Als er een gebouw uniek is in Blankenberge, dan wel de Pier: het is overigens de enige pier aan de Belgische kust. In Scheveningen staat er ook een, maar het construeren van dergelijke wandelhoofden komt uit Engeland, waar een van de eerste, die van het eiland Wight, al in 1814 werd gebouwd. Op het vasteland moeten we wachten tot op het einde van de negentiende eeuw: de eerste Blankenberge Pier dateert van 1894, uit de tijd toen het toerisme in de kustplaats tot bloei kwam, in volle Belle Epoque. Het was een gietijzeren constructie met veel krullen en versieringen: de Jugendstil liet zijn invloed gelden. Van die eerste pier kun je in het Belle Epoque Centrum een prachtig beeld, een affiche eigenlijk zien. Die hing trouwens ook op mijn kamer in de Floréal. En zoals het voor de beter standen in het België van die dagen betaamde, had hij een fatsoenlijke Franse naam: 'Blankenberghe (Belgique)' ging prat op zijn 'Jetée-promenade'. Het bouwwerk werd helaas in 1914 door de Duitsers in brand gestoken, want die lui wilden de vijand natuurlijk geen aanlegsteiger cadeau doen.
La Jetée-promenade uit 1894
De ruïne was na de oorlog niet echt een aantrekkingspool, en de stad besluit in 1930 een nieuwe pier te bouwen, in beton deze keer, een nieuw materiaal. In 1933 werd hij geopend, dit jaar exact 80 jaar geleden: hij is nu het 'landmark' van de stad.Hij moet onmiddellijk in de smaak gevallen zijn: op de Rogierlaan zie ik een Jugendstilterras versierd met de bekende geglazuurde tegels, maar hier geen sierlijke vogels en bloemen, of een charmant natuurtafereel: de pier is het onderwerp, de nieuwe trots van de stad!
Strandcabines en de pier van Blankenberge in de jaren dertig
De nieuwe, pas tien jaar oude pier heeft de Tweede Wereldoorlog netjes overleefd: dat is te danken aan een Duitse sergeant, ene Karl Heinz Keselberg, die het bevel om hem te vernietigen staalhard negeerde. Zo kun je natuurlijk geen oorlog winnen, maar het monument bleef overeind. In de loop der jaren zijn er nog wel restauratiewerken uitgevoerd - betonrot werd vastgesteld - maar de pier staat er nog altijd in zijn volle glorie! En ondertussen en zeer terecht is het gebouw door Monumenten en Landschappen beschermd; hij heet overigens nu officieel de 'Belgium Pier', want Blankenberge gaat kennelijk internationaal. En dan is Nederlands wat te min, toch?
De Pier anno nu
woensdag 7 augustus 2013
donderdag 18 juli 2013
Wortel: Peter Eyckens en Sint Jan de Doper
Je kunt de parochiekerk van Wortel dus niet in: de deuren die er toegang toe geven zijn altijd netjes op slot, maar je kunt wel redelijk on gehinderd naar binnen kijken. Dan zie je een barok hoogaltaar: ineens zitten we in de zeventiende eeuw, toen in de kerken hier te lande het interieur vernieuwd moest worden. Het zal wel niet zo zijn dat in alle godshuizen alles aan diggelen was geslagen - ten minste, dat vermoed ik - maar de Contrareformatie wilde het oude vertrouwde geloof met alle macht en middelen verkondigen, in een glorierijke barokstijl. Zulke altaren zijn bij ons vrij gewoon: gedraaide zuilen, twee heiligen, en man en een vrouw, met elk een kind, in de hoogte twee engeltjes boven een groot schilderij dat evident Johannes de Doper voorstelt. De Wortelnaar uit die tijden en later moet zich behoorlijk geïmponeerd gevoeld hebben.
Het barokke hoogaltaar
Centraal in dat hoogaltaar is een schilderij te zien van ene Peter Ykens, mij onbekend, dat Johannes de Doper voorstelt. Eigenaardige familienaam dacht ik, maar je vindt hem ook met de spelling Eyckens, en dan klinkt het al veel vertrouwder. De man is geboren in het jaar 1648, het jaar van de Vrede van Westfalen, het verdrag waarmee de Tachtigjarige Oorlog beëindigd werd en dat de scheiding tussen de Noordelijk en Zuidelijke Nederlanden officieel maakte en er de oorzaak van was dat de Contrareformatie hier met inzet van alle krachten zijn gang kon gaan. Daar heeft Peter Eyckens dan ook zijn rol in gespeeld; hij had enige naam in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Getuige daarvan een artikel over hem in een boek, geschreven door ene Jean-Baptiste Descamps, met de titel 'Pierre Eyckens le Vieux': er moet dus nog een junior zijn. Je leest daarin dat hij 'parmi les grands peintres de cette école' (Vlaamse barok allicht) bekend was, dat hij zelfs klaar was om naar Rome te reizen, maar 'prêt à partir pour Rome, l'amour l'arrêta, il se maria'. Op dat ogenblik lijkt me dat niet echt een tragisch kunstenaarsleven.
