zaterdag 30 augustus 2008

Malmédy, und kein Ende


Brug met wegwijzer


Rozemarijn in overvloed, dat wil zeggen: reuzebalsemien


Carrière de la Warche


Pseudo Jamaica

Malmédy blijft trekken, en donderdag heb ik dan ook mijn uitgeregende, kille en doornatte Nationale Feestdag ingehaald: ik ben met zoon Jasper nog eens de taalgrens overgestoken, of eerder hij met mij, want hij rijdt, en pretentie hebben we beter niet te veel. Om twaalf uur zaten we op de Place de Rome op hetzelfde terrasje waar we vijf weken eerder, ik toen met mijn drie dochters, de strijd voor meer 'belgitude' in ons leven voorlopig opgeschort hadden, redelijk verkleumd als we waren. Vandaag ziet het er zo niet uit: grijs en bewolkt, dat wel, maar je voelt dat er uit die wolken geen of nauwelijks regen zal vallen, de temperatuur is best draaglijk, een Belgische zomerdag, niet stralend, maar ook niet drassig.

Koffie en broodjes op, en wij op weg naar de wandeling langs de Warche, voorbij de 'Camping du Moulin' en de 'Carrière de la Warche', die overigens flink uitgebouwd is in twintig jaar tijd. Aan het eigenlijke vertrekpunt is het bruggetje over het riviertje ook al heel wat solieder en stabieler geworden, maar toch kan ik er niet over: mijn rolstoel vangt mijn inmiddels verminderde soliditeit en stabiliteit op, maar is te breed voor het bruggetje. Jasper speelt alternatieve pontifex en duwt en trekt mij door de kalme, lage Warche, ten koste van iets of wat vochtige voeten, maar en kniesoor enzoverder. Een wegwijzer hebben ze er ondertussen ook bij gezet: hij duidt de richtingen Robertville en Xhoffraix aan, maar een halfuur heen en een halfuur terug is ons genoeg.


De wandeling is voor mij een soort 'thuiskomst': ik heb me in Malmédy en de streek errond altijd goed gevoeld, thuis is iets overdreven, want ik was er altijd op vakantie, maar het zou best mijn tweede verblijf kunnen zijn, if I were a rich man.
De weg is niet eens accidenté, wel integendeel, stijgen en dalen doet ie ook niet erg: we zijn naast een riviertje met een rustig verval, wat zou je willen. Een groen aan alle kanten, levend groen, dat van de regen zijn malse kleur gekregen heeft. En bloemen, talrijke orchideeachtigen denk ik, maar dat is flink naast de waarheid: het gaat om rozemarijn, met lila, rozeachtige bloemen die mooi contrasteren met de vele schakeringen groen. Dat ik bij 'rozemarijn' uitgekomen ben, is een voorbeeld van 'serendipity': ik zocht in een 'Kleurrijke gids voor Kamerplanten' van dertig jaar geleden de naam van een aronsachtige die ik in huis heb staan (spathiphyllum heet hij), en toevallig valt dat boek open op een bladzijde met een prachtige tekening van mijn Ardense Warcheplant: rozemarijn dus.

De charme van dergelijke wandeling wordt ons ook nog eens duidelijk: bos- en boomrijke partijen en meer open ruimten zorgen voortdurend voor een afwisseling van licht en donker, van fris en warmer, van een gevoel van besloten bescherming en open ruimte. Zeer erg te genieten, ook als de zon niet schijnt. Enaf en toe zingt Jasper 'Een beetje opgewekt, een beetje blij', en zo hoor ik ook weer 'Avanti popolo' langs de Warche klinken.

In Malmédy zelf bekijken we de kerk van de kapucijnen, met een mooie gevel maar een zeer gewoon interieur, en we gaan naar de Sint Pieter-, Sint Paulus- en Sint-Quirinuskathedraal: drie heiligen voor een kerk. Je vraagt je af hoe zo'n grote kerk in een kleine Waalse stad terechtkomt. Malmédy vormde samen met Stavelot tot aan de val van het ancien régime een prinsbisdom, en een nederig kapelletje kan dan moeilijk als hoofdkerk dienst doen. Er heeft bovendien een bisdom Eupen-Malmédy bestaan, van 1921 tot 1925, en toen werd de kerk tot kathedraal verheven, en sindsdien heeft ze de titel behouden. De kathedraal is een 18de-eeuws classicistisch gebouw, imposant van buiten, en stijlvol van binnen: het doet wat aan de kerk van Grimbergen denken, die overigens uit die zelfde periode dateert.

