishers, Amsterdam 2014

maandag 4 juli 2016

Van Leen Huet naar Dulle Griet

Mijn recente verjaardag heeft me een boekenbon opgeleverd, en bijgevolg een boek dat ik per se wilde hebben en lezen: Leen Huets 'Pieter Bruegel, de biografie', overigens pas verschenen en vers van de pers. Heel veel is er niet met zekerheid bekend over de schilder: niet zijn  geboortejaar, niet zijn geboorteplaats, en zelf heeft hij geen teksten achtergelaten. Je krijgt wel informatie over zijn reis naar Italië, met wie hij daar, en in Antwerpen en Brussel verkeerde, maar vooral: Leen Huet tracht aan de hand van de werken van Bruegel te 'schilderen', wie de man eigenlijk was, wat voor hem belangrijk was, waar hij zijn kennis vandaan haalde, want de man was een intellectueel die  zich met tekeningen, etsen en schilderijen uitdrukte, en waarvan boerenkermissen en bruiloftsdansen maar een zeer miniem deeltje waren. Een zeer genuanceerd beeld brengt zij van hem, dat veel verder gaat dan het tot op de draad versleten cliché 'Pierre le Drôle' of 'de koddige Bruegel'. Wat Leen Huet over de man en zijn werk weet te vertellen, is simpelweg verbluffend: ik kan me niet voorstellen hoelang ze met dit boek bezig geweest moet zijn. Het boek verdient alleen maar mijn algehele bewondering, ongelooflijk onder de indruk ervan ben ik!


Het eerste hoofdstuk van het boek is gewijd aan 'Hoe Dulle Griet naar België kwam'. Dat gebeurde dus in 1894, nadat Fritz Mayer Van de Bergh het op een veiling in Keulen had gekocht. Nog altijd is het een van de weinige schilderijen van Pieter de Oude in België. Maar dat is niet het belangrijkst: Huet past op dit schilderij de de oude literaire techniek van de 'ekfrasis' toe, dat is het minutieus bekijken en beschrijven van een werk, wat dan tot een sluitende interpretatie leidt. 'Dulle Griet' is een vrouwmens dat 'een roof voor de hel doet', zoals dat in de zestiende eeuw heette, zij is een vrouw die zich door niets of niemand laat tegenhouden om te doen wat ze wil doen, ook al - misschien vooral - als dat tegen alle gevestigde normen ingaat. Een helleveeg is zij, zeer letterlijk. Huets beschrijving van het werk is zo meeslepend, ik heb het op zo'n gejaagde manier gelezen, zelfs tweemaal, die perfect past bij het bekijken van het schilderij: er staat zoveel op, zoveel nieuws en onbekends, er is zoveel te ontdekken, dat je niet weet waar eerst te kijken. En ze legt ook precies uit waarom het alleen in Antwerpen in 1561 kon ontstaan: de jaarlijkse Besnijdenisommegang had toen plaats, maar ook een groots en legendarisch Landjuweel. Je krijgt er zomaar een diepgaande brok cultuur- en mentaliteitsbeschrijving (of -geschiedenis) bij: over reuzen, over hoofdzonden zoals hoogmoed, hebzucht, gierigheid, onmatigheid, over de moreel-religieuze betekenis van schilderijen. Ik ben er zo enthousiast van geworden dat ik gisteren zondag naar Mayer Van den Bergh gereden ben om het doek nog eens in het echt gaan te bekijken en te bewonderen, het met mijn opgedane kennis te ontraadselen en er een aantal detailfoto's van te nemen: die kun je dan thuis verder uitpluizen.


Generallisima 'Dulle Griet' en haar legertje kleine vrouwen op weg naar de hel


Een ei in een ei, een harp bespeeld door een spin, en een aap die ook iets gaat aanvangen


Duivelse padden kruipen naar een kraaiennest


De angstaanjagende hellemond


De reus die een scheepje op zijn rug draagt, met een pollepel zijn aars leeg
schept: geldstukken of stront, maar er wordt om gevochten

Zo stelt volgens Huet Bruegel de hel voor, met de boodschap: zorg dat je daar niet terechtkomt, vrouwen worden gewaarschuwd niet de weg van Dulle Griet op te gaan, mannen zien de 'schijtende' reus als afschrikwekkend voorbeeld.

