Posts tonen met het label uitstapjes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitstapjes. Alle posts tonen

woensdag 9 april 2025

Grootjuffrouw Johanna de Boer

In de regel liggen mensen in België op een kerkhof begraven, tegenwoordig ook wel begraafplaats genoemd. Het nieuwe kerkhof van Turnhout, op de Steenweg op Merksplas, heet 'begraafpark'. Dit vind ik nu een niet echt passende naam voor zo'n plaats: 'park', alsof er ook een speeltuin bij hoort, en een zwembad natuurlijk, alsof, God verhoede, de overledenen 's nachts in alle sombere duisternis met elkaar spelletjes zouden spelen. Niets van dat alles is al vastgesteld: het is dan ook geen park, maar een begraafplaats. En dan doen we het dan ook mee.

Nu was ik in november op het begijnhof, ik rijd scootmobielgewijs rond de kerk, en achter die kerk kom ik bij een graf uit, niet zomaar een graf, maar dat van de laatste Grootjuffrouw van dit begijnhof. Dat staat trouwens op haar graf, waarop volgende tekst te lezen valt: 'Zuster Johanna de Boer / Grootjuffrouw / Laatste Begijn van Turnhout / Geboren Rotterdam 27 januari 1908 / Gestorven Turnhout 28 januari 2002. Ze is dus 94 jaar geworden, om heel precies te zijn 94 jaar en 1 dag. Ze was dus Nederlandse, en heeft ook eerst geprobeerd in te treden in het begijnhof van Breda, maar dat kostte haar te veel, en bijgevolg is ze naar Turnhout gekomen. In 1939 startte ze hier als kandidaat-begijn, en in 1941 werd ze officieel begijn. In 1953 werd ze grootjuffrouw, wat ze bleef tot haar dood. Als je van Rotterdam komt, in Breda niet in kunt treden, maar tenslotte in een ander land wel, dan kan je wel spreken van een echte roeping: ongetwijfeld vond zij dat zo haar levensweg moest lopen.

De tekst op Johanna de Boers graf

In 1999 verhuisde ze naar het rusthuis Sint-Lucia, ze was toen 91 jaar oud. Vanaf toen woonden er geen begijnen meer op het begijnhof van onze stad. In Sint-Lucia heeft ze nog 3 jaar geleefd. Ze overleed op 28 januari 2002, juist een dag na het 94ste verjaardag. Ze is meer dan 60 jaar begijn geweest. Toen ze stierf waren er in ons land nog vijf begijntjes. Nu is de beweging helemaal uitgestorven. 

Zo gaat het met ons: We moeten allemaal de weg van alle vlees gaan.

 

Haar graf, dat ook beschouwd kan worden als een monument voor grootjuffrouw Johanna de Boer.

donderdag 23 juni 2022

Wortel Kolonie: een rondritje

Vlakbij heb ik drie achtertuinen: nummer 1, en goud, is natuurlijk het Turnhoutse Vennengebied, want ik vind dat een scheut chauvinisme af en toe op zijn plaats is. Het zilver is voor Wortel Kolonie, het brons voor Merksplas Kolonie. In de 19de eeuw heetten die 'Colonies de Bienfaisance', in het Nederlands 'Koloniën van Weldadigheid': zoals het niet anders kan in 19de-eeuwse woordenschat. Paternalistisch komt het mij nogal over. Maar die tijden zijn voorbij.

In Wortel staat nog wel een gevangenis, maar het gebied van de vroegere kolonie bezoek je nu vooral voor de natuurbeleving. Prachtig is het daar, en dat weten heel veel mensen. En soms zie je er eens iets nieuws, zoals een bord met uitleg over een vleermuisverblijfplaats. Zo kom je te weten hoe die verblijfplaats gebouwd is: het betreft een slakkenhuisconstructie met betonnen snelbouwblokken. Daarop ligt minstens 1 meter aarde, zodat een stabiel binnenklimaat ontstaat. De constructie is ook nog eens waterdoorlatend om de luchtvochtigheid hoog genoeg te houden. Dat lees ik allemaal op dat bord: de mensen doen moeite voor de natuur. Die verblijfplaats staat er al veel langer dan van voor deze winter, dat zie je aan de begroeiing, maar als je er niet op gewezen wordt, rijd je er gewoon voorbij: nu weet je dat in dat kunstmatig heuveltje in het weiland vleermuizen huizen.

Hôtel Chauve-souris

Konikpaarden kom je wel vaker tegen in Wortel Kolonie: ik zie er drie in het weiland van de vleermuizen. Ze zijn kleiner dan de paarden die wij gewend zijn, en daar wijst de naam ook op: 'konik' betekent in het Pools 'paardje'. Letterlijk vertaald is een 'konikpaard' een 'paardjepaard'. Maar zo gek zullen we onze taal niet mishandelen: laten we het gewoon een 'klein paard' noemen. Een gewoon woord voor paard in het Pools is dan weer 'kon'. Zo hebben we een paar woorden Pools opgestoken, maar ik vrees dat je daar niet echt een conversatie mee kunt voeren. Ik bedenk meteen ook dat een Brabants trekpaard met een dik achterste in Polen misschien met 'kont' aangeduid wordt, maar zeker ben ik daar niet van. Konikpaarden worden gebruikt als wilde grazers in natuurgebieden, zoals hier in Wortel. De drie op de foto hebben nog wel wat weg te vreten, maar ze hebben tijd.

Drie konikpaarden aan het werk

En dan zet ik mijn tocht verder richting buitenland. Je zit hier vlak bij de grens, en je merkt dat aan subtiele merktekens. Ik kom aan een wildrooster, en dat staat aangeduid met een verkeersteken waarvan de belettering typisch Nederlands is: hier lopen de Lage Landen naadloos in elkaar over. Ik stel me zo voor dat een Nederlander die in deze kolonie rondloopt bij het zien van dat bord ontroerd het Wilhelmus aanheft, of het oudere Nederlandse volkslied: 'Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit, Van vreemde smetten vrij,...' Deze hymne is ook nog ons volkslied geweest, toen wij samen deel uitmaakten van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), maar bij ons is het nooit populair geweest, en ook niet bij onze Noorderburen: 'van vreemde smetten vrij' viel nogal slecht in de koloniën. De dichter ervan was Hendrik Tollens, een vergeten romantische Nederlands dichter (1780-1856). Waar een wildrooster toe kan leiden.