In en in de buurt van beide kerken valt ons de vriendelijkheid van de mensen op: als je bedankt voor een opengehouden deur klinkt steevast 'Je vous en prie', en dat is nog iets anders dan 'graag gedaan' of 'you're welcome'. 'Prier' is bidden, maar in archaische of formele taal betekent het ook 'noden, inviteren', en van die betekenis komt de uitdrukking natuurlijk vandaan. Er zit een mentaliteit van respect en een beetje plechtstatigheid bij, van savoir vivre. Zoals bij 'Prego' in het Italiaans. Het heeft wel iets.

Nog zoiets: op ons terrasje aan de koffie merkte ik dat ik mijn wandelstok niet bij me had. Die had in de Rue Chemin-Rue tegen de auto laten staan, zoals bleek toen we er anderhalf uur later terugkwamen: les Malmédiens houden niet van wandelstokken, of ze laten ze staan, want iemand heeft iets voor hem zeer nuttigs achtergelaten. Die wandelstok bewaakte dus zichzelf. Misschien gebeurt dat overal, maar toch ook in Malmédy.

De grote markt heet hier 'Place Albert Ier', behoorlijk bevlagd en met een obelisk die op de top de vlag van Malmédy zelf draagt: zwart, groen, geel, de kleuren van Jamaica, maar zonder kruis of driehoek, en zonder Usain Bolt: het leven verloopt hier trager, wijzer zijn de mensen hier.

En je kunt er op het terras van "Le Scotch Inn' met 'une malmédienne', bruin of blond, de dag afsluiten. Wij hebben een bruine genomen, de blonde waren niet meer voorradig. Die bruine smaakte een beetje stoutachtig: best te doen, zoals heel Malmédy trouwens.

De dag is me nogal meegevallen: twintig jaar geleden of daaromtrent heeft mij dochter Noortje een mooie steen uit de Warche mee naar huis genomen, ik hem hem gevernist, hij heeft ooit nog in een aquarium gelegen, sierstuk voor de visjes, en na de uitstap heb ik die steen opnieuw opgedoken, en opnieuw gevernist. En nu ligt hij op een tafeltje weer te prijken en nederig te pralen: Malmédy hoeft niet te blijven trekken, het ligt gewoon in huis.

vrijdag 15 augustus 2008

Voeren


Het Steenboskapelletje: Romeinse bouwmaterialen


Vakwerkschuur in restauratie


Huis uit 1742 en achttiende-eeuwse kapel


Antwerpse schone aan de rand van het vaderland

Net een week geleden - op de achtste augustus - hebben we met een aantal vrienden een uitstap naar Voeren gemaakt, de Voer, de Voerstreek: namen genoeg voor dit stukje Vlaanderen waar ooit zo veel om te doen was en waarvan de carroussel niet tot algehele vreugde van de kindertjes en de Belgische politici - bien étonnés de se trouver ensemble - menig rondje gedraaid heeft. De gemeente Voeren doet ondertussen wel echt Belgisch aan: pas sinds 1963 horen de zes Voerdorpen bij Vlaanderen, bij Limburg, zonder dat het een rechtstreekse verbinding heeft met die provincie. Het is een voorbeeld van Belgische wafelijzerpolitiek, met in dit geval het verlies voor Vlaanderen. Want ook in '63 gingen Komen-Moeskroen naar Henegouwen, met veel meer inwoners dan Voeren met zijn minder dan 4.000 ingezetenen. José Hapart heeft nog ontroerende gevechten geleverd voor een 'Retour à Liège', en toen dat niet lukte is hij maar verhuisd en voorzitter van het Waalse parlement geworden. Populairste Waalse politicus was hij in zijn heetste dagen, en uit hoofde van zijn tegenwoordige functie: een baas is hij gebleven, maar geen crack in het Nederlands. Nu is Voeren een faciliteitengemeente met een beschermde Franstalige minderheid. Frans is dus nog aanwezig in het straatbeeld, en op een vrachtwagen met Franse tekst kon ik de naam 'Snoek' lezen, dezelfde naam als die van de man die vanuit zijn voordeur op Vlaamse betogers geschoten heeft, zo vele jaren terug. Maar nu heerst alom rust.