'Dulle Griet' is een meesterwerk, dat beweren is water naar de zee dragen, maar Leen Huets biografie van Pieter Bruegel de Oude is dat evenzeer. Wat een rijkdom aan inhoud, aan interpretatie, aan eruditie, en bovendien vlot leesbaar, zonder jargon waar alleen ingewijden iets aan hebben. Het boek heeft me formidabel enthousiast gemaakt. Proficiat, Leen Huet!

vrijdag 29 april 2016

Curzio Malaparte: Kaputt, bourgogne en meer

Ik heb pas de roman 'Kaputt' van Curzio Malaparte gelezen, een meesterwerk over de Tweede Wereldoorlog. Kom ik in het derde deel van het werk, 'De honden', een enthousiaste lofprijzing op rode bourgogne tegen. Natuurlijk treft me dat, wat normaal is als je zelf de naam van de wijn draagt. Daarom hier in extenso het citaat:


Wijngaard in Bourgondië

'Geen enkele wijn is zo aards als rode bourgogne: in het zachte schijnsel van de kaarsen en in de witte weerkaatsing van de sneeuw had hij de kleur van de aarde, die purperen en gouden kleur van de heuvels van de Côte de'Or bij zonsondergang. Zijn adem was diep en geurde naar gras en bladeren als een zomeravond in Bourgondië. En geen enkele wijn gaat zo goed samen met het vallen van de avond, en is zo bevriend met de nacht als de Nuits Saint-Georges: zelfs zijn naam is nachtelijk, diepzinnig en bliksemend als een Bourgondische zomeravond. Hij glanst bloedrood op de drempel van de nacht als het vuur van de zonsondergang op de kristallen rand van de horizon. Hij ontsteekt rode en blauwe schijnsels in de purperkleurige aarde, het gras en de bladeren van de bomen, die nog warm zijn van de smaken en de geuren van de wegstervende dag. Bij het vallen van de nacht kruipen de wilde dieren diep weg in hun holen in de grond: het everzwijn nestelt zich met een onstuimig vertrappen van bladeren; de fazant met zijne korte, geruisloze vleugelslag zweeft in de schaduw die al over de bossen en weilanden hangt; de lenige haas glijdt over de eerste manestraal als over een strakgespannen zilveren koord. Dit is het tijdstip voor de bourgogne. Op dat moment riep in die winternacht, in dat vertrek dat door de naargeestige weerkaatsing van de sneeuw beschenen werd, de diepe geur van de Nuits Saint-Georges bij ons de herinnering op aan zomeravonden in Bourgondië, lome nachten op de grond die nog warm was van de zon.'


Gebottelde zon

Het was mij in de eerste plaats om de lof op de wijn te doen, maar het is ondertussen veel meer geworden. Aan de stijl, de beelden, de kleuren, de associaties van Malaparte voel je duidelijk dat hij echt plezier beleeft aan het schrijven, dat hij je echt kan meenemen in de wereld die hij oproept. En dat is niet typisch voor dit kleine fragment uit 553 bladzijden, zo schrijft hij gewoon. Op het einde beschrijft hij in een afschrikwekkend apocalyptische stijl en breed episch de bombardementen van de geallieerden op Napels, 1943 zijn we dan, en het effect is hetzelfde: alsof je er zelf middenin zit.


Deportatie uit het getto van Waschau


In het boek is Malaparte oorlogscorrespondent aan het oostelijk front: Finland, Lapland, Oekraïne, Polen en Warschau en het getto, Roemenië en Moldavië. Hij is zowat een 'embedded journalist' bij de Duitse Wehrmacht, maar tezelfdertijd ook Italiaans diplomaat. In die laatste hoedanigheid ontmoet hij, en tafelt hij met ambassadeurs, gouverneurs-generaal van de bezette gebieden en hun eega's, en hoewel die ook zeer katholiek of protestants zijn, zet hij ze tegelijk neer als immoreel, keiharde, cynische en decadente lui, die zich  ondanks alle oorlogsleed verlustigen in hun luxueuze en superieure positie. Het bourgognefragment komt aan het einde van een lang diner in Helsinki, weg van het strijdgewoel: oorlog wordt schijnbaar op een andere planeet gevoerd. Opmerkelijk de dissociatie tussen de oorlog en het wegkijken ervan door de mensen die zelfde 'Befehlshaber' zijn. Daarom ook heet het boek 'Kaputt': Europa, de Europese beschaving ligt aan scherven, is ten onder gegaan, is 'kaputt'. Dat woord verklaart hij zelf nadrukkelijk nog voor de inhoudstafel van het boek: 'Kaputt', van het Hebreeuwse Kopparoth, (slacht)offer, of het Franse Capot, vernietigd, gebroken. - Meyer, Conversationslexikon, 1860

Malaparte zat eigenlijk in een precaire situatie: zijn vader was een Duitser, zijn echte naam was Kurt Erich Suckert, zijn moeder een rijke Italiaanse met de naam Pirelli. Zijn pseudoniem betekent 'het slechte deel', en hij heeft dat gekozen als contrast met 'Bonaparte'. De mensen die naar beneden getrapt kunnen worden, hebben inderdaad het slechte deel.

