Tempelhof vinden we ook een bezoek waard. Daar loop ik gewoon naartoe, meent Maartje, want op haar kaart van Berlijn lijkt dat niet zo ver. Voor mij als scootmobilist geen probleem natuurlijk. Alleen blijkt haar inschatting aan de optimistische kant geweest te zijn: het duurt een tijdje voor we er zijn.
De luchthaven, die sinds 1 november 2008 gesloten is, ligt aan de Columbiadamm, en daar was vanaf 1933 nog iets anders dan luchtverkeer aan de gang. Een jaar lang is er een SS-gevangenis geweest die heel fraai Columbiahaus heette, en van '34 tot '36 stond aan deze 'Damm' concentratiekamp Columbia; in '38 werd het afgebroken. Een plaat aan de muur van het luchthaven gebouw is opgedragen aan de slachtoffers van de gruwelen van destijds, en aan de dwangarbeiders van vele nationaliteiten die tijdens de oorlog in afgrijselijke omstandigheden op het vliegveld moesten werken. Daar waren trouwens Berlijnse Joden bij, totdat ze in '43 naar Auschwitz gedeporteerd werden. De tekst eindigt in vetjes: 'Möge das niemals vergessen werden!' Iets dergelijks zie je wel vaker in Berlijn: getuigenissen over de periode van het nationaal-socialisme, over de muur en de DDR, over propaganda en terreur, allemaal met de bedoeling 'Nie wieder' en 'Niemals vergessen'..
Berlijn gaat zijn verleden niet uit de we
Ik wilde naar Tempelhof omdat daar ooit een luchtbrug het leven van 2 miljoen West-Berlijners heeft gered. Ik dacht dat dat in 1953 was, maar nee, dat was in 48/49. In '53 had de grote spontane volksopstand van de Oost-Berlijners plaats, meedogenloos neergeslagen door de Sovjets. Koude oorlog op zijn heetst! Aan die opstand herinnert de 'Strasse des 17. Juni' die in de het centrum van de stad voor een groot deel door de Tiergarten loopt. En dan leer ik ook dat de DDR al in 1949 gesticht is, en niet in '53, zoals ik dacht. De arbeiders- en boerenstaat heeft het dus exact 50 jaar uitgehouden.
Het luchthavengebouw van Tempelhof is niet zo bijzonder: het is in 1941 opgeleverd volgens de plannen van ene Ernst Sagebiel, een epigoon van Albert Speer. Eerder eentonig en streng komt het mij over, zonder de minste fantasie, nazi-architectuur, zeg maar. Je geraakt er ook niet naar binnen: alle deuren zijn goed op slot, wat mogelijke krakers op afstand houdt. De vroegere landingsbanen, die achter het gebouw liggen zijn omgevormd tot een park, dat in 2011 ingehuldigd werd. Helaas hebben we daar niets van gezien.
Maartje met gezwinde tred op weg naar de 'Zentralflughaven'
Tempelhof kende ik vooral van de luchtbrug: niet dat ik daar eigen herinneringen aan heb - ik was nog een baby toen - wel aan een postzegel die ik ooit in mijn verzameling had. En dan ga je zoeken wat een en ander betekent, en dan kom je een eind ver. Wat me niet belet heeft de juiste datum te vergeten.
Die luchtbrug heeft elf maanden geduurd: van juni '48 tot mei '49, 320 dagen om precies te zijn. Alle levensnoodzakelijkheden werden ingevlogen, tot en met steenkool! Het monument uit 1951 symboliseert de drie luchtcorridors. Aan de voet van het monument staan een reeks namen van militairen die tijdens de luchtbrug gestorven zijn: die heeft dus ook levens gekost!
Het monument voor de luchtbrug
Postzegel bij de 25ste verjaardag
Gelukkig voor haar weet Maartje een kortere weg naar ons 'Hüttenpalast' in Neukölln te vinden. En morgen volgt dan weer een interessante dag.
dinsdag 18 augustus 2015
zondag 16 augustus 2015
Berlijn: Bröhan-Museum - Jugendstil
Vlak tegenover Schloss Charlottenburg liggen twee eerder kleine musea die een omweg meer dan waard zijn. Een ervan is de 'Sammlung Berggruen' met heel veel Picasso's, het andere het 'Bröhan-Museum', en het is gewijd aan Jungendstilkunst en -kunstvoorwerpen uit de periode van 1890 tot 1933. Het werd pas in 1983 geopend, en is wat mij betreft een onverbiddelijke aanrader. Duitsers kennen hun wereld, en als gehandicapte mag ik gratis naar binnen. Als iemand aan de ticketbalie ziet dat ik een fototoestel bij me heb, laat ze me weten dat ik voor 2 euro een 'Fotoerlaubnis' kan kopen, en dan kan ik foto's maken zoveel ik wil, maar wel zonder flits. Dat is pas service, waar ik natuurlijk graag gebruik van maak.
