Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

woensdag 11 juli 2012

Lier: Bruegelland - vertier en trammelant 1

Een zeer interessante, boeiende tentoonstelling loopt op dit ogenblik in Lier, in het 'Stedelijk Museum Wuyts-Van Campen en Baron Caroly'. De naam is meer dan een mondvol, dat wel, en het museum hangt nu vol met werken van de opvolgers van Pieter Brueghel Senior: zijn zoon Pieter Junior en schilders uit de zeventiende eeuw die in zijn trant werkten, schilders uit de negentiende en twintigste eeuw bij wie de invloed van de oudste Brueghel nog altijd zichtbaar is. Ik moet zeggen: er hangt heel wat dat de verplaatsing naar Lier waard is.

Je krijgt er een handig bezoekersgidsje waarin je merkt dat de werken verdeeld zijn over een rode, groene en gele zaal, en waarin die werken ook kort beschreven worden; een audiogids krijg je er ook gratis bij. Er is ongetwijfeld goed gezorgd voor wie iets meer te weten wil komen, daar in het Stedelijk Museum van Lier. Mijn compliment.

In de 'rode zaal, de eerste, hangt een groot portret van Felix Timmermans door Isidoor Opsomer. De schrijver hangt daar niet alleen omdat hij van Lier is, maar vooral omdat hij in zijn roman 'Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken' (1928) de schilder neerzet 'als een geniale rebel, een typering die ver staat van de historische realiteit' , zoals een foldertje over de tentoonstelling stelt. Die rode zaal toont vooral schilderijen van Pieter Brueghel de Jongere: die kopieerde vaders werken naar hartenlust, want ze waren erg in trek, en er viel geld mee te verdienen. En hoewel het allemaal niet barst van originaliteit, is het meer dan kladschilderen. Zijn 'Volkstelling in Bethlehem' is een nagenoeg exacte kopie van het werk van de vader, maar bij de zoon is de sneeuw witter, Maria draagt een helblauwe mantel, en de gelige schijn die over het originele werk ligt, heeft Pieter II weggelaten: zijn werk is in alle betekenissen lichter. Bij de vader vermoed je iets of wat dreiging en dramatiek, niet meer bij de zoon. Hij schilderde voor de markt, en dat is daar misschien een gevolg van.



Pieter Brueghel II: De volkstelling in Bethlehem

Interessant zijn ook de twee kopieën van 'De Spreekwoorden', allebei van Pieter II: eentje, dat uit 1607 is van de Stedelijke Musea van Lier, het andere van het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Dat van Lier is overigens de oudste bekende versie door Pieter II. Terzijde: ik verbaasde me over en stond te kijken van wat Lier aan schilderkunst heeft in dit museum. Ik heb ook 'Turnhout Terminus, Turnhout Centraal' bezocht, en de weinige doeken die er daar toe deden, waren in bruikleen afgestaan: onze stad is kennelijk nooit zo rijk geweest, en haar burgerij evenmin, en het woord 'terminus' in de naam van de tentoonstelling lijkt mij helaas terecht. Het was/is niet anders, maar dat is stof voor een andere tekst.


Pieter Brueghel II: De spreekwoorden

Ook leuk aan 'Bruegelland' is dat je je er zonder flits voor eigen gebruik foto's mag maken: geen probleem vinden ze in Lier, 'wij zijn soepel in die dingen'. Daardoor kun je natuurlijk je aandacht beter richten op de talrijke spreekwoorden op het schilderij en uitzoeken wat of wie waarvoor staat. Sommige spreekwoorden, zegswijzen of begrippen zijn nu nog bekend, andere zijn ondertussen verdwenen: meer dan vijfhonderd jaar geschiedenis doet natuurlijk wel iets met taal en woordenschat, dat zal duidelijk zijn. Een aantal fragmenten van dichterbij bekijken leert je echt wel iets over de zestiende-eeuwer, en over de mensen van meer dan vijf eeuwen later, dat ook.


