dinsdag 29 januari 2013

Roger Raveel in Mol

In 't Kristallijn in Mol loopt op dit ogenblik, en nog tot en met 3 maart, een overzichtstentoonstelling van Roger Raveel: voor de liefhebbers: niet te missen! Ondertitel van deze expo is 'Zeven decennia werk van Raveel'. Er zijn  een veertigtal werken van de kunstenaar te zien: schilderijen, tekeningen en een object, dat in het handzame gidsje een objectschilderij wordt genoemd.En dat is dan het 'Karretje van de ruimte' uit 1991: het toont de belangrijke betrachting van Raveel 'het schilderij te laten uitvloeien in tijd en ruimte'. Het karretje is maar gedeeltelijk beschilderd en aan vijf zijden bekleed met spiegels, zodat het, afhankelijk van waar het staat, steeds een ander deel(tje) van de realiteit weerspiegelt, een grasplein en de hemel, of de vloer van een grote zaal en een deel van de zoldering. Wat je ziet, verandert zo steeds: der realiteit is ook niet echt te vatten, de waarheid van het karretje verandert steeds.


Karretje van de ruimte: uitvloeien


Karretje van de ruimte (1991) op de tentoonstelling; op de achtergrond mijn eigen karretje

Een tekening die er echt uitspringt, is die van vader Raveel, gedateerd 13.4.1971. Het is onbetwistbaar zo dat 'de vader' of de 'vaderfiguur' in het werk van Raveel een belangrijke rol speelt, maar daar gaat het hier niet in de eerste plaats om. Het is zijn eigen vader die hij hier weergeeft: eenvoudige man, op leeftijd en getekend door het leven. Rust, empathie en medeleven straalt het beeld voor mij uit.


Portret van mijn vader (1971), helaas niet rechtop

Vaak wil Raveel zijn schilderijen titels geven die met aandacht gelezen dienen te worden, wil je ze begrijpen, de titels en de schilderijen, bedoel ik. Zo is 'De illusie van de geborgenheid en de verschrikking van de witte leegte' (1987) best een mondvol, maar het is meteen een verklaring van het schilderij. Je ziet een klein deeltje van de kleurloze linkerkant van een vaderfiguur, die houdt het handje van zijn kind vast - een jaar of zeven lijkt het te zijn - en dat kind staat voor de witte leegte, het witte vierkant dat ook in veel van Raveels werken eerder prominent aanwezig kan zijn. Een denderend optimistische kijk op het leven is het niet, maar de zon schijnt ook niet alle dagen. Vader en zoon zonder valse sentimentaliteit, zou je kunnen zeggen;


De illusie van de geborgenheid en de verschrikking van de witte leegte, 1987

Ik ben al meermaals in het Raveelmuseum in Machelen-aan-de-Leie gaan kijken, maar dat werk had ik er nog nooit gezien. En zo waren er nog wel een aantal, daar in Mol, in 't Kristallijn. Reden te meer voor de liefhebbers om eens goed en aandachtig te gaan kijken.

zondag 20 januari 2013

Frans Masereel en Camille Huysmans

Frans Masereel schenkt dus twee van zijn houtsneden aan Camille Huysmans, 'Nocturne' uit 1932 en 'Le prophète' uit 1937: wat mij verwonderde, was dat hij de opdracht eronder in het Frans geschreven heeft. Vlaming tegen een andere Vlaming in het Frans? Toch een beetje raar!

Maar je vindt al snel hoe dat gekomen is: Masereel stamt uit de verfranste Gentse burgerij. Hij kende ongetwijfeld Gents, maar zijn dagelijks leven verliep in de eerste plaats in het Frans. Het doet me denken aan zijn oudere tijdgenoot Maurice Maeterlinck, de Gentse Nobelprijswinnaar literatuur, ook in het Frans natuurlijk. Bovendien heeft Masereel bijna heel zijn leven in Frankrijk gewoond: in 1910 is hij naar Parijs getrokken, en het was pas in 1929 dat hij voor het eerst terug naar België kwam: het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad voordat hij hier weer binnen mocht. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trok hij naar Genève, Zwitserland, neutraal gebied. Tegenover de Belgische consul aldaar bevestigt hij zijn dienstweigering.