Wat je bij Bröhan te zien krijgt, is gewoon verbluffend.Ik had al eens een prachtige Jugendstiltentoonstelling gezien, in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel, maar daar mag Bröhan rustig zijn voet naast zetten. het eerste wat me trof was een schilderij dat aardig de sfeer van de Belle Epoque weergeeft. 'Berlin Kommerzplatz' heet het, komt uit 1914, vlak voor het begin van de Eerste Wereloorlog, die het einde van de periode van de Belle Epoque inluidt, en het is van een mij tot dan onbekende Duitse schilder, Hans Baldschek. Er lijkt een feest of een kermis aan de gang te zijn, goed geklede burgers en hun kinderen wandelen ernaartoe, maar op de voorgrond staat een straatschoffie (met pet!) een sigaret te roken, daarbij aangestaard door een beschaafd, kleiner jongetje (met hoed) dat kennelijk staat te snoepen. De bourgeoisie heeft voor het mannetje met de pet helemaal geen belangstelling! Interessant beeld dat de klassenverschillen van de Duitse maatschappij van voor 1914 suggereert.
Hans Baldschek, Berlin Kommerzplatz, 1914
Een echt voorbeeld van Jugendstil is een schitterende vitrinekast, ontworpen door Eugène Gaillard in 1899-1900. Die man had ik overigens al leren kennen in Brussel: hij is de kleinste kunstenaar niet. De deurtjes van de kast zijn mooi versierd in het Jungendstilidioom, subtiel ook de ruiten van de grotere deuren, de linker- en de rechterkant zijn opengewerkt: dat geeft het meubel een gevoelen van lichtheid die echt wel een mens positief stemt.
Eugène Gaillard, Vitrinekast, 1899-1900
Van Henri van de Velde staat er de bekende kandelaar ook al uit 1899-1900: elegantie ten top!
Een andere kast is van Hector Guimard, eveneens uit dezelfde jaren: het lijkt wel of heel Europa was gegrepen door de nieuwe stijl! En die Guimard was ook geen kleine jongen. Ook hij werkt met glas en open partijen, voegt er gebogen houten versieringen aan toe die als bloeiende planten boven de kast uitsteken: de natuur en natuurlijke vormen moesten het huis, de woonkamer binnengebracht worden. Mooi, licht en een beetje speels vind ik het allemaal.
Hector Guimard, Buffetkast, 1899-1900
Zeer leuk is ook de affiche van Alfons Mucha, de Jugendstil kunstenaar par excellence. Ik zag vlak in het midden een zwart, opvallend vierkantje met het woord 'Job' erop, dacht meteen aan de figuur uit het Oude Testament, maar wist meteen dat ik me deerlijk aan het vergissen was: het is reclame voor vloeitjes, sigarettenblaadjes zoals wij zeggen. Dat kleine boekje vloeitjes houdt een mooie, jonge vrouw met weelderige uitwaaierende haardos tussen de vingers, maar door het contrast tussen dat zwart en haar lichte jurk valt het toch meteen op en trekt het de aandacht. Goede reclamejongen was die Mucha, ongetwijfeld. Hij heeft dergelijke affiches nog wel meer gemaakt.
Alfons Mucha, Job
Jugendstil was er natuurlijk ook in voorwerpen die op tafel moesten komen: serviezen, vazen en schalen, ofwel functioneel of als puur siervoorwerp. Een zeer mooie schaal (ik kan me eigenlijk niet indenken dat die ooit voor het gewone gebruik bestemd was) is er eentje naar het ontwerp van de Deen Christian Thomsen uit 1898: twee zeemeerminnen dansen met elkaar in een werveling van golven. Beweging alom.
Naar een ontwerp van Christian Thomsen: Schaal, 1898
Uit hetzelfde jaar een sierschaal van ene Martin Fritzsche: in het midden van de schaal zie je de omtrekt van een neus, daarboven een arm die voor de neus eindigt in een hand. Zachte pastelkleuren van verschillende tinten maken de schaal tot wat ze is: inderdaad een mooi siervoorwerp.
Sierschaal, 1898, naar een ontwerp van Martin Fritzsche
Ten slotte nog even terug naar de meubelen: een schitterende paravent uit 1897.
Je ziet een fictief landschap met kronkelende wegen grote bloemen, en een slang die in bochten door de vegetatie glijdt.
Paravent, 1897, naar een ontwerp van Hans Christiansen (?)
Bröhan-Museum is prachtig, zeker voor wie van Jugendstil houdt. Ik was behoorlijk enthousiast na ons bezoek. Die 'Fotoerlaubnis' vond ik zeer leuk, en in de book shop vind ik dan nog iets echt onverwachts: een boek dat heet 'Flämischer Glanz', met de ondertitels 'Kunst vom Jugendstil zum Modernismus, Gemälde und Raumkunst von 1885 bis 1935'. Het blijkt in 2004 uitgegeven te zijn, naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het museum; boek en tentoonstelling met steun van de Vlaamse regering. Dat ze er elk jaar later nog voorhanden zijn, laat niet echt een eclatant succes vermoeden, maar toch is het een zeer interessant werk. Dat je dat als Vlaming in Berlijn voor € 5 kunt kopen: wat kun je je meer wensen?
