maandag 22 december 2008

Weekendje Raveel: 1, Herentals, zaterdag


een zelfportret in profiel voor de leegte van een rechthoek in perspectief


toen zat zij aan een tafel

Zaterdag en zondag voor Kerstmis heb ik me op een weekendje Raveel getrakteerd. Dat begon in eigen streek, in Herentals met name, waar in Hotel Le Paige grafisch werk van Raveel tentoon gesteld werd: kleurenlithografieën, kleurenzeefdrukken, kleurenhoutsneden en gewoon ook etsen, een overzicht, een staalkaart als het ware van het werk van de kunstenaar van 1965 tot 2002, van vroeger tot zeer recent dus. Ik kende er al heel wat van, maar er waren best ook dingen bij die ik nog nooit gezien had en zeer de moeite waard waren. Zo bij voorbeeld een werk dat in de beste Raveelse traditie heet 'Toen zat zij aan een tafel; een zelfportret in profiel voor de leegte van een rechthoek in perspectief', een tweeluik uit 1999. Of etsen met gedichten van Roland Jooris of Rutger Kopland, of 'Thuis' uit hetzelfde jaar, en dat in feite een bibliofiele uitgave is van en met het gedicht 'Thuis' van Hugo Claus.

Ook opvallend is de kleurenets 'Het lam treurt geduldig naar zijn ultiem geluk op de slachtbank' uit 1988, een citaat uit eigen werk, het schilderij dat een moderne interpretatie is van Van Eycks 'Lam Gods', en dat meteen een brug slaat tussen de schilderkunst uit de vijftiende en die van de twintigste eeuw.

Ten slotte twee voor mij indrukwekkende kleurenhoutsneden: 'De redenaar' uit 1983 en 'Zelfportret en een abstractie' uit 1989. En die kleuren zijn zoals in Raveels schilderijen: primair en opvallend. De afbeeldingen zijn op het eerste gezicht realistisch, maar het eerste gezicht is nooit genoeg bij Raveel, en altijd oppervlakkig: de redenaar (blauwpaarsig) staat bijvoorbeeld hoog boven zijn publiek (zwart-wit), ziet er veel groter uit dan zijn massa vage, schematische toehoorders (in die zin is het werk een commentaar op een bepaald soort politiek) en hij heeft een bijzonder grote en geprononceerde (roodbruine) geheven linkerarm waarmee hij dreigend schijn uit te halen om zijn publiek een flinke slag te geven. Een sterk werk, als je het mij vraagt.

Op het einde van mijn bezoek sla ik nog een praatje met Denie Avonds van de vzw Ter Vesten, vereniging die samen met cc 't Schaliken deze tentoonstelling in Herentals heeft georganiseerd. Ik heb het over Turnhout waar ondanks De Warande dergelijke dingen niet te zien zijn. Ik heb Eugène van Mieghem voor een paar jaar in Hotel Le Paige gezien, en dit jaar (2009) is het nog de beurt aan Felix de Boeck en Herman Brood, en ik verbaas me daarover. Maar mijn gesprekspartner legt het me uit: Hotel Le Paige werkt zo veel mogelijk in de breedte, en daardoor worden er vaker bekendere namen geafficheerd, en Turnhout werkt schijnbaar meer in de diepte.

Dan moeten we nog weten dat die breedte relatief is: ik ben er wel voor van Turnhout gekomen, maar meneer Avonds vertelt me dat hij echt blij is dat de tentoonstelling, die vier weken duurde, duizend mensen of iets meer naar Herentals lokt. Ik vind dat niet zo heel veel, in feite is dat eerder jammer: Ter Vesten en Herentals verdienen beter.

dinsdag 2 december 2008

Moeder en Wannes



De betreurde meester

Het is al meer dan een maand geleden (10 bovember) dat het 7-uur-journaal het overlijden van Wannes van de Velde meedeelde. Onverwacht toch wel: hij had zijn kanker toch overwonnen, hij was wel niet veel meer in het nieuws, maar dat was niet abnormaal, en ik behoorde niet eens tot zijn verre entourage. Maar het was wel even schrikken.
Het bericht deed mij onmiddellijk aan moeder denken: ze was van niemand grote fan, maar voor Wannes had ze een boon, en een lied hoorde ze bijzonder graag: 'Mijn mansarde', vooral de twee versjes waarin hij zingt: 'en als niet regent, zit ik droog / op mijn mansarde'. Ze vond dat uitgesproken grappig, komisch naar haar hart. Ik zie haar glimlach zo weer voor me, een warme herinnering is het geworden. Zo sterft er iemand 25 jaar na je moeder, en zij sterft een beetje opnieuw. In mij dan toch.