Henri Van de Velde, toentertijd ook niet de minste Belgische kunstenaar, heeft er nog voor gezorgd dat Camille Huysmans, die in '27 minister van Kunsten en Wetenschappen was, zijn invloed voor Masereel  aanwendde, maar dat heeft geen resultaat gehad. Pas in 1929 komt zijn zaak, en die van vele anderen in orde, op een andere, perfect legale manier. Huysmans wordt vanaf 1933 burgemeester van Antwerpen, en in 1936 voorzitter van het parlement: het is mede dank zij hem dat Masereel in deze voor hem magere jaren een paar opdrachten krijgt. Van de Velde zorgt er ook voor dat in 37 een tweetalige bibliofiele uitgave van 'La légende d'Ulenspiegel' van Charles de Coster verschijnt, met Masereels illustraties, en met een voorwoord door Camille Huysmans. De kunstenaar en de politicus waren meer dan namen voor elkaar, ze apprecieerden elkaar, dat is duidelijk. Dat Huysmans een afdruk van 'Le prophète' krijgt, bien cordialement dan nog, is zeer begrijpelijk.


Isidoor Opsomer: Camille Huysmans

De dienstweigering van Masereel in 1914 was geen laffe vlucht van een 25-jarige die in dienst moest, maar niet wilde. Hij was een zeer overtuigd pacifist, weigerde uit diepe overtuiging de wapens op te nemen. Bovendien: hij had vrienden zowel in Frankrijk als in Duitsland. Toen in de jaren 30 de nazi's Duitsland overgenomen hadden en de Tweede Wereldoorlog steeds driegender werd, liet Masereel zijn principiële pacifisme toch varen: dit keer werd het vechten tegen het nazisme dat de beschaving ten onder zou  kunnen brengen. Ook in Duitsland had zijn faam zich verspreid, maar de nazi's deden er alles aan om hem te verketteren: Masereel wordt bestempeld als 'pazifistischer Bildagitator in jüdisch-marxistischem Dienste'. Wat hij maakte, was natuurlijk 'entartete Kunst'.
Frans Masereel, Zelfportret, 1923

Uit 'Masereel, een biografie' van Joris van Parys is mij duidelijk geworden wat voor een groot kunstenaar de man was, hoe maatschappelijk relevant hij was, en nog is. Zijn roem had zich over heel Europa verspreid, zelfs in China verschenen tijdens zijn leven (piraat)uitgaven van zijn werk. Hij was bevriend met de knapste Europese koppen van zijn tijd: de schrijver Stefan Zweig is daar ongetwijfeld de bekendste van.

Ik zou het allesbehalve een slecht idee vinden om Frans Masereel te eren met een grote retrospectieve in Bozar bijvoorbeeld. Zelf heb ik inmiddels de grootste bewondering voor de man.


Houtsnede uit 'De stad'

zaterdag 29 december 2012

De Fabiolazaal - Frans Masereel

Op de tentoonstelling 'Rondom Permeke' hangen ook twee houtsneden van Frans Masereel uit de jaren 30 van de vorige eeuw. Ze wijken nogal af van alle andere werken die je er ziet: het zijn zwart-wit werken, en ze zijn te situeren in de stad. De eerste heet 'Nocturne': een grote man met arbeiderspet kijkt uit de hoogte naar een vrouw met een witte schort, een meid allicht. Zij kijkt niet met erg veel vertrouwen naar hem op: de schrik is van haar gezicht af te lezen. Veel romantiek is er niet te verwachten van deze ontmoeting. 'Nocturne' is dan ook een wrange titel voor deze houtsnede: de vervreemding van de stad kun je erin voelen. Masereel sneed dan ook de moderne thema's aan, hij verschilt wel  wat van Permeke en andere Vlaamse kunstenaars uit zijn tijd.


Frans Masereel: Nocturne, 1932

De tweede houtsnede komt uit 1937 en draagt als 'Le Prophète', inderdaad in het Frans. Een of andere waanzinnige reus, een engel der wrake of een Magere Hein danst met ongelooflijke stappen boven en voorbij een stad die in complete vernieling en verwoesting ten onder gaat: er woedt een infernale brand, in het midden staan de lopen van kanonnen klaar, achter de engel des doods heeft een kruis geen enkele invloed, op de voorgrond lopen mensen verschrikt weg, een naakte danseres uit een cabaret van licht allooi ligt schijnt op de massa te liggen, de decadentie is compleet. De voorbijrazende reus is duidelijk een onheilsprofeet. Dit werk dateert van drie jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog: visionair was Masereel alleszins. De verschrikkingen van de nakende oorlog - de wereldbrand - heeft hij zeer indrukwekkend weergegeven.


