Net zoals verleden jaar zat ik ook deze 1ste januari eventjes aan zee: drie dagen Wenduine, niet in de stralende zon, maar wel in het begin van de volgende 366 hoopvolle en gelukkige dagen waarin alles weer eens beter wordt dan in het afgelopen jaar. Mijn dochter, haar vriend en mijn kleindochter vergezelden mij, of eerder ik hen, want aan hen heb ik het te danken dat ik de Noordzee nog eens bezig kan zien. Dat noem je dan een gelukkige start van het jaar: wie hoort mij klagen?
Steeds binnen zitten is natuurlijk geen optie, en een wandeling onder grijze wolken en in behoorlijk wat wind is ook een uitstap: wie hoort ons klagen? Dus wij naar de zeedijk. Het eerste wat ik tegenkom is een gedicht, preciezer een fragment van een gedicht van nog niet eens de eerste de beste: van Fernando Pessoa is het, een Portugees in het kille Noorden!
Ode Maritima (fragment)
O, de dauw over mijn opwinding!
De koelte van de nacht over mijn innerlijke oceaan!
Plotseling staat alles in mij voor een nacht op zee.
Vol van het enorme en zo menselijke mysterie van de nachtelijke golven.
De maan rijst aan de horizon
En als een traan ontwaakt in mij de blijde kindertijd.
Mijn verleden keert terug, als was die kreet der zeeën
Een geur, een stem, de echo van een lied
Dat mijn verleden aanriep
Om dat geluk dat ik nooit meer zal hebben.
Die waarheid staat daar te lezen: het geluk van de blije kindertijd komt nooit meer terug! In de zomer lees je dat gedicht misschien ook, maar de stralende zon en een helblauwe hemel lokken je het water in, op zoek naar dat geluk dat je nooit meer zal hebben.
Van de 'Ode Maritima' staan langs heel de Belgische kust 38 fragmenten in dijken en op staketsels. En als je dat nog niet genoeg vindt: je kunt er nog 65 vooral Nederlandstalige gedichten lezen: het moet niet altijd zonnebrandolie en Nivea zijn! Al van in 2004 kun je van deze teksten genieten: dat leer ik uit een artikel in 'De Tijd'.
Maar wij willen wandelen, hoewel dat soms een groot woord is: ik zit pontificaal in mijn scootmobiel, en de kleine Nona wordt door vader verplaatst en vervoerd in een bolderkar: kleine beentjes kunnen nog niet zo lang bewegen. En ze geniet ervan dat ze wat vertroeteld wordt: ouders ten dienste van, kindje kan zich uitleven, in en uit de bolderkar.
Bijna de boottrekkers van de Wolga
Nona leeft zich uit, in...
... en uit de bolderkar
Als ze een een massa strandzand op een hogere rij ziet liggen, - dat dient om tegen het nieuwe seizoen het strand weer op te hogen - is de kar plots te beperkt en te benepen: ze springt eruit en zet het op een hollen, boven op die hoge rij. Mama kan er achteraan, en zo blijft iedereen fit, en heeft iedereen plezier.
En zo beleeft Nona een klein deeltje van het geluk dat ze nooit meer zal hebben, maar dat zal ze zich later pas realiseren, zoals wij allemaal dat gedaan hebben. En daar word je dan weer melancholisch van.
O ja, hoe sterk was de wind op nieuwjaarsdag?
Zo stond de wind op nieuwjaarsdag!
Posts tonen met het label west-vlaanderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label west-vlaanderen. Alle posts tonen
zondag 5 januari 2020
zondag 29 juli 2018
Watou Kunstenfestival 2018 - II
Van Sigrid von Lintig (Duitsland, 1965) hangen er een zevental schilderijen uit haar reeks 'Schwimmer'. Daarop zie je mensen, hier een vrouw en een man, maar soms zijn het volgens de catalogus ook kinderen, die zich bewegen in en vooral onder het water: ze hebben geen badpakken aan, maar gewone kleren. De man draagt een zwarte lange broek en een wit hemd, de vrouw een witte rok en een zwarte beha: een beetje een spiegelbeeld is het. Wat vooral opvalt is de beweeglijkheid van deze twee mensen: telkens nemen ze een andere houding aan. Ondanks hun kleren beleven deze twee hun vrijheid, het water remt ze niet af, bedreigt hen niet, ze lijken hun bestaan wel te vieren in het water, en daar kan ik me wel iets bij voorstellen: tot voor een jaar was ik zelf een toegewijd zwemmer en dan weet je dat water deugd doet, een gevoel van geluk opwekt. Je moet anders maar eens bekijken hoe kinderen zich bijna letterlijk losbandig amuseren in het water. Wat mij in deze schilderijen ook zeer bevalt: von Lintig heeft in mijn ogen het levende water weergegeven, met zeer veel metier. Zeer aantrekkelijk vind ik deze werken.
Sigrid von Lintig, Schwimmer
In de catalogus worden deze 'Schwimmer' vergezeld van het bekende gedicht van Paul Snoek: 'Een zwemmer is een ruiter'. Dat luidt als volgt:
Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn eigen schepping omhelst,
en in het water kan men nooit alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.
Dat heeft Sigrid von Lintig eigenlijk geschilderd.
Het woord 'troost' heeft tal van afleidingen: troostrijk, troostvol, maar natuurlijk ook troosteloos. En kunstwerken die dat laatste uitstralen kom je op dit festival nog wel eens tegen: het leven is geen pretje, en ik vond dit festival dan ook behoorlijk ernstig. Een voorbeeld par excellence daarvan was voor mij 'Jessica' van Anton Cotteleer (België, 1974). Gekromd zit ze daar, hologig, expressieloos gezicht, zonder voeten, op haar schoot haar enig gezelschap een hondje dat ze streelt, maar dat ook niet echt op haar schijnt te reageren: hoe eenzaam kun je zijn. Diepe ellende wordt hier neergezet, en het maakt wel indruk, moet ik zeggen.
Anton Cotteleer, Jessica
Totaal anders is 'The colour of a dream I had' van Tanya Schultz (Australië, 1972). Niets dan pastelkleuren zie je, vormen die aan snoepgoed en ijsjes doen denken, maar ook aan speelgoed: veel zachtheid wordt hier opgewekt. Vlekken in gelijkaardige kleuren op de muren doen mij aan kinderkamers denken: dat verlangen naar de kindertijd bestaat natuurlijk ook, naar de tijd van ongecompliceerd geluk zonder zorgen en verantwoordelijkheid. Hoewel dat ook weer niet voor elk kind geldt. Maar hier zie ik toch 'het verloren paradijs'.
Tanya Schultz, The colour of a dream I had, 2018
Bij 'Somewhere' van Franz Schmidt (Duitsland, 1980) denkt iedereen natuurlijk aan 'Somewhere over the rainbow', een lied uit 1938 voor de film 'The Wizard of Oz' en dat door Judy Garland gezongen werd. En wat is er te zien 'voorbij de regenboog'? Onder andere:
'Well, I see trees of green and red roses too / I'll watch them bloom for
me and for you / And I think to myself / What a wonderful world.'
'Well, I see skies of blue and I see clouds of white / And the brightness of day / I like the dark / And I think to myself what a wonderful world.'
Dromen van een ideale wereld is dit, zorgenvrij en altijd gelukkig zijn we dan. Een puur romantische wens is dit, die nooit werkelijkheid zal en kan worden. Maar je kunt ondertussen wel naar de regenboog kijken.
De tekst van het lied staat niet bij het beeldhouwwerk: je ziet alleen de vrolijke kleuren, en daar kun je moeilijk down van worden.
Franz Schmidt, Somewhere, 2015
Watou 2018 vond ik overwegend ernstig, maar af en toe steekt enige blijdschap toch ook de kop op. het leven is inderdaad niet altijd lijden en kommer en kwel.
En ook van ernstige kunstwerken kun je genieten: de afwezigen, degenen die niet gaan kijken, hebben altijd ongelijk. Naartoe gaan dus!
Sigrid von Lintig, Schwimmer
In de catalogus worden deze 'Schwimmer' vergezeld van het bekende gedicht van Paul Snoek: 'Een zwemmer is een ruiter'. Dat luidt als volgt:
Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn eigen schepping omhelst,
en in het water kan men nooit alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.
Dat heeft Sigrid von Lintig eigenlijk geschilderd.