Wat je bij Bröhan te zien krijgt, is gewoon verbluffend.Ik had al eens een prachtige Jugendstiltentoonstelling gezien, in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel, maar daar mag Bröhan rustig zijn voet naast zetten. het eerste wat me trof was een schilderij dat aardig de sfeer van de Belle Epoque weergeeft. 'Berlin Kommerzplatz' heet het, komt uit 1914, vlak voor het begin van de Eerste Wereloorlog, die het einde van de periode van de Belle Epoque inluidt, en het is van een mij tot dan onbekende Duitse schilder, Hans Baldschek. Er lijkt een feest of een kermis aan de gang te zijn, goed geklede burgers en hun kinderen wandelen ernaartoe, maar op de voorgrond staat een straatschoffie (met pet!) een sigaret te roken, daarbij aangestaard door een beschaafd, kleiner jongetje (met hoed) dat kennelijk staat te snoepen. De bourgeoisie heeft voor het mannetje met de pet helemaal geen belangstelling! Interessant beeld dat de klassenverschillen van de Duitse maatschappij van voor 1914 suggereert.
Hans Baldschek, Berlin Kommerzplatz, 1914
Een echt voorbeeld van Jugendstil is een schitterende vitrinekast, ontworpen door Eugène Gaillard in 1899-1900. Die man had ik overigens al leren kennen in Brussel: hij is de kleinste kunstenaar niet. De deurtjes van de kast zijn mooi versierd in het Jungendstilidioom, subtiel ook de ruiten van de grotere deuren, de linker- en de rechterkant zijn opengewerkt: dat geeft het meubel een gevoelen van lichtheid die echt wel een mens positief stemt.
Eugène Gaillard, Vitrinekast, 1899-1900
Van Henri van de Velde staat er de bekende kandelaar ook al uit 1899-1900: elegantie ten top!
Een andere kast is van Hector Guimard, eveneens uit dezelfde jaren: het lijkt wel of heel Europa was gegrepen door de nieuwe stijl! En die Guimard was ook geen kleine jongen. Ook hij werkt met glas en open partijen, voegt er gebogen houten versieringen aan toe die als bloeiende planten boven de kast uitsteken: de natuur en natuurlijke vormen moesten het huis, de woonkamer binnengebracht worden. Mooi, licht en een beetje speels vind ik het allemaal.
Hector Guimard, Buffetkast, 1899-1900
Zeer leuk is ook de affiche van Alfons Mucha, de Jugendstil kunstenaar par excellence. Ik zag vlak in het midden een zwart, opvallend vierkantje met het woord 'Job' erop, dacht meteen aan de figuur uit het Oude Testament, maar wist meteen dat ik me deerlijk aan het vergissen was: het is reclame voor vloeitjes, sigarettenblaadjes zoals wij zeggen. Dat kleine boekje vloeitjes houdt een mooie, jonge vrouw met weelderige uitwaaierende haardos tussen de vingers, maar door het contrast tussen dat zwart en haar lichte jurk valt het toch meteen op en trekt het de aandacht. Goede reclamejongen was die Mucha, ongetwijfeld. Hij heeft dergelijke affiches nog wel meer gemaakt.
Alfons Mucha, Job
Jugendstil was er natuurlijk ook in voorwerpen die op tafel moesten komen: serviezen, vazen en schalen, ofwel functioneel of als puur siervoorwerp. Een zeer mooie schaal (ik kan me eigenlijk niet indenken dat die ooit voor het gewone gebruik bestemd was) is er eentje naar het ontwerp van de Deen Christian Thomsen uit 1898: twee zeemeerminnen dansen met elkaar in een werveling van golven. Beweging alom.
Naar een ontwerp van Christian Thomsen: Schaal, 1898
Uit hetzelfde jaar een sierschaal van ene Martin Fritzsche: in het midden van de schaal zie je de omtrekt van een neus, daarboven een arm die voor de neus eindigt in een hand. Zachte pastelkleuren van verschillende tinten maken de schaal tot wat ze is: inderdaad een mooi siervoorwerp.
Sierschaal, 1898, naar een ontwerp van Martin Fritzsche
Ten slotte nog even terug naar de meubelen: een schitterende paravent uit 1897.
Je ziet een fictief landschap met kronkelende wegen grote bloemen, en een slang die in bochten door de vegetatie glijdt.
Paravent, 1897, naar een ontwerp van Hans Christiansen (?)
Bröhan-Museum is prachtig, zeker voor wie van Jugendstil houdt. Ik was behoorlijk enthousiast na ons bezoek. Die 'Fotoerlaubnis' vond ik zeer leuk, en in de book shop vind ik dan nog iets echt onverwachts: een boek dat heet 'Flämischer Glanz', met de ondertitels 'Kunst vom Jugendstil zum Modernismus, Gemälde und Raumkunst von 1885 bis 1935'. Het blijkt in 2004 uitgegeven te zijn, naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het museum; boek en tentoonstelling met steun van de Vlaamse regering. Dat ze er elk jaar later nog voorhanden zijn, laat niet echt een eclatant succes vermoeden, maar toch is het een zeer interessant werk. Dat je dat als Vlaming in Berlijn voor € 5 kunt kopen: wat kun je je meer wensen?
zaterdag 15 augustus 2015
Berlijn, Schlosspark Charlottenburg - groen, natuur
In februari 2009 ben ik al eens een paar dagen in Berlijn geweest, bij mijn dochter Maartje die daar toen op Erasmus was. Winter was het toen, en uiteraard nergens een blad op of aan een boom. Toch kon je zien dat Berlijn een zeer groene stad moet zijn, en ik wilde ze zeker een keer in de zomer bezoeken en bekijken. En dit jaar is dat ervan gekomen. Hoogzomer was het er: van 4 tot 12 augustus elke dag 28, 30 of meer graden, geen drup regen is er in die tijd gevallen, puffen blazen en zweten waren aan de orde van de dag.