Mijn  volgende Malaparte wordt 'La pelle', in het Nederlands 'De huid'. Benieuwd wat dat gaat worden. Maar ik heb er goede hoop op.


Curzio Malaparte

donderdag 28 maart 2013

Wislawa Szymborska - Johannes Vermeer

Ik houd van Vermeer, vooral voor zijn licht. Ik houd van Wislawa Szymborska, vooral omdat zij zo licht schijnt te zijn, en omdat ze gewone dingen des levens - en andere - uitlicht en ze zo verrassend waardevol  en nieuw kan maken. Kom ik vandaag in haar bundel 'Hier' dit gedicht tegen.

Vermeer

Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum
in geschilderde stilte en concentratie
uit een kan in een schaal
dag in, dag uit melk giet,
verdient de Wereld
geen einde van de wereld.

Hier, gedichten, De Geus 2009

Het gaat om de laatste bundel die bij mijn weten tijdens het leven van de dichteres gepubliceerd is


woensdag 26 september 2012

Zola en Manet

Nogal wat romans van Zola hebben een werk van Edouard Manet op de omslag. Nu zijn dat uitgaven van het einde van de 20ste - begin 21ste eeuw, maar toeval kan dat niet zijn, denk ik dan. Op een van de vroege Zola's, 'Thérèse Raquin' (1867) is op een Spectrumuitgave (1981) in al haar glorie Manets 'Olympia' te zien. De uitgever - hij tekent met 'Redactie' - licht zijn keuze voor dat werk zo toe:

'De omslag: in de tijd dat Zola aan Thérèse Raquin' werkte, bezocht hij regelmatig het atelier van de schilder Manet. Er zijn overeenkomsten te vinden in de beschrijving van Thérèse en het schilderij Olympia dat Zola ook in een artikel over Edouard Manet bespreekt.'


Edouard Manet: Olympia(1863)

Wat de redactie daar beweert is juist: de kunstenaars kenden elkaar goed, en bedoelde beschrijving is vrij makkelijk te herkennen. Alleen is Olympia veel mooier dan Thérèse, die niet zo'n fraai gezicht heeft en behoorlijk mager is. De bourgeoisie liep niet hoog op met Zola's boeken, en ze was even diep geschokt door 'Olympia': het schilderij was geïnspireerd door de geconsacreerde 'Venus van Urbino' van Titiaan, maar bij Manet kijkt een courtisane vrank en vrij en schaamteloos het publiek aan. Natuurlijk kenden 'les bourgeois' minnaressen en courtisanes, maar ze zomaar afbeelden en tentoonstellen: dat was ongehoord. In 1863 neemt Zola de verdediging op van het 'Salon des Refusés', en in Manet ziet hij de grootste kunstenaar van zijn tijd. (Bart van Loo in 'Homerus van de beerput', nawoord van 'De nekslag', L.J. Veen, 2004). In 1867 wijdt hij een grondige biografische en kritische studie aan de schilder, wat tenslotte resulteert in een portret van Zola door Manet.


Manet: Emile Zola (1868)

Op dat doek zie je Zola als 'homme des lettres et des arts': hij kijkt een beetje op van een boek, op de tafel staat een inktpot met ganzenveer, achter die veer ligt zijn studie over Manet, en rechts boven hangt 'Olympia', dat de schrijver in die tijd het beste werk van de schilder vond. Het is niet alleen een portret, zeker ook een uitdaging van de bourgeoisie en haar gevestigde smaak.