Voeren doet dus zeer Belgisch aan, zei ik. Niet zozeer door Nederlands en minder Frans naast elkaar, maar door het uitzicht van de omgeving. Het deed me nogal aan de Ardennen denken: niet zo hoog en groot als Malmédy en omliggende, maar toch behoorlijk heuvelachtig. Nieuwe huizen zijn en worden opgetrokken in een stijl die je overal in Vlaanderen vindt, de oudere gebouwen en huizen doen zeer Ardens aan: nogal eens in natuursteen, en de vensters zijn afgelijst met arduin, zoals dat in de Ardennen de overheersende gewoonte is. Ook Ardens: de kruisbeelden naast de wegen, die je vrij vaak ziet opduiken. Er is ook opmerkelijke Duitse invloed in de vele vakwerkhuizen en -schuren, die overigens vaak gerestaureerd worden. Die invloed is normaal: Voeren ligt vlak in het midden van de driehoek die gevormd wordt door de steden Luik, Aken en Maastricht, die drie zijn allemaal dichtbij.

We gingen er wandelen natuurlijk: panorama's veranderen constant, je loopt over holle wegen die een beschermend en omvattend gevoel geven. In de Kempen zien je en voel je dat niet, daar is alles open en weids, als er geen bossen en bomen in de weg staan. Holle wegen vind je in de Kempen niet vaak, laat Kasterlee hier en daar een zeldzame uitzondering zijn. In een gehucht van 's Gravenvoeren, Schoppen heet het, stoten we op het Steenboskapelletje, gebouwd met onder andere de opgegraven resten van een Romeinse villa, hier ontdekt in 1846. In het gebouwtje is in ieder geval een laag platte stenen te zien, de tegels die de Romeinen overal gebruikten. Overigens: kapelletjes staan er hier ook behoorlijk wat.

We doen eventjes een terrasje op het binnenhof van een vierkantshoeve - ook onbekend in de Kempen - en eten eventjes verder met veel smaak het streekprodukt par excellence: forel. Op het einde van de dag drinken we in de 'Veurzerbron' nog de lokale likeur: hoe die weer heette? Hij wordt in ieder geval op een handige plateau geserveerd. We zitten daar onder een afdak: we konden het dus laten regenen. Bij 'Moeder de Gans' overkomt dat geluk ons nog eens: het weer in Voeren was ook zeer Belgisch.

De Voerstreek ligt niet echt dichtbij, maar ze is zeker de moeite waard. Als rolstoelgebruiker kun je je er laten voeren. Dat is ook meegenomen natuurlijk.

dinsdag 22 juli 2008

MalméDay


Feu d'artifice 2007


Parcours accidenté: la boue de 2007



De lelijke kerk

Wil je iets aan de Belgische nationale feestdag hebben, dan moet je naar Wallonië. In Turnhout loopt daar niemand echt warm voor, evenmin als voor 11 juli: de Guldensporenslag en Hendrik Conscience zijn hier allebei ook veel te lang geleden. Trouwens: de eedaflegging van Leopold I is net zo goed volmaakt voltooid verleden tijd. Dus ik met mijn drie dochters naar Malmédy, voor een ontspannen wandeling, de rommelmarkt, een etentje en laat op de avond het vuurwerk. Een vol programma, nadien een wel bestede dag.