Maar zijn Johannes de Doper in Wortel dan. Typisch barok dus, Johannes zijn emplooi uitoefenend met nogal wat mensen vlak bij zich. Links staan twee figuren in zeventiende-eeuwse klederdracht: de opdrachtgevers zou ik denken, maar wie deze man en vrouw zijn, is mij onbekend. Voor hen zit een vrouw met kind - een engeltje misschien, want hij lijkt me aan zijn linkerschouder een vleugeltje te hebben. Christus kan het niet zijn, want die is als volwassene gedoopt en de vrouw zelf is ook helemaal geen Maria of Madonna. Rechts van Johannes zit nog een jongedame vol ontzag de Doper aan te kijken: al die mensen zitten een van de kardinale punten van het katholicisme te bewonderen: de doop. De boodschap is zonder meer duidelijk. Het is een schilderij waar veel op te zien is - schapen en een ram staan er ook op: alleen zou het leuk zijn het eens van dichterbij te bekijken, want het is vast en zeker geen werk van een klungelaar.
Zeer merkwaardig vind ik het dat in het kleine Wortel een dergelijk doek zomaar in de kerk hangt: het is een werk, een bezit om trots op te zijn.
Het barokke hoogaltaar
Centraal in dat hoogaltaar is een schilderij te zien van ene Peter Ykens, mij onbekend, dat Johannes de Doper voorstelt. Eigenaardige familienaam dacht ik, maar je vindt hem ook met de spelling Eyckens, en dan klinkt het al veel vertrouwder. De man is geboren in het jaar 1648, het jaar van de Vrede van Westfalen, het verdrag waarmee de Tachtigjarige Oorlog beëindigd werd en dat de scheiding tussen de Noordelijk en Zuidelijke Nederlanden officieel maakte en er de oorzaak van was dat de Contrareformatie hier met inzet van alle krachten zijn gang kon gaan. Daar heeft Peter Eyckens dan ook zijn rol in gespeeld; hij had enige naam in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Getuige daarvan een artikel over hem in een boek, geschreven door ene Jean-Baptiste Descamps, met de titel 'Pierre Eyckens le Vieux': er moet dus nog een junior zijn. Je leest daarin dat hij 'parmi les grands peintres de cette école' (Vlaamse barok allicht) bekend was, dat hij zelfs klaar was om naar Rome te reizen, maar 'prêt à partir pour Rome, l'amour l'arrêta, il se maria'. Op dat ogenblik lijkt me dat niet echt een tragisch kunstenaarsleven.
Maar zijn Johannes de Doper in Wortel dan. Typisch barok dus, Johannes zijn emplooi uitoefenend met nogal wat mensen vlak bij zich. Links staan twee figuren in zeventiende-eeuwse klederdracht: de opdrachtgevers zou ik denken, maar wie deze man en vrouw zijn, is mij onbekend. Voor hen zit een vrouw met kind - een engeltje misschien, want hij lijkt me aan zijn linkerschouder een vleugeltje te hebben. Christus kan het niet zijn, want die is als volwassene gedoopt en de vrouw zelf is ook helemaal geen Maria of Madonna. Rechts van Johannes zit nog een jongedame vol ontzag de Doper aan te kijken: al die mensen zitten een van de kardinale punten van het katholicisme te bewonderen: de doop. De boodschap is zonder meer duidelijk. Het is een schilderij waar veel op te zien is - schapen en een ram staan er ook op: alleen zou het leuk zijn het eens van dichterbij te bekijken, want het is vast en zeker geen werk van een klungelaar.
Zeer merkwaardig vind ik het dat in het kleine Wortel een dergelijk doek zomaar in de kerk hangt: het is een werk, een bezit om trots op te zijn.