De bedoeling van zo'n rooster is te beletten dat wild of vee en kleinvee van een gebied naar een ander zou gaan, waar het niets te zoeken heeft: geen Keltische koeien in Nederland, geen Bataafse schapen en geiten in ons land. Het idee dat daaraan ten grondslag ligt is ongetwijfeld 'Eigen dieren eerst!' Tegen wilde of woeste inwoners van beide landen is het rooster niet effectief, ook niet tegen bandieten en drugsdealers: dat kan dus veel beter! Wat ook leuk is: je kunt je hier zonder schuld op je te laden aan grensoverschrijdend overgeven. O Wonne!

Verkeersteken op Nederlands grondgebied

En dan vervolg ik mijn weg langs de Grensdreef: die weg en nog een strookje bos en kreupelhout ten noorden ervan is nog van ons, tot aan een een prikkeldraad: daarachter begint Nederland. Niet dat het landschap verandert, helemaal niet, de twee landen zijn duidelijk familie van elkaar. In Nederland hoor ik de koekoek, in België een vink, type suskewiet, en een tjiftjaf: het klinkt alom in beide landen.

Nederlands ven: de koekoek moet je erbij denken

Een eind verder kom ik dan voor de zoveelste keer aan Bootjesven: een rustplaats par excellence. Ook daar is iets veranderd: een bord met foto's pronkt er nu, en de aandachtige lezer kan weer wat informatie tot zich nemen. Het ven is ontstaan door het winnen van turf: van het midden van de 13de tot de 18de eeuw gebeurde dat grootschalig. In dat Bootjesven kwamen vroeger de bewakers van de Kolonie zwemmen en bootje varen met hun gezin: dat mag nu niet meer, de natuur dient beschermd te worden! Maar je kunt wel een foto van een foto nemen die toont hoe in het begin van de 20ste eeuw (denk ik) volwassenen en kinderen zich kwamen ontspannen in hun geliefde ven.

Bewakers en hun familie rustend aan Bootjesven. De kinderen spelen natuurlijk in het water.

Wortel Kolonie probeert door kleine toetsen interessant te blijven: kleine vernieuwingen en aanvullingen helpen daarbij. Veel moeite kost het niet, maar deze burger vindt het toch wel goed. Weer een leuke namiddag doorgebracht in het grensgebied. 

woensdag 11 augustus 2021

De Japanse tuin (Hasselt)

Na de middag verlaat Corry ons, Nicole en mezelf, voor een tijdje; ze komt later nog in het verhaal voor. Wij tweeën gaan in Hasselt van de natuur genieten, van aangelegde natuur om precies te zijn. Nu is de Japanse tuin aan de beurt. Hoe die in Hasselt terechtkomt? De hoofdstad van Limburg verbroedert al sinds 1985 met de Japanse stad Itami, vandaar. Japanse specialisten hebben die tuin hier aangelegd: je krijgt de echte couleur locale! Op 20 november 1992 is hij ingehuldigd.

Ik ga onze wandeling niet meter voor meter navertellen, maar een aantal bezienswaardigheden verdienen toch wel meer toelichting. Wat het eerst onze aandacht trekt is de waterval, of de waterval in vijf bedrijfjes. Het riviertje wordt tussen de begroeiing en de rotsen naar beneden geleid, over vijf trapjes zou je kunnen zeggen: een echte cascade is het dus. Bij elke trap wordt de waterval breder, tot hij zich op zijn breedst in het meertje stort. Nog iets over de rotsen in deze tuin: die komen allemaal uit Japan. De rechtse rots beneden aan de waterval weegt zo meer eventjes 1,4 ton! Daar zal best wat logistieke arbeid voor nodig geweest zijn, maar het uitzicht wordt daardoor wel authentieker.


De waterval met rechts de zwaarste rots in de tuin

 

De cascade: trapsgewijze afdaling

Nicole, die vier jaar geleden nog in Japan geweest is, wijst me op een steenlantaarn. En de wandelgids vertelt verder: 'Deze is gebouwd naar het model van een Sennyu-ji tempel in Kyoto, de begraafplaats van een der keizers. ... Vaak zitten er veel vuurvliegjes bij zo'n steen lantaarn. Hun 'lampjes' symboliseren liefde, maar werden ook verondersteld zielen te zijn van overleden krijgers'. Geweldig mooi vind ik deze steenlantaarn niet, maar als je er iets meer over weet, besef je dat hij meer is dan een verlichtend object in steen, en de vuurvliegjes meer dan vervelende insectjes. (Bron: De wandelgids voor de Japanse tuin, Hasselt)


Steenlantaarn naar het model van een in Kyoto

Zeer opvallend zijn de talrijke hosta's in de tuin: die mogen in Japanse tuinen niet ontbreken. Bij de waterval stonden ze ook al, en je komt ze zowat overal tegen, kleinere, en heel grote, in variëteiten van groene kleuren.


Flinke hosta

Echt Japans vond ik de Vredesbel: de bedoeling is dat iedereen de bel kan laten luiden voor de vrede. Ze staat hier sedert oktober 2016 als aandenken aan de 150 jaar durende diplomatieke relaties tussen België en Japan. Een dergelijke bel staat ook in Hiroshima: daar wordt ze ook geluid voor de vrede en ter herdenking van de slachtoffers die in Japan door de atoombommen gevallen zijn. De Japanse Tuin wordt in ieder geval zo meer dan een vrijblijvend park aan de rand van de stad


De Vredesbel, oktober 2016

Tegenover de Vredesbel staat een Shinto-altaar of jinja. In dit formaat vind je ze langs vele Japanse wegen, min of meer zoals bij ons kapelletjes. In de jinja woont volgens het traditionele geloof een God of Kami. Japanners houden er even halt, buigen, klappen in de handen, doneren kleingeld en maken een wens aan de goden. Ook in Hasselt wordt kleingeld ingezameld dat naar diverse goede doelen gaat. Een verklarend bord naast de jinja definieert die 'kami' als natuurgoden. Er is ook een spiegel in dit altaar, en die symboliseert wijsheid en verwijst naar de mogelijke aanwezigheid van 'kami' in ieder mens. Of dat het geval bij de man die in deze spiegel staat, is maar zeer de vraag.