Overigens is 'Mijn mansarde' volgens mij een van zijn beste liederen. In feite is het een redelijk romantische tekst (in de literaire betekenis van het woord): het gaat over een voorbije idyllische wereld die nooit bestaan heeft zoals in het lied, en die plaats moet maken voor 'de vooruitgang, die is zo wreed / die houdt geen rekening met een keet / als mijn mansarde': vreselijk origineel is het thema niet. Het lied dateert uit de jaren 70, staat op de lp 'Ne zanger is een groep' uit 1976. Misschien is het iets ouder, maar het komt ongetwijfeld uit Wannes' beginjaren. Het zit vol van de mentaliteit van wat toen nog 'Agalev' heette. Dat heet nu luidkeels 'Groen!', met uitroepingsteken, zoals Vera Dua dat toen aankondigde. Anders GAan LEVen moest kennelijk met meer lawaai.


Maar in zijn tekst ontpopt Wannes zich tot een echte dichter. Leuke strofen:

'Er zijn geen 'beetles' en geen 'stones' / en ook geen plaatjes van 'Tom Jones' / op mijn mansarde'

''k Heb gene radio of tv / 'k Lees geen gazet of illustree / op mijn mansarde
'k veeg d'informatie aan de kant / want ik vind sport niet interessant / op mijn mansarde'

En dan vooral (met beeld en al):

'Ge drinkt er stilte on the rocks / ver van de bassen van den box / op mijn mansarde'.

En het moet gezegd: in Wannes' zijn rauw Antwerps klinkt het beter dan in 't Nederlands. 'Het Antwerps is de Wannes-taal geworden', zei Jean-Pierre Rondas terecht op de afscheidsplechtigheid in de Roma, op 23 november.

Een ander lied dat moeder ook wel kon smaken: 'Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten'; het staat op dezelfde lp. Hij heeft het over een stalleke in 't Palestijns gebied, de Drie Koningen die in onze tijd beter de Drie Commando's zouden heten, en de moeder van het kinneke die in het midden van die hoop zucht: 'Mijne zoon wordt over twintig jaar soldaat'. Wanhoop, onmacht en troosteloosheid hebben bij Wannes geen grote woorden nodig. Eenvoud ging voor alles, maar 'simpelheid' kun je hem niet verwijten.

Het minst 'Wannesse' lied is misschien 'Ik wil deze nacht in de straten verdwalen' / Dans cette nuit j'ai envie de me perdre'. Titel en tekst tweetalig, want het was lied voor 'Brussels by night', de film van Marc Didden. Zo vrolijk kom je Wannes niet vaak tegen: en moeder hield daar ook van, al was ze bedlegerig en gekluisterd aan haar rolstoel. Maar dromen kon ze toch. Dank zij Wannes onder anderen.

Erratum: 'ik wil deze nacht...' is niet geschreven voor de film van Marc Didden, maar voor 'Home sweet home' van Benoît Lamy die helaas in april 2008 overleden is. Het was zijn eerste langspeelfilm en hij gaat over het dagelijkse leven in een Brussels bejaardentehuis, waar de bewoners zich aan eerder 'militaristische' regels te houden hebben en met laakbare neerbuigendheid behandeld worden. 'Brussels by night', uit 1983, is een zwarte, eerder depressieve stadsfilm, en de muziek daarvoor werd dan werd geschreven door Raymond van het Groenewoud. Dat kwam ik overigens te weten in een aflevering van 'Belpop' op Canvas. Van het Groenewoud is ook geen kleine jongen, en ere aan wie eer toekomt.

dinsdag 18 november 2008

Belevenis



De locus delicti



Van kapitaal belang

Zeg ik vandaag na de Italiaanse les tegen Ulrike, mijn buurvrouw met wie ik het best goed kan vinden: 'Ik heb verleden woensdag iets moois beleefd op de universiteit van Maastricht, in de Faculteit Geneeskunde'. Prachtige captatio benevolentiae, al zeg ik het zelf, dus hier volgt het verhaal.