Vlak voor Malmédy, we zijn nauwelijks de autoweg afgereden, begint het te druppelen, hoewel ik mordicus weiger dat regen te noemen. We vinden vrij vlot een parkeerplaats, en, moet ik toegeven, het druppelen is echt regenen geworden. Maar dat zal de pret niet drukken. We eten, met warme choco en cappuccino, onder de luifel van een restaurant onze home made smoskens op, en slenteren naar de rommelmarkt, Place de Rome. Versgebakken ambachtelijke kitsch in alle soorten en maten, maar ook een kraam met allerlei soorten zeep. Je kunt er allerlei soorten 'savon de Marseille' krijgen: lavendel in twee soorten, jasmijn, verveine (dat is ijzerkruid), mimosa, magnolia, zeep met algen. Met zijn vieren laten wij ons verlangen naar welriekende lichaamshygiëne met ons op de loop gaan, en we kopen 13 stukken, anderhalve euro vanaf een aankoop van 10 stukken, € 19.50 voor maanden gezond fysiek welbehagen. We struinen heel het stadje door, heel de rommelmarkt met andere woorden, en we stellen vast wat we al van de rommelmarkt aan de Warande wisten: je vindt er voor 99 % rommel, en voor dat andere procentje heb ik geen geduld. De oude meubeltjes zien er soms iets anders uit dan in Turnhout, de boeken zijn hoofdzakelijk in het Frans, Duits is ook redelijk vertegenwoordigd, maar de regen is kil en de temperatuur erg laag, voor de tijd van het jaar, zoals de weerlui er dan beschuldigend bij zeggen. Wij belanden weer op de Place de Rome, doen een terrasje, besluiten zelfs niet eventjes naar Ferme Libert te rijden hadden ons eerder al afgevraagd of er met zo'n druilerig weer überhaupt vuurwerk zou zijn, vinden dat we toch niet van half vier tot half elf kunnen wachten, en beslissen, ter voorkoming van permanente verkleuming van ons vieren, terug naar Turnhout te rijden.

Bompa Dierckx placht te zeggen dat Malmédy het pispotje van België was, maar vandaag was het beter georganiseerd: fête nationale was drache nationale, gelijk voor Walen, Vlamingen en Brusselaars: la pluie fait la force et l'union, maar vanuit politiek standpunt moet je dat tegenwoordig gezever noemen.

Tenslotte: ons etentje. In Turnhout, in het Stadscafé, waar je vanop de eerste verdieping een mooi zicht hebt op de Sint-Pieterskerk. Die wordt prompt door een van mijn afstammelingen als lelijk bestempeld: dat is permanente tegenslag, regen duurt maar een dag, maar deze zomer al veel dagen na elkaar. But you can't win them all. En zoals ik al zei: it was Malméday.

Mais l'atmosphère parmis nous quatre n'etait pas mal du tout: ik hoop in augustus nog eens naar Malmédy te gaan.

zondag 13 juli 2008

Assisi: la Porta San Giacomo


Porta San Giacomo: voorzijde


De afgrond vanaf de Porta


Porta San Giacomo: achterzijde



Een zeer aangename manier om Assisi binnen te komen is langs de Porta San Giacomo: ze ligt vrij hoog, en van daar af heb je een prachtig panorama van het land dat zich onder Assisi uitstrekt. Maar je zit ook hoger dan de basiliek van San Francesco, die je op een paar honderd meter afstand ziet liggen. Rolstoel duwen wordt hier wel rolstoel tegenhouden, maar ik kan een handje toesteken door rechtstreeks op de wielen te remmen. Zo komen we kalmpjes aan bij de basiliek, of liever bij de 'Piazza superiore di San Francesco', een mooie met gras begroeide esplanade, waar een lage haag van kleine struikjes het woord 'Pax' vormt, en waar een beeld van Franciscus te paard staat, hem voorstellende toen hij beroerd en berooid uit de oorlog met Perugia terugkwam, ook al na een leven van losbandigheid en alles behalve geestelijke bevrediging.