Shinto-tempeltje of jinja

Vlak tegenover de jinja staat een wand die vol hangt met plakkaatjes van papier of karton, waarop Japanners wensen schrijven. Tijdens een bepaald ritueel worden die dan verbrand, wat symbool staat voor de bevrijding van de wens, zodat die naar de hemel kan gaan en de goden kan bereiken. Het deed me sterk denken aan de gebedsvlaggetjes zoals ik die in Nepal heb gezien.


Wensen voor hun reis naar de hemel en de goden

Op een houten paal staan een aantal Japanse karakters: wat die betekenen kan de gemiddelde Vlaming niet uitmaken. Gelukkig geeft van onderen aan de paal een bord meer uitleg: 'Gedenk de slachtoffers van de TOUHOKU-KANTOU-DAISINNSAI aardbeving en tsunami bij Sendai 11 maart 2011'. Nicole en ik waren die aardbeving al vergeten! Het komt me voor dat het beeld dat deze tuin van de Japanse beschaving wil geven er een is waarin ingetogenheid, herinnering, respect voor de goden en voor de natuur zeer belangrijk zijn. Hij is meteen ook een plaats waarin men zich kan bezinnen, stilstaan bij wat gebeurd is, denken over en aanzetten tot vrede. In die zin is deze plaats en belevenis, echt waar.

Wees je bewust van de kracht van de natuur, en gedenk de overledenen

Onder een brug ligt ook een keienstrand: de plaats bij uitstek om sierkarpers en kois te voeden.  Aan de ingang en een paar andere plaatsen is dat voedsel te koop, € 0.80 per zakje. Men wordt gevraagd de vissen enkel met het daarvoor bestemde voedsel te voeren, en dat is uitsluitend in de tuin te koop. Maar de mensen laten zich niet pramen: constant gooien ze visseneten in het water, en kois en sierkarpers zijn bijzonder tuk op die tussendoortjes die eigenlijk de hele dag duren.


Het keienstrandje, de voederplaats


Het resultaat van constant voeren

Toen we op het laatst op een bank zaten te rusten zien we een Japans koppel aan komen lopen: zij in een mooie groene jurk, met een brede zwarte band om haar middel: Japanser kan het niet zijn, dacht ik. Hij in een mantel die door het dessin dat erop te zien is, net zo goed in de stijl van het land van de rijzende zon. Ze gaan ook op een bank zitten, zij draait haar hoofd zodat ik van haar in profiel een foto kan nemen. En wat blijkt: ze is zo blank als wijzelf. De twee hadden zich in ieder geval in de omgeving ingeleefd. Mooi om te zien was het.

Pseudo Japans koppel

O ja, Corry zou nog in dit verhaal optreden! We zijn naar haar appartement gereden, en daar werden we vergast op een uitstekende broodmaaltijd, met alles erop en eraan. Perfect sluiting van een prachtige dag was het: vriendschap, interessante zaken bekijken, en tenslotte smakelijk eten om de inspanning te verteren! Dat heet dan gelukkig zijn, zong ooit eens iemand. 't Was er toch dichtbij! En onze dank is natuurlijk groot.

P.S.: De wandelgids biedt veel en uitstekende informatie over de tuin. Ik heb die met plezier geraadpleegd, zoals ik al zei.

maandag 9 augustus 2021

De Abdij van Herkenrode

Een monument dat ik altijd al willen bekijken en bezoeken heb, is de Abdij van Herkenrode: je ziet de gebouwen liggen als je via de autoweg naar Hasselt rijdt, en een keer ben ik er zelfs geweest, maar het was er toen druk druk druk: het feest van de Sage van de Eenhoorn werd er toen net gevierd, en een rustig bezoek was niet mogelijk. Maar verleden week ben ik er wel in gunstige omstandigheden geraakt: in het gezelschap van twee Limburgse vriendinnen, Corry en Nicole, met een beetje goed weer, en zonder een overrompeling van bezoekers: wat kan je nog meer wensen?

We gaan eerst op zoek  naar de 18de-eeuwse abdissenresidentie: ze komt meer bepaald uit 1756. Een prachtig classicistisch gebouw is het, dat doet vermoeden dat de abdissen zeker in die tijden niet echt in armoede leefden. Maar al veertig jaar later werd het klooster na de invallen van het Franse bezettingsleger opgeheven. Het werd overigens gesticht in 1192: het heeft wel een lang bestaan gekend, en is op bepaalde tijden in de geschiedenis zeer rijk geweest, al waren er ook perioden van achteruitgang.

 

De Abdissenresidentie uit 1756, met een behoorlijk bordes: noblesse oblige

De kamers in dit verblijf van de abdissen en de zusters van adel zijn gerestaureerd en de wanden weer gefatsoeneerd. Zo komt het dat je er een prent van de Grote Markt van Hasselt in de 18de-eeuw vindt.

 

De Grote Markt van Hasselt in de 18de eeuw

We lopen terug naar het het centrum van het domein en stoten op de infirmerie uit 1658: mooi gebouw, maar het behoeft nog wel wat restauratie.


De infirmerie uit 1658

Wat wel al gerestaureerd is, in 2002, is de 'tiendschuur', waar de pachters uit de buurt een tiende van hun opbrengst moesten afleveren, wat voor velen een hele opdracht was: rijk waren die lui niet. Er was ook een soort ambtenaar die moest controleren of iedereen zijn deel had afgestaan: dat was een zogenaamde 'ti(e)ndeman': Een nazaat van een dergelijk ambtenaar heeft het eeuwen later nog tot eerste minister van België geschopt. Deze schuur had een oppervlakte van 100 m², en was 15 meter hoog: eer zo'n gebouw vol gestouwd is, moet er al menig boer voorbijgekomen zijn. Eten hadden die nonnen dus wel.