De gemotiveerde toerist laat zich daardoor niet uit het lood slaan: de eerste dag gaat het van Neukölln, waar we in een B&B zitten, naar Charlottenburg, 12 kilometer in oostelijke richting. Maartje met de fiets voorop, ik met mijn mijn scootmobiel erachteraan. We rijden langs het Landwehrkanal dwars door de stad, onder de bomen en we zien af en toe bloemen die ik in de Kempen nog niet gespot had: de akkerwinde bijvoorbeeld.
Het Landwehrkanal
Akkerwinde in het midden van Berlijn
Met de bouw van Schloss Charlottenburg is eind zeventiende eeuw begonnen en in 1712 werd het voltooid, maar nadien zijn er nog delen bijgebouwd en veranderingen aangebracht. Met de scootmobiel leek het niet echt goed toegankelijk, maar we hebben ook niet veel moeite gedaan: het was zo warm dat wel liever buiten bleven en in het Schlosspark rond zijn gaan rijden.
Schloss Charlottenburg
Vlak achter het paleis ligt een grote vijver, met partijen waterlelies (links op de foto), maar zelfs een aalscholverpaartje was er: het wijfje broeden, het mannetje wakend. Dat zijn zaken die ik hier helemaal niet verwacht had, daar word ik gewoon blij van!
De vijver achter het Schloss
Aalscholverpaartje, broedend en wakend
Langs een pad staan een aantal dezelfde schitterende bloemen: op het eerste gezicht denk ik aan orchideeën, maar zeker ben ik daar niet van. Ik zet de foto op facebook, met de vraag of iemand deze bloem kent, en na twee dagen komt het juiste antwoord: het gaat om 'klein springzaad'. De oorsprong van de plant is Azië, en is volgens mijn flora seder ca. 1840 vanuit botanische tuinen verwilderd. Hij behoort tot de balsemienfamilie.
Klein springzaad
De meeste Berlijners wonen in appartementen, hebben dus geen tuin en gaan naar buiten om van de 'natuur' te genieten. In de parken zie je dan bij goed weer altijd wel mensen die 'sich erholen wollen', wandelend of fietsend, of lekker uitgestrekt liggend op een van de 'Liegewiesen' die in de 'Tiergarten' en andere groene gebieden van de stad te vinden zijn.
Sich erholende Berliner
Een ligweide
Die 'Tiergarten' is ongetwijfeld het grootste park van de stad: het ligt redelijk centraal en doet ook al daardoor denken aan Central Park in New York. Op zondag komen de mensen er in groten getale naartoe om te ontstressen van de voorbije werkweek en te genieten van de vrije dag, naar een concertje of een optreden te luisteren in de buurt van het 'Teehaus'. De 'Tiergarten' is een plek waar je met overgave de kunst van het 'niets moeten' kunt beoefenen. En of er van geprofiteerd wordt. Berlijn lijkt mij een goed georganiseerde stad, zeker in dat opzicht.
Ik kwam onder andere voor het groen en de natuur naar Berlijn: de eerste dag ben is al meer dan aan mijn trekken gekomen. Voor mij is de stad nu al 'immer eine Reise wert', maar 'ich habe keinen Koffer mehr da'. Die heb ik een week later domweg mee naar huis genomen. 'Schade!' Maar ik kan met die koffer ook wel terugkomen, ganz gewiss!
De gemotiveerde toerist laat zich daardoor niet uit het lood slaan: de eerste dag gaat het van Neukölln, waar we in een B&B zitten, naar Charlottenburg, 12 kilometer in oostelijke richting. Maartje met de fiets voorop, ik met mijn mijn scootmobiel erachteraan. We rijden langs het Landwehrkanal dwars door de stad, onder de bomen en we zien af en toe bloemen die ik in de Kempen nog niet gespot had: de akkerwinde bijvoorbeeld.
Het Landwehrkanal
Akkerwinde in het midden van Berlijn
Met de bouw van Schloss Charlottenburg is eind zeventiende eeuw begonnen en in 1712 werd het voltooid, maar nadien zijn er nog delen bijgebouwd en veranderingen aangebracht. Met de scootmobiel leek het niet echt goed toegankelijk, maar we hebben ook niet veel moeite gedaan: het was zo warm dat wel liever buiten bleven en in het Schlosspark rond zijn gaan rijden.
Schloss Charlottenburg
Vlak achter het paleis ligt een grote vijver, met partijen waterlelies (links op de foto), maar zelfs een aalscholverpaartje was er: het wijfje broeden, het mannetje wakend. Dat zijn zaken die ik hier helemaal niet verwacht had, daar word ik gewoon blij van!