Als je hier onderaan links begint, zie je meteen al een 'pilaarbijter', de mannelijke kwezel, daarnaast een vrouw die tegelijk vuur en water draagt, die is dus onbetrouwbaar. Verder zie je iemand met zijn hoofd tegen de muur lopen, aan het ander eind van de muur zie je een zwaar geharnaste ridder de kat de bel aanbinden. Boven de onbetrouwbare vrouw is een man tussen twee stoelen gevallen en rechts boven zit een hond in de schapraai: wij zeggen nu dat we 'de hond in de pot vinden' als het eten allemaal op is.

De inhoud van dit schilderij is natuurlijk volledig van Pieter Breughel de Oude: je kon er in die tijd je taal en woordenschat mee verrijken, maar dat zal niet in de eerste plaats de bedoeling geweest zijn: Pieter I stelde menselijke hebbelijkheden, tekorten en kleine kantjes aan de kaak, hij was niet zozeer een 'vrolijke Frans', dan wel een scherp satiricus, een humanist. Erasmus' Lof der Zotheid' komt uit het begin van de zestiende eeuw, en daar doet dit nogal aan denken.


Dit is nog zo'n leuk fragment: bovenaan rechts is iemand achter het net aan het vissen, rechts van hem zie je hoe 'grote vissen kleine eten' (daarover heeft Bertold Brecht nog geschreven), en de man daarnaast, die een waaier voor zijn ogen houdt, kan de zon niet in het water zien schijnen. Daaronder zit een man vlees te braden, maar hij zit zelf op hete kolen, en de man links van hem verbeeldt 'het vlees aan het spit moet begoten worden', maar hij staat er gewoon op te pissen. De twee honden vechten om een been, en rechts daarvan is iemand bezig 'Ons Heer een vlassen baard aan te doen', dat wil zeggen dat hij de spot met hem drijft.


De laatste dan, want je kunt niet bezig blijven: Pieter Brueghel zag bijna eindeloos kleine kantjes, en die allemaal samen geven geen al te fraai beeld van de mens. De man met de schop is de put aan het vullen als het kalf al verdronken is, naast hem probeert iemand door de wereld te kruipen, maar die wereld ligt ook al scheef, want het kruis op die globe zit rechts terwijl dat van boven hoort te staan: de betekenis is dat men zich moet vernederen om door de wereld te komen. De jongeman in zijn witte mantel is hét voorbeeld van pretentie een arrogantie: hij stelt de betere stand voor. Hij draagt schoenen met spitse tippen, zijn kleren zijn ook niet grauw, en op zijn  linkerduim laat hij de wereld dansen, alsof hij dat in werkelijkheid blijvend zou kunnen: hoogmoed komt voor de val, maar dat weet hij nu nog niet. De man van boven in het midden 'strooit rozen voor de zwijnen': tegenwoordig zijn we nog rijker, en we gebruiken daar parels voor. Een varken staat voor de man, twee andere naast hem en bij het achterste zie je hoe 'een tang past op een varken'.

Het originele schilderij bevat meer dan honderd spreekwoorden en zegswijzen: je kunt die allemaal zoeken, dan glim- of grimlachen om het menselijk bedrijf en beseffen: er is niets nieuws onder de zon. Voor die echte Brueghel moet je wel een eindje verder rijden: het hangt in de 'Gemäldegalerie' in Berlijn. Een jaar of drie heb ik daar ook eens voorgestaan: 'Berlin ist immer eine Reise wert' dacht ik toen, overigens niet alleen voor Brueghel. Re-overigens: de meeste Brueghels bij elkaar hangen in het 'Kunsthistorisches Museum' in Wenen, en daar hoop ik ooit ook nog te komen: ik wil de smaak van de Habsburgers wel eens gaan bekijken. Daarna lekker 'Sachertorte' gaan smikkelen, en dan mezelf troosten met Gustav Klimt en Egon Schiele.

donderdag 4 februari 2010

Zegswijzen en plastiek in dialect

Overvloedige kermis


Kurken ziel?