Wortel: Sint-Jan-de-Doperkerk
In Hoogstraten en zijn deelgemeenten staan een paar zeer bezienswaardige kerken: die van het 'stadje met smaak' is meer dan bekend genoeg, dan is er nog de begijnhofkerk gewijd aan Sint Jan de Doper, in Meerle heb je de Sint-Salvatorkerk waaraan een van de Keldermansen nog meegewerkt heeft, en Wortel mag best prat gaan op zijn parochiekerk, nog een heiligdom me de naam van Sint Jan de Doper. Aan die kerk werd rond 1425 begonnen, de toren in 1429 voltooid: oud genoeg om authentiek te zijn. 'De sobere gotiek hoort thuis in de zogenaamde Kempische gotiek' lees ik ergens. Heel groot is het gebouw niet - Wortel is ook maar een klein dorp - en je kunt er ook niet echt binnen. In het portaal wel, en daar kun je lezen dat de kerk op dit ogenblik gerestaureerd wordt, en dat dat inderdaad nodig is, bewijst een plek op de muur rechts als je binnenkomt: daar is een behoorlijk stuk bepleistering gewoon verdwenen.
Wortel, kerk van Sint Jan de Doper
Restauratie geboden
Het gebouw heeft een echt indrukwekkende toren: niet dat hij zo hoog is - 35 meter - maar hij heeft een vierkante basis van acht bij acht meter, en de muren zijn 1,20 meter dik. Die toren is zo stoer en massief dat je hem wel romaans zou noemen, maar hij komt dus uit de vijftiende eeuw en zijn galmgaten hebben spitsbogen. Je zou haast zeggen dat hij een uiting is van een soortement Kempisch karakter, maar dat is natuurlijk 'hineininterprätieren'.
De massieve, stoere toren.
Aan de linkerkant van de toren kun je een bekende plaatselijke eigenaardigheid zien: er zit een kanonskogel in die muur, netjes aangevoegd na zijn niet al te verwoestende impact. Hoe die kogel daar aanbeland is, daar zijn verhalen over. Een vertelt over de belegering van het kasteel van Hoogstraten door de Spanjaarden, in 1603, maar volgens Jan Huijbrechts, iemand die ik verder niet ken, is dat gewoon onmogelijk: de vuurkracht was toentertijd nog niet zo groot om de afstand tussen Hoogstraten-kasteel - Wortel-kerk te overbruggen. Hij is ervan overtuigd dat de kogel op 11 januari 1814 afgevuurd is door de Fransen bij een poging om de oprukkende Pruisen, die uit Wortel kwamen, tot staan te brengen. Hier begon - als ik dat zo mag stellen - de zwanenzang van Napoleon! Anderhalf jaar later werd zijn regime in Waterloo met wortel en tak uitgeroeid. Wortel - Waterloo, die twee 'wees': da's de goddelijke voorzienigheid, of puur toeval, of misschien klinkklare onzin. Maar volgend jaar horen die van Wortel op zijn minst 'Kogelfeesten' te houden: 200 jaar een beroemde muur, dat is wat! Af te sluiten met een groot volks kanonbal! (Bron, partim: Erfgoedbank Hoogstraten)
Napoleons zwanenzang: proloog
Ondertussen is het wel zo dat kerk met het kerkhof en de omgeving een beschermd landschap zijn. En terecht, zeker weten! Vanuit de nabije Kempen: vaut le petit voyage!
Wortel, kerk van Sint Jan de Doper
Restauratie geboden
Het gebouw heeft een echt indrukwekkende toren: niet dat hij zo hoog is - 35 meter - maar hij heeft een vierkante basis van acht bij acht meter, en de muren zijn 1,20 meter dik. Die toren is zo stoer en massief dat je hem wel romaans zou noemen, maar hij komt dus uit de vijftiende eeuw en zijn galmgaten hebben spitsbogen. Je zou haast zeggen dat hij een uiting is van een soortement Kempisch karakter, maar dat is natuurlijk 'hineininterprätieren'.
De massieve, stoere toren.