Frans Masereel: Le Prophète

Overigens bestaat er in de Vlaamse kunst nog zo'n werk: de 'Dulle Griet' van Pieter Bruegel. Dat schilderij uit de zestiende eeuw is geïnspireerd door de zegs- wijze 'een roof voor de hel doen'. Volgens de Wandelgids van het 'Museum Mayer Van Den Bergh' 'werd het in zijn tijd gezegd van iemand die voor niets of niemand terugschrok. Bruegel past het hier toe op een uitzinnige vrouwenfiguur die te vuur en te zwaard door een tumultueuze wereld trekt die zijn einde nabij is.' Het is niet al e moeilijk om ook hier een verbeelding van oorlog in te zien: de zestiende eeuw was bij wijze van spreken een militair conflict. Het werk is even pregnant als dat van Masereel.


Pieter Bruegel: Dulle Griet.

Wat mij aan de houtsneden van Masereel ook erg interesseerde, zijn de tekstjes die eronder staan. Op de tentoonstelling heet het werk wel 'De profeet', maar op de houtsnede zelf staat de Franse titel die de kunstenaar eraan gegeven heeft. En dan verder naar het midden 'A Cam. Huysmans, bien cordialement, Frans Masereel'. Op de 'Nocturne' staat 'A M. Huysmans, A Mme. Huysmans'. Dat verbaasde me  nogal: Frans Masereel is een Vlaming, net zo goed als Kamiel Huysmans, die vanaf 1910 samen met de liberaal Louis Franck en de katholiek Frans van Cauwelaert nog voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit gestreden heeft. 'De drie kraaiende hanen' werden zij genoemd. En dan titels en opdrachten in het Frans? Eigenaardig vond ik dat.

Blijkt uit een paar biografische feiten dat Masereel in 1889 in Blankenberge geboren is, uit welgestelde Gentse ouders, die er elk jaar twee maanden vakantie doorbrachten. Frans zal die mensen ook niet onbekend zijn geweest. In 1910 gaat Masereel in Parijs wonen, bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Genève, later verblijft nog in Frankrijk (Parijs, en in de buurt van Boulogne), na de Tweede Wereldoorlog verblijft hij in Avignon en Nice. In Avignon sterft hij in 1972. Masereel moet zich in het Frans erg goed thuis gevoeld hebben, dat kan niet anders. Franse titels van zijn houtsneden en Franse opdrachten erop zijn dus echt niet zo vreemd.

Er bestaat een biografie van Masereel door Joris Van Parys: die zou ik eens moeten lezen, vele van mijn vragen zouden dan ongetwijfeld eens antwoord krijgen. Uitgebreid is mijn kennis van zijn leven en werk niet echt. Ik kan eens naar Kasterlee rijden, misschien hebben ze daar de biografie in het Masereel Centrum.

P.S.: ondertussen heb ik de biografie al besteld bij De Slegte. Dat wordt lectuur voor volgend jaar.

vrijdag 14 december 2012

Woning Jozef Schellekens: schilderijen

Als je over Jozef Schellekens hoort vertellen, kun je niet anders dan voelen dat hij een rusteloze man moet geweest zijn, iemand die niet stil kon zitten, die zichzelf weinig rust gunde. In het 'In memoriam Jozef Schellekens' schrijft Jan Veulemans: 'de bouwmeester, de kunstschilder, de hartstochtelijke levensminnaar, heeft het lot ondergaan van diegenen, wier rusteloze creativiteit onbarmhartig hun ziel en lichaam verteert'.

Dat hij enorm creatief was, zie je in zijn huis niet alleen aan zijn plannen en afdrukken van zijn projecten, maar net zo goed aan de vele tekeningen en schilderijen die er aan de muren hangen. In het begin laten die werken zien dat Schellekens de kunst van Albert van Dyck, die andere Turnhoutenaar, erg goed kende, maar hij vindt na een tijdje zijn eigen stijl: hij werkt met duidelijke kleurvlakken en zonder veel versiering en verfraaiing van zijn onderwerp. 'Meisje met rode trui' is daar een goed voorbeeld van.