 

De gerestaureerde 'tiendschuur': 100 m² oppervlakte, 15 m hoog. 'Eine feste Burg ist unser Gott' zongen de zusters dan. Je zou voor minder!

Om het verhaal van de abdij te horen, moet je naar het hoevegebouw: daar krijg je een audiogids waarin abdissen die geschiedenis vertellen. Vooral na een tijdje zijn die abdissen allemaal van adel, en niet van de laagste. In het begin hebben ze alleen een voornaam: Ingeltrude I en II, Jutta I en II. Vanaf de 15de en 16de eeuw dragen ze een naam met een of meerdere scharnieren: Gertrudis de Lechy, Mechtildis de Lechy, Aleidis de Lechy. Begin achttiende eeuw is er een met dubbele scharnieren: Barbare de Rivière d'Arschot. Mie Wouters en Anna Peeters hadden een andere status. Want er waren twee soorten zusters: koordames (dat zijn die van betere stand) en 'conversen' of werkzusters: dat zijn die van lagere komaf. En die abdissen hadden best wat ambitie: de meesten van hen wilden het klooster op een of andere manier uitbreiden, nieuwe gebouwen laten optrekken, prestige nastreven. Ze deden dat zoals de presidenten van Frankrijk dat nu nog doen: Centre Pompidou, de glazen piramide in het Louvre (Mitterand). Die abdissen hadden een eigenaardige opvatting van religiositeit. Sommigen hadden het ook moeilijk met de kledingvoorschriften: een habijt vonden ze eerder minnetjes, zij waren beter gewend, ze waren tenslotte dames van hoge adel. Je krijgt de zekere indruk dat velen van hen niet naar christelijke eenvoud streefden: dat was kennelijk ver beneden hun stand. Zo ook kregen de werkzusters niet te eten wat de koordames verorberden: ook in een klooster moest men zijn plaats kennen. We zijn voorbij een tafel gewandeld met dieren die voor de koordames klaargemaakt werden: wild, vis, ganzen en ander gevogelte, van alles dat lekker is. Alleen konijnen kwamen niet te vaak op tafel: die kweken te snel, en dat zou de vrome gemeenschap op verkeerde gedachten kunnen brengen. Toch vertelt de audiogids dat er af en toe konijn op het menu stond: het vlees is zwak, ook dat van zusters. Er verbleven ook enkele mannelijke religieuzen in Herkenrode, en de pachter van de abdijhoeve, en gasten, pelgrims, ambachtslui. Om nog maar te zwijgen van de architecten die de abdissen in dienst namen. Het zullen niet alleen konijnen geweest zijn die zorgden voor verkeerde gedachten. Wat die abdissen vertelden, was best interessant en openbarend: velen van hen beleden het christendom op een erg persoonlijke manier.

De abdij was af en toe ook gemengd in gewapende conflicten: dan kwamen de mannen ook weer aan bod, de abdij moest te allen prijze verdedigd worden, voor God en rijkdom! Je ziet dan ook middeleeuwse helmen hangen: 't is eens wat anders dan de obligate nonnenkap!

 

Middeleeuwse helmen 

Als uitsmijter: het beeld van een naakte vrouw in een nonnenklooster. Evenwel, het is niet zomaar een vrouw: de duivel stelt zij voor - vrouwen werden in die tijden wel eens vaker voorgesteld als waren zij de satan zelf. Bokkenpoten heeft ze dan ook, en een duidelijke staart. Wat er allemaal van kan komen als je geen godsvruchtige non of abdis bent: je ziet er niet uit!

De baarlijke duivelin

Zij deed daar de deur dicht, en wij richtten onze schreden - want op een kloostersite moet je plechtig lopen - naar de Japanse Tuin in Hasselt. Je hoorde laatst zoveel nieuws uit Tokio, maar niet over tuinen, wel over al dan niet gewonnen medailles. Maar daar zijn we ook weer voor drie jaar van af ! In gedachten horen wij toch al de Brabançonne klinken. Of het Wilhelmus, dat werd iets vaker gespeeld!

zondag 25 juli 2021

Een dorp: Gestel bij Berlaar

Gestel, dat vlak bij Berlaar ligt, is een bezoek meer dan waard. Tot 1964 was het een zelfstandige gemeente, maar vanaf dat jaar maakt het deel uit van het grotere Berlaar. Het heeft nog een oud gemeentehuis, en daar ontmoet je een middeleeuwer, en nog niet de eerste de beste: over Jacob van Maerlant gaat het! En ook Hendrik Conscience wordt gehuldigd. Want in de gevel van dat oude gemeentehuis is een steen met een verrassende en interessante tekst ingemetseld. Die gaat als volgt: 

Door Maria Berthout van Berlaer/ herkomstig van Gestel/ werd in 1313 aan Lodewijk van Vethem op gedragen/ de Spiegel Historiael van/ Jacob Van Maerlant 1291 * te voltooien/ waaruit de Slag der Gulden Sporen werd geschreven/ en voor het nageslacht vereeuwigd door/ Hendrik Conscience in zijn Leeuw van Vlaanderen - 18 september 1938 - * 1291 het jaar dat Van Maerlant stierf

Voor een oude germanist is dat een ongelooflijke ontdekking. Dat die steen in 1938 geplaatst werd is ook geen toeval: dat is precies 100 jaar na het verschijnen van 'De Leeuw van Vlaanderen'! Bouwen aan de Vlaamse identiteit tot in de kleinste dorpen zullen we dat dan maar noemen. Ik zal er Bartje eens heen sturen, wie weet tot welk inzicht komt die daar! Hoe dan ook: in Gestel kom je plotseling in het midden van de Nederlandse literatuurgeschiedenis terecht.