Het woord 'troost' heeft tal van afleidingen: troostrijk, troostvol, maar natuurlijk ook troosteloos. En kunstwerken die dat laatste uitstralen kom je op dit festival nog wel eens tegen: het leven is geen pretje, en ik vond dit festival dan ook behoorlijk ernstig. Een voorbeeld par excellence daarvan was voor mij 'Jessica' van Anton Cotteleer (België, 1974). Gekromd zit ze daar, hologig, expressieloos gezicht, zonder voeten, op haar schoot haar enig gezelschap een hondje dat ze streelt, maar dat ook niet echt op haar schijnt te reageren: hoe eenzaam kun je zijn. Diepe ellende wordt hier neergezet, en het maakt wel indruk, moet ik zeggen.
Anton Cotteleer, Jessica
Totaal anders is 'The colour of a dream I had' van Tanya Schultz (Australië, 1972). Niets dan pastelkleuren zie je, vormen die aan snoepgoed en ijsjes doen denken, maar ook aan speelgoed: veel zachtheid wordt hier opgewekt. Vlekken in gelijkaardige kleuren op de muren doen mij aan kinderkamers denken: dat verlangen naar de kindertijd bestaat natuurlijk ook, naar de tijd van ongecompliceerd geluk zonder zorgen en verantwoordelijkheid. Hoewel dat ook weer niet voor elk kind geldt. Maar hier zie ik toch 'het verloren paradijs'.
Tanya Schultz, The colour of a dream I had, 2018
Bij 'Somewhere' van Franz Schmidt (Duitsland, 1980) denkt iedereen natuurlijk aan 'Somewhere over the rainbow', een lied uit 1938 voor de film 'The Wizard of Oz' en dat door Judy Garland gezongen werd. En wat is er te zien 'voorbij de regenboog'? Onder andere:
'Well, I see trees of green and red roses too / I'll watch them bloom for
me and for you / And I think to myself / What a wonderful world.'
'Well, I see skies of blue and I see clouds of white / And the brightness of day / I like the dark / And I think to myself what a wonderful world.'
Dromen van een ideale wereld is dit, zorgenvrij en altijd gelukkig zijn we dan. Een puur romantische wens is dit, die nooit werkelijkheid zal en kan worden. Maar je kunt ondertussen wel naar de regenboog kijken.
De tekst van het lied staat niet bij het beeldhouwwerk: je ziet alleen de vrolijke kleuren, en daar kun je moeilijk down van worden.
Franz Schmidt, Somewhere, 2015
Watou 2018 vond ik overwegend ernstig, maar af en toe steekt enige blijdschap toch ook de kop op. het leven is inderdaad niet altijd lijden en kommer en kwel.
En ook van ernstige kunstwerken kun je genieten: de afwezigen, degenen die niet gaan kijken, hebben altijd ongelijk. Naartoe gaan dus!
donderdag 26 juli 2018
Watou - Kunstenfestival 2018 - I
Sinds een paar jaar ben ik vaste bezoeker van het Kunstenfestival van Watou: er is altijd interessant werk te zien. Dit jaar was het thema 'troost en verlangen', en dat kan op veel manieren vorm gegeven worden. Mijn eerste stopplaats is steeds de kerk van het dorp, nummer 10 van de tentoonstellingsruimtes.
Daar vind je '1000 cups', een werk van de Nederlander Casper Braat: het zijn even zovele bakjes troost. Je mag een van die mokken, die allemaal identiek zijn, mee naar huis nemen als je er een eigen kopje voor in de plaats zet. Dit kunstwerk is dus pas af op de laatste dag van het festival: dan zal de eentonigheid veranderd zijn in de diversiteit van mogelijk 1.000 verschillende mokken, koppen en zelfs Vlaamse tassen, als die dingen zo mogen heten. En dan zullen deze '1.000 cups' pas echt leven. Mooi moet dat worden!
Casper Braat, 1000 cups, met vooraan al enige diversiteit
Er hoort ook een gedicht van Sylvie Maria bij:
we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje
je weet wel
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.
geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem
maar zo'n kleintje,
bol.
misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.
Verlangen naar samenzijn en samenhorigheid drukt koffiekopje uit.
Een werk dat me toch een poosje gekost heeft eer ik het ontraadseld had, heet 'Eternity': je moet er een beetje afstand van nemen voor je de letters herkent. Maar deze wens of dit verlangen naar eeuwigheid of eeuwig leven is besmeurd met pek en veren: het verbeeldt het failliet van ons verlangen naar eeuwig leven. Ga er als pastoor van deze kerk maar tegenaan staan! Maar verdraagzaam is de man wel. De kunstenaar haalt de troost van een eeuwig leven onderuit: daar moeten we ook niet op hopen, dat moeten we ook niet verwachten: we staan er alleen voor. Deze beeldhouwer heet Gilles Barbier, in 1965 geboren in Vanuata, Oceanië. Zijn opleiding heeft hij genoten in Frankrijk, en tegenwoordig woont hij in Marseille.
Gilles Barbier, Eternity
Ronny Delrue is een Belg, geboren in 1957. Zijn werk 'Landscape without saints' is voor mij nogal verwant met 'Eternity'. Die stolpen behoren heiligenbeelden te bevatten: Maria's, Heilig Harten, tal van mogelijke heiligen, bekende en minder bekende. Maar ze zijn leeg. De figuren tot wie we vroeger baden, zijn verdwenen, van die kant hoeven we ook geen troost te verlangen, in Kerk en eeuwig leven geloven we niet meer, schijnt Delrue te zeggen. Wat overblijft is leegte, en of dat zoveel beter is?Tenminste zo voel ik het als ik die werken zie.
Ronny Delrue, Landscape without saints
Maar anderen zullen dat weer anders interpreteren, en dat is goed: we hoeven niet allemaal hetzelfde te voelen en te denken, anders zijn we ook niet meer dan de '1000 cups' van in het begin van deze tekst. En dat kan zeker de bedoeling niet zijn.
Daar vind je '1000 cups', een werk van de Nederlander Casper Braat: het zijn even zovele bakjes troost. Je mag een van die mokken, die allemaal identiek zijn, mee naar huis nemen als je er een eigen kopje voor in de plaats zet. Dit kunstwerk is dus pas af op de laatste dag van het festival: dan zal de eentonigheid veranderd zijn in de diversiteit van mogelijk 1.000 verschillende mokken, koppen en zelfs Vlaamse tassen, als die dingen zo mogen heten. En dan zullen deze '1.000 cups' pas echt leven. Mooi moet dat worden!
Casper Braat, 1000 cups, met vooraan al enige diversiteit
Er hoort ook een gedicht van Sylvie Maria bij:
we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje
je weet wel
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.
geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem
maar zo'n kleintje,
bol.
misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.
Verlangen naar samenzijn en samenhorigheid drukt koffiekopje uit.
Een werk dat me toch een poosje gekost heeft eer ik het ontraadseld had, heet 'Eternity': je moet er een beetje afstand van nemen voor je de letters herkent. Maar deze wens of dit verlangen naar eeuwigheid of eeuwig leven is besmeurd met pek en veren: het verbeeldt het failliet van ons verlangen naar eeuwig leven. Ga er als pastoor van deze kerk maar tegenaan staan! Maar verdraagzaam is de man wel. De kunstenaar haalt de troost van een eeuwig leven onderuit: daar moeten we ook niet op hopen, dat moeten we ook niet verwachten: we staan er alleen voor. Deze beeldhouwer heet Gilles Barbier, in 1965 geboren in Vanuata, Oceanië. Zijn opleiding heeft hij genoten in Frankrijk, en tegenwoordig woont hij in Marseille.
Gilles Barbier, Eternity
Ronny Delrue is een Belg, geboren in 1957. Zijn werk 'Landscape without saints' is voor mij nogal verwant met 'Eternity'. Die stolpen behoren heiligenbeelden te bevatten: Maria's, Heilig Harten, tal van mogelijke heiligen, bekende en minder bekende. Maar ze zijn leeg. De figuren tot wie we vroeger baden, zijn verdwenen, van die kant hoeven we ook geen troost te verlangen, in Kerk en eeuwig leven geloven we niet meer, schijnt Delrue te zeggen. Wat overblijft is leegte, en of dat zoveel beter is?Tenminste zo voel ik het als ik die werken zie.
Ronny Delrue, Landscape without saints
Maar anderen zullen dat weer anders interpreteren, en dat is goed: we hoeven niet allemaal hetzelfde te voelen en te denken, anders zijn we ook niet meer dan de '1000 cups' van in het begin van deze tekst. En dat kan zeker de bedoeling niet zijn.
maandag 23 juli 2018
Dromen van parelmoer II - Mu.ZEE oostende
Er hangen ook een aantal tekeningen op deze tentoonstelling, en een ervan staat me onmiddellijk erg aan: virtuoos getekend, veel beweging en dynamiek erin, ze doet me aan Rubens denken. Maar de titel ervan is 'Kopie naar Eugène Delacroix 'Studie voor een leeuwenjacht' - omstreeks 1885 (?) - zwart krijt op papier' Maar als je je catalogus verder doorploegt, lees je dat Delacroix zijn mosterd bij Rubens gehaald had. Dat vind je als geïnteresseerde leek natuurlijk leuk.