Meisje met rode trui

Erg geslaagd zijn ook een paar zelfportretten waar dezelfde aanpak uit spreekt. In het eerste beeldt hij zichzelf af, staande voor een bakstenen muur, met rechts op de achtergrond een gebouw dat een kerk zou kunnen zijn, maar ik geloof eerder dat het een fabriek is met een grote, rokende schoorsteen. Hij heeft zichzelf geportretteerd als 'bouwmeester', zou je kunnen zeggen. Hij kijkt de toeschouwer recht in de ogen: zeker niet triomfantelijk van 'zover heb ik het gebracht', eerder vragend, teruggetrokken, timide.


Zelfportret

Op het tweede zelfportret krijg je dezelfde kleuren: jas en achtergrond zijn zonder meer identiek. Ik weet niet hoe groot Schellekens was, maar hier ziet hij zichzelf als een rijzige man: je moet naar zijn ogen opkijken, maar vrolijke vreugde spat niet echt van zijn gezicht. Hij was een man die nogal aan zichzelf twijfelde, zich eerder getormenteerd voelde, en in dat opzicht zijn die zelfportretten waarheidsgetrouw, zou je kunnen zeggen.


Zelfportret

In dat 'In memoriam', dat op de website www.jozef.schellekens.be te vinden is, vind je heel wat commentaar en bespreking van Schellekens' schilderkunst. Jan Veulemans: 'Na de kinderwereld en de portretten ging hij over naar de obsederende aanwezigheid van de vrouw in het bestaan. De aantrekking van het vrouwelijke heeft hem trouwens ... nooit meer verlaten.' En: ' .... in zijn vele vrouwenfiguren gaf hij in feite aan de schoonheid van het leven gestalte.' Getuige daarvan een vrouwelijk naakt.


Vrouwelijk naakt

Ondanks het feit dat zijn intimi en kenners zich erg lovend uitlieten over zijn werk, heeft Schellekens nauwelijks geëxposeerd: een eerste keer in Antwerpen in 1947, later nog in het 'Paleis voor Schone Kunsten', in Brussel dus, 'waaraan Jozef Muls ... niet weinig lof wijdde.' Een deel van zijn werk werd ook eenmaal in Parijs en in Milaan getoond, nog altijd volgens Jan Veulemans.

Ik wist dat allemaal niet, maar wie in Turnhout wel? Dankzij Turnhout 2012 is een en ander nu toch in een iets wijdere omgeving bekend geraakt. En dat is zeer goed: het is niet omdat Jozef Schellekens aan zichzelf twijfelde en zich onderschatte, dat wij dat moeten doen. Temeer omdat Turnhout zich dit jaar erg nadrukkelijk opengegooid heeft: eigen talenten moeten we dan zeker ook omarmen en koesteren. Zoals we dat met dr. Nand Peeters gelukkig ook gedaan hebben.

zondag 9 december 2012

Woning Jozef Schellekens

Een huis waar ik sinds mijn twaalfde geregeld ben voorbijgekomen, is dat aan de Steenweg op Mol 66, op de hoek met de Generaal van der Meerschstraat. Indertijd fietste ik naar school via de 'ringelaan', die toen - eind jaren 50, begin jaren 60 - nog niet meer dan een zavelbedding was. Je groeit op en merkt dat het een speciaal huis is, je wilt daar later toch wel eens binnengaan, en in 2012 leer je dat gaat om de woning van architect Jozef (Jef) Schellekens, die als provinciaal architect meer dan gewone verdienste heeft: hij ontwierp het strandpaviljoen van het Zilvermeer in Mol en het openluchttheater Rivierenhof in Deurne. Zijn huis is eigenlijk een dubbelwoning: het adres is Steenweg op Mol 64-66.


De huis van Jozef Schellekens

Van zolang ik het heb weten staan, was het huis begroeid met rijkelijk veel klimop; nu is die sinds een paar jaar helemaal verdwenen en is het gebouw zelf weer echt goed zichtbaar. En daar zit een verhaal achter, hoor je bij een bezoek. Je wordt rondgeleid door een van de kleinzonen van de architect - wie weet ik niet precies - en die deelt veel interessante informatie uit eerste hand mee. Het huis was af en bewoonbaar in 1936, maar de Turnhoutse goegemeente was er niet dadelijk kapot van: huis en architect werden zeer scheef bekeken, in zoverre dat de man nauwelijks opdrachten kreeg: 'van die boer geen eieren' werd 'van die architect geen huizen'. En er deden wonderlijke opvattingen de ronde: de lange raampartijen, soms van de grond tot boven aan de gevel, zouden ontucht uitlokken (!), en dat terwijl Jozef Schellekens een overtuigd katholiek was: sant in eigen stad was hij niet. Hij begon aan zichzelf te twijfelen, schaamde zich misschien zelfs een beetje, en liet het huis overgroeien met die klimop, om het aan het gezicht van zijn stadsgenoten te onttrekken en te verbergen, hoewel dat met een huis bijzonder moeilijk is. Maar de in deze brave stad afwijkende vormen waren niet meer te zien.