Manet: Le café-concert (1878)

Op mijn exemplaar van 'De nekslag' (L'assommoir') staat 'Le café-concert', in het Nederlands een 'tingeltangel', wat een volgens Van Dale een 'café-chantant' van gering allooi is. De kroegen in 'L'assommoir' zijn nog veel goorder dan wat dit beeld laat zien, maar ook hier spat de gezelligheid spat gelijk van het doek. De man rechts draagt dan wel een hoge hoed en kijkt door een lorgnet - daar is de burgerij weer! - maar hij ziet er voor de rest redelijk verveeld uit: hij gunt zijn buurvrouw - zijn avontuurtje - duidelijk geen blik, en zij zit ook niet van vrolijke blijdschap te denderen. Net achter het zwijgzame paar staat een dienster - ze heeft een schort aan - onbeschaamd een glas bier uit te drinken: klanten bedienen is er kennelijk niet bij. De zangeres op de achtergrond zingt ook al een andere richting uit: veel contact hebben de mensen op dit schilderij niet. Voor mij is het een werk over eenzaamheid, contactloosheid, vervreemding, toont het hoe het eigenlijk niet moet, klaagt het de onechtheid en de schijnheiligheid aan. In die zin is het ook terecht dat Manet Zola's romans siert.

Maar de twee bleven geen vrienden: toen Manet meer en meer naar het impressionisme neigde, weg van zijn oorspronkelijke realisme, verbrak Zola het contact.

Zola is natuurlijk ook bekend voor zijn 'J'accuse', waarin hij de onterecht veroordeelde joodse officier Dreyfus verdedigt, 'wat hem uiteindelijk hoogstwaarschijnlijk zijn leven kost'. Bart Van Loo verder: 'Specialisten zijn het er ondertussen over eens dat hij op 29 september 1902 wel degelijk werd vermoord.' De schrijver overlijdt op zijn 62ste aan de gevolgen van een kooldampvergiftiging.

Zeer terecht leven zijn boeken nog.

donderdag 20 september 2012

Emile Zola: Nana (1880)

Sinds januari van dit jaar, toen ik van Zola 'Germinal' (De mijn) gelezen heb, heeft de man me niet meer losgelaten: na 'L'assommoir' (De kroeg, ook 'De Nekslag') volgde 'Nana', allebei eerder lange romans over de zelfkant van de Parijse wereld. 'L'assommoir' behandelt de vloek van het alcoholisme en de wanbeschaving die daaruit voortvloeit, 'Nana' gaat over het milieu van de prostitutie. De jonge vrouw uit de titel - ze wordt overigens in 'L'assommoir' geboren als dochter van Gervaise Macquart en is bijgevolg een product uit de laagste klasse - is een gewetenloze intrigante die haar lichaam en charmes gebruikt om te allen koste hogerop te komen: ze wil zwelgen in een zee van materiële goederen - zee die overigens inhoudsloos is - en daarvoor zuigt zij haar minnaars finaal leeg. Dat zijn niet de eersten de besten: een prins, een graaf, een markies: de adel en de hogere bourgeoisie lusten er wel pap van, van deze 'femme fatale'. Hun moreel bewustzijn is even laag als dat van hun hoeren/maîtresses: daar laat Zola zeer nadrukkelijk geen twijfel over bestaan. Het zijn eigenlijk deerniswekkende figuren: Nana laat zich zonder scrupules door hen onderhouden, of profiteert schandelijk van hen, soms van meer tegelijkertijd. Ze belooft ze wel trouw, maar dat komt er uiteraard nooit van. Tenslotte hebben ze allemaal dit gemeen: ze gaan onverbiddelijk te gronde, verliezen hun sociale status, al hun rijkdommen, en/of laten het leven.


Het eerste hoofdstuk is een krachtige, epische schildering van de premiére van 'Blonde Venus', een soort van operette die in een derderangs varièté-theater opgevoerd wordt. De directeur van het theater noemt het meer dan eens een bordeel. Venus wordt gespeeld door de achttienjarige Nana: ze zingt behoorlijk vals, kan ook niet acteren, maar beleeft niettemin een ongelooflijk succes. Ze treedt namelijk op in een doorkijkjurk die zeer weinig aan de verbeelding overlaat: de toon is gezet, vanaf het begin zitten we in het midden van de actie.


Nana in haar doorkijkjurk.

De roman vertelt verder de op- en ondergang van Nana: ze profiteert ten volle van haar succes als 'Blonde Venus', nogal wat mannen zijn wild van haar. Die hebben meestal een groot maatschappelijk aanzien: Nana weet heel goed wie ze op moet geilen! Dat die daardoor in overkwikkelijk situaties verwikkeld geraken, tja, dat raakt haar koude kleren niet.

In het voorlaatste hoofdstuk, het dertiende, kent Nana haar culminatiepunt:

'In die periode van haar leven verlichtte Nana heel Parijs met een schittering die in felheid was verdubbeld. Ze groeide nog meer aan de horizon van het kwaad, ze overheerste de stad met de openlijke brutaliteit van haar rijkdom, met haar minachting voor geld waarmee ze ten overstaan van iedereen vermogens liet verdwijnen.'