Die 'porta' zelf dateert uit het begin van de veertiende eeuw (1316), toen de stadsmuren vergroot en versterkt werden. De oude stadsmuren gaan terug tot de Romeinse tijd: tussen 200 en 50 v.C. werden ze toen al aangelegd. 'Asisium', zoals de plaats toen heette, was destijds een rijke en bloeiende gemeenschap, toen onder de Romeinen, maar eerder onder de Etrusken, en nog vroeger waren de ingezetenen Umbriërs, een dan spreken we over de periode 1600-1000 v.C. Die Etrusken werden door de Romeinen 'Tusci' genoemd: vandaar de naam 'Toscane'.

De meeste steden in dit gebied hebben een zeer oude oorsprong: zo bij voorbeeld Orvieto, Perugia, Cortona, Vulci en Volterra, allemaal belangrijke Etruskische centra. De geschiedenis is daar zeer vroeg begonnen, in Midden-Italië.

zaterdag 12 juli 2008

Assisi - Turnhout





Naar huis vandaag, om te beginnen van Assisi naar Forli', maar via Rimini. Noortje laat zich verleiden door de massa's klaprozen rond Bastia Umbra, en maakt foto's.Tegen de middag zijn we aan de Adriatische kust, en ik wil Noortje Rimini even laten zien. We komen toevallig Hotel Bengasi tegen, en gewild Hotel Nouveau, en pleisteren onze vrije uren op en in de buurt van het strand. Dat is al veel drukker geworden dan twaalf dagen geleden: de parasols hebben er al bezit van genomen, er zijn al wat zwemmers, de echt sportieve doen aan kitesurfen, en de zon schijnt.

We eten en drinken iets in de warmte, ik vraag wat een 'frullato' is, waarop de ober zeer gevat, 'Bè, un frullato è un frullato'. We wagen het toch en we krijgen ieder een milkshake, aardbeiensmaak. We hadden het slechter kunnen treffen.

In Forli' leveren we onze Picanto af, schepen zonder moeilijkheden in, en landen veilig in Charleroi. Daar staat Jasper met mijn autootje ons al te wachten, en via Antwerpen zijn we zo in Turnhout.

Twaalf dagen Italië zitten erop, eerst vijf dagen met de cursisten (schoolreis?), dan een week met Noortje. Zalig was het, het eerste, maar zeker ook het tweede deel van de reis. Ik heb ongelooflijk veel gezien, veel geleerd, Italiaans gesproken, het land geproefd en van dat alles genoten. Noortje heeft me geduwd waar ze kon, ik heb gestapt waar het nodig was, de sfeer was altijd opgeruimd en opgewekt, we hebben behoorlijk wat gelachen: ik prijs me gelukkig dat mijn kinderen reizen voor me mogelijk en haalbaar maken: verleden jaar naar Egypte, dit jaar Umbrië. Daarbij nog: de mensen van onze bed & breakfast waren zeer vriendelijk. Wat mij betreft: een herhaling dringt zich op, ik zou zo teruggaan. Maar dan niet zo veel kerken, zegt Noortje. Siena in 2009? Ik zou er niet over nadenken.

En alles op blog zetten heeft zijn voordelen. Het kost wel een aantal uren moeite, je moet om te beginnen op reis al per dag notities maken, maar het loont de moeite. Schrijvend beleef je je reis opnieuw, je behoedt herinneringen voor vervagen, je diept allerlei dingen uit, je beleeft meer dan dubbel plezier. Gedeelde vreugde is dubbele vreugde, maar als je die nog eens blogt heb je 2 x 2 x 2.

woensdag 9 juli 2008

Orvieto: de tetramorf


De engel: Mattheüs


De leeuw: Marcus


De adelaar: Johannes


De stier: Lucas


Zeer opvallend aan Italiaanse kerken is de uitbeelding van de tetramorf, de symbolen van de vier evangelisten: je vindt ze op bijna elke façade. Je wilt bijgevolg ook wel weten waar die symbolen vandaan komen, en waar ze voor staan, welke betekenis ze hebben.