Mijn schoonbroer, Luc Snoeckx, die er prof fysiologie is, had me een tijdje geleden gevraagd of ik bereid zou zijn in Maastricht als proefpatiënt te fungeren voor een aantal artsen in spe, die er door gerichte, logische en verstandige vragen achter moesten komen welke ziekte ik had. Afgelopen week had de 'proof of the pudding' plaats. Wij, mijn schoonbroer en ikzelf, om half negen 's ochtends naar professor Jan Lodder, die me briefte en ook probeerde uit te vinden hoe ik tegenover mijn ziekte stond: ms heet ze, de kwaal. Om negen uur kwamen de eerste twee studenten binnen voor een deel opleiding in anamnese. Professor Lodder leert dat aan met levensechte, voor de student onbekende patiënten: het waren telkens duo's (drie dus) die ik een uurtje (een lesuur van vijftig minuten) voor me had, en die me dus met vragen konden bestoken. Hij noemde dat een zeer arbeidsintensieve procedure: hij steekt daar zelf veel tijd in, in de interviews, in patiënten die verschillende ziekten 'vertegenwoordigen', in de evaluatie van het gesprek, maar, en dat is het grote voordeel waar hij het om doet, de studenten leren er zeer veel mee: zij stellen de vragen, het is hun eigen zelf ervaren, en dat blijft natuurlijk langer bij, maakt een diepere indruk.

Voor ze begonnen zei de prof telkens: 'We gaan dat hier doen op socratische wijze', zo gelijk appellerend aan hun verstand. En die studenten deden dat goed: ik heb geen enkele domme vraag gehoord, als ik me daar een oordeel over mag permitteren, en ze hebben allemaal, en vrij snel, de juiste aandoening gediagnostiseerd. Ik zag ze nadenken, met zichzelf overleggen, hoorde ze doordacht en overwogen vragen stellen. Ze spanden zich in, net zoals professor Lodder, die bijstuurde en meer informatie gaf waar nodig en nuttig, zonder bevoogding en betutteling, en met veel contact met die studenten.

Ik maakte dat zelf allemaal als patiënt mee, en naderhand was ik er over verwonderd dat ik me zoveel, en zelfs kleine feitjes, over mijn ziekte kon herinneren. Het gaat natuurlijk niet over het begin van een voorbijgaande griepaanval, en ik ben tot de conclusie gekomen dat ik mijn blijvende metgezel goed ken, en dat ik hem ook best kan verdragen: hij is een deel van mezelf geworden.

En waarom doe ik dat allemaal? Zeer prozaïsch zou ik kunnen zeggen 'omdat Luc het me gevraagd heeft', en dat is ook wel zo. Maar als je daar zit, wil je natuurlijk het beste van jezelf geven. Ik zat als leraar op rust voor studenten, en ik wilde het die jongelui (22-23 jaar) niet moeilijk maken, want dat deed ik vroeger op mondelinge examens ook niet: ze hadden mijn sympathie, en ik mijn hart supporterde ik wel voor ze. En ik vond het ook wel fijn dat ik, al is het maar zo weinig, iets aan hun opleiding heb bijgedragen. En, zoals ik naderhand vaststelde, ik heb dat ook gedaan uit solidariteit met toekomstige ms-patiënten, hoe gering mijn bijdrage ook was. En gaandeweg, zeker in het derde interview, voelde ik me ook losser worden, wat zich uitte in mijn tussenkomst in de discussie over het gebruik van bètaferon, toen ik mezelf hoorde zeggen dat de graad van beschaving van een samenleving kan gemeten worden aan datgene wat ze over heeft voor de zwakkeren. Het leraarschap in mij is niet meer uit te roeien. De prof zei dan dat artsen, wanneer ze de eed van Hypocrates zweren, zich verbinden tot werken voor het belang van de individuele patiënt, en niet voor de maatschappij in haar geheel. Bètaferon toestaan kost heel veel: toen ik er vier en een half jaar geleden mee begon, kostte het medicijn per maand € 925, maar ik moest maar € 10 betalen. 925 maal 12 is € 11.100, dat is bijna een half miljoen oude Belgische frank per jaar. Dat was het kostenplaatje vier jaar geleden, en zoals gezegd, ik gebruik het al bijna vijf jaar. Op die momenten prijs je je gelukkig dat in Europa sociale zekerheid geen leeg begrip is: zonder was ik allang failliet geweest, en was de ziekte behoorlijk erger geworden. Zoals iemand onlangs zei: 'We are not a nation of individuals', wat bij ons, in Begië en Nederland, toch maar blijkt.