Dat kan niet blijven duren: ook Zola kan het kwaad niet laten zegevieren. In het laatste hoofdstuk komt Nana ziek terug van een reis naar Egypte en Rusland en ze sterft aan de pokken. Zij die altijd geroemd werd om haar schoonheid, ligt afgrijselijk afzichtelijk op haar doodsbed. Net die dag hebben Frankrijk en Duitsland elkaar de oorlog verklaard, en een dolle menigte holt voor haar huis voorbij, roepend en tierend: 'Naar Berlijn! Naar Berlijn! Naar Berlijn!' Nana's rijk is uit, maar die oorlog betekent ook het einde van het Tweede Keizerrijk: prachtig hoe Zola die twee zaken laat samenvallen!

'Nana' maakt deel uit van de twintigdelige romancyclus over 'Les familles Rougon-Macquart': Zola wilde daarmee Balzac met zijn 'La Comédie Humaine' naar de kroon steken, maar vooral een 'Histoire naturelle et sociale du second empire' (1852-1870) schrijven. Dat zijn werken niet op alle banken met evenveel applaus verwelkomd werden, wist Zola natuurlijk ook wel. De conservatieve kritiek had het over 'geen realisme, maar smerigheid; geen rauwheid, maar pornografie'. In dit boek (hoodfstuk 12) reageert Zola daar in het volgende fragment erg ironisch op                       

'Nana praatte heel beminnelijk als vrouw des huizes met de vier mannen. Ze had die dag een roman gelezen die veel stof had doen opwaaien: de geschiedenis van een publieke vrouw. En ze werd verontwaardigd, zei dat alles gelogen was en liet daarbij de verontwaardigde afkeer voor deze schandalige literatuur blijken, die pretendeerde de werkelijkheid weer te geven. Net alsof men alles moest beschrijven! Alsof een roman niet geschreven moest zijn om een paar aangename uren door te brengen! Op het gebied van boeken en toneelstukken had Nana een uitgesproken vaststaande mening: ze wilde tedere en eerlijke werken, dingen waarvan ze ging dromen en die haar geestelijk ontwikkelden.'

Na drie Zola's weet ik het wel: de man is een zeer groot schrijver, van wie helaas op dit ogenblik maar weinig in het Nederlands te vinden is. 'Thérèse Raquin' (1867 - niet uit 'Rougon -Macquart') kun je met enige moeite in de boekhandel nog wel krijgen. Dat ben ik nu aan het lezen.



Edouard Manet: Nana (1877)

Manet schilderde dit doek drie jaar voor het verschijnen van 'Nana'. Er zou dus geen verband zijn. Maar Zola en Manet kenden elkaar zeer goed: de schrijver verdedigt de schilder in 1863 op het  'Salon des Refusés': in Manet ziet hij de grootste schilder van zijn tijd. Er wordt gesuggereerd dat Manet de titel 'Nana' zou gegeven hebben na het verschijnen en het succes van het boek. Si non è vero, è ben' trovato.

maandag 6 februari 2012

Maurice Maeterlinck: L'oiseau bleu

Maeterlincks 'Bulles bleues' had ik onlangs al gelezen, maar ik wilde toch ook wel eens iets substantieels van de man onder ogen nemen, iets waaraan hij zijn roem te danken had. Dat is 'L'Oiseau bleu' geworden, een 'sprookjestoneelstuk': een hoogst eigenaardig woord, maar het dekt de landing wel. In een Franse uitgave die voor me ligt noemt de schrijver het zelf een 'féerie en six actes et douze tableaux'. Aanvankelijk werd het stuk als onopvoerbaar beschouwd, en dat valt licht te begrijpen als je leest hoeveel personages er nodig zijn: talloze 'blauwe kinderen', een aantal soorten van geluk, grote en kleine, een aantal vreugdes, de 'uren', van veel boomsoorten een pratend exemplaar: er moeten best wel enige acteurs en acteurtjes voorhanden zijn. De twaalf taferelen hebben telkens een ander decor nodig, met veel veranderend licht en kleuren: dat allemaal voor elkaar krijgen moet een echte krachttoer geweest zijn, zeker in 1908, toen het stuk voor het eerst werd opgevoerd in het 'Théatre Artistique' van Moskou. Het wordt Maeterlincks beroemdste werk genoemd.