Aan de linkerkant van de toren kun je een bekende plaatselijke eigenaardigheid zien: er zit een kanonskogel in die muur, netjes aangevoegd na zijn niet al te verwoestende impact. Hoe die kogel daar aanbeland is, daar zijn verhalen over. Een vertelt over de belegering van het kasteel van Hoogstraten door de Spanjaarden, in 1603, maar volgens Jan Huijbrechts, iemand die ik verder niet ken, is dat gewoon onmogelijk: de vuurkracht was toentertijd nog niet zo groot om de afstand tussen Hoogstraten-kasteel - Wortel-kerk te overbruggen. Hij is ervan overtuigd dat de kogel op 11 januari 1814 afgevuurd is door de Fransen bij een poging om de oprukkende Pruisen, die uit Wortel kwamen, tot staan te brengen. Hier begon - als ik dat zo mag stellen - de zwanenzang van Napoleon! Anderhalf jaar later werd zijn regime in Waterloo met wortel en tak uitgeroeid. Wortel - Waterloo, die twee 'wees': da's de goddelijke voorzienigheid, of puur toeval, of misschien klinkklare onzin. Maar volgend jaar horen die van Wortel op zijn minst 'Kogelfeesten' te houden: 200 jaar een beroemde muur, dat is wat! Af te sluiten met een groot volks kanonbal! (Bron, partim: Erfgoedbank Hoogstraten)
Napoleons zwanenzang: proloog
Ondertussen is het wel zo dat kerk met het kerkhof en de omgeving een beschermd landschap zijn. En terecht, zeker weten! Vanuit de nabije Kempen: vaut le petit voyage!
dinsdag 16 juli 2013
Een aalscholver
Twee jaar geleden heb ik in het Zwin aalscholvers gezien: moeilijk is dat daar niet, want 's middags om drie uur worden de ooievaars er gevoederd, en de aalscholvers willen natuurlijk hun vers visje meepikken. Een van mijn vrienden, die nogal eens in de buurt van Geel langs de kanalen gaat fietsen, heeft of had geregelde ontmoetingen met de vogel, hij had een zelfs een naam gegeven: Karel heette hij. Maar mij was dat nog nooit overkomen. Tot gisteren in Turnhout: tussen de fietsbrug en de vroegere gebouwen van Anco zwom er een. Natuurlijk wil je hem dan op de foto, maar net toen ik afdrukte, dook hij, en aan rimpelingen op het wateroppervlak heb je ook niets. Die moet wel weer opduiken, dacht ik, geduld dus. Ook dat viel tegen: na een tijdje kwam hij 20-25 meter verder weer boven: lange adem hebben die dieren! Dat herhaalde zich een keer of vier: hij was op jacht, zocht zijn middagmaal: hij leeft van levende vis, en hij kan er kennelijk per dag heel wat op! Toen hij ten slotte opvloog, dacht ik hem te hebben. Dat was ook zo, maar de foto was dan weer niet scherp: er zijn bekwamere fotografen moest ik vaststellen. Onderstaande opnamen zijn dan ook van het net geplukt.
Zwemmende aalscholver
Wat opvalt, is dat de vogel diep in het water ligt: het grootste deel van zijn lijf zie je niet. En zwart is hij, de aalscholver, met een gele bek, dacht ik te zien, maar geel is alleen de aanhechting van die bek. Behoorlijk groot ook: tussen 80 cm een 1 m kan hij worden, en toen hij opvloog, verrasten mij zijn vleugels: die kunnen een spanwijdte hebben van 1,20 tot bijna 1,50 m.
Volwassen aalscholver te land
Ik lees ergens dat er in Vlaanderen zo'n 600 aalscholverparen zouden broeden: eerder zeldzaam zijn ze dus, je ziet ze niet zo vaak als mussen en merels. Er een spotten is natuurlijk ook geen wereldgebeurtenis, maar als ik er een tegenkom vlak bij de stad, dan vind ik dat wel iets. De aalscholver is dan wel zwart, maar hij heeft gisteren toch mijn dag gekleurd. Voor een stadsmens die interesse heeft voor de natuur, is hem zo onverwachts zien toch opmerkelijk.
Zijn jachtgebied bespiedend
Zwemmende aalscholver
Wat opvalt, is dat de vogel diep in het water ligt: het grootste deel van zijn lijf zie je niet. En zwart is hij, de aalscholver, met een gele bek, dacht ik te zien, maar geel is alleen de aanhechting van die bek. Behoorlijk groot ook: tussen 80 cm een 1 m kan hij worden, en toen hij opvloog, verrasten mij zijn vleugels: die kunnen een spanwijdte hebben van 1,20 tot bijna 1,50 m.
Volwassen aalscholver te land
Ik lees ergens dat er in Vlaanderen zo'n 600 aalscholverparen zouden broeden: eerder zeldzaam zijn ze dus, je ziet ze niet zo vaak als mussen en merels. Er een spotten is natuurlijk ook geen wereldgebeurtenis, maar als ik er een tegenkom vlak bij de stad, dan vind ik dat wel iets. De aalscholver is dan wel zwart, maar hij heeft gisteren toch mijn dag gekleurd. Voor een stadsmens die interesse heeft voor de natuur, is hem zo onverwachts zien toch opmerkelijk.