Na twee sessies voelde ik me al best moe, en ik prees me gelukkig dat er nog maar een uurtje zou volgen. Moe, want ik had er ook heel wat emotionele energie in gestopt: het ging over mij, en ik was erg betrokken, als proefpatiënt, maar ook bij de studenten en de prof. Het was een nuttige en waardevolle ochtend en ervaring, voor de studenten en voor mij. Zoals ik in de titel van dit stukje al zei: een belevenis met een grote b.

Ik ben als klap op de vuurpijl nog met meer taalkennis teruggekomen: een 'opstoot' is typisch Vlaams, ik zou eerder zeggen typisch ms. In Nederland heet dat dan weer verergering of aanval. Exacerbatie mag ook, maar dat klinkt mij te medisch en te Engels. Dat geldt ook voor andere ziekten, wat mij betreft. Alle gekheid op een stokje: grensoverschrijdend aan gezondheidszorg meewerken, gewoon prachtig. Toch?

dinsdag 11 november 2008

Dieuwertje en Skepp



Dieuwertje, 9 juni 2007


Normaal

December is vandaag begonnen, er wordt al zeer opzichtig naar kerst verwezen: warenhuizen willen hun stocks verkopen en geven tot 30 % vermindering, de waanzin zet weer zoetjes aan, de decadente overvloed zal weer allerlei vormen krijgen.

Niet zo een maand geleden, begin november dus. Te koop toen: zeeën van chrysanten. Lang geleden waren ze alleen maar wit: de 'eigentijdse' kerkhoven mogen best wat kleur hebben, want te grijs en doods, dat gaat niet meer op de 'begraafparken'. Alsof het ondergrondse pretparken zijn, waar gezamenlijk menige 'danse macabre' wordt opgevoerd. Terug naar het onderwerp: begin van die maand november vertelt mijn dochter Dieuwertje me een eigenaardig verhaal over een droom van haar.

In die droom zit ze in een stoel, of ligt ze nog in bed, en haar bompa, mijn vader dus, komt de kamer binnen en zegt haar dat hij gewoon eens een goede dag komt zeggen. Ons Dieuwertje vindt dat lief, 'Maar,' vervolgt Bompa, 'ik moet nu gaan'. 'Ga maar,' antwoordt zij, waarop bompa: 'We zullen elkaar nog wel zien'. De volgende ochtend bel ik haar met het bericht dat vader/bompa die nacht overleden is. Dat was de 16de september 2005, vader was de 91 zeven weken voorbij, en zijn jongste kleinzoon werd uitgerekend die dag 19 (die zat in Frankrijk, en die heb ik pas een dag later op de hoogte gebracht). Om tot die droom terug te komen: was die voorspellend? Of een droom die veroorzaakt wordt door naaste verwantschap? Dieuwertje zat er ook van te kijken, 'Je zou nog gaan denken dat er iets is', zei ze, en ze heeft enig opperwezen en al zijn heiligen echt niet met de paplepel meegekregen.

Ik vertel dat verhaal een tijdje later aan een vriend, die lid is van SKEPP, een Belgische onafhankelijke sceptische vereniging, voluit Studiekring voor de Kritische Evaluatie van Pseudowetenschap en het Paranormale. Het is meer dan een mondje vol, het klinkt allesbehalve charlantannerig, heilige ernst bezielde de stichters, onder wie de professoren Vermeersch en Van Bendegem, iedereen mag rustig weten waar de wind vandaan komt. Die vriend luistert dus naar mijn verhaal, stelt me een paar vragen, en besluit dan dat het hier om toeval en psychologische processen gaat.

Want wat hadden we die week nog gedaan? De 13de, op een dinsdag, was ik met Dieuwertje en Noortje naar Amsterdam gereden, gewoon eens gezellig uit met twee dochters. Ongetwijfeld heb ik toen over vader/bompa gepraat, want hij was er niet goed aan toe, zijn leven was af aan het lopen. Mijn dochters zullen er toch wel mee bezig geweest, de volgende dagen. En even ongetwijfeld is dat een meer logische verklaring voor Dieuwertjes droom: toeval, zei mijn vriend, maar er kwam toch iets meer bij kijken, al was dat zeker niet paranormaal.