Maurice Maeterlinck

Het is een sprookje, bijgevolg zijn twee kinderen de hoofdpersonages: Tyltyl en zijn zusje Mytyl. Zij verdwijnen op een kerstavond uit het houthakkershuisje waar zij met hun ouders wonen, een fee geeft ze de opdracht op zoek te gaan naar de Blauwe Vogel, die zij dan weer nodig heeft om haar zieke dochtertje te genezen. De fee geeft Tyltyl nog een groen hoedje waarop een diamant zit: als hij daaraan draait, ziet hij meteen wat er in  de dingen zit: de ziel van het brood, van de wijn, van alle levenloze begippen, van deugden, waarden en gevoelens. Hij kan die diamant ook gebruiken als een soort 'deus ex machina': bij gevaar heeft hij de redding altijd op zijn hoofd.

Die Blauwe Vogel is natuurlijk niet makkelijk te vinden: het wordt een zoektocht van een jaar lang. Zo komen broer en zus in het 'Land van Herinnering', waar ze hun overleden grootouders en zeven dode broertjes en zusjes ontmoeten: die stellen het allemaal goed, ze leven echt - zeggen ze - als iemand aan hen denkt. In het 'Paleis van de Nacht' slagen ze erin een massa blauwe vogels te vangen, maar als ze het weer verlaten, zijn alle vogels zwart geworden, en dood.

 
In het Paleis van de Nacht fladderen de vogels rond de kinderen

Ze komen dan in 'Het woud', volgens mij het sterkste deel van het stuk. In dat bos zitten natuurlijk ook de niet-getemde dieren, met andere woorden we zitten in de echte natuur. De Eik, de koning van het woud, die overigens de Blauwe Vogel bezit, wil die niet zomaar geven, er ontstaat een strijd, waarbij de hond van Tyltyl door de bomen en de andere dieren beschuldigd wordt van verraad, de kat - een eigenzinnig en ontembaar dier - probeert de natuurwezens zo goed mogelijk te helpen. Fruitbomen worden door de natuur evenmin als echte bomen beschouwd, want die staan ten dienste van de mens, net zoals Tylô de hond. Het wordt hachelijk voor de kinderen, maar een draai aan de diamant, en de zaak is weer in orde. Het is ten slotte een sprookje. Het stuk in het bos lijkt wel de grondslag van het programma van een groene partij avant-la-lettre, en daardoor klinkt het ook vrij modern. De mens, die niets ontziet, wordt door de Eik raak getypeerd wanneer hij tegen Tyltyl zegt: 'Oui, je sais, tu cherches l'Oiseau-Bleu, c'est-à-dire le grand secret des choses et du bonheur pour que les Hommes rendent plus dur encore notre esclavage...'.


Tentoonstelling 'L'oiseau bleu', Gent. Decor van 'Het woud'

Mooi is ook nog het bezoek aan het 'Koninkrijk van de Toekomst' waar alle kinderen - dat zijn die blauwe kinderen - verblijven die nog geboren moeten worden, van nu tot op het einde der tijden. 

Het sprookje loopt uiteraard goed af, dat kan nu eenmaal niet anders. Het gaat hier natuurlijk om een symbolische vertelling, en Maeterlinck schrijft die met behoorlijk wat inzicht in de mens, met empathie met mens en natuur, en zeer zeker ook met veel humor. Ik zou het 'erg charmant' kunnen noemen, er zitten behoorlijk wat behartenswaardige lessen voor volwassenen in, maar het is jammer genoeg alleen maar een sprookje. Erg lezenswaard, vind ik toch. 

En in het begin van de vorige eeuw zeer populair: op die Franse uitgave lees ik 'soixante-dix-huitième mille'. 'Achtenzeventigste duizendtal' luidde dat toentertijd in het Nederlands. Hoewel: ik betwijfel of enig Nederlands boek dat cijfer ooit bereikt heeft.

donderdag 2 februari 2012

De beleefdheid van de blinden - Wislawa Szymborska

Als kleine hommage aan de gisteren overleden Pools dichteres Wislawa Szymborska een van haar gedichten:


De beleefdheid van de blinden

Een dichter leest gedichten voor aan blinden.
Hij had niet gedacht dat het zo moeilijk zou zijn.
Zijn stem trilt.
Zijn handen trillen.

Hij heeft het gevoel dat elke zin
hier wordt getoetst aan het duister.
Hij zal het nu zelf moeten doen,
zonder licht en kleuren.

Een hachelijk avontuur
voor de sterren in zijn gedichten
het morgenrood, de regenboog, de wolken, de neons, de maan,
voor de vis tot nog toe zo zilver onder water
en de havik zo stil, hoog aan de hemel.