Kopie naar Eugène Delacroix 'Studie voor een leeuwenjacht'
Van een totaal andere aard is 'Skeletten twisten om een gehangene', humor van het macabere soort is dit. De twee twistende skeletten zijn vrouwen, de gehangene is een man: er komt een lange tong uit zijn mond, en op zijn witte jas hangt een bord, waarop 'Civet'. Dan komt een Frans woordenboek van pas: 'civet' betekent '(wild)ragout'. Daarom maken die twee skeletten ruzie: ze willen een lekker maal, en de dode zal afgekloven worden tot hij zelf ook nog maar een geraamte is. Wat kan er voor een geraamte op jacht nog lekkerder zijn! Tussen hen tweeën liggen de lege kleren van de vorige gehangene: daar is geen eten meer aan. Toeschouwers hebben de twee skeletten genoeg: links en rechts staan gemaskerden, belust op sensatie. De voorste rechts houdt meer dan een aardappelmesje klaar, alsof hij de ruzie eventueel in zijn voordeel wil beslechten! Ik kan me niet ontdoen van het gevoelen dat Ensor een nogal gecompliceerde houding tegenover de dood had: zoals er geraamten door zijn werk wandelen, niet normaal, denk je dan. Maar wie ben ik?
Skeletten twisten om een gehangene - 1891, olieverf op paneel
Maar zijn eigen milieu boeide hem net zo goed. Mooi is 'De oestereetster' of 'In het land van de kleuren'. Licht is dit schilderij door het tafellaken en de kleren van de vrouw, maar ook doordat het speelt in wat op tafel staat: de twee flessen, de karaf en de glazen. Dat schijnt voor Ensor ook een queeste geweest te zijn: hoe vang ik levend licht in al zijn nuances in een doek. Menig schilder heeft dat betracht, en alleen de allergrootsten slagen daarin. Ensor dus ook;
De oestereetster of In het land van de kleuren, 1891, olieverf op doek
Hetzelfde probeerde hij zowat tien jaar vroeger, maar ik vind 'De oestereetster' beter geslaagd.
Oesters of Lichtstudie, 1882, olieverf op doek
Hoe sterk een schilderij kan worden door een lichtpartij, hoe het daardoor diepte krijgt, toont 'Het burgersalon' of 'Een salon (impressie)' uit 1881. Twee dames zitten in de stilte van hun besloten salon te handwerken: rust die verlicht wordt door het open gordijn. Zo stel je je de negentiende-eeuwse interieurs voor: eerder luxueus, en vooral rustig. La belle epoque, met andere woorden.
'Het burgersalon' of 'Een salon (impressie)', 1881, olieverf op doek
Naar Oostende gaan om de Antwerpse Ensorcollectie te gaan bekijken: zeker de moeite. Ik heb er in ieder geval van genoten van een van onze grootste schilders.
Kopie naar Eugène Delacroix 'Studie voor een leeuwenjacht'
Van een totaal andere aard is 'Skeletten twisten om een gehangene', humor van het macabere soort is dit. De twee twistende skeletten zijn vrouwen, de gehangene is een man: er komt een lange tong uit zijn mond, en op zijn witte jas hangt een bord, waarop 'Civet'. Dan komt een Frans woordenboek van pas: 'civet' betekent '(wild)ragout'. Daarom maken die twee skeletten ruzie: ze willen een lekker maal, en de dode zal afgekloven worden tot hij zelf ook nog maar een geraamte is. Wat kan er voor een geraamte op jacht nog lekkerder zijn! Tussen hen tweeën liggen de lege kleren van de vorige gehangene: daar is geen eten meer aan. Toeschouwers hebben de twee skeletten genoeg: links en rechts staan gemaskerden, belust op sensatie. De voorste rechts houdt meer dan een aardappelmesje klaar, alsof hij de ruzie eventueel in zijn voordeel wil beslechten! Ik kan me niet ontdoen van het gevoelen dat Ensor een nogal gecompliceerde houding tegenover de dood had: zoals er geraamten door zijn werk wandelen, niet normaal, denk je dan. Maar wie ben ik?
Skeletten twisten om een gehangene - 1891, olieverf op paneel
Maar zijn eigen milieu boeide hem net zo goed. Mooi is 'De oestereetster' of 'In het land van de kleuren'. Licht is dit schilderij door het tafellaken en de kleren van de vrouw, maar ook doordat het speelt in wat op tafel staat: de twee flessen, de karaf en de glazen. Dat schijnt voor Ensor ook een queeste geweest te zijn: hoe vang ik levend licht in al zijn nuances in een doek. Menig schilder heeft dat betracht, en alleen de allergrootsten slagen daarin. Ensor dus ook;
De oestereetster of In het land van de kleuren, 1891, olieverf op doek
Hetzelfde probeerde hij zowat tien jaar vroeger, maar ik vind 'De oestereetster' beter geslaagd.
Oesters of Lichtstudie, 1882, olieverf op doek
Hoe sterk een schilderij kan worden door een lichtpartij, hoe het daardoor diepte krijgt, toont 'Het burgersalon' of 'Een salon (impressie)' uit 1881. Twee dames zitten in de stilte van hun besloten salon te handwerken: rust die verlicht wordt door het open gordijn. Zo stel je je de negentiende-eeuwse interieurs voor: eerder luxueus, en vooral rustig. La belle epoque, met andere woorden.
'Het burgersalon' of 'Een salon (impressie)', 1881, olieverf op doek
Naar Oostende gaan om de Antwerpse Ensorcollectie te gaan bekijken: zeker de moeite. Ik heb er in ieder geval van genoten van een van onze grootste schilders.
zaterdag 21 juli 2018
Dromen van parelmoer I - Mu.ZEE Oostende
Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen bezit behoorlijk wat werken van James Ensor: alleen is dat nog altijd in restauratie, en Ensor is daar dus niet te zien. Een reizende tentoonstelling, die op een aantal plaatsen in de wereld op bezoek geweest is, kun je nu in Mu.ZEE Oostende gaan bekijken, nog tot half juni volgend jaar.
Een doek dat me zeer aantrok, is 'Adam en Eva uit het Paradijs verjaagd' of 'Lichtstudie' uit 1887. De tweede titel van het werk duidt er al op dat het Ensor niet alleen om de gebeurtenis gaat, maar zeker ook om het vangen en weergeven van licht in heel wat schakeringen. In een hemel die me centraal wel een beetje in brand lijkt te staan, zie je God van achter een wolk te voorschijn komen: je merkt zijn rechterschouder, zijn hoofd en zijn gestrekte linkerarm die Adam en Eva de richting aanwijst die ze uit moeten lopen. Je hoort Hem als het ware 'Eruit!' roepen. De voorgrond is veel donkerder: het lijkt een soort van duinenlandschap, waarin de eerste twee mensen maar moeilijk te vinden zijn. Rechts onder vluchten zij de Tuin van Eden uit, summier zichtbaar, alsof zij in hun zondigheid niet meer aandacht verdienen.
Adam en Eva worden uit het Paradijs verjaagd, of Lichtstudie (1887)
Het is ook nauwelijks tezien wie Adam is, of Eva. Als ik heel goed toekijk, zou ik denken dat de eerste figuur Eva is: bij haar zijn borsten te merken, en de tweede figuur lijkt mij een mannelijk geslacht te hebben. Dat Eva eerst loopt, is normaal: zij is de verleidster, zij is de meest zondige.
Eva en Adam de tuin uitvluchtend
Ik vind dit een zeer sterk werk: Ensor probeert met kleuren uit hoe het licht kan vangen, hij experimenteert hoe hij met donkerdere nuances kan suggereren wat er gebeurt, wie de 'dramatis personae' zijn: ik houd er wel van. Ik kan me niet herinneren dat ik dit schilderij vroeger al gezien had, maar ik was meteen verkocht.
Eigenzinnig is 'De man van smarten' uit 1891. Dit is duidelijk een Christuskop: maar in Zijn lijden wordt Christus altijd zo sereen mogelijk afgebeeld: Hij lijdt, maar is zich bewust van zijn missie, Hij is de zoon van God die de mensheid komt verlossen. Niets van dit alles in dit schilderij: een bebloed gezicht, ogen die medelijden vragen, de mond van pijn vertrokken, deze man vergaat van de pijn. Ensor heeft van Christus gewoon een mens, een gemartelde man gemaakt. En zo noemt hij hem ook: een 'De man van smarten'. Ensor was vrijzinnig: dat verklaart al een en ander.