Wat het dan precies wel was: 'There are more things between heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy'. Zei de grote bard, in het begin van de zeventiende eeuw. En hij heeft nog gelijk.

maandag 13 oktober 2008

Hoogstraten revisited



De Lindendreef met jonge boompjes



Het Hoefijzer vandaag



Het huis van Nonkel Rik op het Hoefijzer

Het was dus een hele tijd geleden dat ik nog in Hoogstraten was geweest, en dan zie je pas hoe de wereld op vijftig jaar of nog minder verandert. Dat begint al als je er bijna bent: waar we vroeger van de grote weg de moestuin van Nonkel Rik zonder moeite of bezwaar konden binnenrijden en onze blijde intrede maakten langs de achterdeur, daar is alle groen verdwenen. Moeskopperij, zoals dat met een belegen term heet? Neen, je koopt nu de groente netjes verpakt in de Lidl, en de tuinen zijn een groot parkeerterrein geworden: hier zijn betonboeren van Kempens formaat aan het werk geweest. Het café op de hoek van de Lindendreef is in een pizzeria omgetuned: Alte Strade? Godbetert, nog niet. De machtige beuken van de Lindendreef zijn nu jonge linden: leuk wanneer de natuur, d.w.z. beplanting zich aan de plaatsnamen aanpast. De lange dreef tot aan de kerk is niet meer zo indrukwekkend: beschaduwend, insluitend lover heeft plaats gemaakt voor veel meer licht en ruimte, een eerder karakterloze laan voor een dorpse dreef. Wij waren nog wel klein natuurlijk, toen de Lindendreef ons speel- en fietsgebied was, en alles rondom ons was groot. Op het einde van de dreef dicht bij de kerk staat nu een modern bibliotheekgebouw, zo'n tien jaar oud naar verluidt: bijbels, missalen en psalmen hebben tenminste concurrentie gekregen.

Maar Vic en ik kwamen voor de vijftigste verjaardag van de wederopbouw van de toren: er is een tentoonstelling aan gewijd, in de kerk en in het dorp: 'Sporen van geweld heet' die. Op een uitgestippelde wandeling kun je op hier en daar een foto de verwoestingen van oktober '44 zien: het dorp - officieel 'Stad en Vrijheid', maar tante Cor ging altijd naar 't dörp' -, het dorp met zijn opgeblazen toren lag er deerlijk deerniswekkend bij: een troosteloos war theatre. Vic leidt mij langs plaatsen en straten waar ik vroeger nooit geweest ben: de Vossengang (voor de Turnhoutenaars: een soort van Hofpoort), Voetweg 24, een pad dat van niemand is, en dus van de gemeenschap, en dat iedereen in een vroeger dorps verleden gebruikte (in Turnhout: Notenes Gangeske?): dingen die in Hoogstraten toch nog vrij essentieel zijn. We steken de Vrijheid over, zien daar veel nieuwbouw (appartementen vooral), maar 50 meter van het centrum zit je weer in het groen, in veel opener ruimte.

Dat is ook het meest opvallende verschil tussen dorp en stad, al is het dan maar een provinciestadje: een stad is grijs, je ziet vooral stenen, de straten zijn eerder smal, de wijde ruimte ontbreekt, natuur is er even schaars. Daartegenover: een omhullende allee zoals de Lindendreef vroeger vind je in Turnhout alleen in het stadspark, tussen de ingang en het monument Pro Patria, in de natuur speciaal aangelegd voor de vermoeide stedeling. Hoogstraten heeft bij mijn weten niet zoiets als een stadspark: dat is er ook niet nodig.