De gedenksteen voor de Spiegel Historiael en de Leeuw van Vlaanderen

Het toeval  wil dat ik me voor mijn 50ste verjaardag een 'Spiegel Historiael' cadeau gedaan heb, een boek met miniaturen uit het handschrift dat in Den Haag bewaard wordt. Fragmenten uit de middelnederlandse tekst worden uitgelegd, woorden verklaard. Zo komt de strijd van Karel de Grote met de heidense ridder Agolant aan bod: in Spanje wordt die uitgevochten. De omslagillustratie is een foto van de miniatuur over dat conflict.

Den strijt van Karle ende Agolande

Genoeg uitgeweid: ik zou het over Gestel hebben. Op het centrale pleintje staat een schandpaal: dat is niet zo'n eigenaardigheid, wel dat die pas geplaatst is in 1779, 10 jaar voor de Franse Revolutie. Wanneer ik me verwonder over dat late jaar, zegt Yves, ad rem zoals altijd: 'Ja, maar hier hebben ze geen Franse Revolutie gekend!'. Niveau hebben onze uitstappen doorgaans, dat wel.

De schandpaal uit 1779

De Sint-Lambertuskerk is interessant, maar je kunt ze alleen in groep bezichtigen: dat kost € 20, en voor een groep van 2 personen vonden we dat toch iets te duur. De oudste delen van het gebouw dateren al uit de vijftiende eeuw: de toren vermoed ik. Maar heel het kerkje is wel aantrekkelijk.

De gotische Sint-Lambertuskerk

Rond de kerk ligt het kerkhof, met enkele merkwaardige beelden. Zo is er een dat de Boerenkrijg herdenkt: op de sokkel lees je: 'Ter Gedachtenis/ der Inwoners onzer Gemeente/ die streden voor Goddienst/ en Vaderland in den Boerenkrijg/ 1789-1889'. (nvdr: geen tikfouten hier)

Het beeld dat herinnert aan de Boerenkrijg

Aan het 'Hof van Rameyen staat een bord dat het ook over de Boerenkrijg heeft: die plaats ligt op het Boerenkrijgpad. Er moet hier ooit stevig gevochten zijn tegen de Fransen. Nu straalt het gehucht niets dan pais en vrede uit, waar niemand tegen kan zijn. Merkwaardig toch wel dat je in zo'n klein dorpje zowel met literatuurgeschiedenis en de geschiedenis geconfronteerd kunt worden. Zo maak je op je wandelingen telkens iets anders mee, en vervelen doet het dan zeker niet.

Uitleg over een conflict in de Boerenkrijg

En met de La Chouffe later in café 'De Poemp' voelen we ons weer helemaal Belgisch, echte vaderlanders zijn we, tot spijt van wie 't benijdt! En we drinken op Vorst, op Vrijheid en op Recht! Oprecht? Daar piekeren we nog over.

zaterdag 8 augustus 2020

De abdij van Tongerlo: opvallend

Ik heb niet alle gebouwen van de abdij van Tongerlo grondig bekeken, daar moet ik nog eens voor teruggaan. Maar er zijn wel zaken die opvallen. Een daarvan is de toegangspoort: die dateert al uit 14de-15 eeuw, en daarmee is ze het oudste gebouw van de abdij. Er moeten oudere geweest zijn, maar die zijn in de loop der tijden verdwenen. De abdij werd immers gesticht omstreeks 1130: een aantal norbertijnen van de Sint-Michielsabdij van Antwerpen vestigden zich toen hier. Merkwaardig zijn de bakstenen van de benedenverdieping: dat is ijzerzandsteen, die ooit in Noord-Hageland gewonnen werd, en dat is hier vlakbij. De Sint-Servaaskerk van Herselt, een buurdorp van Tongerlo, is ook met deze steen opgetrokken, en dat geeft het gebouw dezelfde roodachtige kleur.De toegangspoort van de abdij.

Natuurlijk staan er heiligenbeelden boven de poort, drie in getal, alle drie vrouwen. In het midden staat Onze-Lieve-Vrouw met het Christuskind op haar arm, en dat kind heeft dan weer een wereldbol met kruis erboven vast: dat symboliseert de kosmos. Aan de linkerkant staat de Heilige Katharina, met aan haar voeten het gebroken rad waarop ze gefolterd werd. Rechts staat de Heilige Barbara met haar symbool, de toren. Beide dames hebben ook een lelietak vast, het symbool bij uitstek voor zuiverheid en maagdelijkheid. Ik weet niet uit welke tijd deze beelden stammen, maar het lijken in ieder geval geen 19de-eeuwse neogotische producten: die zijn zo mooi niet. Opmerkelijk ook dat in dit mannenklooster alleen beelden van vrouwelijke heiligen te zien zijn: mannen hebben we hier al genoeg moeten de norbertijnen gedacht hebben. Katharina, Maria, Barbara

Je komt dan op het binnenplein dat omringd is door gebouwen: een ervan is het abtshuis uit 1728. In het timpaan ervan een versiering: boven een bisschopsmijter (in de hiërarchie van de katholieke kerk is een abt gelijkwaardig aan een bisschop), in het midden een wapenschild, en daaronder de tekst 'Festina lente', met andere woorden 'haast u langzaam'. Dat 'festina lente' is de wapenspreuk van de norbertijnen, en dat wordt in het wapen ook duidelijk gemaakt: je ziet twee springende herten die staan voor de haast, maar ook twee schildpadden, die staan voor het langzame, waarmee in dit geval bedoeld wordt bedachtzaamheid. Met andere worden: doe wat gedaan moet worden, wat beslist is, maar pas als er eerst goed over nagedacht is. Je mag niet halsoverkop ergens aan beginnen: die norbertijnen waren, of zijn, wel slimmer.Festina lente

De abdij van Averbode, hier niet zo veraf, is ook een norbertijnenadbij, en die werd gesticht in 1134-35, en die van Postel, ook niet zo ver, ontstond rond 1140; de Sint-Michielsabdij van Antwerpen zond haar zonen uit in die tijd. De paters maakten onder andere het land vruchtbaar, en natuurlijk verspreidden zij het geloof: het waren ten slotte geestelijken. Die abdijen waren ook intellectuele centra: de bibliotheek van Postel is nu nog belangrijk: ze omvat onder andere 50 incunabelen en 140 postincunabelen. 