Hij leest - want het is al te laat om niet te lezen -
over een jongen in een geel jasje op een groene weide,
over de ontelbare rode daken in het dal,
over de bewegende rugnummers op de shirts van de spelers
en de naakte onbekende in de deuropening.

Hij zou ze willen verzwijgen - hoewel dat niet kan -
al die heiligen aan het gewelf van de kathedraal,
dat afscheidsgebaar vanuit het coupéraam,
dat glaasje van de microscoop en de fonkeling in de ring
en de beeldschermen en het album met gezichten.

Maar groot is de beleefdheid van de blinden,
groot hun begrip en onbaatzuchtigheid.
Ze luisteren, glimlachen en klappen.

Een van hen komt zelfs naar voren
met een verkeerd om geopend boek
en vraagt een voor hem onzichtbare handtekening.



Wislawa Szymborska, 1923-2012

Met Szymborska is een mij zeer dierbare dichteres gestorven. Ik heb haar eind 1996 leren kennen, na haar Nobelprijs, zoals bijna iedereen buiten Polen, en ze vanaf '97 in mijn lessen Nederlands op het Turnhoutse Atheneum zacht gepromoot. In de toenmalige poëzieprogramma's smokkelde ik elk jaar wel een of twee gedichten van haar binnen: eenvoud met veel diepgang, en toch eerder gemakkelijk om voor te dragen.

Op mijn nieuwjaarskaarten wil ik graag gedichten of fragmenten ervan gebruiken. Dit jaar was dat de laatste strofe van 'Het moment' van Szymborska. Die luidt:

'Zover het oog reikt heerst hier het moment.
Een van die aardse momenten
die men vraagt: ga niet voorbij.'

'De jury van de Nobelprijs voor de Literatuur noemde Szymborska de 'Mozart van de poëzie, een vrouw die de elegantie van taal vermengde met 'de razernij van Beethoven'. Dat is wat De Standaard vandaag schrijft. Voor mij is ze een zeer bijzondere dichteres, een van de allergrootsten.

vrijdag 27 januari 2012

Emile Zola: Germinal - een belevenis

Stap ik nog eens 'De Boekuil' binnen, vind ik daar voor € 10 'De mijn' van Emile Zola: 'De mijn', want dat is de Nederlandse titel van het meesterwerk 'Germinal'. Voor zo weinig geld kun je niet sukkelen, en het boek wordt het mijne. Jammer van de titel in onze taal: alles speelt zich natuurlijk in en rond een mijn af, maar de Nederlandse uitgeverij van deze 'Rainbow Pocket' is er zich waarschijnlijk bewust van dat 'Germinal' in Nederland niet veel betekent, terwijl in Vlaanderen 'Germinal' toch duidelijk met het socialisme verbonden is. Bovendien is de Franse titel ook duidelijk programmatorisch: 'Germinal' was in de Franse republikeinse kalender de kiemmaand, en dat wil natuurlijk iets zeggen. Het is een klein voorbeeldje van 'traduttore traditore', maar het is nu eenmaal zo. Na 'germinal' volgt overigens 'floréal', de bloeimaand, maar niet in het boek helaas. Op de kaft staat ook nog een leuke vondst: volgens een wervend tekstje gaat het om 'een vlijmscherpe schets van het kapitalisme aan het einde van de twintigste eeuw'. Honderd jaar te laat, maar voor 10 euro kun je niet alles hebben. En hoe je een roman van 550 pagina's een schets kunt noemen, is mij ook niet zo duidelijk. Amsterdam en Rotterdam zijn ook niet op een dag gebouwd natuurlijk.


Emile Zola

Het gaat in het werk over de strijd op leven en dood tussen kapitaal en arbeid, waarbij de arbeiders ten slotte weer eens - voor de laatste maal suggereert en hoopt Zola - verslagen worden, maar het zaad van het klassenbewustzijn, verzet tegen onrechtvaardigheid en uitbuiting, opkomen en vechten voor eigen recht is gezaaid, en volgens de laatste zin:

'Mensen groeiden daar, (in de mijnen van Noord-Frankrijk) een zwart leger van wrekers, dat langzaam ontkiemde in de voren en opgroeide voor de oogst van de toekomstige eeuw. en weldra zou dit kiemen de aarde opensplijten.'

Het Frans voor 'kiemen' is 'germer', en door dat woord hier nogal nadrukkelijk te gebruiken kan Zola helemaal op het einde van zijn roman zijn titel nog eens duidelijk kracht bijzetten.