Hoogstraten is in feite niet meer dan een straatdorp: het centrale punt is natuurlijk de Katharinakerk, en wat je eigenlijk het centrum zonder meer kunt noemen strekt zich
in de richting zuid (Oostmalle) 100 meter ver uit, in de richting noord (Breda - Nederland) nog eens 250 m, en de straten naast die 350 centrum zijn vooral achterafstraten: die zijn er voor de dorpelingen, je komt er niet als je er niet hoeft te zijn, als niet-ingezetene ben je er gelijk een vreemdeling. Ik kan me voorstellen dat in Hoogstraten 'ons kent ons' echt leeft, waarschijnlijk vroeger meer dan nu, maar het lijkt me makkelijker je daar lid van de gemeenschap te voelen dan in mijn provinciestad, dat zich nieuwerwets eerder pompeus 'centrumstad' noemt, de kleinste van Vlaanderen dan wel. Dat Hoogstraten ook wel erg benauwend kan zijn, is dan weer de andere kant van de medaille: de ruimte is er weids en vrij, of dat met denken en ideeën ook zo is, laten we wijselijk in het midden.

Dat Hoogstraten toch iets speciaals heeft, en tot een gewestelijk centrum is uitgegroeid, dankt het waarschijnlijk aan zijn ligging op de oude verbindingsweg in het hertogdom Brabant: tussen 's Hertogenbosch en Antwerpen. Het moet in de middeleeuwen een redelijk belangrijke rust- en ravitailleringsplaats op die weg geweest zijn, voor mens en paard: het is niet louter toeval dat Moenen en Emmeken uit Marieken van Nieumeghen in Hoogstraten halt houden. En een aantal achttiende-eeuwse huizen verraden toch ook heel wat stijl: dergelijke gebouwen ken ik in Turnhout niet. Vroeger was er zo een, ja, het stadhuis op de Markt: maar dat stond in de weg, en na 1961 hebben de vroede vaderen dat af laten breken. Sic transit gloria mundi in onze centrumstad. In Hoogstraten doen ze dat anders.

dinsdag 7 oktober 2008

Naar de voor-tijd: Hoogstraten



1546: einde van het werk



De 'A' van Antoon de Lalaing



Le triomphe de la brique

Wat er dit jaar al niet vijftig jaar geleden is: Expo 58 natuurlijk, maar ook het einde van de wederopbouw van de Sint Katharinakerk en de toren in Hoogstraten. Nu wil het geval dat een broer van moeder in Hoogstraten woonde (Nonkel Rik) en dat wij (vader, moeder, broer en ik)er geregeld naartoe fietsten, want zijn kinderen waren even oud als wij. Voor ons was dat spelen op het Hoefijzer en in de Lindendreef, die volgens mijn vriend Vic, die van Hoogstraten is, afgezoomd was met majestatische beuken, wat drie dagen later door nicht Els bevestigd wordt: in de herfst stonden wij altijd in de beukennootjes, zegt ze. Nu staan er jonge boompjes: prille linden.

Terug naar mijn onderwerp: de toren. Ik heb die daar altijd weten staan: voor 1958 merkte ik natuurlijk niet op wat er niet stond, of wat er verdwenen was, de geschiedenis was voor mij nog niet begonnen. Nonkel Rik trapte meermaals en tot onze grote bewondering en kinderplezier een bal zo heel hoog mogelijk de lucht in (wel zo hoog als de toren!, zullen wij gedacht hebben), en we speelden voetbal op het Hoefijzer. Als we naar Hoogstraten fietsten, was die toren het merkteken bij uitstek, 'the landmark': al van voor Wortel zag je hem in de verte staan, en voorbij Wortel kon je er bij wijze van spreken naar grijpen. En we kenden natuurlijk ook de verhalen: de Duitsers die op 23 oktober 1944, bij hun aftocht toren en het grootste deel van de kerk de lucht in bliezen, niet zozeer uit wraak voor het gedwongen vertrek uit bezet gebied, maar ook en vooral omdat de toren van vitaal strategisch belang was: als je helemaal boven op de tippen van je tenen ging staan, kon je bij wijze van spreken Hitlers bunker in Berlijn zien. Ongeveer toch: vanaf de toren zag je toch tot het Kempisch Kanaal in de buurt van Rijkevorsel, tot de Turnhoutse Vaart, zoals ik in een folder lees. Maar nu staat hij er al vijftig jaar weer.