Je komt binnen in een grote, hoge hal: licht en ruimte in overvloed. En je voelt onmiddellijk: hier is ter dege over nagedacht. Aan de muren hangen tekeningen van projecten van Schellekens, maar net zo goed schilderijen, onder andere zelfportretten: hij beschikte over meer talenten. Toch schijnt hij een geboren twijfelaar te zijn geweest: in huis kon hij natuurlijk geen klimop laten groeien, maar hij bracht wel voortdurend veranderingen aan, zodat het steeds meer begon te verschillen van het oorspronkelijke plan. Zijn kleinzonen hebben het huis nu zo ver gerestaureerd, dat het voor 95% uit- en binnenzicht van 1936 heeft.


De hal: licht en ruimte in overvloed


De achtergevel

Ook de vensters in de achtergevel (op het zuiden) trekken het licht naar binnen, en ze geven tezelfdertijd ook uit op de tuin: de muur die hem in tweeën deelt, is pas later bijgebouwd, om de kinderen van de twee families (Schellekens en Op de Beeck) beter uit elkaar te houden, en zo voor meer rust voor de ouders te zorgen. Er staat overigens een redelijk grote treurwilg.


Tuin met later toegevoegde muur


Bas-reliëf in de scheidingsmuur

Maar al moest die muur er dan noodgedwongen komen, toch vond Schellekens dat ook daar 'schoonheid' belangrijk was: je ziet er inderdaad een bas-reliëf dat een boerengezin met hun twee kinderen en een oudere man uitbeeldt.
Tenminste, dat is wat ik erin zie. De rechtse man heeft een schop bij zich, en hij schijnt iets te zoeken in zijn broekzak: het loon van zijn graafwerk dat hij aan zijn vrouw geeft, of in de schaal van de jongen gaat leggen? De drie volwassenen lopen ook alle drie op klompen: helemaal duidelijk wordt het verhaal me niet, maar ruraal en Kempisch is het zeker.

Jozef Schellekens is eigenlijk een tragische figuur: onbegrepen en versmaad in  eigen stad, twijfelend aan zichzelf, getormenteerd volgens zijn kleinzoon-gids. Hij heeft bijvoorbeeld nooit een tentoonstelling van zijn schilderijen gehouden. Bovendien stierf zijn eerste vrouw zeer jong, en zelf werd hij ook niet oud: hij overleed op het Zilvermeer in 1963, in de buurt van zijn strandpaviljoen, 54 jaar oud.

Zeer benieuwd ben ik naar wat er met de 'Woning Schellekens' zal gebeuren na Turnhout 2012, want het is een pareltje van 'Nieuwe Zakelijkheid', en een van de mooiste en interessantste huizen van deze stad.

donderdag 6 december 2012

Meesterlijk vervallen - Brepols

Ik heb echt wel een band met wat nu heet de 'Turnovasite', waar nog altijd de oude gebouwen van Brepols staan. Mijn vader heeft er jarenlang gewerkt als monotypist, tot in 73-74, toen de activiteiten naar de Steenweg op Tielen werden verhuisd. Lang geleden placht ik hem op woensdag- en zaterdagmiddagen op te wachten als ik van school kwam: een van de voorbereidende afdelingen van het Atheneum huisde in wat naderhand de bowling is geworden. Ik moest dus maar langs de oostkant van de markt lopen om hem in de 'Papenstraat' aan de poort op te staan wachten: huppelen en popelen van plezier betekende dat, want 'ozze vô' kwam er alle momenten aan. En dan samen naar huis, ik met mijn grote held. Daar waren we zo: via de Patersstraat en de 'Liezebetlei' naar Beirenmolenstraat 29. In de jaren 53-55 van de vorige eeuw was dat: ik zat in de eerste en tweede klas, bij meneer Renaerts en meneer Cavens (2de studiejaar), die vlak voor zijn pensioen stond. Overigens had vader ook nog bij meneer Cavens gezeten, in het begin van diens carrière. Turnhout was nog heel klein toen, op vele gebieden.