Je kunt best heel je beroepsleven overtuigd leraar Nederlands zijn geweest, van het Nederlands houden en het meer praten dan je dialect, maar de liefde voor je echte moedertaal, in mijn  geval Turnhouts, verdwijnt natuurlijk nooit. Waarom zou het ook: je moet je eigen wortels niet verloochenen.

Vriend Vic en ik gaan geregeld zwemmen, iets aan de gezondheid doen zoals dat heet, en nadien gaan we in alle eer, deugd en fatsoen voor de 'après-nage': je moet ook niet meteen overdrijven. Rozenbottelthee, cappuccino's en twee trippels maken het dan weer goed. En we praten dan over maatschappelijk belangwekkende dingen, dat wil zeggen: over wat ons bezighoudt. Af en toe duikt er dan een zegswijze in het dialect op: onze jeugd steekt dan weer eventjes de kop op. Leve de nostalgie! Zo bijvoorbeeld wanneer van een stoel opstaan iets moeilijker blijkt te zijn dan toen we twintig jaar waren. 'M'n arm benen, en me jonk lijf,/ nooit gewerkt en toch stijf!' verzuchten we dan. 'Nooit gewerkt': we hebben allebei een carrière in het onderwijs achter de rug. Zelfkennis is het begin van de wijsheid.

Of als je je niets aantrekt van wat iemand anders over iets zou kunnen denken: 'Dat ie denkt dat ie (ervan) zweet, dan heeft ie het warm': voorbeeldige mix van onverschilligheid en toch enige mate van bezorgdheid om iemands lichamelijk welbehagen.

Vic bracht een zegswijze van zijn grootmoeder in het gesprek: over eigendunk en te grote ego's hadden we het. Die oma, Rosalie van Oirschot (ong. 1890 - ong. 1965, van oorsprong Antwerpse, tijdgenote van mijn eigen grootvader), placht dan te zeggen: 'Een groot gedacht en een kurken ziel, en ge drijft boven'. Prachtig beeld: laconiek ontnuchterend en humoristisch tezelfdertijd, uitleg overbodig.

Het mooiste dat ik ooit gehoord heb, was een uitspraak van mijn eigen vader. Eind 1984, begin 1985 is dat geweest, dat weet ik heel zeker. Moeder, die haar laatste zeventien in een rolstoel had gezeten, was pas overleden, en vader zat met een aantal zaken die hij niet meer nodig had en die in de weg stonden. Die rolstoel heeft hij aan iemand uit de buurt gegeven. Hij vertelde hoe die man gereageerd had: zeer blij en opgetogen. Hij gebruikte toen een uitdrukking die ik nog nooit gehoord had: ik was 37 en taal was toch altijd mijn bijzondere interesse geweest. Ik weet nog heel precies hoe ik na zijn uitspraak vroeg: 'Wa segde gè naa?' Hij herhaalde wat hij gezegd had: ' 't Was kermis aan alle hoeken van ze gat!' Alsof Brueghel 400 jaar later nog eens iets zei! Zoek eens een gelijkaardige, even sterke zegswijze in ons beschaafd: ik zou ze niet kennen.

Maar dat zegt waarschijnlijk meer over mezelf dan over het Algemeen Nederlands. Hoewel: met authentiek dialect gaat helaas ook een cultuur verloren.

zaterdag 16 januari 2010

We zullen eens gaan zien


Harry Mulisch gaat ook eens zien

Een Nederlandse vriend verbaasde zich herhaaldelijk over de Turnhoutse uitdrukking 'we zullen eens gaan zien'. Grappig vond hij die manier van zeggen, alsof je met je ogen open niet altijd 'ziet', alsof je de bewuste beslissing kunt nemen: vanaf nu ga ik zien'. Zeer raar vond ie dat, hij moest er steevast mee lachen. De woorden zijn best goed en eenvoudig Nederlands, en hijzelf kent zijn taal uitstekend, maar voor de combinatie van deze simpele staaltjes woordenschat, daar had hij geen spontaan begrip voor. Hij verstond niet wat wij bedoelden, hij hoorde perfect Nederlandse brokjes moerstaal, maar ze gingen aanvankelijk zijn petje te boven. Mogelijk was dat een frustratie voor hem? Maar hij vond het wel grappig, dat wel.