Dikwijls heb ik me afgevraagd hoe zo'n immense toren juist in Hoogstraten werd gebouwd. Hij is 105 m hoog, de twee hoogste toren van de provincie Antwerpen, na die van de Kathedraal, de hoogste bakstenen toren van het land. 't Is toch wat. Hoogstraten werd in 1210 tot 'Stad en Vrijheid' uitgeroepen, net zoals Arendonk, en twee jaar vroeger dan Turnhout (1212), maar Hoogstraten is altijd een dorp gebleven, zoals Arendonk overigens; alleen Turnhout heeft het in de Noorderkempen tot provinciestad(je) geschopt. Maar onze Sint Pieterskerk heeft zo geen toren, is geen monument met de allure van de Sint Katharinakerk. In Hoogstraten kwam er dan ook adel aan te pas: de eerste graaf en gravin van Hoogstraten, Antoon de Lalaing en Elisabeth van Culemborg gaven ze de 'Stad en Vrijheid' ten geschenke. Wat een gulheid zonder meer? Nou, nee, niet echt. Het bouwwerk is opgericht als grafkerk voor de schenkers, die deden wat de farao's in Egypte met piramides deden: zich de tocht naar het andere leven en het andere leven zelf verzekeren. Ze hebben dan ook hun praalgraf in het hoogkoor, vlak voor het pre-conciliaire altaar. Nog een vraag: hoeveel arbeiders zijn tijdens de bouw van de stellingen gevallen, eerst een langgerekte 'A' en dan met een platte smak de 'Z' van zerk zonder meer. Het aantal doden ten gevolge wordt nergens vermeld, het aantal bakstenen is wel bekend.

Maar graaf en gravin gaven in 1524 de opdracht aan bouwmeester Rombout Keldermans: niet de kleinste jongen in die tijden en in onze contreien. Voor het hele gebouw werden meer dan vijf miljoen bakstenen gebruikt: het wordt dan ook niet ten onrechte' le triomphe de la brique' genoemd. Op 40 m hoogte zie je de letters 'A' (van Antoon de Lalaing) en 'Y' van Elisabeth (of Ysabeau) van Culemborg. En op 56 m (hoger volgens mij) zie je het jaartal 1546, het einde van de bouwwerken. Bijna 400 jaar later uit wanhoop en om het vege lijf te redden 'gesprengt', en dan weer 14 jaar later opnieuw voltooid. Het Rijke roomse Leven uit die tijd deed er ongetwijfeld veel toe, maar dan nog: het is een niet geringe prestatie, voor de Hoogstratenaren iets om trots op de zijn, ook op op kerk en toren. Ik vind het heel mooi dat hij er voor mij in volle glorie altijd heeft gestaan, altijd, ook al ben ik zijn vijftigste verjaardag gaan 'vieren'.

Pour la petite histoire: waar ik Hoogstraten ook eens tegenkwam? In Marieken van Nieumeghen, mirakelspel uit het begin van de zestiende eeuw. Moenen (de duivel) en Emmeken (de verliefde, verleide onschuld) zitten plezier te maken in een Antwerpse kroeg (De Gulden Boom), de duivel schept op over de vele talenten van zijn liefje, die haar kunsten niet zo graag vertoont. Maar de andere kroeglopers dringen aan en Moenen zegt tot Marieken:

'Dat refereinken, dat ghi gisteren maaktet,
Doen wi ons noenmaal deden te Hoogstraten,
Zegt hem lieden datte.'

Hoogstraten ligt of lag op de weg van 's Hertogenbosch naar Antwerpen, vandaar.

Terug naar 't verhaaltje: zij voegt de daad bij het woord, of het woord bij het woord, en ze begint een refrein (drie strofen en een envoi) voor te dragen over de 'Rethorijke', de dichtkunst dus. De stocregel luidt:'Door d'onkonstige gaat die konste verloren'. Met andere woorden: door diegenen die er niets van kennen of kunnen, gaat de kunst achteruit. Maar dat alles gebeurt in een Antwerpse kroeg, een eind van Hoogstraten. Na het gedicht slaagt de duivel erin een vechtpartij uit te lokken, waarbij twee doden vallen: twee zielen voor de hel! En dat is dus een eind van de Sint Katharinakerk, die staat voor deugd, vroomheid en het ware geloof en het eeuwig leven. Met ons Marieken is alles nog goed gekomen - het is dan ook een mirakelspel - en met Kerk en toren van Hoogstraten dus ook. Maar dat is mensenwerk, de wederopbouw van die kerk.