De poort van Brepols in de Baron du Fourstraat

Op deze foto heeft het overigens modernistische gebouw toch wel iets: nog weinig ruiten zijn onder de tand van het vandalisme gesneuveld, maar in gebruik was het ook niet meer: een auto staat in het midden van de dag voor de gesloten poort, en de andere auto's lijken mij van recente datum. Achter die ramen zaten de bedienden in een grote zaal samen: ik mocht daar wel eens gaan kijken. Indrukwekkend vond ik dat toen: die grote mensen schreven in een heel  andere ruimte  dan wij in onze eerder krakkemikkige klassen in de Otterstraat. En een sfeer van streng sérieux die daar heerste: de wereld van de volwassenen boezemde een heel diep respect in, nou nou!


In mijn herinnering zaten daar beneden de bedienden, in nette rijen van bureaus. En vanaf de overloop werden ze natuurlijk gemakkelijk gesurveilleerd. Veel ruimte en licht had het gebouw, luchtig zag het eruit: er zijn werkvloeren denkbaar die meer deprimerend zijn. Overigens is dit - voor zover mij bekend - een tweede mooi voorbeeld van 'Nieuwe Zakelijkheid' in Turnhout.

Je kunt die Turnovasite tegenwoordig ook bereiken via de Otterstraat, via het parkeerterrein daar: 'Parking Turnova' heet dat ook al. Dan zie de achterkant van de negentiende- en twintigste- eeuwse gebouwen, waar het er niet zo op aankomt, want die staan niet in het zicht. Maar ze zien er niet echt uit: meesterlijk vervallen inderdaad. Het modernere deel staat er nog een beetje stoer, want daar zit veel beton in, maar het oudere, dat is reddeloos verloren!


800 jaar Turnhout: het moderne Brepolsgebouw


Het negentiende-eeuwse deel

Dat oudste gebouw zal natuurlijk wel verdwijnen: er is niets mee mee aan te vangen, het is uitgewoond, uitgeleefd, uitverkrot! Een beetje jammer toch: men had het kunnen fatsoeneren en bewaren als een stuk industriële papierindustrie vlak bij het centrum. Nu hoor je er op een zondagmiddag kinderen in spelen en roepen, en zie je dat de natuur de zaak ook aan het overnemen is.


Alsof er een kleine oorlog gepasseerd is


In bouwvakkerstaal: de 'mei' staat er al op

Veertig jaar is Brepols daar inmiddels weg. Ik kan me levendig indenken dat de site tijdens de jaren 70 niet opnieuw werd aangepast voor toekomstig en ander gebruik, maar in 2012, na  zo'n lange tijd, zou er op den duur toch wel iets van mogen komen. Er is zelfs hoop: in het boek 'Turnhout 1212-2012, 800 jaar stad maken in de Kempen' lees ik op pagina 134: 'Eind 2012 verwacht men dat alle nodige vergunningen en rapporten ingediend en afgerond zijn, zodat men begin 2013 kan starten met de ontwikkeling.' Over Turnova hebben ze het dan. Veel zekerheid straalt het citaat echter niet uit: 'men verwacht' en 'zodat men kan starten'!

Al jaren wordt dit gebied een stadskanker genoemd, en terecht. Te hopen is dat deze kanker nu in de ultiemste terminaalste fase mogelijk is geraakt, en dat torens, stoa's en winkelstrips meer dan woorden of ideeën op papier worden.
Megalopolis binnenkort in de steigers?

vrijdag 30 november 2012

Mechelen: Rik Wouters, hoogtepunten


Een tentoonstelling die al meer dan een jaar op mijn verlanglijstje stond, was 'Rik Wouters, hoogtepunten' in het Schepenhuis in Mechelen. Bijna heel de verzameling van het Koninklijk Museum van Antwerpen is er te zien, plus een aantal werken die in het bezit zijn van de Stedelijke Musea Mechelen: dat is heel wat moet ik zeggen, schilderijen vooral, maar ook beeldhouwwerken. Er was niet veel volk, die woensdagmiddag: Rik Wouters is Picasso wel niet, maar ik schat hem bijzonder hoog in. Hij heeft echt wel een oeuvre nagelaten om u tegen te zeggen. En als er dan weinig bezoekers zijn, kun je veel op je gemakje aandachtig bekijken.
Een niet zo groot werk uit 1907 is 'Terras, kruidtuin' dat zeer impressionistisch aandoet. Het hoogtepunt van die richting was toen al voorbij, maar Wouters geeft er zijn eigen toets aan: het is vager dan de negentiende-eeuwse werken, suggestiever ook vind ik, en je merkt meteen waar het de man om te doen is: kleuren en licht, licht en lichtheid die hij probeert te vangen.