Het verhaal is in de grond van de zaak redelijk eenvoudig: een jongeman komt uit de Provence in het noorden van Frankrijk werk zoeken: Etienne Lantier heet hij. Als nauwelijks geschoolde arbeider komt hij in een mijn terecht - Le Voreux, wat 'de vraatzuchtige' betekent - leert er vrij snel de uitbuiting, de lage lonen en de afschuwelijke arbeidsomstandigheden kennen, ontdekt gaandeweg het socialisme, studeert op eigen houtje bij, wordt leider van de arbeiders. Na een onaanvaardbare loonsverlaging wordt hij de aanvoerder van een staking, die na twee en een halve maand mislukt: de mijnwerkers zijn uitgehongerd, het leger heeft op ze geschoten - Fransen schieten op Fransen! - een Russische gevluchte anarchist veroorzaakt nog een catastrofale mijnramp waarbij 'Le Voreux' compleet door de aarde wordt verzwolgen. Etienne gaat ten slotte naar Parijs om vandaar uit de strijd voor de arbeiders voort te zetten.



Een uitgave van 'Livres de Poches'

Natuurlijk gebeurt er veel meer in dit boek: de kapitalisten - les bourgeois - die de zaken in handen hebben, spelen vanzelfsprekend ook een prominente rol, zoals het monster 'kapitalisme' dat in Parijs zit en aller levens bepaalt. Ces bourgeois zijn niet allemaal door en door slecht, evenmin als de mijnwerkers een voor een heiligenbeeldjes zijn. Hun enige plezier is woest en gevoelloos promiscue gedrag, jonge meisjes worden zonder pardon genomen en bezwangerd, wat weer tot meer armoede en honger leidt: de vicieuze cirkel is rond. De bourgeoisie heeft al niet veel meer moraal, maar hun façade is sterker: minnaressen en ontrouw zijn legio, machtsmisbruik tegenover en chantage van jonge arbeidsters zijn alles behalve uitzonderlijk. En honger dat de werkende klasse leidt: om het vege lijf te redden gaan ze ten slotte tegen hun zin weer aan het werk. Staking mislukt! En daar komt dan de geprovoceerde ramp nog bovenop.


Beeld van de werkende klasse

Wat onder andere het 'mooie' van dit boek, is: de miserabelste ellende en de ellendigste miserabiliteit springen voortdurend van de bladzijden, maar de mensen vechten er tegen, en ondanks alle falen blijft er hoop: er is iets ontkiemd.
Voor de spanning moet je dit boek niet echt lezen: wel voor de vaart die erin zit, het tempo, de bezieling van de auteur, de verpletterende indruk die het maakt. Op mij tenminste. Op een bepaald ogenblik, en heleboel pagina's, trekt een stoet van zo'n drieduizend stakende mijnwerkers van mijn tot mijn in de buurt, en Zola verhaalt dat zo meeslepend en indringend dat ik na die betoging zelf moeë benen  had, ik leek het fysiek gewaar te worden. Het boek kruipt letterlijk onder je huid, zijn uitwerking liet mij niet met rust. Zelden zo'n gevoel gehad na een boek, en ik heb toch al wel eens iets gelezen, al zeg ik het zelf.

'Germinal' is het heroïsche epos van de arbeidersstrijd mythisch: heel erg aards en geloofwaardig. En zoals in de oude epen de goden op wraak zonnen en straften, zijn het hier vooral de werkers die die rol over nemen, of tenminste dat met de inzet van al hun krachten proberen. En mythisch: als de mijn 'le Voreux', de vraatzuchtige dus, door de aarde opgeslokt wordt is dat tezelfdertijd een voorbeeld van tragische ironie en immanente rechtvaardigheid: het lijkt wel of Moedergodin Aarde - Gaia - terecht wraak neemt: een mythische dimensie is dat.

In 2012 is er natuurlijk heel veel veranderd, en gelukkig maar. Toch denk ik dat het kapitalisme en het globalisme van vandaag nog altijd dezelfde mentaliteit 'des bourgeois' probeert te handhaven. Of leven wij niet in Europa, in de EU, heden ten dage?

Zola's Germinal verscheen voor het eerst in 1885: einde van de twintigste eeuw, zoals 'Rainbow Pockets' zegt. Ten zeerste en uiterst aanbevelenswaardig. Vind ik. Voor mij was het een uitzonderlijke belevenis, heel zeker weten.