Naar de voor-tijd: Hürtgenwald


Drie onbekende Duitse soldaten


Francis Dempele (USA), Richard Quick (USA), ein unbekannter deutscher Soldat


Henri-Chapelle: American War Cemetery


Ruhrtalsperre Schwammenauel

Voor een paar dagen mee naar Duitsland geweest, op uitnodiging van Andrea Caethoven en haar man Roger Truyens, allebei leeftijdgenoten van me. Naar Duitsland dus, eventjes ten zuidoosten van Aken, naar de tijd die wij niet meegemaakt hebben, maar die tot in zowat 1958 in uitgesteld relais deel uitmaakte van mijn jeugd: de jaren 40 heb ik een decennium later beleefd, heb ik nog wel eens beweerd.

Roger interesseert zich nogal voor de krijgsverrichtingen van de op zijn einde lopende Tweede Wereldoorlog, en wil me het 'war theatre' van de Slag om Hürtgenwald laten zien, tenminste wat de oorlog daar achtergelaten heeft en hoe de streek er nu, meer dan zestig jaar later, uitziet. Die Slag om Hürtgenwald moet zo nogal iets geweest zijn: hij heeft geduurd van half september '44 tot begin februari '45, de Amerikanen hebben tijdens die gevechten naar verluidt 57.000 man verloren (er bestaan ook minder rampzalige cijfers), de Duitsers 15.000: in ieder geval aantallen waar je stil van wordt. De Duitsers hebben hun huid duur verkocht, en na de landing in Normandië in juni '44 is hun verbetenheid en hun moed der wanhoop alleen maar toegenomen. Dat er zoveel Amerikanen zijn gevallen ligt aan de omstandigheid dat de strijd werd gevoerd in een uitgestrekt woud, waar vliegtuigen en Shermantanks van weinig nut waren, en waar de Duitsers zich makkelijker konden verdedigen. En dat deden ze totterdood: ze beleefden daar het eerste binnendringen van het 'Vaterland', en dat wilden ze natuurlijk met alle macht verdedigen. Het heeft ten slotte niet mogen baten.

Wat je nu nog ziet: nieuw aangeplante bossen, want de oude waren finaal in spaanders geschoten, hier en daar een recent geplaatst graf naast een bosweg, van soldaten die pas veel later zijn opgegraven (1976), zoals dat van een onbekende Duitser en twee met name bekende Amerikaanse soldaten: na de waanzin verenigd in de vrede van de dood. Je ziet overblijfselen van de Siegfriedlinie, of Westwall: met mos begroeide drakentanden, van keihard beton. Allesbehalve mooi, maar ze opruimen kost klaarblijkelijk te veel, en hun aanwezigheid herinnert aan dingen die we beter niet nog eens doen. Zinnige littekens in het landschap zijn het.

En je ziet soldatenkerkhoven. Ein Ehrenfriedhof heet zo'n plaats in het Duits: het klinkt me behoorlijk respectvol, maar tezelfdertijd iets te idyllisch in de oren. Die Friedhöfe zijn wel erg sober: tegels met twee namen erop duiden een graf aan, of twee bruine, houten kruisen, schouder aan schouder, bewaken drie onbekende Duitsers. Later op de dag, terug in België, zien we het Amerikaanse War Cemetery van Henry-Chapelle. De sfeer is hier evenmin triomfalistisch, God beware, maar de ingetogenheid heeft een kleur gekregen: de witte kruisen van de overwinnaars springen in de natuur meer naar voren.

De Slag om Hürtgenwald is al bij al redelijk onbekend gebleven: op Wikipedia wordt hij 'de "vergeten" slag' genoemd. Waaraan dat zou liggen? Hij kwam vlak na de Slag om Arnhem en vlak voor het Von Rundstedtoffensief, het Ardennenoffensief in het Nederlands. En de Amerikanen hebben er zoveel verliezen moeten incasseren, dat ze er ook liever niet aan herinnerd worden. Het was een duur bevochten zege.

Wat ik die dag na zo'n veertig jaar ook teruggezien heb: de Schwammenauelsee (Ruhrtalsperre Schwammenauel), met 'Grosses Strand' en 'Schönste Sicht': dat is mooi zonder meer, en het hoeft niet altijd en overal verleden kommer en kwel te zijn. Maar een dag besteden aan dingen die niet vergeten horen te zijn: daar is niets mis mee, integendeel.

meer informatie:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_om_H%C3%BCrtgenwald