Nu heeft die uitdrukking met visueel waarnemen ook helemaal niets te maken. 'We zullen eens gaan zien' betekent dat men aanstalten maakt om te vertrekken, om een gezelschap te verlaten, om elders naartoe te gaan. Ik heb onlangs in de Dikke Van Dale heel het lemma 'zien' eens doorgeploegd, en inderdaad, 'zien' in de betekenis van 'vertrekken, weggaan' is Van Dale niet bekend: ons dialect is hier iets te origineel. Je kunt de uitdrukking nog versterken door te zeggen: 'we zullen eens met de kleine gaan zien'. Dan wordt ze bijna hilarisch: er komt natuurlijk geen baby of kind aan te pas. Met 'de kleine' bedoelen we dan dat we binnenkort, een beetje langzamerhand willen vertrekken.
Voor buitenstaanders, niet-ingewijden wordt de zaak dan best ingewikkeld. Alle begrip dus voor de Nederlandse vriend. Overigens begrijpt hij de uitdrukking ondertussen al lang: hij heeft het probleem overwonnen, hij is de kwestie anders gaan 'zien'.

Slot: ik ben er niet zeker van of mijn kinderen, die in het Nederlands opgevoed zijn, de uitdrukking nog wel kennen. Sic transit gloria mundi. Mundi: als de wereld niet groter is dan dit stadje in de Kempen.

zondag 27 december 2009

Koen de Cauter: 'Erbarme dich' - Ootmoed - Deemoed


Poëtisch muzikant en rebels anarchist


Nancy Smets: Ootmoed

In 'Het Vrije woord', het tijdschrift van de Humanistisch Vrijzinnige vereniging (jaargang 54, nr. 4) stoot ik op een 'Gesprek met Koen de Cauter' die in de inleiding getypeerd wordt als 'een poëtische muzikant in hart en nieren', maar ook als een 'rebelse anarchist die zijn kritiek op de samenleving niet spaart'. Nu is de Cauter niet de wereldberoemdste artiest in Vlaanderen, maar ik heb hem ooit zien optreden: bijgevolg heb ik het artikel met gespitste aandacht gelezen. Ook het 'Erbarme dich' in de titel valt mij op: vrijzinnigen gebruiken dergelijke taal niet al te vaak, heb ik het gevoel. Het lijkt mij eerder een 'Kerk en Leven'-titel.

Maar De Cauter zegt tijdens dat gesprek behartenswaardige dingen: hij heeft het over 'de troost van het erbarmen, van het mede-leven, het mede-lijden, het vermogen in te zien wat een ander voelt'. De moderne naam voor dat gevoel is 'empathie'. Zelf gaat hij verder: 'Ge ziet af samen met iemand, omdat je het erkent. Dat gaat om 'compassion', niet om 'pitié'. Er zit ook nederigheid in dit gevoel. Zonder nederigheid kom je nergens. Er is niets wat overeind blijft zonder het element van de nederigheid'. Eventjes verder zegt hij: 'Nederigheid heeft te maken met 'ootmoed' en 'deemoed', die mooie oude woorden. Prachtige woorden.'

Het zijn inderdaad oude woorden: je hoort of leest ze zelden of nooit meer. Ik meen, maar ik kan me vergissen, dat ik ze voor het eerst leren kennen heb tijdens de lessen 'Gewijde Gescheidenis', godsdienst was dat, in de laatste twee 'studiejaren' - zoals dat toen heette - van de basisschool, eind jaren 50 waren we toen. Vooral het woord 'ootmoed' vond ik later eigenaardig: welk Nederlands woord begint met 'oot'? 'Oot', vertelt Van Dale, is wilde haver, en je kunt in het 'ootje' genomen worden: je wordt dan het voorwerp van spot, of je wordt voor de gek gehouden. Het 'ootje' is dan een kringetje waarin je staat, een kleine 'o' dus. Maar de geïnterviewde gebruikt 'ootmoed' en deemoed' vlak naast elkaar, zodat ik me afvroeg: wat is eigenlijk het verschil tussen oot- en deemoed?