De bloeitijd van die abdijen is lang geleden nu, maar ooit waren zijn centra van beschaving en brachten ze die ook onder de mensen: ze hebben hun betekenis zeker gehad. Maar 'Panta rhei', en dat is goed zo   

maandag 22 juli 2019

Bolrijk: onze Moeder de Heilige Kerk

Dit jaar bracht mijn vakantie me naar Zuid-Limburg, naar de streek van Sint-Truiden: ik lag in een b&b in Zepperen. En van Sint-Truideen naar Bokrijk is het niet zo ver, dus wij, Nicole en ik, daar naartoe. In het teken van Breugel stond het openluchtmuseum dit jaar, maar dat wordt een ander hoofdstuk.

Toen we er vorig jaar in april waren, werd menig gebouw nog gerestaureerd, maar daar waren ze nu klaar mee. Onder andere met het zaalkerkje uit Erpekom, een gehucht van Grote-Brogel. In de twaalfde eeuw (zo vroeg al) had het muren van 2,5 meter hoog, een eeuw later werden die muren verhoogd, een schip werd aan het zaaltje toegevoegd, echter zonder dat het evenwicht van het interieur verstoord werd. En dat word je gewaar: die ruimte heeft iets sacraals, onbetwistbaar, voor mij althans. In het schip staat een klein, maar een zwaar altaar, zoals de rest ook gemetseld in natuursteen. De toren is 16de-eeuws, en die is in baksteen, maar ook in romaanse stijl, en net zo imposant als het kerkje zelf.


Het zaalkerkje van Erpekom (Grote-Broghel)


De verhoogde en stevige muren (13de eeuw)

Overigens zijn die muren ook behoorlijk dik, en het gebouw diende dan ook ter bescherming van de mensen uit de buurt, als het door overvallen van rovers of andere conflicten te gevaarlijk werd om in eigen huis te blijven: veel meer dan houten hutten die gemakkelijk te vernielen waren zal de middeleeuwse Jan-met-de-pet niet tot zijn beschikking gehad hebben. De Kerk en de kerk beschermden in die tijden, wat je van ze ook zou mogen verwachten.

'A job worth doing is a job worth doing well' zeggen de Engelsen; je zou ook kunnen zeggen 'worth doing with some decoration'. Dat vonden de Middelnederlanders (hier: Middellimburgers) ook: de linkerwand heeft een versiering van twee rijen platte stenen, waartussen drie rijen schuine stenen. Alleen die stenen uitzoeken moet al wat tijd gekost hebben, en dan nog de moeite om ze zo te plaatsen: het was een werk voor God de Vader zullen de eerste metselaars gedacht hebben.


'worth doing with some decoration'

Er staat in Bokrijk nog een barokke kapel uit Zepperen, maar een totaal ander religieus gebouw is de pastorie uit Schriek, nu een deelgemeente van Heist-op-den-Berg.  Het gaat hier om een schitterende pastoorswoning uit 1776, net voor het einde van het ancien régime zullen we maar zeggen: de Franse revolutie hing in de lucht, maar nog niet in de Voor-Kempen. De bouwheer was een pastoor met name Snoeckx, en diens eerste opvolger stelde vast dat 'de dienaar beter gehuisvest was dan de Heer.' Een prachtig gebouw is het inderdaad, een stijlvol 18de-eeuws herenhuis, een verblijf dat duidelijk het verschil accentueerde met de woninkjes van de gewone parochianen: een vertegenwoordiger van de tweede stand had het natuurlijk veel beter dan het vulgum plebs, zo had God dat gewild. En of de pastorie mensen binnen liet om ze te beschermen tegen rampspoed en wapengekletter, is in dit geval niet eens een vraag. 'Toen was de kerk om goed te zijn nog veel te sterk' zond Wannes van de Velde! Aan die macht werd al wel gewrikt en getornd.


De pastorie van Schriek: als je van betere stand bent!

In die zin is Bokrijk ook interessant: je ziet gebouwen en gebouwtjes uit verschillende perioden, en je kunt evoluties vaststellen, en evoluties vergelijken. Zo leer je altijd vat bij!

maandag 24 juni 2019

Sint-Janskapel in Wommelgem

Eindelijk ben ik geweest waar ik al zo lang naartoe wilde gaan: in de Sint-Janskapel in Wommelgem. Telkens als ik via de snelweg naar mijn kinderen in Antwerpen rijd, kom ik er voorbij, en ik denk dan: 'Dat ziet er echt wel een authentiek gebouw uit, dat wil ik eens van dichterbij gaan bekijken.' Zo'n anderhalve kilometer voor de uitrit Wommelgem zie je die kapel, vlak bij een horecazaak die 'Feestzaal Royal Palace' heet, maar die is behoorlijk onderkomen, en veel koninklijks is er niet meer aan.

De kapel zou al in de 14de eeuw vermeld zijn, wat best wel vroeg is, maar het huidige gebouw komt uit de 16de eeuw, met veranderingen uit de 17de. De toegangspoort heeft een romaanse rondboog, en de stenen van de witte omlijsting zien er heel oud uit. Boven die poort laat een rond raam licht binnen, en je ziet verder een aantal vierkante vensters, zowel op de gelijkvloerse verdieping als op de eerste: dat zijn ongetwijfeld recentere veranderingen. Een slank torentje maakt het geheel iets eleganter. Het gebouwtje ziet er inderdaad authentiek uit, mijn eerste indruk wordt bevestigd.


De Sint-Janskapel in Wommelgem

Binnen, achter een redelijk modern altaar voor het venster doopt Johannes de Doper Christus die nederig door de knieën neigt. Voor mij zijn dat de meest geslaagde beelden uit deze kapel: voor de rest maken vooral neogotische Maria's en heiligen de dienst uit, zoals je er ook talloze ook kunt vinden in het Antwerpse café 'Het elfde gebod': hoogtepunten van esthetisch genot beleef ik hier niet.