De vier evangeliën worden voor het eerst vermeld in de tweede eeuw door de Heilige Irenaeus van Lyon, bisschop in die stad, en zijn geschrift 'Adversus Haereses' (Tegen de ketters). Toch gaan de symbolen al terug op hoofdstuk I van Ezechiël, die in zijn 'oproepingsvisoen' vier levende wezens ziet, over wie hij zegt: 'En wat hun aangezichten betreft, die geleken bij alle vier ter rechterzijde op dat van een mens en dat van een leeuw; bij alle vier ter linkerzijde op dat van een rund; ook hadden alle vier het aangezicht van een arend. Hun vleugels waren naar boven uitgespreid; ieder had er twee die met elkaar verbonden waren; en twee bedekten hun lichaam'. (Ezech., 1 : 10-11).

Johannes vertelt iets gelijkaardigs in de Apocalyps, 4 : 6-8 (Openbaring): '... en midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een rund gelijk, en het derde dier had het gelaat als van een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk. En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige die was en die is en die komt'. Het gaat hier niet meer om vier levende vormen, maar om vier verschillende gevleugelde schepsels: mens, stier, leeuw en arend. Irenaeus geeft in de tweede eeuw al een interpretatie van het beeld, die door de kerk is overgenomen. Bij Matteüs hoort de (gevleugelde) mens, d.w.z. de engel, omdat zijn evangelie het menszijn van Christus (de Mensenzoon) het meest op de voorgrond brengt. Marcus wordt voorgesteld als de leeuw omdat hij de kracht, de grootsheid en de majesteit van Christus het meest benadrukt, en omdat Marcus een tijd in de woestijn verbleef en de wilde dieren hem dienden. Lucas en stier horen samen, omdat zijn evangelie begint met het offer van de priester Zacharias. Het symbool van Johannes is de adelaar, omdat zijn evangelie theologisch het hoogst grijpt, en omdat de adelaar het enige onder de levende wezens is die naar de zon kan kijken zonder dat hij verblind wordt, hij de hemel zien, het absolute, God dus. Zijn evangelie begint dan ook met: 'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God'.

Maar de symboliek is nog niet afgelopen: de mens (engel) van Mattheüs staat voor de menswording van Christus, de stier van Lucas voor zijn ultieme offer, de leeuw van Marcus voor de verrijzenis, de adelaar van Johannes voor de hemelvaart. De oudste afbeeldingen van de tetramorf gaan terug tot vroeg in de vijfde eeuw: 420 om precies te zijn, in een evangeliarium dat bewaard wordt in de kathedraal van Milaan.

De tetramorf zal voor de middeleeuwer dezelfde functie gehad hebben als de mozaïeken:
de gezichten van de evangelisten waren onbekend, dus konden symbolen volstaan. Of de mensen toen alle symboliek doorgrondden, is weer een andere zaak: voor de clerus was het genoeg dat ze de waarheid van de evangeliën aanvaardden, en dat ze er voortdurend mee geconfronteerd werden, ook al konden ze niet lezen. Het katholieke Woord liet denken niet echt toe. Wat dat betreft konden de pausen en kardinalen gerust zijn.


Waar ik mijn 'waarheid' gehaald heb:

http://wapedia.mobi/it/Evangelista
http://arteefede.com/articoli/articolo.php?file=TETRAMORFO.htm