De man van smarten, 1891
Een doek waar de energie werkelijk van afspat is 'De val der opstandige engelen': een uitbarsting van allerlei kleuren is het, plus veel beweging die de woede van God echt in de verf zet. Figuren zijn nauwelijks te onderscheiden, tenzij op de voorgrond een aantal naakte mensjes. Aan de linkerkant vergaan die opstandige engelen in het hellevuur. Zin voor dramatiek had Ensor alleszins, dat kan hem niet ontzegd worden.
'De val der opstandige engelen' of 'De opstandige engelen en de draak met zeven koppen worden door een bliksemschicht getroffen' - 1889 (?)
Maar 'Dromen in parelmoer' toont nog andere aspecten van Ensors kunst: scènes uit het leven van de bourgeoisie, en stillevens. Ensor was niet voor een gat te vangen.
Een doek dat me zeer aantrok, is 'Adam en Eva uit het Paradijs verjaagd' of 'Lichtstudie' uit 1887. De tweede titel van het werk duidt er al op dat het Ensor niet alleen om de gebeurtenis gaat, maar zeker ook om het vangen en weergeven van licht in heel wat schakeringen. In een hemel die me centraal wel een beetje in brand lijkt te staan, zie je God van achter een wolk te voorschijn komen: je merkt zijn rechterschouder, zijn hoofd en zijn gestrekte linkerarm die Adam en Eva de richting aanwijst die ze uit moeten lopen. Je hoort Hem als het ware 'Eruit!' roepen. De voorgrond is veel donkerder: het lijkt een soort van duinenlandschap, waarin de eerste twee mensen maar moeilijk te vinden zijn. Rechts onder vluchten zij de Tuin van Eden uit, summier zichtbaar, alsof zij in hun zondigheid niet meer aandacht verdienen.
Adam en Eva worden uit het Paradijs verjaagd, of Lichtstudie (1887)
Het is ook nauwelijks tezien wie Adam is, of Eva. Als ik heel goed toekijk, zou ik denken dat de eerste figuur Eva is: bij haar zijn borsten te merken, en de tweede figuur lijkt mij een mannelijk geslacht te hebben. Dat Eva eerst loopt, is normaal: zij is de verleidster, zij is de meest zondige.
Eva en Adam de tuin uitvluchtend
Ik vind dit een zeer sterk werk: Ensor probeert met kleuren uit hoe het licht kan vangen, hij experimenteert hoe hij met donkerdere nuances kan suggereren wat er gebeurt, wie de 'dramatis personae' zijn: ik houd er wel van. Ik kan me niet herinneren dat ik dit schilderij vroeger al gezien had, maar ik was meteen verkocht.
Eigenzinnig is 'De man van smarten' uit 1891. Dit is duidelijk een Christuskop: maar in Zijn lijden wordt Christus altijd zo sereen mogelijk afgebeeld: Hij lijdt, maar is zich bewust van zijn missie, Hij is de zoon van God die de mensheid komt verlossen. Niets van dit alles in dit schilderij: een bebloed gezicht, ogen die medelijden vragen, de mond van pijn vertrokken, deze man vergaat van de pijn. Ensor heeft van Christus gewoon een mens, een gemartelde man gemaakt. En zo noemt hij hem ook: een 'De man van smarten'. Ensor was vrijzinnig: dat verklaart al een en ander.
De man van smarten, 1891
Een doek waar de energie werkelijk van afspat is 'De val der opstandige engelen': een uitbarsting van allerlei kleuren is het, plus veel beweging die de woede van God echt in de verf zet. Figuren zijn nauwelijks te onderscheiden, tenzij op de voorgrond een aantal naakte mensjes. Aan de linkerkant vergaan die opstandige engelen in het hellevuur. Zin voor dramatiek had Ensor alleszins, dat kan hem niet ontzegd worden.
'De val der opstandige engelen' of 'De opstandige engelen en de draak met zeven koppen worden door een bliksemschicht getroffen' - 1889 (?)
Maar 'Dromen in parelmoer' toont nog andere aspecten van Ensors kunst: scènes uit het leven van de bourgeoisie, en stillevens. Ensor was niet voor een gat te vangen.
dinsdag 17 juli 2018
Zillebeke - comingworldrememberme - CWXRM
West-Vlaanderen is in juli vaste prik voor mij: je kunt er interessante tentoonstellingen bezoeken (Watou, Oostende), en je kunt er de laatste vier jaar je pacifisme gaan belijden en aanscherpen. Dit jaar wou ik beslist de land art installatie 'comingworldrememberme' van Koen Vanmechelen gaan bekijken: je vindt ze in provinciedomein 'De Palingbeek' in Zillebeke, vlak bij Ieper.
De installatie bestaat onder andere uit 600.000 beeldjes, een voor elk slachtoffer dat tijdens De Groote Oorlog op Belgische bodem is gesneuveld. De beeldjes zelf zijn door heel veel mensen van verschillende nationaliteiten in een periode van vier jaar gemaakt: letterlijk grensoverschrijdende arbeid is het geweest, zoals een oorlog meestal ook grensoverschrijdend is. Dit grote werk maakt de makers en de bezoekers bewust van de zinloosheid van dergelijke conflicten: oorlogen kennen alleen verliezers.
Ik dacht heel de tijd dat die ronde beeldjes de helmen van de gesneuvelden voorstelden, maar dat blijkt niet correct te zijn. Toch is het moeilijk om ze niet als doodshoofden te zien, juist omdat ze zo duidelijk aan oorlog en zijn slachtoffers refereren. Maar bij nader toekijken blijken het gekromde, gespannen lichamen te zijn, klaar om rechtop te gaan staan: zo kun je ze tenminste zien. En het gaat hier ook over een nieuwe mensheid die pas geboren is, of letterlijker, pas uit het ei gekomen is. Die nieuwe mens heeft nog geen geschiedenis, weet niets van oorlogen en conflicten, begint op een maagdelijk wit papier. Tezelfdertijd zal het duidelijk zijn dat de wens naar zulke mensheid voortkomt uit het onbeschrijfelijke leed dat de vorige generaties elkaar aangedaan hebben. Deze installatie is een beetje dubbel: de indrukwekkende waarschuwing drukt ook de hoop uit op een mensheid die in vrede leeft.
Het beeldje: de nieuwe mens
Het grote ei waaruit de nieuwe mensheid komt
Idem
Toch vind ik het moeilijk om bij het zien van de hele installatie niet aan legers en dreigende oorlog te denken. De nieuwe mensheid lijkt mij opgesteld als een leger, rijen dik, gelid naast gelid. En de kleur van de beeldjes lijkt nogal op die van de uniformen van het Belgische leger. Waarschijnlijk word je verondersteld te denken: 'Dat nooit, meer', 'Nie wieder Krieg'. Want, tenslotte, ieder beeldje staat voor een gesneuvelde, en allemaal samen staan ze voor onbegrijpelijk en onnoemelijk veel leed. Hoe dan ook, het is indrukwekkend, en stemt tot nadenken.
De nieuwe mensheid: in slagorde?
Gezicht op de installatie vanaf de uitkijkbrug
De installatie bestaat onder andere uit 600.000 beeldjes, een voor elk slachtoffer dat tijdens De Groote Oorlog op Belgische bodem is gesneuveld. De beeldjes zelf zijn door heel veel mensen van verschillende nationaliteiten in een periode van vier jaar gemaakt: letterlijk grensoverschrijdende arbeid is het geweest, zoals een oorlog meestal ook grensoverschrijdend is. Dit grote werk maakt de makers en de bezoekers bewust van de zinloosheid van dergelijke conflicten: oorlogen kennen alleen verliezers.
Ik dacht heel de tijd dat die ronde beeldjes de helmen van de gesneuvelden voorstelden, maar dat blijkt niet correct te zijn. Toch is het moeilijk om ze niet als doodshoofden te zien, juist omdat ze zo duidelijk aan oorlog en zijn slachtoffers refereren. Maar bij nader toekijken blijken het gekromde, gespannen lichamen te zijn, klaar om rechtop te gaan staan: zo kun je ze tenminste zien. En het gaat hier ook over een nieuwe mensheid die pas geboren is, of letterlijker, pas uit het ei gekomen is. Die nieuwe mens heeft nog geen geschiedenis, weet niets van oorlogen en conflicten, begint op een maagdelijk wit papier. Tezelfdertijd zal het duidelijk zijn dat de wens naar zulke mensheid voortkomt uit het onbeschrijfelijke leed dat de vorige generaties elkaar aangedaan hebben. Deze installatie is een beetje dubbel: de indrukwekkende waarschuwing drukt ook de hoop uit op een mensheid die in vrede leeft.