Zijn jachtgebied bespiedend
zondag 30 juni 2013
Rockoxhuis: Het Gulden Cabinet
Het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen is, zoals geweten, al geruime tijd in handen van restaurateurs, en dat zal nog een tijdje duren. Maar delen uit de collectie worden gelukkig elders getoond: in Lier en Mechelen, in Antwerpen zelf in de Fabiolazaal, maar ook in het Rockoxhuis. Die tentoonstelling heet 'het Gulden Cabinet', en daar kun je 'topwerken uit de West-Europese kunst van de veertiende tot en met de zeventiende eeuw' zien, zoals de bezoekersgids dat formuleert. Overigens is die gids een prachtig en handzaam boekwerkje: het ziet er zo patent en degelijk uit dat je vraagt hoeveel dat mag kosten, en dan blijkt dat je het gratis mee mag nemen. Het is zowat een complete catalogus op mini-formaat.
Jan van Eyck: De Heilige Barbara
Een werk dat ik helemaal niet kende, is de 'Madonna bij de fontein' uit 1439: het is eerder klein, maar het heeft dezelfde zin voor detail en nauwkeurigheid als een groot doek als 'Moeder en kind met kannunik Van der Paele': Van Eyck nam zijn kleinere werken of opdrachten even serieus op als de zeer belangrijke: je ziet dezelfde plantenweelde, een rijkelijk brokaatweefsel, de engelen die dat dan vasthouden, dezelfde weelderige plooienval in het kleed van Maria: ik vind het gewoon prachtig.
Jan van Eyck: Madonna bij de fontein
Van Joachim Patinir hangt er een mooi landschap dat echter de titel draagt 'De Heilige Christoffel draagt het Jezuskind'. Die zie je dan ook op de voorgrond, maar in het geheel van het schilderij zijn zij niet de hoofdzaak: dat is wel het rijkelijk gestoffeerd landschap. Patinir lijkt hier wel te willen uitpakken met alles wat hij in zijn mars heeft: een levendige wolkenhemel met wit de de blik in de verte trekt, een rivier met schepen, rechts een stad met burcht, links een kerkje voor een rotsmassief. Het is niet voor niets dat Albrecht Dürer hem 'der gut landschaft maler' noemde, zoals je in de gids kunt lezen.
Joachim Patinir: De Heilige Christoffel draagt het Jezuskind
Het werk deed me nog denken aan 'De val van Icarus' van Pieter Brueghel': dat is ook geschilderd in vogelperspectief, maar de verdrinkende Icarus is hier een te verwaarlozen detail: en de boer, hij ploegde voort, de wereld draait gewoon door. Sint Christoffel is bij Patinir dan toch nog iets belangrijker. Overigens zal het bekend zijn dat 'Icarus' niet langer als een werk van Breughel beschouwd wordt.
De val van Icarus
Patinir leefde eind vijftiende, begin zestiende eeuw en is al een renaissancemens: hij schildert een profaan werk, maar geeft het nog wel een religieuze titel mee. Een mens kon wat dat betreft toen beter op zijn tellen passen.
Van die veertiende eeuw heb ik niet veel ontdekt, maar de eeuw van de Vlaamse Primitieven, de vijftiende, is met echt grote namen vertegenwoordigd: Jan van Eyck met de beroemde tekening van de 'Heilige Barbara van Nicodemië': de heilige zit op de voorgrond, voor een gotische kerktoren in aanbouw, waarrond een middeleeuwse bouwwerf. Volgens de bezoekersgids is dit 'het oudste onvoltooid gebleven paneel in de schilderkunst van de Nederlanden'. De lucht naast de toren is inderdaad al blauw geschilderd, en daaronder zie je het groen-bruin van de bossen en de natuur. Op de originele lijst kun je lezen: 'IOHES DE EYCK ME FECIT 1437': echtheid gegarandeerd.
Jan van Eyck: De Heilige Barbara
Een werk dat ik helemaal niet kende, is de 'Madonna bij de fontein' uit 1439: het is eerder klein, maar het heeft dezelfde zin voor detail en nauwkeurigheid als een groot doek als 'Moeder en kind met kannunik Van der Paele': Van Eyck nam zijn kleinere werken of opdrachten even serieus op als de zeer belangrijke: je ziet dezelfde plantenweelde, een rijkelijk brokaatweefsel, de engelen die dat dan vasthouden, dezelfde weelderige plooienval in het kleed van Maria: ik vind het gewoon prachtig.