De vijver achter het Schloss
Aalscholverpaartje, broedend en wakend
Langs een pad staan een aantal dezelfde schitterende bloemen: op het eerste gezicht denk ik aan orchideeën, maar zeker ben ik daar niet van. Ik zet de foto op facebook, met de vraag of iemand deze bloem kent, en na twee dagen komt het juiste antwoord: het gaat om 'klein springzaad'. De oorsprong van de plant is Azië, en is volgens mijn flora seder ca. 1840 vanuit botanische tuinen verwilderd. Hij behoort tot de balsemienfamilie.
Klein springzaad
De meeste Berlijners wonen in appartementen, hebben dus geen tuin en gaan naar buiten om van de 'natuur' te genieten. In de parken zie je dan bij goed weer altijd wel mensen die 'sich erholen wollen', wandelend of fietsend, of lekker uitgestrekt liggend op een van de 'Liegewiesen' die in de 'Tiergarten' en andere groene gebieden van de stad te vinden zijn.
Sich erholende Berliner
Een ligweide
Die 'Tiergarten' is ongetwijfeld het grootste park van de stad: het ligt redelijk centraal en doet ook al daardoor denken aan Central Park in New York. Op zondag komen de mensen er in groten getale naartoe om te ontstressen van de voorbije werkweek en te genieten van de vrije dag, naar een concertje of een optreden te luisteren in de buurt van het 'Teehaus'. De 'Tiergarten' is een plek waar je met overgave de kunst van het 'niets moeten' kunt beoefenen. En of er van geprofiteerd wordt. Berlijn lijkt mij een goed georganiseerde stad, zeker in dat opzicht.
Ik kwam onder andere voor het groen en de natuur naar Berlijn: de eerste dag ben is al meer dan aan mijn trekken gekomen. Voor mij is de stad nu al 'immer eine Reise wert', maar 'ich habe keinen Koffer mehr da'. Die heb ik een week later domweg mee naar huis genomen. 'Schade!' Maar ik kan met die koffer ook wel terugkomen, ganz gewiss!
maandag 22 juni 2015
Boones Blijk: bomen in het park
Boones Blijk heeft meer te bieden dan gebouwen, dat mag duidelijk zijn. Het goed werd in de loop van de negentiende eeuw eigendom van de familie Boone: linnen, garen of wol bleken deden die mensen niet, de blekerij was niet langer in bedrijf. Van het domein maakten zij een park, een kleine 'hof van plaisantie' zou ik zeggen. De bourgeois familie Boone kon zich hier terugtrekken om weg van de stad, in de natuur van de geneugten des levens te genieten. De bleekvelden, die achter en links van het landhuis lagen, werden voor een deel een prachtig en ruim gazon, met hier en daar een boom of een grote conifeer: stijl heeft een en ander zeer zeker wel.
De vroegere bleekvelden
Er staan in dit park ook een paar indrukwekkende bomen: een staat aan de oever van de grote vijver aan de Elzenstraat. Daar heb ik ooit, in 2010, eens een blogstuk aan gewijd met de titel 'Getormenteerde boom'. Nu ik zelf in het park was, heb ik die boom van dichtbij kunnen bekijken, en ik blijf hem prachtig vinden. Destijds heb ik hem gedetermineerd als 'kleinbladige of winterlinde', maar daar heb ik me vergist: als je er vlak bij en onder staat, zie dat de blaadjes helemaal niet zo klein zijn, en dat het hier dus om een 'grootbladige of zomerlinde' gaat. Natuurlijk is hij aangeplant: in België en Nederland komt hij anders niet zo vaak voor, vertelt mijn 'Nieuwe Plantengids' mij.
De zomerlinde vanaf de schuur
Het bladerdak zoals een groot opengeschoven gordijn
Misschien honderd meter verder, midden in het park en aan de rand van een bosje, staat een majestatische beuk die onze groep bezoekers behoorlijk wat ontzag inboezemde. Een of ander aankomend etser uit welke familie dan ook heeft in de dikke stam het jaartal '1984' gekerfd, zonder dat er overigens initialen bijstaan. Mogelijk een jonge aankomende intellectueel die pas George Orwell gelezen had . . . Ondertussen blijft het wel een monumentale boom: als je de natuur tijd en rust genoeg geeft, zie je voortbrengselen om 'U met een heel grote U' tegen te zeggen.
Monument van een beuk
Sinds 1984 is hij nog gegroeid
In zijn inleiding signaleerde Christian Raskin ons ook dat de blekerij ook op de Ferrariskaarten te zien is. Die zijn getekend tussen 1771 en 1778, en inderdaad, de blekerij staat erop, aangeduid met het woord 'Blancherie'. Je ziet een laan met negen bomen, zou ik denken, die naar het landhuis leidt, en grachten en vijver zoals die nu nog zijn. Die Ferrariskaarten waren of zijn zeer precies, en jawel, 240 jaar later kloppen sommige details nog.