Het beeldje: de nieuwe mens
Het grote ei waaruit de nieuwe mensheid komt
Idem
Toch vind ik het moeilijk om bij het zien van de hele installatie niet aan legers en dreigende oorlog te denken. De nieuwe mensheid lijkt mij opgesteld als een leger, rijen dik, gelid naast gelid. En de kleur van de beeldjes lijkt nogal op die van de uniformen van het Belgische leger. Waarschijnlijk word je verondersteld te denken: 'Dat nooit, meer', 'Nie wieder Krieg'. Want, tenslotte, ieder beeldje staat voor een gesneuvelde, en allemaal samen staan ze voor onbegrijpelijk en onnoemelijk veel leed. Hoe dan ook, het is indrukwekkend, en stemt tot nadenken.
De nieuwe mensheid: in slagorde?
Gezicht op de installatie vanaf de uitkijkbrug
donderdag 3 augustus 2017
Tyne Cot Cemetery
Tyne Cot Cemetery heb ik ook nog eens 'gedaan': het ligt inderdaad prachtig, het is behoorlijk uitgestrekt, de namen van talloze gesneuvelden zonder graf staan op de achterwand gebeiteld: dat zijn die er op de Menen Poort niet meer bij konden. In totaal gaat dat over zo'n 80.000 mensen: het geeft je wel een idee van de omvang van de slachting, en dit zijn alleen nog maar de onbekenden!
Nieuw is een bezoekerscentrum: dat werd in 2008 ingehuldigd door Queen Elizabeth en Prince Philippe, en Koningin Paola (Koning Albert lag toen in het ziekenhuis). Je vindt daar allerlei voorwerpen en medailles, maar het meest troffen mij twee citaten, een van King George V, en een van een gewone, anonieme vrouw.
Dat van George V luidt zo:
'We kunnen echt wel zeggen dat heel de aarde omgord is met de graven van onze doden. Tijdens mijn bedevaartstocht heb ik me vaak afgevraagd of er krachtigere pleitbezorgers voor vrede op aarde zijn in de komende jaren dan deze massale menigte stille getuigen van de troosteloosheid van de oorlog.' (11 mei 1922)
Het woord 'desolation' dat George V gebruikt, heeft veel betekenissen: verwoesting, vernietiging, diepe droefenis, en ook verlatenheid, zoals in 'van God en Klein Pierke verlaten'.
De Koning heeft het wel mooi en treffend gezegd, met woorden die men van mensen van zijn stand mag verwachten: de aarde is omgord, bedevaartstocht, pleitbezorgers, massale menigte, troosteloosheid. Hooggestemd is zijn uitspraak, maar veel gevoel spreekt er volgens mij niet uit.
Overigens gebruikte Prins Charles maandag 24 juli 2017 hetzelfde citaat tijdens de herdenking van de Slag om Passendale op Tyne Cot Cemetery. Dat was een sobere plechtigheid, waarbij naast Britten ook Australiërs, Canadezen, Nieuw-Zeelanders, Ieren en de vier Duitsers die op Tyne Cot liggen werden herdacht.
Het citaat van King George V (1922)
De onbekende jonge vrouw (de verloofde van John Low) drukt het zo uit:
'Het idee dat Jock voor zijn land gestorven is, troost me niet. Zijn herinnering is alles wat ik nog heb om lief te hebben.' (10 januari 1918, toen de oorlog nog niet afgelopen was).
Zij gebruikt geen grote woorden, zij gelooft ook niet in de leuze 'Dulce et decorum est pro patria mori' zoals Horatius ooit dichtte, maar een bewering die door Wilfred Owen, die zelf sneuvelde exact een week voor de wapenstilstand, met kracht werd bestreden. Wat de verloofde nog heeft, is alleen een herinnering om lief te hebben: met simpele woorden drukt zij de rampspoed van de oorlog raker uit dan George V. De twee citaten die in het bezoekerscentrum tegenover elkaar hangen, contrasteren enorm. Je kunt moeilijk niet gepakt zijn door de 100 jaar oude woorden van de eenzame verloofde.
Het citaat van een gewone vrouw (1918)
Zondag 24 juli had de grote herdenking van de slag dan plaats op de Grote Markt van Ieper: de BBC had kosten noch moeite gespaard, een en ander was zonder meer onberispelijk, zou je kunnen zeggen. Of niet? Waar was Angela Merkel, waar waren de staatshoofden en/of de regeringsleiders van de andere strijdende naties? Het was een puur Britse aangelegenheid, alsof alleen zij offers gebracht hebben, alsof de anderen niet geleden hebben. Ze gedenken de slachtoffers wel, maar tezelfdertijd hun overwinning, heb ik het gevoel. In honderd jaar is er toch wel iets veranderd in Europa? Hetzelfde gevoelen krijg ik op Tyne Cot Cemetery: een beetje 'pomp and circumstances' hangt daarover, zeker als je het vergelijkt met Vladslo.
Dat we die slachtingen moeten blijven gedenken, staat buiten kijf, en de oorlogsbegraafplaatsen mogen we ook nooit wegdoen. Misschien leert heel de wereld er ooit wat van: het ware te hopen.
Bij wijze van spreken: The crosses row on row . . .
Nieuw is een bezoekerscentrum: dat werd in 2008 ingehuldigd door Queen Elizabeth en Prince Philippe, en Koningin Paola (Koning Albert lag toen in het ziekenhuis). Je vindt daar allerlei voorwerpen en medailles, maar het meest troffen mij twee citaten, een van King George V, en een van een gewone, anonieme vrouw.
Dat van George V luidt zo:
'We kunnen echt wel zeggen dat heel de aarde omgord is met de graven van onze doden. Tijdens mijn bedevaartstocht heb ik me vaak afgevraagd of er krachtigere pleitbezorgers voor vrede op aarde zijn in de komende jaren dan deze massale menigte stille getuigen van de troosteloosheid van de oorlog.' (11 mei 1922)
Het woord 'desolation' dat George V gebruikt, heeft veel betekenissen: verwoesting, vernietiging, diepe droefenis, en ook verlatenheid, zoals in 'van God en Klein Pierke verlaten'.
De Koning heeft het wel mooi en treffend gezegd, met woorden die men van mensen van zijn stand mag verwachten: de aarde is omgord, bedevaartstocht, pleitbezorgers, massale menigte, troosteloosheid. Hooggestemd is zijn uitspraak, maar veel gevoel spreekt er volgens mij niet uit.
Overigens gebruikte Prins Charles maandag 24 juli 2017 hetzelfde citaat tijdens de herdenking van de Slag om Passendale op Tyne Cot Cemetery. Dat was een sobere plechtigheid, waarbij naast Britten ook Australiërs, Canadezen, Nieuw-Zeelanders, Ieren en de vier Duitsers die op Tyne Cot liggen werden herdacht.
Het citaat van King George V (1922)
De onbekende jonge vrouw (de verloofde van John Low) drukt het zo uit:
'Het idee dat Jock voor zijn land gestorven is, troost me niet. Zijn herinnering is alles wat ik nog heb om lief te hebben.' (10 januari 1918, toen de oorlog nog niet afgelopen was).
Zij gebruikt geen grote woorden, zij gelooft ook niet in de leuze 'Dulce et decorum est pro patria mori' zoals Horatius ooit dichtte, maar een bewering die door Wilfred Owen, die zelf sneuvelde exact een week voor de wapenstilstand, met kracht werd bestreden. Wat de verloofde nog heeft, is alleen een herinnering om lief te hebben: met simpele woorden drukt zij de rampspoed van de oorlog raker uit dan George V. De twee citaten die in het bezoekerscentrum tegenover elkaar hangen, contrasteren enorm. Je kunt moeilijk niet gepakt zijn door de 100 jaar oude woorden van de eenzame verloofde.
Het citaat van een gewone vrouw (1918)
Zondag 24 juli had de grote herdenking van de slag dan plaats op de Grote Markt van Ieper: de BBC had kosten noch moeite gespaard, een en ander was zonder meer onberispelijk, zou je kunnen zeggen. Of niet? Waar was Angela Merkel, waar waren de staatshoofden en/of de regeringsleiders van de andere strijdende naties? Het was een puur Britse aangelegenheid, alsof alleen zij offers gebracht hebben, alsof de anderen niet geleden hebben. Ze gedenken de slachtoffers wel, maar tezelfdertijd hun overwinning, heb ik het gevoel. In honderd jaar is er toch wel iets veranderd in Europa? Hetzelfde gevoelen krijg ik op Tyne Cot Cemetery: een beetje 'pomp and circumstances' hangt daarover, zeker als je het vergelijkt met Vladslo.