Jan van Eyck: Madonna bij de fontein
Van Joachim Patinir hangt er een mooi landschap dat echter de titel draagt 'De Heilige Christoffel draagt het Jezuskind'. Die zie je dan ook op de voorgrond, maar in het geheel van het schilderij zijn zij niet de hoofdzaak: dat is wel het rijkelijk gestoffeerd landschap. Patinir lijkt hier wel te willen uitpakken met alles wat hij in zijn mars heeft: een levendige wolkenhemel met wit de de blik in de verte trekt, een rivier met schepen, rechts een stad met burcht, links een kerkje voor een rotsmassief. Het is niet voor niets dat Albrecht Dürer hem 'der gut landschaft maler' noemde, zoals je in de gids kunt lezen.
Joachim Patinir: De Heilige Christoffel draagt het Jezuskind
Het werk deed me nog denken aan 'De val van Icarus' van Pieter Brueghel': dat is ook geschilderd in vogelperspectief, maar de verdrinkende Icarus is hier een te verwaarlozen detail: en de boer, hij ploegde voort, de wereld draait gewoon door. Sint Christoffel is bij Patinir dan toch nog iets belangrijker. Overigens zal het bekend zijn dat 'Icarus' niet langer als een werk van Breughel beschouwd wordt.
De val van Icarus
Patinir leefde eind vijftiende, begin zestiende eeuw en is al een renaissancemens: hij schildert een profaan werk, maar geeft het nog wel een religieuze titel mee. Een mens kon wat dat betreft toen beter op zijn tellen passen.
zaterdag 29 juni 2013
Goya: Los Ensacados
Los ensacados
Een bijzondere ets uit 'Los Proverbios' vind ik 'Los ensacados', letterlijk 'diegenen die in de zak gezet zijn'. In informeel Belgisch-Nederlands taalgebruik betekent dat 'bedriegen', - ik weet niet of een dergelijke uitdrukking in het Spaans bestaat, het moet haast wel, zou ik denken - maar hier is meer aan de hand: Goya's mensen in zakken zijn compleet machteloos. Alleen hun hoofd is zichtbaar, hun handen kunnen ze niet gebruiken, de zak is om hun hals netjes dichtgeknoopt, ze zitten letterlijk gevangen en aan ontsnappen is niet te beginnen: ze zijn echt wel zeer fundamenteel bedrogen en bedot. Deze gevangenen - mannen en vrouwen - hebben geen lelijke, misvormde en afstotelijke gezichten zoals in veel etsen van Goya: hij lacht ze niet uit, bespot ze niet, integendeel hij respecteert ze. Ze zien er normaal uit, maar dan wel zeer bang en gelaten. Het is het gewone volk, geknecht, verdrukt en weerloos gemaakt door vorst en kerk en staat.
Goya vertrekt natuurlijk van situaties uit zijn tijd, maar hij slaagt er telkens weer in ze over diezelfde tijd te tillen: een groot kunstenaar is hij.
dinsdag 18 juni 2013
Goya: Los proverbios (Art Center Hugo Voeten)
Ik blijf mij erover verbazen dat je in de Kempen etsen van Goya kunt gaan bekijken: de eerste keer was dat in 2004 in het Jakob Smits Museum in Mol (Sluis) met 'Los Desastres de la Guerra', en nu met 'Los Proverbios' in 'Art Center Hugo Voeten' in Herentals. Dat zijn werken van onbetwist topniveau: je zou wel gek zijn zulke kansen voorbij te laten gaan: na Mol ik dus naar Herentals, want als je de eerste tentoonstelling gezien hebt, wil je de twee zeker niet missen. Je weet van te voren dat het zeer de moeite zal zijn.
Er hangen onder ander een aantal etsen uit 'Los Capricios' (De grillen). Als je binnenkomt zie je meteen een zelfportret van Goya, en dat is meteen een voorbeeld van ironie: hij beeldt zichzelf af als een geslaagd burgerman, met hoge hoed en deftige kledij, maar dt was hij helemaal niet. De burgerij was samen met de kerk een van zijn geliefde mikpunten van meedogenloze spot.