Op de Ferrariskaarten: Blancherie, of Boones Blijk
Wat onze inleider-gids ons ook meedeelde was dat er in de zeventiende eeuw ook blekerijen waren in Haarlem, waar ons goed werd gebleekt. Onze blekerijen zijn van iets later. Toen herinnerde ik me dat ik die Noord- Hollandse bleekvelden toch ooit gezien had, op de Haarlempjes van Jacob van Ruysdael met name. In het Rijksmuseum hangt een Haarlempje, maar het mooiste is dat uit het Kunsthaus in Zürich. Daarop zie je uitgerold linnen waar volop de zonnestralen opvallen: de bleekvelden in het centrum van de belangstelling. Het was dan ook geen onbelangrijke 'industrie': de betere klassen wilden er goed uitzien, net zoals nu alle mensen die het zich kunnen veroorloven.
In Turnhout kwam volgens het geschrift van Marcel Boone (Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout) deze industrie vanaf 1654 tot bloei. Vanaf 1673 moest er geen linnen meer naar Haarlem gestuurd worden, dat dus de concurrentie van onze blekerijen ondervond. Op een Nederlandse website (www.irenemaas.nl/pages/Bleekerij/... ) kun je dan weer lezen dat die blekerijen in Haarlem geïntroduceerd werden door Vlaamse en Brabantse inwijkelingen van na 1585, het jaar van de val van Antwerpen. Maar midden zeventiende eeuw waren de Zuid-Nederlanders die hier gebleven waren, al geduchte concurrenten: de Nederlanden waren twee aparte delen geworden, en dat zie je ook in het verhaal van de blekerijen.
Jacob van Ruysdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden, ca. 1670
En zo kom van een blekerij in Turnhout uit bij die in Haarlem, en kom je van lokale geschiedenis in die van de hele Nederlanden terecht: zo lokaal blijkt het tenslotte niet te zijn. Alles is met alles verbonden, zegt men dan. Of toch veel met veel.
De vroegere bleekvelden
Er staan in dit park ook een paar indrukwekkende bomen: een staat aan de oever van de grote vijver aan de Elzenstraat. Daar heb ik ooit, in 2010, eens een blogstuk aan gewijd met de titel 'Getormenteerde boom'. Nu ik zelf in het park was, heb ik die boom van dichtbij kunnen bekijken, en ik blijf hem prachtig vinden. Destijds heb ik hem gedetermineerd als 'kleinbladige of winterlinde', maar daar heb ik me vergist: als je er vlak bij en onder staat, zie dat de blaadjes helemaal niet zo klein zijn, en dat het hier dus om een 'grootbladige of zomerlinde' gaat. Natuurlijk is hij aangeplant: in België en Nederland komt hij anders niet zo vaak voor, vertelt mijn 'Nieuwe Plantengids' mij.
De zomerlinde vanaf de schuur
Het bladerdak zoals een groot opengeschoven gordijn
Misschien honderd meter verder, midden in het park en aan de rand van een bosje, staat een majestatische beuk die onze groep bezoekers behoorlijk wat ontzag inboezemde. Een of ander aankomend etser uit welke familie dan ook heeft in de dikke stam het jaartal '1984' gekerfd, zonder dat er overigens initialen bijstaan. Mogelijk een jonge aankomende intellectueel die pas George Orwell gelezen had . . . Ondertussen blijft het wel een monumentale boom: als je de natuur tijd en rust genoeg geeft, zie je voortbrengselen om 'U met een heel grote U' tegen te zeggen.
Monument van een beuk
Sinds 1984 is hij nog gegroeid
In zijn inleiding signaleerde Christian Raskin ons ook dat de blekerij ook op de Ferrariskaarten te zien is. Die zijn getekend tussen 1771 en 1778, en inderdaad, de blekerij staat erop, aangeduid met het woord 'Blancherie'. Je ziet een laan met negen bomen, zou ik denken, die naar het landhuis leidt, en grachten en vijver zoals die nu nog zijn. Die Ferrariskaarten waren of zijn zeer precies, en jawel, 240 jaar later kloppen sommige details nog.
Op de Ferrariskaarten: Blancherie, of Boones Blijk
In Turnhout kwam volgens het geschrift van Marcel Boone (Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout) deze industrie vanaf 1654 tot bloei. Vanaf 1673 moest er geen linnen meer naar Haarlem gestuurd worden, dat dus de concurrentie van onze blekerijen ondervond. Op een Nederlandse website (www.irenemaas.nl/pages/Bleekerij/... ) kun je dan weer lezen dat die blekerijen in Haarlem geïntroduceerd werden door Vlaamse en Brabantse inwijkelingen van na 1585, het jaar van de val van Antwerpen. Maar midden zeventiende eeuw waren de Zuid-Nederlanders die hier gebleven waren, al geduchte concurrenten: de Nederlanden waren twee aparte delen geworden, en dat zie je ook in het verhaal van de blekerijen.
Jacob van Ruysdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden, ca. 1670
En zo kom van een blekerij in Turnhout uit bij die in Haarlem, en kom je van lokale geschiedenis in die van de hele Nederlanden terecht: zo lokaal blijkt het tenslotte niet te zijn. Alles is met alles verbonden, zegt men dan. Of toch veel met veel.
donderdag 18 juni 2015
Leeuwtje van Waterloo
Op het einde van een schooljaar gaan de klassen op schoolreis: dat is nu zo, en vroeger ook. Misschien waren de uitstappen in die tijd meer pedagogisch en educatief verantwoord, hadden ze meer sérieux dan nu, maar eigenlijk weet ik dat niet zo goed.