Dat we die slachtingen moeten blijven gedenken, staat buiten kijf, en de oorlogsbegraafplaatsen mogen we ook nooit wegdoen. Misschien leert heel de wereld er ooit wat van: het ware te hopen.
Bij wijze van spreken: The crosses row on row . . .
zaterdag 29 juli 2017
Vladslo: Soldatenfriedhof
Voor het 'Treurende Ouderpaar' wilde ik per se nog eens naar het Duitse soldatenkerkhof in Vladslo: ik was er ooit geweest, 34 jaar geleden, maar dat was in de winter en het beeldenpaar was tegen weer en wind beschermd door een soort van houten huisjes, en de treurenden waren dus niet te zien.
Als je de begraafplaats betreedt, word je getroffen door de uiterste soberheid van het geheel: je ziet veel zwarte graftegels met de namen van de gesneuvelden erop, en in de verte het 'Treurende Ouderpaar' van Käthe Kollwitz.
Vladslo: uiterste soberheid
Käthe Kollwitz, Het treurende ouderpaar
Helemaal achteraan staat het ouderpaar: ik heb zelden zulke indrukwekkende beelden gezien. Het is duidelijk dat dit ouderpaar niet alleen zomaar treurt, maar ten diepste lijdt: de moeder is volledig in haar mantel en sjaal weggedoken, zij kijkt gebroken naar omlaag, ze kan de wereld niet meer aan of aankijken, het vreselijkste wat een moeder lijden kan is haar overkomen. De vader zit mannelijker rechtop, maar zijn armen voor zijn lichaam gevouwen beschermen hem tegen dezelfde meest boze der boze werelden. Zijn gezicht heeft een strakke uitdrukking, grimmig en verbeten, met ingevallen wangen. Ook zijn leed is onmetelijk diep.
Vlak voor hen ligt de gezamenlijke grafzerk waarop ook de naam van hun zoon Peter. Die had als vrijwilliger in augustus 1914 vrijwillig dienst genomen, maar sneuvelde al op de 23ste oktober van dat jaar; hij was achttien jaar. Zijn broer Hans noemde later zijn zoon ook Peter, en deze Peter sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog, in Rusland in 1942. Tragiek was het leven van Käthe Kollwitz niet vreemd, helaas. Het ouderpaar wordt ten diepste geconfronteerd met hun eigen verlies, maar ze kijken als wachters bijna uit over het hele kerkhof: zijn verbeelden de treurnis en ellende van alle ouders die een kind in de oorlog verloren hebben.
De grafsteen met Peters naam erop.
Terwijl ik op het kerkhof rondwandel, word ik aangesproken door een man van Westtoerisme (veronderstel ik) die van alles wil weten over de reden van mijn bezoek, of ik er al vroeger geweest was, of op andere kerkhoven in de buurt, en er ontspint zich een gesprek over die dingen. We vergelijken Vladslo met Tyne Cot Cemetery, en komen tot dezelfde conclusie: Vladslo is zoals een militaur kerkhof hoort te zijn. Tyne Cot, gelegen op een helling, uitziend over het landschap, met witte zerken die schitteren en blikkeren in de zon is totaal anders van opzet: natuurlijk gaat het hier ook over oorlogsleed, maar ik, en mijn gesprekspartner ook, wij krijgen het gevoel dat Tyne Cot naar triomfalisme neigt, dat het ook de overwinning van 'the British Empire' uitstraalt: er heerst in ieder geval een ander sfeer dan in Vladslo.
We hebben het ook over het tegenwoordige oorlogstoerisme in de Westhoek: natuurlijk is het goed dat zo'n wereldramp na honderd jaar niet vergeten wordt, maar ik heb er tezelfdertijd een dubbel gevoel bij: je kunt naar een paar musea gaan, naar bunkers, maar hoofdzakelijk naar kerkhoven, en dan krijg ik het nare gevoel dat dat toerisme floreert op de kap van zovele doden, en dat voelt niet lekker. tenminste ik voel me daar niet zo lekker bij. En op een bepaald ogenblik word ik zo droevig dat nog een kerkhof meer niets meer aan mijn anti-oorlogsgevoelen toevoegt, dat mijn potje empathie met al die gesneuvelden vol is. En dan heb ik er genoeg van, en ik bedoel dat niets eens negatief: ik kan niet alle leed van de wereld in me opstapelen, tenslotte moet ik ook aan vandaag en mijn leven denken.
Voor sommigen is de oorlog nog niet zo lang geleden: op het parkeerterrein ontmoet ik een Nieuw-Zeelander van een jaar of 70 die in het Polygoon Bos het graf van een neef van zijn vader gevonden heeft. Dergelijke familiebanden zullen mettertijd natuurlijk veel losser worden, en dan zal de Eerste Wereldoorlog echt iets zijn uit een verdwenen wereld. Wat niet wegneemt dat we die moeten blijven gedenken. In de hoop de de wereld er eindelijk iets uit leert, want daar zijn we nu nog niet, helaas.
Als je de begraafplaats betreedt, word je getroffen door de uiterste soberheid van het geheel: je ziet veel zwarte graftegels met de namen van de gesneuvelden erop, en in de verte het 'Treurende Ouderpaar' van Käthe Kollwitz.
Vladslo: uiterste soberheid
Alles ademt hier stilte, ingetogenheid en respect: voor mijn de juiste houding tegenover de dood, zeker tegenover die van de ongeveer 25.000 gevallenen die hier hun rustplaats hebben. Nu kun je zeggen: 'De Duitsers hebben de oorlog verloren, ze konden bezwaarlijk hoog van de toren blazen,' maar dat neemt niet weg dat ze hier de juiste houding en toon gevonden hebben tegenover oorlog en zijn gruwelijkheden, tegenover die van 14-18 en alle oorlogen in het algemeen.
Käthe Kollwitz, Het treurende ouderpaar
Helemaal achteraan staat het ouderpaar: ik heb zelden zulke indrukwekkende beelden gezien. Het is duidelijk dat dit ouderpaar niet alleen zomaar treurt, maar ten diepste lijdt: de moeder is volledig in haar mantel en sjaal weggedoken, zij kijkt gebroken naar omlaag, ze kan de wereld niet meer aan of aankijken, het vreselijkste wat een moeder lijden kan is haar overkomen. De vader zit mannelijker rechtop, maar zijn armen voor zijn lichaam gevouwen beschermen hem tegen dezelfde meest boze der boze werelden. Zijn gezicht heeft een strakke uitdrukking, grimmig en verbeten, met ingevallen wangen. Ook zijn leed is onmetelijk diep.
Vlak voor hen ligt de gezamenlijke grafzerk waarop ook de naam van hun zoon Peter. Die had als vrijwilliger in augustus 1914 vrijwillig dienst genomen, maar sneuvelde al op de 23ste oktober van dat jaar; hij was achttien jaar. Zijn broer Hans noemde later zijn zoon ook Peter, en deze Peter sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog, in Rusland in 1942. Tragiek was het leven van Käthe Kollwitz niet vreemd, helaas. Het ouderpaar wordt ten diepste geconfronteerd met hun eigen verlies, maar ze kijken als wachters bijna uit over het hele kerkhof: zijn verbeelden de treurnis en ellende van alle ouders die een kind in de oorlog verloren hebben.
De grafsteen met Peters naam erop.
Terwijl ik op het kerkhof rondwandel, word ik aangesproken door een man van Westtoerisme (veronderstel ik) die van alles wil weten over de reden van mijn bezoek, of ik er al vroeger geweest was, of op andere kerkhoven in de buurt, en er ontspint zich een gesprek over die dingen. We vergelijken Vladslo met Tyne Cot Cemetery, en komen tot dezelfde conclusie: Vladslo is zoals een militaur kerkhof hoort te zijn. Tyne Cot, gelegen op een helling, uitziend over het landschap, met witte zerken die schitteren en blikkeren in de zon is totaal anders van opzet: natuurlijk gaat het hier ook over oorlogsleed, maar ik, en mijn gesprekspartner ook, wij krijgen het gevoel dat Tyne Cot naar triomfalisme neigt, dat het ook de overwinning van 'the British Empire' uitstraalt: er heerst in ieder geval een ander sfeer dan in Vladslo.
We hebben het ook over het tegenwoordige oorlogstoerisme in de Westhoek: natuurlijk is het goed dat zo'n wereldramp na honderd jaar niet vergeten wordt, maar ik heb er tezelfdertijd een dubbel gevoel bij: je kunt naar een paar musea gaan, naar bunkers, maar hoofdzakelijk naar kerkhoven, en dan krijg ik het nare gevoel dat dat toerisme floreert op de kap van zovele doden, en dat voelt niet lekker. tenminste ik voel me daar niet zo lekker bij. En op een bepaald ogenblik word ik zo droevig dat nog een kerkhof meer niets meer aan mijn anti-oorlogsgevoelen toevoegt, dat mijn potje empathie met al die gesneuvelden vol is. En dan heb ik er genoeg van, en ik bedoel dat niets eens negatief: ik kan niet alle leed van de wereld in me opstapelen, tenslotte moet ik ook aan vandaag en mijn leven denken.