Joannes de Doper doopt Christus

Een foto van het zicht op het oosten van de kapel laat zien dat de muren nogal bekleed zijn: 19de-eeuwse beelden van Maria en heiligen, en een aantal ruitvormige lijsten: dat blijken overlijdensberichten te zijn van belangrijke mensen, hoewel hun naam er niet bij staat. In Frans-Vlaanderen heb ik er zo nog gezien, zelfs uit het begin van de 20ste eeuw, en in het Vlaams!


Interieur: zicht op het oosten

De laatste foto toont het aandenken aan iemand die overleden is op de 5de november 1852 (obiit - hij/zij overleed), zonder naam, maar wel met een wapenschild: iemand die in de heraldiek thuis is, zal uit die afbeelding zeker allerlei kunnen afleiden, maar die man ben ik niet, helaas. Met zekerheid kunnen we wel stellen dat het hier niet om Jan Modaal, Piet met de Pet of Marie van 't Hoekske gaat: aan deze lui werd in kerken en kapellen dit soort aandacht niet besteed.


Overlijden met wapenschild, 1852

Soms heeft een mens al eens geluk: je noemt iets 'overlijdensberichten in ruitvormige lijsten', maar je weet heel goed dat dit een zeer onelegante omschrijving is van datgene waar je de naam niet van kent. Maar ik was kort daarna over de Sint-Pieterskerk van Turnhout aan het lezen, en daar wordt dat object een 'obiit' genoemd, of een 'rouwbord'. Die werden gemaakt voor prominente overledenen, aan het sterfhuis opgehangen en naderhand aan de muren van de kerk waarin de aflijvige begraven was. Ik voeg er nog een rouwbord uit Frans-Vlaanderen bij, van iemand die op de 3de oktober 1922 gestorven is. Naar alle waarschijnlijkheid heette die 'Tak' of 'Tack', want zijn wapenspreuk is 'Tak plooyt nooyt'.


Rouwbord of obiit uit Frans-Vlaanderen

Overigens is de kapel en haar omgeving een beschermd landschap: daar kon je gisteren niet te veel van merken, want het waren Sint-Jansfeesten; een beetje kermis, frieten, pintje, tripeltje, geïmproviseerd terrasje, snoep voor de kinderen, wielerkoers voor de plaatselijke helden en heldinnen: in een woord, het rijke Vlaamse volksleven. En Sint Jan in hoogsteigen persoon had voor goed weer gezorgd: wat willen we nog meer op een zondag? En het volk ontspande zich en was gelukkig. Terecht overigens.

En ik toch ook tevreden: de kapel van dichtbij en van binnen gezien.

dinsdag 2 augustus 2016

Vlaanderen en Vlaams in Frankrijk: Cassel

Poperinge is een grensgemeente: Frankrijk is er dichterbij dan Nederland bij Turnhout. Natuurlijk ga je dan ook naar dat gebied dat nu Frans-Vlaanderen heet. Cassel is dan de eerste bestemming: ik was er ooit al geweest, 33 jaar geleden, en ik heb er geen slechte herinnering aan. Als je op de Grand' Place komt, stel je meteen een soort van tweeslachtigheid vast: je ziet dat het Vlaanderen is geweest, maar ook dat het nu duidelijk bij Frankrijk hoort, en Frankrijk is. Nederlands, of de taal die ze daar 'Vlemsch' noemen, hoor je nergens. Toch hebben een paar horecazaken op de markt Vlaamse namen: er is een 'Keizer Karel' bijvoorbeeld. En het stadje komt ook manifest op voor zijn Vlaamse identiteit, maar in het Frans dan: boven een winkel waar je allerlei uiteenlopende zaken kan krijgen, hangt een opmerkelijk opschrift, dat besluit met 'Vivre la Flandre'.


Een aan de post, toch een officieel gebouw, wappert een heuse Vlaamse Leeuw, een officiële Belgische zowaar: geel veld, zwarte leeuw, met rode klauwen, zodat onze drie landskleuren er netjes inzitten. Dat geeft de burger moed, zo ver weg van de eigen haardstee!


Ils ne le dompteront pas!

En af en toe zie je nog sporen van het voorbije Nederlandstalige karakter van de streek, boven de deur van een kapel, of in de collegiale kerk van Cassel.


Moeder van bermhertigeyd b.v.o.

In de kerk: op een gedenkplaat van het overlijden van iemand uit een vooraanstaand (adellijk) geslacht staat de tekst: 'Tak plooyt nooyt'. 'Tak' is allicht de familienaam: de naam komt nog voor in Vlaanderen, maar voor zover ik weet met 'ck': Tack. De man (zullen we aannemen) is gestorven op 3 oktober 1922: tenminste de wapenspreuk van de familie was nog in het Nederlands.


Tak plooyt nooyt

Maar meer dan relicten zijn dat niet. Hoewel, sinds 1978 zendt Radio Uylenspieghel vanuit Cassel uit in de volkstaal, en die is ook in 'onze' Westhoek te beluisteren: zoals ik al zei: men komt uit voor zijn Vlaamse identiteit, en men doet ook moeite om het oude 'Vlemsch' voor compleet uitsterven te behoeden.
Dat onze taal, of een vorm daarvan, in Noord-Frankrijk nog niet helemaal van de kaart is verdwenen, is eigenlijk een wonderlijke zaak. Cassel maakt al van 1678 deel uit van Frankrijk (Vrede van Nijmegen), vanaf dan was Frans de officiële taal, en zoals geweten, Parijs met zijn centralistische politiek heeft nooit veel opgehad met regionale talen: ook het Bretoens, het Occitaans en het Duits in de Elzas moesten vele toontjes lager zingen. En denk eens aan België: hoe hebben de vertegenwoordigers van de Vlaamse Beweging in de 19de en 20ste niet moeten vechten voor erkenning en gelijkwaardigheid. Tijdens de Wereldtentoonstelling van '58 was er zelfs een speciale 'Vlaamse' dag! Onze francofone taalimperialisten waren even onverbiddelijk als die van Frankrijk. Gelukkig is dat niet meer zo, En nu hoor je Liesbeth Homans een taal spreken waarvan alleen zij denkt dat het Nederlands is. Leve de emancipatie en de autonomie!

maandag 11 juli 2016

Ann Deman - Moeder Aarde II

Yves, een goede vriend van me, trok vorige week naar Kortrijk om 'beeldjes te trekken', zoals hij dat zelf noemt. Met 'beeldjes' bedoelt hij beelden en sculpturen in de openbare ruimte, groot of klein mogen ze zijn, in Limburg aan de Nederlandse grens, of aan de kust, waar de wereld ophoudt. het spreekt vanzelf dat hij ondertussen ook heel wat beeldhouwers kent, dat hij een beetje de specialist ter zake geworden is.