Los Capricios nr. 1: Zelfportret
Ook 'Los Desastres de la Guerra' is met een paar etsen vertegenwoordigd. Nummer 39 laat drie gelynchte soldaten of rebellen zien: naakt zijn, dus onteerd tot en met, gefolterd en zoals de rechtse onthoofd en de armen afgehakt: 'de verschrikkingen van de oorlog' kunnen moeilijk nog indringender weergegeven worden. Overigens ging het om een veldtocht van Napoleon tegen Spanje, maar je kunt net zo goed aan Syrië denken, of aan eender welke oorlog: anekdotisch is de ets allerminst. Het bijtende sarcasme van Goya blijkt dan weer uit de titel.
Los Desastres 39: 'Grote heldendaad! Met doden!'
Dat sarcasme wordt cynisme in nummer 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf'. Op de voorgrond ligt al een gefusilleerde, tegen een paal wacht de volgende op zijn terechtstelling, en op de achtergrond heeft een derde soldaat dat lot net ondergaan: zijn lichaam is al voorover gezakt, maar het vuurpeloton heeft de geweren nog in aanslag. De moordmachine in volle gang! De houding van de schietende soldaten is zo terug te vinden in Goya's schilderij 'Dos de mayo', dat ook de meedogenloze wreedheid van de oorlog weergeeft.
Los Desastres 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf.'
Goya: Dos de mayo
De tentoonstelling heet 'Los Proverbios' (De spreekwoorden), een reeks die oorspronkelijk de titel 'Los Desparates' (De dwaasheden) droeg. Kennelijk waren in de eerste helft van de negentiende eeuw in deze etsen spreekwoorden te herkennen, maar over welke spreekwoorden het ging, daar is men nu niet ùmeer zeker van: 'Los disparates' lijkt nu nog zo'n slecht naam niet.
De ets die ook op de affiche van de tentoonstelling te zien is, heeft een dubbele titel: 'Wanordelijke dwaasheid' en 'Dwaasheid van het huwelijk'. Een man met een afzichtelijk gezicht en een vrouw, even schattig en met de borsten bloot, wat in deze tekening en in die tijd redelijk choquant moet zijn geweest, zijn aan elkaar geklonken, ze schijnen niet van elkaar los te kunnen, hoewel ze dat best wel willen. Mogelijk neemt Goya hier de praktijk van koppelaarsters op de korrel, en de bekrompenheid van de katholieke Spaanse maatschappij, waarin uit een huwelijk ontsnappen niet mogelijk was: op het einde van de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende was de Verlichting in het land nauwelijks doorgedrongen. De figuren die staan toe te kijken zijn ook allemaal om ter lelijkst: Goya doet vaak aan Jeroen Bosch, zelfs aan James Ensor denken
Wanordelijke dwaasheid - Dwaasheid van het huwelijk
In 'Que pico de Oro!' zit een papegaai op een houten schutsel, met een boek in zijn linkervleugel: een missaal of iets dergelijks. Van onderen rechts zit een priester vol overgave het dier te aanbidden, de figuren aan de linkerkant kijken even reikhalzend uit naar de vogel met de gouden bek. Eentje draagt een hoed: de betere burgerij neemt even onverdroten aan de aanbidding deel. De kwezelarij van het katholieke geloof wordt hier duidelijk te kijk gezet.
Que pico de Oro! -Wat een gouden bek!
'De waarheid is gestorven ' - die waarheid is een mooie jonge vrouw - klaagt dezelfde leugenachtigheid aan als de goud gebekte papegaai. Wel staat het volk er een beetje onthutst naar te kijken
De waarheid is gestorven
Of nog deze: een bange oude man probeert zijn twee geldbeugels goed vast en bij zich te houden, maar de burgerij die er geldbelust op staat te kijken en het af zal pakken, laat weten dat verbergen geen zin heeft: het geld zal toch zijn gewone weg gaan, en de oude man bedrogen, uitgebuit en aan zijn lot overgelaten worden. Een koude, harde, schijnheilige wereld etst Goya. Deze thema's zijn tweehonderd jaar later nog steeds actueel. En de teken- of etskunst van de Spanjaard is gewoon verbluffend. Niet te missen , noem ik dat.
Waarom ze verbergen?
Er hangen onder ander een aantal etsen uit 'Los Capricios' (De grillen). Als je binnenkomt zie je meteen een zelfportret van Goya, en dat is meteen een voorbeeld van ironie: hij beeldt zichzelf af als een geslaagd burgerman, met hoge hoed en deftige kledij, maar dt was hij helemaal niet. De burgerij was samen met de kerk een van zijn geliefde mikpunten van meedogenloze spot.