Voor sommigen is de oorlog nog niet zo lang geleden: op het parkeerterrein ontmoet ik een Nieuw-Zeelander van een jaar of 70 die in het Polygoon Bos het graf van een neef van zijn vader gevonden heeft. Dergelijke familiebanden zullen mettertijd natuurlijk veel losser worden, en dan zal de Eerste Wereldoorlog echt iets zijn uit een verdwenen wereld. Wat niet wegneemt dat we die moeten blijven gedenken. In de hoop de de wereld er eindelijk iets uit leert, want daar zijn we nu nog niet, helaas.
zondag 7 augustus 2016
Wenduine: l'Oeuvre du Plein Air
In Wenduine, op een pleintje in de Coppietersstraat, valt mijn oog op een beeld dat meer kwaliteit heeft dan het niveau 'dertien in een dozijn'. Op de sokkel hangt ook een plaquette die er wat meer informatie over geeft. De tekst luidt: 'A / Jules Carlier / Président / De l'Oeuvre Du Grand Air / Ses Amis / Du Comité Central Industriel / De Belgique / 1913'. Helemaal in het Frans, van Nederlands geen spoor te bekennen. Het jaartal verklaart veel: 1913, toen de mentaliteit van 'la Belgique sera latine ou elle ne sera pas' nog lang niet dood was: dat zou nog wel een paar decennia duren, maar dat terzijde.
Maar nog blijft de vraag: wie was Jules Carlier, wat was het werk 'du plein air'? En dan brengt het internet de oplossing: Carlier (1851-1930) was een industrieel en liberaal politicus uit Bergen (Mons), hij is onder andere vicevoorzitter geweest van 'Conseil Supérieur de l'Industrie et du Commerce', en later secretaris generaal van de 'Comité Central Industriel': a captain of industry, zoals de Engelsen zeggen. Niemand kent zijn naam nu nog, maar in zijn tijd was hij een zeer belangrijk man. Geïnspireerd door het Engelse voorbeeld van 'A Day in the Country' richtte hij het 'Oeuvre du Plein Air': zwakke en arme kinderen, ook wezen, konden een vakantie doorbrengen in open lucht. In Wenduine was 'Villa Maison du Grand Air' de plaats waar de kansarme kinderen vanaf 1902 terecht konden. In 1962 werden de activiteiten gestaakt, en de 'villa' werd in 1985 afgebroken. Het beeld van het meisje en de jongen dat er stond, werd naar de Coppietersstraat verplaatst.
Plaquette voor Jules Carlier en zijn 'oeuvre du plein air'
Het beeld stelt een kinderpaar voor, een meisje en een jongen, in de kledij die ze droegen in de 'Villa'. Het komt eerder 'miserabilistisch' over: de gezichten van beide kinderen zijn in de eerste plaats meelijwekkend, er is geen spoor van een vrolijke kindertijd in te bekennen. Zij legt haar armliefdevol op de schouder van de kleinere jongen, die zijn pet beleefd in zijn linkerhand houdt. Met haar rechterhand houdt zij een brief op: is dat een bedelbrief, zijn ze daarom zo gedwee, is de jongen daarom blootshoofds?
Het behoeftige kinderpaar
Het opmerkelijke van de zaak is dat de naam van de beeldhouwer niet genoemd wordt, zelfs niet op de site van het Onroerend Erfgoed, terwijl dit beeld toch een evocatie van een tijd is: zeer negentiende-eeuws komt het mij over, het doet me denken aan de tijd van paternalistische liefdadigheid, toen er organisaties bestonden zoals de Turnhoutse 'Weldadigheidskring', of aan de sfeer die hangt over 'Oliver Twist'. Op dezelfde site leer ik wel dat het om een bronzen sculptuur gaat, en in ambtenarees worden ook de 'Juridische gevolgen' medegedeeld: 'op dit moment is dit object niet beschermd, maar wel vastgesteld'. Dat ze van die bescherming dan maar snel werk maken: het beeld roept een tijd op, en de herinnering daaraan moet niet verdwijnen.
Maar nog blijft de vraag: wie was Jules Carlier, wat was het werk 'du plein air'? En dan brengt het internet de oplossing: Carlier (1851-1930) was een industrieel en liberaal politicus uit Bergen (Mons), hij is onder andere vicevoorzitter geweest van 'Conseil Supérieur de l'Industrie et du Commerce', en later secretaris generaal van de 'Comité Central Industriel': a captain of industry, zoals de Engelsen zeggen. Niemand kent zijn naam nu nog, maar in zijn tijd was hij een zeer belangrijk man. Geïnspireerd door het Engelse voorbeeld van 'A Day in the Country' richtte hij het 'Oeuvre du Plein Air': zwakke en arme kinderen, ook wezen, konden een vakantie doorbrengen in open lucht. In Wenduine was 'Villa Maison du Grand Air' de plaats waar de kansarme kinderen vanaf 1902 terecht konden. In 1962 werden de activiteiten gestaakt, en de 'villa' werd in 1985 afgebroken. Het beeld van het meisje en de jongen dat er stond, werd naar de Coppietersstraat verplaatst.
Plaquette voor Jules Carlier en zijn 'oeuvre du plein air'
Het beeld stelt een kinderpaar voor, een meisje en een jongen, in de kledij die ze droegen in de 'Villa'. Het komt eerder 'miserabilistisch' over: de gezichten van beide kinderen zijn in de eerste plaats meelijwekkend, er is geen spoor van een vrolijke kindertijd in te bekennen. Zij legt haar armliefdevol op de schouder van de kleinere jongen, die zijn pet beleefd in zijn linkerhand houdt. Met haar rechterhand houdt zij een brief op: is dat een bedelbrief, zijn ze daarom zo gedwee, is de jongen daarom blootshoofds?
Het behoeftige kinderpaar
Het opmerkelijke van de zaak is dat de naam van de beeldhouwer niet genoemd wordt, zelfs niet op de site van het Onroerend Erfgoed, terwijl dit beeld toch een evocatie van een tijd is: zeer negentiende-eeuws komt het mij over, het doet me denken aan de tijd van paternalistische liefdadigheid, toen er organisaties bestonden zoals de Turnhoutse 'Weldadigheidskring', of aan de sfeer die hangt over 'Oliver Twist'. Op dezelfde site leer ik wel dat het om een bronzen sculptuur gaat, en in ambtenarees worden ook de 'Juridische gevolgen' medegedeeld: 'op dit moment is dit object niet beschermd, maar wel vastgesteld'. Dat ze van die bescherming dan maar snel werk maken: het beeld roept een tijd op, en de herinnering daaraan moet niet verdwijnen.
vrijdag 5 augustus 2016
Cassel: Musée de Flandre
Op de Grand' Place van Cassel vind je het 'Musée de Flandre' in een prachtig zestiende-eeuws gebouw, het 'Hôtel de la Noble-Cour', in Vlaamse tijden het 'Grote Landhuys' genoemd. De gevel is een voorbeeld van volbloed renaissance.
Renaissance: het Landhuys, nu Hôtel de la Noble-Cour
Het bevat een mooie verzameling Vlaamse meesters en Vlaamse kunst die de eigenheid van de streek illustreren. Een van de eerste beelden die je ziet is 'Het schijtmanneke', een terra cotta beeld uit de zeventiende of achttiende eeuw: het stelt gewoon een man voor die op de wereld zit te schijten, iemand die schijt heeft aan alles. De arm die hij nodig heeft om zijn gat af te vegen ontbreekt, maar zijn fecale productie is onder hem duidelijk te zien. Dit is overigens het enige kunstwerk in het museum dat geen Franse naam heeft: schijten kan kennelijk alleen in het Nederlands!
Het Schijtmanneke, anoniem, Vlaams
Een van de pronkstukken is het werk van een anonieme Vlaamse primitief, dat ooit nog in de kerk van Dendermonde gehangen heeft. Het komt uit het einde van de vijftiende eeuw, en wie Joos vanden Damme was is mij volslagen ongekend, maar om zo'n werk te laten schilderen, moest je behoorlijk goed in de slappe was zitten, zoveel is wel zeker. Van onderen op het schilderij kun je de nodige informatie in het Middelnederlands lezen: 'Hier es begraven joos vanden damme galouts zone die / starf int jaer duyst vierhondert vier ende tachtentich den / zestienden dach van meye God hebbe zijn ziele Amen'.