In ieder geval: op het einde van schooljaar 1954-55 trokken wij, jongetjes van het derde leerjaar naar Waterloo, waarschijnlijk samen met die van het vierde. Waterloo, want er kon altijd bijgeleerd worden, zeker over de vaderlandse geschiedenis. Wij zijn natuurlijk de heuvel opgegaan, hebben het panorama gezien - dat was er toen ook al - en zijn tenslotte bij de souvenirkraampjes aanbeland. Mijn ouders hadden mij 30 frank meegegeven, wat al best wat geld was in die tijd, maar zo kon ik eens een cola of snoep kopen: het jongetje moest toch voelen dat het een beetje een feestdag was, het moest toch een beetje aan zijn trekken komen, de dag moest voor hem een blije herinnering worden.
Koperen kleinood
Maar aan het souvenirkraampje valt mijn oog op een Leeuwtje van Waterloo: blinkend koper, we hadden net op de heuvel naast zijn heel grote broer gestaan, we waren nog onder de indruk. Eigenlijk: mijn oog viel niet op dat leeuwtje, dat leeuwtje stak zo mijn ogen uit, ik wilde meteen dat beestje hebben. Maar laat het nu net 30 frank kosten, heel mijn kapitaal, goodbye snoep en cola? Ik twijfelen natuurlijk, want ik zou wel flink in mijn eigen vel snijden. Ik zie me nog onze onderwijzer, de goede meneer Buyens, aankijken, alsof die me raad kon geven, ook niet dus, en heb het dan toch gekocht, echt content. En ik heb er later nooit spijt van gehad: het staat in mijn woonkamer nog altijd goed in het gezicht.
Op de zijkanten van het sokkeltje staat de datum van de slag: links 'XVIII JUIN', rechts 'MDCCCXV', de maand in het Frans en de cijfers op zijn Romeins. Of ik dat toen al kon lezen, is zeer te betwijfelen, maar dat heeft de pret niet gedrukt. En ik kon naar huis met mijn leeuwtje, mijn trofee, fier als een gieter, zoals alleen kinderen dat kunnen zijn.
Laat ik de dag van vandaag (18.06) maar beschouwen als de zestigste verjaardag van 'Mijn Leeuwtje' - met hoofdletters - en dit stukje als een hulde aan het koperen kleinood. En ook als een minieme bijdrage aan de herdenking van deze slag, en overtuigd scanderen: 'Vive l'Empereur'.
En verder: hoe gelukkig kan een kind van acht zijn . . .
En nog: het is inderdaad een blije herinnering geworden . . .
De echte bronzen, Frankrijk aanbrullend
In ieder geval: op het einde van schooljaar 1954-55 trokken wij, jongetjes van het derde leerjaar naar Waterloo, waarschijnlijk samen met die van het vierde. Waterloo, want er kon altijd bijgeleerd worden, zeker over de vaderlandse geschiedenis. Wij zijn natuurlijk de heuvel opgegaan, hebben het panorama gezien - dat was er toen ook al - en zijn tenslotte bij de souvenirkraampjes aanbeland. Mijn ouders hadden mij 30 frank meegegeven, wat al best wat geld was in die tijd, maar zo kon ik eens een cola of snoep kopen: het jongetje moest toch voelen dat het een beetje een feestdag was, het moest toch een beetje aan zijn trekken komen, de dag moest voor hem een blije herinnering worden.
Koperen kleinood
Maar aan het souvenirkraampje valt mijn oog op een Leeuwtje van Waterloo: blinkend koper, we hadden net op de heuvel naast zijn heel grote broer gestaan, we waren nog onder de indruk. Eigenlijk: mijn oog viel niet op dat leeuwtje, dat leeuwtje stak zo mijn ogen uit, ik wilde meteen dat beestje hebben. Maar laat het nu net 30 frank kosten, heel mijn kapitaal, goodbye snoep en cola? Ik twijfelen natuurlijk, want ik zou wel flink in mijn eigen vel snijden. Ik zie me nog onze onderwijzer, de goede meneer Buyens, aankijken, alsof die me raad kon geven, ook niet dus, en heb het dan toch gekocht, echt content. En ik heb er later nooit spijt van gehad: het staat in mijn woonkamer nog altijd goed in het gezicht.
Op de zijkanten van het sokkeltje staat de datum van de slag: links 'XVIII JUIN', rechts 'MDCCCXV', de maand in het Frans en de cijfers op zijn Romeins. Of ik dat toen al kon lezen, is zeer te betwijfelen, maar dat heeft de pret niet gedrukt. En ik kon naar huis met mijn leeuwtje, mijn trofee, fier als een gieter, zoals alleen kinderen dat kunnen zijn.