Terras, kruidtuin, 1907

Rik Wouters is dan wel Mechelaar, hij heeft een groot deel van zijn korte leven in de omgeving van Brussel doorgebracht, in het dan nog landelijke Bosvoorde. In 1914 komt hij na het uitbreken van de oorlog ten slotte in Amsterdam terecht: hij sterft er in 1916, nog geen 34 jaar oud, aan de gevolgen van kanker aan het bovenkaakbeen. Zij vrouw Nel, die hem op haar zestiende verleidde, is hem steeds een belangrijke bron van inspiratie geweest.

Kinderen hadden de twee niet, maar toch lijkt het Nel te zijn die in 'De opvoeding' een jongetje leert lezen. Het ventje probeert geconcentreerd de regels te ontcijferen die de vrouw aanwijst, en zelf houdt hij zijn rechterhand vlakbij om het spoor toch maar niet bijster te geraken. Toch lijkt me dat niet het belangrijkste van dit doek: licht en kleur lijken me dat eerder te zijn. Op het bruine tafelblad staat een blauwe vaas met bloemen, een wit boek wordt weerspiegeld in het glimmende oppervlak: het schilderij leeft echt. De achtergrond links is zachtgeel, de kachel achter het jongetje grijzig zwart, en de kunstenaar schijnt een zeer lichte penseeltoets gebruikt te hebben, nergens ook is iets scherp afgelijnd. In de bezoekersgids lees je ergens: 'Ten gronde is en blijft Wouters een impressionist.' Dat blijkt wel uit dit werk.


De opvoeding, 1912

Een doek dat mij enorm aanspreekt is 'Herfst' uit 1913. Nel staat buiten voor het raam en zet net een schaal appels op de vensterbank. Maar wat een kleuren weer: geel jasje, blauwe sjaal die in het openstaande raam opnieuw weerspiegeld worden, gordijnen in tinten die de natuur dan weer niet laat zien, groenachtige plant midden op de voorgrond, op de achtergrond bomen die nog volop in blad staan, daar net onder de daken van Bosvoorde. Daarvoor een weiland waar was op ligt te bleken, een weg, en weipalen. Het dorp en het platteland lijken ingelijst door het raamkozijn en het gordijn rechts: wat een diepte dat het werk daardoor krijgt! je kunt je ogen echt de kost geven met dit schilderij. Zacht en licht en rijk is het, heel mooi vind ik het.


Herfst, 1913

Diezelfde diepte wordt opgeroepen in 'Het ravijn A': dat komt vooral door het witte vlekje iets uit het midden. Een ruiter op een wit paard rijdt over een bruggetje in het midden van een weelderig bos: dat kleine trucje maakt het helemaal af. Voor de rest is is het schilderij een samenscholing van allerlei 'groenen' en lichtinvallen op boomstammen: Wouters is een meester in suggereren: zo'n werk bekijken is vooral zintuiglijk genieten van de natuur.


Het ravijn A, 1913

Suggereren nogmaals: weer vanuit een openstaand venster in 'Open venster op Bosvoorde'. Het dorp is nu dichterbij dan in 'Herfst', weer ingelijst door het raam. Het mooie ervan is dat vooral de daken en de gevels van de huizen worden weergegeven: veel meer dan kleurvlakjes zijn het niet. Een en ander doet nogal denken aan Cézanne, voor wie Rik Wouters een sterke bewondering had. Hier wordt 'zijn' impressionisme meteen veel moderner. Ik moet zeggen: ik kan het wel appreciëren.


Open venster op Bosvoorde, 1914

Zolang de restauratie van het museum in Antwerpen duurt, zolang is deze tentoonstelling nog open, en die restauratie duurt ten minste tot 2017. Mensen hebben dus nog bijna vijf jaar om eens goed te gaan kijken: het loont de moeite.