Van Dale legt 'ootmoed' uit als onderworpen nederigheid, met name tegenover God. Tijdens de lessen godsdienst zei ik toch al! Het woord zit vanaf 1265-1270 in onze taal, en is gevormd met de Middelnederlandse elementen 'ode' (gemakkelijk) en 'moed'. Dat 'ode' vind je ook nog terug is het adjectief 'olijk'. 'Deemoed' is de stemming van nederige onderworpenheid, tegenover 'hoogmoed'. Het woord is volgens Van Dale sinds 1599 in het Nederlands bekend (bij Kiliaan), en komt uit het Duits. Het schijnt geen godsdienstige connotatie te hebben. Misschien is dat niet helemaal juist: volgens het 'Etymologisch Woordenboek' van J. De Vries en F. De Tollenaere heeft 'deemoed' het Nederlandse 'ootmoed' verdrongen. Letterlijk betekent het 'het gemoed van een dienaar'. Eind 16de eeuw, na de godsdienstoorlogen en de hervorming, komt dat woord uit het Duits in het Nederlands terecht: het is daarbij niet onzinnig aan Luther te denken. Ook 'ootmoed' kan langs godsdienstige wegen onze taal binnengekomen zijn. De Vries en De Tollenaere stellen: 'het woord werd waarschijnlijk door de Angelsaksen bij de kerstening uit het oudere taalgebruik, waarin het 'welwillende gezindheid' betekende,overgenomen om het Latijnse humilitas 'nederigheid' weer te geven.

In 'Keur van Nederlandsche Synoniemen(1922) staat een verklaring van het trio 'deemoedig - nederig - ootmoedig'. In de spelling van toen lijkt de uitleg pas echt oud: 'Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen dunk van zich zelven heeft. Nederig zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat alle pracht en trotschheid verre blijft. Hij is nederig gekleed. - In een nederige wooning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch paleis.
Deemoedig onderstelt schuldgevoel, terwijl ootmoedig de bijgedachte heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. Hij smeekte God deemoedig om vergeving; hij onderwierp zich ootmoedig aan Zijn wil.

Onder de titel 'Ootmoed' is in de Nederlandse krant 'Trouw' een artikel verschenen van de filosoof Cornelis Verhoeven, niet direct de Nederlandse Sartre, maar toch ook geen kleuter/wijsgeer. De link: http://www.trouw.nl/krantenarchief/1998/11/19/2511494/Ootmoed.html

Maar ik was begonnen over Koen de Cauter: 'erbarmen' en 'barmhartig' zijn ook twee woorden waar hij het zeer voor heeft: 'met barmhartig breekt een hele wereld open', zegt hij. Zelf roept 'barmhartig' bij mij altijd 'warmhartig' op; maar dat is puur subjectief. Overigens zijn 'erbarmen, barmhartig' ook van Duitse komaf; onze taal gebruikt daar in oorsprong 'ontfermen' voor.

De Cauter heeft het ook voor Guido Gezelle: die is zijn eigen weg uitgelopen, stelt hij, zelfbewust en nederig tegelijkertijd voeg ik daaraan toe. De Cauter: dat zie je 'in zijn laatste gedichten, die zelfs niet meer rijmen. Ongelooflijk mooi werk, is dat.' Ik denk dan aan 'Ego flos', dat bijna mystieke gedicht uit 1898, en dat zo begint: 'Ik ben een blom/en bloeie voor uw ogen,/geweldig zonnelicht,/...