De maagd met schenker Joos vanden Damme
Maar het is niet allemaal anoniem en Vlaams: grotere namen en een echt grote kunstenaar zijn ook vertegenwoordigd. Ik had nog nooit een werk van Pieter Coeck in het echt gezien (behalve het glas-in-loodraam in Hoogstraten, waar hij het ontwerp voor gemaakt heeft), maar hier in Frans-Vlaanderen kom ik hem dan eens 'in levende lijve' tegen: God de Vader, geholpen door twee putti, ondersteunt zijn gestorven zoon, terwijl de Heilige Geest als duif vanuit de hemelen toekijkt: religieus werk, dat wel, maar ook renaissancistisch.
Pieter Coecke van Aalst, De Heilige Drievuldigheid
Van Coeckes leerling en latere schoonzoon, Pieter Bruegel de Oude hangen er ook een drietal etsen: onder andere 'De heks van Mallegem' of 'De keisnijder', waarover Leen Huet het in haar biografie 'Pieter Bruegel, de biografie' het ook heeft. Op een redelijk chaotisch markttafereel wordt een viertal mannen de schedel gelicht: bij een wordt er een bierkan in leeggegoten, bij een tweede uit een soortement koffie- of theepot een andere, voor mij onbestemde vloeistof, de meest linkse wordt verlost van een knoert van een gezwel, en in een opengebroken eierschaal is de chirurgijn nog aan het snijden terwijl allerlei balletjes - het lijken wel knikkers - uit het hoofd van de patiënt rollen: dat zullen dan wel kleine gezwellen zijn, durf ik te veronderstellen. Allerlei figuren dringen zich zo dicht mogelijk bij het gebeuren, een aantal misvormde vogels doen iet of wat aan Jeroen Bosch denken, onder een tafel zit een man met zijn mond door een hangslot het zwijgen opgelegd te stelen uit een mand met vruchten: het is een chaos van je welste. Een bespotting van bijgeloof en onbekwame heelmeesters lijkt het me. De heks van Mallegem zelf staat aan de eerste tafel een man zijn opengesneden hoofd vast te houden. En dat het dorp waar alles zich afspeelt 'Mallegem' heet, spreekt boekdelen.
Pieter Bruegel de Oude, De heks van Mallegem.
Veel 'rustiger' is de gravure van Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: iedereen is wel naarstig aan het werk, maar het land wordt klaargemaakt voor de oogst: de mensen planten en zaaien, ze houden zich met gewone, dagelijkse zaken bezig.
Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: De vier jaargetijden, De lente
Van Joost de Momper II krijg je er nog een 'Landschap' bij: hij is niet meteen wereldberoemd, maar toch een verdienstelijk landschapsschilder.
Joost de Momper II, Landschap
En zelfs werken uit de recente tijden zijn aanwezig: onder meer een doek van Thierry de Cordier (° in Ronse) : In het Frans heet het 'Verdure folle n° 1', in het Nederlands 'Groen nr 1'. Een onstuimig werk lijkt het me, een uitbarsting van een paar kleuren die heel veel leven suggereert. Ik kan het wel appreciëren.
Thierry de Cordier, Verdure folle n°1
Om je bezoek af te sluiten ga je in de toegangshal helemaal naar achteren: daar heb je vanaf de Casselberg - want dar sta je - een prachtig uitzicht op de Frans-Vlaamse vlakte. Want het moet worden gezegd: dit museum is zeer de moeite waard, en dit Frans-Vlaanderen is een zeer mooie streek. Volgend jaar ben ik er weer, want er valt daar nog meer te ontdekken!
Uitzicht vanaf de achterkant van het 'Musée de Flandre'
Renaissance: het Landhuys, nu Hôtel de la Noble-Cour
Het bevat een mooie verzameling Vlaamse meesters en Vlaamse kunst die de eigenheid van de streek illustreren. Een van de eerste beelden die je ziet is 'Het schijtmanneke', een terra cotta beeld uit de zeventiende of achttiende eeuw: het stelt gewoon een man voor die op de wereld zit te schijten, iemand die schijt heeft aan alles. De arm die hij nodig heeft om zijn gat af te vegen ontbreekt, maar zijn fecale productie is onder hem duidelijk te zien. Dit is overigens het enige kunstwerk in het museum dat geen Franse naam heeft: schijten kan kennelijk alleen in het Nederlands!
Het Schijtmanneke, anoniem, Vlaams
Een van de pronkstukken is het werk van een anonieme Vlaamse primitief, dat ooit nog in de kerk van Dendermonde gehangen heeft. Het komt uit het einde van de vijftiende eeuw, en wie Joos vanden Damme was is mij volslagen ongekend, maar om zo'n werk te laten schilderen, moest je behoorlijk goed in de slappe was zitten, zoveel is wel zeker. Van onderen op het schilderij kun je de nodige informatie in het Middelnederlands lezen: 'Hier es begraven joos vanden damme galouts zone die / starf int jaer duyst vierhondert vier ende tachtentich den / zestienden dach van meye God hebbe zijn ziele Amen'.
De maagd met schenker Joos vanden Damme
Maar het is niet allemaal anoniem en Vlaams: grotere namen en een echt grote kunstenaar zijn ook vertegenwoordigd. Ik had nog nooit een werk van Pieter Coeck in het echt gezien (behalve het glas-in-loodraam in Hoogstraten, waar hij het ontwerp voor gemaakt heeft), maar hier in Frans-Vlaanderen kom ik hem dan eens 'in levende lijve' tegen: God de Vader, geholpen door twee putti, ondersteunt zijn gestorven zoon, terwijl de Heilige Geest als duif vanuit de hemelen toekijkt: religieus werk, dat wel, maar ook renaissancistisch.
Pieter Coecke van Aalst, De Heilige Drievuldigheid
Van Coeckes leerling en latere schoonzoon, Pieter Bruegel de Oude hangen er ook een drietal etsen: onder andere 'De heks van Mallegem' of 'De keisnijder', waarover Leen Huet het in haar biografie 'Pieter Bruegel, de biografie' het ook heeft. Op een redelijk chaotisch markttafereel wordt een viertal mannen de schedel gelicht: bij een wordt er een bierkan in leeggegoten, bij een tweede uit een soortement koffie- of theepot een andere, voor mij onbestemde vloeistof, de meest linkse wordt verlost van een knoert van een gezwel, en in een opengebroken eierschaal is de chirurgijn nog aan het snijden terwijl allerlei balletjes - het lijken wel knikkers - uit het hoofd van de patiënt rollen: dat zullen dan wel kleine gezwellen zijn, durf ik te veronderstellen. Allerlei figuren dringen zich zo dicht mogelijk bij het gebeuren, een aantal misvormde vogels doen iet of wat aan Jeroen Bosch denken, onder een tafel zit een man met zijn mond door een hangslot het zwijgen opgelegd te stelen uit een mand met vruchten: het is een chaos van je welste. Een bespotting van bijgeloof en onbekwame heelmeesters lijkt het me. De heks van Mallegem zelf staat aan de eerste tafel een man zijn opengesneden hoofd vast te houden. En dat het dorp waar alles zich afspeelt 'Mallegem' heet, spreekt boekdelen.
Pieter Bruegel de Oude, De heks van Mallegem.
Veel 'rustiger' is de gravure van Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: iedereen is wel naarstig aan het werk, maar het land wordt klaargemaakt voor de oogst: de mensen planten en zaaien, ze houden zich met gewone, dagelijkse zaken bezig.
Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: De vier jaargetijden, De lente
Van Joost de Momper II krijg je er nog een 'Landschap' bij: hij is niet meteen wereldberoemd, maar toch een verdienstelijk landschapsschilder.
Joost de Momper II, Landschap
En zelfs werken uit de recente tijden zijn aanwezig: onder meer een doek van Thierry de Cordier (° in Ronse) : In het Frans heet het 'Verdure folle n° 1', in het Nederlands 'Groen nr 1'. Een onstuimig werk lijkt het me, een uitbarsting van een paar kleuren die heel veel leven suggereert. Ik kan het wel appreciëren.
Thierry de Cordier, Verdure folle n°1
Om je bezoek af te sluiten ga je in de toegangshal helemaal naar achteren: daar heb je vanaf de Casselberg - want dar sta je - een prachtig uitzicht op de Frans-Vlaamse vlakte. Want het moet worden gezegd: dit museum is zeer de moeite waard, en dit Frans-Vlaanderen is een zeer mooie streek. Volgend jaar ben ik er weer, want er valt daar nog meer te ontdekken!
Uitzicht vanaf de achterkant van het 'Musée de Flandre'
Abonneren op:
Posts (Atom)