Orvieto


Tenhemelopneming van Maria


De geboorte


Christus gedoopt in de Jordaan


Cascata delle Marmore

Op onze voorlaatste dag laat het weer het alweer afweten: Orvieto is grijs en fris, regen dreigt. Ik ben gekomen voor de Duomo, de gotische kathedraal: de voorgevel is prachtig, met zijn mozaIeken en de bas-reliëfs, en daarbij nog de tetramorf, de vier beelden die de symbolen van de evangelisten voorstellen. Wat de mozaïeken betreft: een stelt de tenhemelopneming van Maria voor - vliegende engelen ondersteunen haar - terwijl rechts boven haar Christus de kooplui uit de tempel verjaagt en links Sint Pieter met opgeheven rechterarm een aantal heiligen de weg naar de hemel wijst, in zijn linkerhand twee zware sleutels stevig vasthoudend. Een tweede toont de geboorte van Christus, in een middeleeuwse kamer, helemaal geen stal. Links boven slaat God de Vader het tafereel welgevallig gade, rechts een beeld van de verheerlijkte Maria, die naast God de Vader het gebeuren beneden haar bekijkt: daar is ze dan weer de moeder van Gods zoon. Maar er was nog plaats voor een derde: Jezus' doop in de Jordaan door Johannes de Doper, terwijl links een rechts boven de Boodschap aan Maria wordt uitgebeeld. Die mozaïeken zijn prachtig van kleur, mooi van tekening, een lust voor het oog. En voor de middeleeuwer uitermate aanschouwelijk onderwijs. We mogen rustig aannemen dat de overgrote meerderheid van de mensen/kerkgangers ongeletterd was, maar de waarheden en de wonderen waar het over ging, zagen ze telkens opnieuw met eigen ogen; ook het mysterie van meer dan een goddelijke persoon werd concreet en bij wijze van spreken tastbaar voorgesteld. Deze mozaïeken en wat ze voorstellen doen mij sterk denken aan 'La tapisserie de la reine Mathilde' uit Bayeux in Normandië, het verslag van de landing in Hastings in 1066, dat met naald en draad geschiedenis vertelt. Van dat tapijt wordt nogal eens eerder oneerbiedig gezegd het het het eerste westerse stripverhaal is. De mozaïeken van Orvieto hebben ongeveer dezelfde functie: als de mensen niet via lectuur van het woord kunnen genieten, geef ze dan het beeld, dat is makkelijker voor ze. En zullen wij in 2008 daar de staf over breken, wij post-modernelingen met onze beeldcultuur? Wel integendeel. Van het beeld is het Westen naar het woord gegaan, niet naar het Woord. En woorden nodigen uit, geven ruimte tot denken, beelden vullen meestal alles in, de kijker hoeft niets te verbeelden, dat heeft de maker al voor hem gedaan.

De voorgevel van de kathedraal van Siena lijkt mij veel minder interessant, maar het interieur van de Duomo van Orvieto valt dan wel tegen: witte en zwarte banden wisselen elkaar af zoals in Siena, maar de kerk is niet echt licht. Daarbij komt nog dat de fut en de pit er bij ons wat uit zijn: het weer speelt een rol, en Noortje heeft al wel genoeg kerken gezien. Ze noemt Orvieto een bomma-stad: blits en flitsend
is het hier inderdaad niet.

Via Terni rijden naar 'Cascate delle Marmore', daarbij zo'n tien kilometer over het grondgebied van de regione Lazio rijdend: toch laten we Rome links liggen. De waterval stort zich in een paar etappes 165 meter dieper. Het water van het riviertje de Velino wordt gebruikt om hydraulische stroom op te wekken, en daardoor werkt de waterval slechts op bepaalde tijdstippen. Vandaag is dat van vier tot vijf. In het 'belvedere superiore' mogen we gratis binnen, want wat kun je hier met een rolstoel komen uitrichten, moet de ticketbeambte gedacht hebben. Wij picknicken toch boven, dalen dan af - met de auto - naar het 'belvedere inferiore', drinken wachtend op vier uur en de waterval in volle werking een wijntje, en maken het dan echt mee: eerst langzaam, dan sterker groeit de neerstortende stroom, het water verstuift tot nevelwolken, toenemend gedruis en geraas maken de verplaatsing van forse watermassa's duidelijk. Het is een zeer indrukwekkend schouwspel, ook voor kinderen van de lagere school: die zijn hier met een aantal bussen op schoolreis. Voor de volledigheid: de waterval is niet echt een natuurverschijnsel: hij kwam al in de derde eeuw voor Christus tot stand, op last van een consul die vreesde voor een overstroming van de vlakte van Rieti.

Onze fut is er zo weer terug:we hebben echt iets meegemaakt, zien gebeuren tenminste. In Bastia rusten we uit in onze 'bed & breakfast'. We gaan voor de laatste keer in Santa Maria degli Angeli eten, deze keer in een trattoria waar ze geen pizza serveren. Als nagerecht trakteren we onszelf op nog een Bailey's, woord dat de plaatselijke cameriera uitspreekt zoals een Turnhoutenaar 'bijles' zo zeggen. Baailes: thuis komt kennelijk dichterbij.