Los Capricios nr. 1: Zelfportret
Ook 'Los Desastres de la Guerra' is met een paar etsen vertegenwoordigd. Nummer 39 laat drie gelynchte soldaten of rebellen zien: naakt zijn, dus onteerd tot en met, gefolterd en zoals de rechtse onthoofd en de armen afgehakt: 'de verschrikkingen van de oorlog' kunnen moeilijk nog indringender weergegeven worden. Overigens ging het om een veldtocht van Napoleon tegen Spanje, maar je kunt net zo goed aan Syrië denken, of aan eender welke oorlog: anekdotisch is de ets allerminst. Het bijtende sarcasme van Goya blijkt dan weer uit de titel.
Los Desastres 39: 'Grote heldendaad! Met doden!'
Dat sarcasme wordt cynisme in nummer 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf'. Op de voorgrond ligt al een gefusilleerde, tegen een paal wacht de volgende op zijn terechtstelling, en op de achtergrond heeft een derde soldaat dat lot net ondergaan: zijn lichaam is al voorover gezakt, maar het vuurpeloton heeft de geweren nog in aanslag. De moordmachine in volle gang! De houding van de schietende soldaten is zo terug te vinden in Goya's schilderij 'Dos de mayo', dat ook de meedogenloze wreedheid van de oorlog weergeeft.
Los Desastres 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf.'
Goya: Dos de mayo
De tentoonstelling heet 'Los Proverbios' (De spreekwoorden), een reeks die oorspronkelijk de titel 'Los Desparates' (De dwaasheden) droeg. Kennelijk waren in de eerste helft van de negentiende eeuw in deze etsen spreekwoorden te herkennen, maar over welke spreekwoorden het ging, daar is men nu niet ùmeer zeker van: 'Los disparates' lijkt nu nog zo'n slecht naam niet.
De ets die ook op de affiche van de tentoonstelling te zien is, heeft een dubbele titel: 'Wanordelijke dwaasheid' en 'Dwaasheid van het huwelijk'. Een man met een afzichtelijk gezicht en een vrouw, even schattig en met de borsten bloot, wat in deze tekening en in die tijd redelijk choquant moet zijn geweest, zijn aan elkaar geklonken, ze schijnen niet van elkaar los te kunnen, hoewel ze dat best wel willen. Mogelijk neemt Goya hier de praktijk van koppelaarsters op de korrel, en de bekrompenheid van de katholieke Spaanse maatschappij, waarin uit een huwelijk ontsnappen niet mogelijk was: op het einde van de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende was de Verlichting in het land nauwelijks doorgedrongen. De figuren die staan toe te kijken zijn ook allemaal om ter lelijkst: Goya doet vaak aan Jeroen Bosch, zelfs aan James Ensor denken
Wanordelijke dwaasheid - Dwaasheid van het huwelijk
In 'Que pico de Oro!' zit een papegaai op een houten schutsel, met een boek in zijn linkervleugel: een missaal of iets dergelijks. Van onderen rechts zit een priester vol overgave het dier te aanbidden, de figuren aan de linkerkant kijken even reikhalzend uit naar de vogel met de gouden bek. Eentje draagt een hoed: de betere burgerij neemt even onverdroten aan de aanbidding deel. De kwezelarij van het katholieke geloof wordt hier duidelijk te kijk gezet.
Que pico de Oro! -Wat een gouden bek!
'De waarheid is gestorven ' - die waarheid is een mooie jonge vrouw - klaagt dezelfde leugenachtigheid aan als de goud gebekte papegaai. Wel staat het volk er een beetje onthutst naar te kijken
De waarheid is gestorven
Of nog deze: een bange oude man probeert zijn twee geldbeugels goed vast en bij zich te houden, maar de burgerij die er geldbelust op staat te kijken en het af zal pakken, laat weten dat verbergen geen zin heeft: het geld zal toch zijn gewone weg gaan, en de oude man bedrogen, uitgebuit en aan zijn lot overgelaten worden. Een koude, harde, schijnheilige wereld etst Goya. Deze thema's zijn tweehonderd jaar later nog steeds actueel. En de teken- of etskunst van de Spanjaard is gewoon verbluffend. Niet te missen , noem ik dat.
Waarom ze verbergen?
Abonneren op:
Posts (Atom)