Van hem kreeg ik eergisteren een foto van een beeld dat ik onmiddellijk herkende, hoewel ik het nog nooit gezien had. En jawel hoor, het ging om een werk van Ann Deman, van wie we samen 'Moeder Aarde I' ontdekt hadden, In Sint-Martens-Latem, zo'n vier weken geleden.


Moeder Aarde I, vlak bij een bocht in de Leie

En nu zag ik een gelijkaardig beeld, behoorlijk groot en krachtig, in hetzelfde materiaal: nu gaat het om 'Moeder Aarde II. Weer ligt ze naast de Leie, in de buurt van de Kortrijkse Groeningebrug. Maar er zijn natuurlijk ook verschillen: Terwijl Moeder Aarde I uit de aarde lijkt te komen kruipen, ligt II duidelijk volop met haar welvende vormen op die aarde, klaar, lijkt het me, om leven te ontvangen: je kunt moeilijk niet aan vruchtbaarheid denken als je het beeld ziet, zo vlak naast het levend makende water van de rivier. Twee prachtige beelden, vind ik ze, alleszins.



Moeder Aarde II (foto Yves Demont)

Over een paar dagen voert mijn vakantie me ook weer naar West-Vlaanderen: als ik niet te ver van Kortrijk ben, zal ik het beeld zelf eens gaan bekijken. Dat lijkt me echt geen tijdverspilling, wel integendeel.


Moeder Aarde II

woensdag 3 april 2013

Africamuseum in Tervuren: beelden

Van in de basisschool was het geleden dat ik nog eens in het Africamuseum in Tervuren geweest was. Officieel heet het 'Koninklijk Museum voor Midden-Afrika', maar in gewone omgangstaal gebruikt de instelling zelf het woord 'Africamuseum', met een 'c'. Een jaar of vijftien geleden ben ik er toevallig eens voorbijgereden, en daarvan herinner ik mij dat er een groot beeld van een olifant voor het gebouw staat, maar verder dan dat ging mijn geheugen niet.

Ik kom er nu met mijn  vriend, beeldenfotograaf Yves D., en dat betekent dat beeld eerst eens goed bekijken en fotograferen, ha ja, dat spreekt vanzelf!
Op een informatiebordje van de VTB/VAB blijkt dat de beeldhouwer Albéric Collin was, dat het in 1935 op de Wereldtentoonstelling van Antwerpen gestaan heeft, en dat het gesponsord was door 'Côte d'Or', het chocolademerk. En daar ken je die olifant van: het bedrijf gebruikt de afbeelding nog altijd op zijn verpakkingen, zonder de mannen die op het dier zitten. Sinds 1938 staat het in Tervuren vlak voor het museum, en daar heeft ene Frans Olbrechts voor gezorgd. 'Ene Frans Olbrechts' (1899-1958) is in feite een zeer oneerbiedige manier van uitdrukken: hij was een zeer gewaardeerd volkenkundige en antropoloog, vanaf '47 directeur van het museum in Tervuren, die over Congo en de Congolezen behoorlijk wat gepubliceerd heeft. Ik heb trouwens nog een boek van hem staan, dat overigens helemaal geen uitstaans met Afrika heeft: 'Vlaanderen zendt zijn zonen uit', door het Davidsfonds gepubliceerd in 1942. (Een oorlogsuitgave die niets met Duitsvriendelijkheid of erger van doen heeft.)


De olifant van Côte d'Or voor het museum: product placing avant la lettre

Zeer merkwaardig is ook het beeld 'The Congo, I presume' van Tom Frantzen, dat in het park van het museum staat. Het werd er geplaatst ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de 'Koloniale tentoonstelling' van 1897. Dat de titel een verwijzing is naar Stanleys 'Dr. Livingstone, I presume?' zal duidelijk zijn, en het is zeker geen ondubbelzinnige verheerlijking van ons koloniaal verleden. Je ziet een aantal dieren en figuren, en Leopold II is er daar een van, maar duidelijk niet de grootste: een buste mag voor de man volstaan. Links van Leopold ligt een leeuw, tegelijk Belgisch en Afrikaans, maar die keert de koning de rug toe, hij verwaardigt zich niet hem aan te kijken. De drie Congolese krijgers boven de koning hebben dan weer geen voeten: ze kunnen niet lopen, ze kunnen niet weg, vrijheid hebben ze niet. Een heel andere mentaliteit en opvattingen liggen aan de grondslag van dit beeld: Leopold II zal zich zijn droom nooit zo verbeeld hebben.


Tom Frantzen, The Congo, I presume, 1997

Het leukste beeld in de buurt van het museum is weer van Tom Frantzen en het staat op de rotonde voor het Koloniënpaleis: het heeft de prachtige naam 'The Bandundu Water Jazz Band' (2005). Een achttal Afrikaanse waterdieren, als opgezet exemplaar te bezichtigen in het museum, vormen een jazzorkest, met alles erop en eraan: instrumenten, en met toeters en bellen. In de zomer spuiten de dierenbekken nog water ook: een stenen muzikaal fontein wordt het dan. Ik heb al wel eens minder geslaagde kunstwerken op rotondes gezien!



Tom Frantzen, The Bandundu Water Jazz Band, 2005

Nu het museum nog binnen: we zijn eigenlijk voor 'Spannende Spinnen' gekomen, een tentoonstelling over vogelspinnen en schorpioenen: waar een mens nog niet naar gaat kijken.