Ik heb De Cauter ooit zien optreden, zei ik in het begin. Dat was tijdens een voorstelling voor leerlingen in De Warande, wel 20 jaar geleden nu. Hij bracht gedichten van Gezelle die hij zelf op muziek gezet had. Een eerder intimistisch gebeuren moest het worden. Maar mijn leerlingen (17 - 18 jaar) konden een en ander maar matig smaken, en er was behoorlijk wat geroezemoes, wat het gebodene niet ten goede kwam. Koen de Cauter stapte op een bepaald ogenblik uit zijn rol: als het niet beter werd, zou hij ermee stoppen, dreigde hij. Sympathiek heeft hij zich daar toen niet mee gemaakt, maar gelijk had hij wel: als je als (uitvoerend) kunstenaar in alle nederigheid niet in jezelf gelooft, kun je er inderdaad beter mee ophouden. De 'jeunesse dorée' begreep dat toen natuurlijk niet. Zoals mijn leraar Frans ons medio jaren 60 voorhield: 'la jeunesse est présomptueuse'. Toen, 20 jaar later, en nu nog. Koen de Cauter kan daar niet goed tegen: hij is meer dan een eendimensionale mens.

zaterdag 22 augustus 2009

Zes gerenommeerde vocale gezelschappen


Gerenommeerd vocaal gezelschap

Zaterdagochtend hebben wij ons zwemuurtje, Vic en ik: eens niet te overdreven bewegen kan nooit kwaad, ook en zeker niet voor een ms-patiënt zoals ik. Sta ik na onze beurt in de kleedcabine, de radio staat op 'Radio 2', 'de grootste familie van Vlaanderen', het loopt tegen de middag, en dan is er de obligate reclame. In principe te verwaarlozen boodschappen, maar ethervervuiling moet ook kunnen in deze moderne tijd. Een sensueel-erotische mannenstem heeft het over een muziekfestival waar 'zes gerenommeerde vocale gezelschappen' zullen optreden: allen daarheen! Eigenlijk bedoelt hij 'zes bekende koren', maar dat zegt hij niet, dat is te gewoon. De grootste familie krijgt een hogere taallaag geserveerd, waardoor het buitengewone, de meerwaarde van het aangebodene wordt gesuggereerd. Dat de betekenis een beetje duisterder wordt: een kniesoor die daarom maalt. Mensen voelen zich belangrijk als ze het vermeende 'hogere, betere' verstaan, en daar speelt de boodschap kennelijk op in. Daarvoor mogen rustig gekunstelde woordenschat en een onnatuurlijk stemtimbre ingezet worden: mensen bedriegen en beliegen mag kennelijk, maar met stijl dan, zelf opgelegde efficiënte stijl.

Mijn leraar Nederlands (in de jaren 60 zijn we dan) hield ons altijd voor: schrijf zoals je beschaafd zou spreken. Je zegt en schrijft 'hoe heet je', niet 'oenoemdegèè'. Hetzelfde heb ik mijn eigen leerlingen altijd voorgehouden: taal is in de eerste plaats een communicatiemiddel, dient mensen met elkaar in contact te brengen, niet om afstanden te scheppen. Woorden en taal zijn niet hetzelfde als de twee strepen om de mouw van de korporaal, of de drie - zelfs vijf - op de kraag van een generaal. Taal dient niet om hiërarchieën te vestigen, taal, zou je denken, is een middel tot democratisering. Dat wil niet zeggen dat er geen vaktalen ndig zijn en mogen bestaan, en evenmin dat we op het niveau moeten blijven steken van wat ik in het Engels noemde 'I open the door and I shut the window'.

Maar taal gebruiken door op schijnwaarden in te spelen en ze in feite te propageren vind ik een verwerpelijk procédé: taal moet duidelijk maken, onthullen, niet verhullen of de mensen afschrikken en doen reageren met 'Die kan het zo goed zeggen, dat zal dus wel waar zijn'. Waardoor en waarna ze er het zwijgen toe doen, en van enig contact geen sprake kan zijn. Maar dat is ook niet de bedoeling van reclame natuurlijk: verleiden is de boodschap, goed of minder goed verborgen.

zondag 10 mei 2009

De pilaarbijter


Lees ik eergisteren een artikel in het Nederlandse 'Trouw' over 'De pilaarbijter'. De journalist ziet in het houtsnijwerk van de Bavokerk in Haarlem de voorstelling van een eigenaardig mannetje, hij weet echt niet wat of wie er uitgebeeld wordt. Gelukkig komt er een vrouw naar hem toe die hem vertelt dat het om een pilaarbijter gaat. De man kent ook het woord niet, kan ook nog 'kwezel' aan zijn 'vocabulaire' toevoegen - zo noemt hij dat, woordenschat is allicht te gewoon en te duidelijk - en wordt zowat lyrisch: wat kan taal mooi zijn, bedenkt hij euforisch. 'Het lijkt wel of ze, om extreme situaties uit te kunnen drukken, over haar eigen grenzen reikt, diep in het onderste van de kan' holt hij verder.

Rustig rustig, schrijverd, denk ik dan. Want de woorden 'pilaarbijter' en 'kwezel' zijn bij ons gewoon gemeengoed. Dat ze dat in het Nederland van boven de grote rivieren niet meer zijn, is jammer, maar alleen maar logisch. Want die pilaarbijter uit Haarlem dateert zeker uit de tijd toen de Bavokerk nog katholiek was: het gaat ten slotte om een middeleeuws gebouw dat pas later, maar toch ook al in de 16de eeuw aan de nieuwe godsdienst gewijd werd. En protestantse kerken hebben niet de traditie van weelderige versiering, laat staan van een mannetje dat letterlijk in een pilaar bijt. Dat kan alleen van katholieke oorsprong zijn: protestanten zijn veel ernstiger, in de kerk wordt niet gelachen. Gewone katholieken lachen al wel eens met zichzelf, die nemen de godsdienst niet tot 'over de grens' au sérieux, het mag zeker geen manie worden. Vandaar dat komische mannetje, met een nadrukkelijke paternoster bungelend aan zijn zij, zijn tanden letterlijk stuk bijtend op een steenharde zuil. Ik krijg helaas de afbeelding niet gedownload.

Een pilaarbijter is ook terug te vinden op 'De spreekwoorden' van Brueghel: helemaal links onderaan vind je hem. In het Duits heet hij 'ein Pfeilerbeisser', en de verklaring bij het figuurtje luidt 'ein bigotter Mensch', een schijnheilige huichelaar.


Pieter Brueghel: Nederlandse spreekwoorden

Het doek hangt in de 'Gemäldegalerie' in Berlijn, vandaar dat Duits. - Het begrip 'pilaarbijter' doet me danken aan de Farizeeër die vooraan in de synagoge God staat te danken omdat hij niet is zoals de tollenaar achteraan in dezelfde ruimte, zich bewust van zijn tekortkomingen.


'De pilaarbijter' in een kopie van Pieter Brueghel de Jonge

Dat Nederlanders dit woord niet meer kennen duidt op cultuurverschil: Vlaanderen is tot voor kort overwegend katholiek gebleven, en de woordenschat van rijke Roomse oorsprong is hier nog niet vergeten. Wij doen dan ook niet spetterend enthousiast over woorden die we nog kennen. In Nederland zijn die sinds de invoering van het protestantisme verloren gegaan, terwijl de nieuwe godsdienst zelf, om eventjes kort door de bocht te gaan, in oorsprong een uiting van purisme is die vaak tot geïnstitutionaliseerde pilaarbijterij heeft geleid.

'Pilaarbijter' is ook de naam van een Belgisch bier dat zichzelf afficheert als 'bier met een ziel': de brouwer heeft de essentie van het woord met enige humor volkomen begrepen. Overigens staat Brueghels pilaarbijter op de affiche duidelijk te pronken. In 't Vlaams: schol!