Laat ik de dag van vandaag (18.06) maar beschouwen als de zestigste verjaardag van 'Mijn Leeuwtje' - met hoofdletters - en dit stukje als een hulde aan het koperen kleinood. En ook als een minieme bijdrage aan de herdenking van deze slag, en overtuigd scanderen: 'Vive l'Empereur'.
En verder: hoe gelukkig kan een kind van acht zijn . . .
En nog: het is inderdaad een blije herinnering geworden . . .
De echte bronzen, Frankrijk aanbrullend
dinsdag 16 juni 2015
Boones Blijk: gebouwen en meer
'Boones Blijk' ken ik al vanaf mijn heel vroege kinderjaren, begin jaren 50 is dat. Hoewel 'kennen' in dit geval een groot woord is: ik wist waar het lag, want we fietsten er vaak met de familie voorbij, op weg naar het 'Zavelkot', in de buurt van het Peerdsven. Maar op Boones Blijk was ik tot voor zondag nog nooit geweest: het is een privédomein. Toen ik dan via 'Het Bezemklokje' de gelegenheid had het te bezoeken, was ik er als de kippen bij: die kans mocht ik zeker niet laten schieten.
Christian Raskin, een telg uit de familie Boone, gaf in de kapel een omstandige en interessante inleiding over blekerijen, het proces van het bleken en het belang van Boones Blijk voor de Turnhoutse tijknijverheid, schetste de geschiedenis van Boones Blijk en de opeenvolgende bezitters ervan - het domein was niet altijd van de Boones, en nu trouwens ook niet meer. Leerzaam over de lokale geschiedenis was het alleszins.
Die kapel zelf was voor mij al de eerste verrassing: ik wist niet dat die er was, je ziet ze trouwens vanaf de Heizijde, noch de Elzenstraat staan. Ze is nog redelijk recent gebouwd, in 1904, door een diepgelovige Boone overigens. Als kapel wordt ze ondertussen niet meer gebruikt.
De kapel uit 1904
Het interieur is, laten we voorzichtig zijn, niet zo bijzonder, maar een hangt nog wel een plaasteren bas-reliëf dat een kruisafneming voorstelt. Het doet barok aan, maar ik vermoed dat het waarschijnlijk eind negentiende-eeuws, begin twintigste-eeuws is. En van plaaster of gips: op een aantal plaatsen is de verf beschadigd, en dan komt er gewoon wit tevoorschijn.
De kruisafneming
De Turnhoutse blekerij begon als in 1654 te werken, maar de man die ze tot haar grootste bloei bracht was Dominicus Vermanden (1704-1799). Hij is ook de man die in 1740 het landhuis bouwde. Dat is natuurlijk in de loop der jaren gerestaureerd, delen ervan zijn ook verdwenen, maar het gebouw ziet er grosso modo nog uit zoals meer dan twee eeuwen geleden.
Het landhuis, oorspronkelijk uit 1740
Vermandens bedrijf werd als zeer belangrijk beschouwd: hij slaagde er in 1752 van keizerin Maria-Theresia een sauvegarde te verkrijgen, dat wil zeggen dat bij gewapende conflicten zijn blekerij ongemoeid gelaten moest worden, want ze stond onder de hoogste bescherming. Het originele wapenschild dat die sauvegarde officieel bekrachtigt hangt in de hal van de villa; aan de toegangspoort van het domein is in 2001-02 een kopie bevestigd.
Het originele wapenschild
Christian Raskin wist ook met enige terechte trots te vertellen dat het dakruitertje, de windwijzer daarop en het klokje erin nog uit 1740 zijn, origineel dus! Die windwijzer is een pelikaan die in zijn borst pikt om zo met zijn bloed zijn jongen te eten te geven: Dominicus Vermanden moet een zeer gelovig man geweest zijn.
Dakruitertje uit 1740, met voedende pelikaan
De grote schuur is ook best indrukwekkend: vrij recent is die nog geretaureerd, en dat is een goede zaak. Ze heeft overigens een prachtig dakgebinte waardoor je kan vaststellen dat ze een zeer respectabele leeftijd heeft.
De onlangs gerestaureerde schuur
Zeer respectabel dakgebinte
Sinds het jaar 2000 is Boones Blijk eigendom van Joep de Jong, van de 'Koninklijke Drukkerij Em. de Jong' uit Baarle-Nassau. Die man moet ten eerste bedankt worden voor het openstellen van zijn domein, en ten tweede voor het feit dat hij de bezoekers - en dat waren er meer dan 80 - ook twee brochures kon meegeven: de 'Bijdrage tot de Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout' door Marcel Boone uit 1952, en de 'Sauvegarde voor de Bleekerij Vermanden te Turnhout en andere oorkonden', dat geschreven is door Louis Boone (s.d.) Die twee werkjes heeft De Jong speciaal voor dit bezoek herdrukt, wat ik genereus vind, en het bezoek nog meer dan zeer geslaagd maakte.
Christian Raskin, een telg uit de familie Boone, gaf in de kapel een omstandige en interessante inleiding over blekerijen, het proces van het bleken en het belang van Boones Blijk voor de Turnhoutse tijknijverheid, schetste de geschiedenis van Boones Blijk en de opeenvolgende bezitters ervan - het domein was niet altijd van de Boones, en nu trouwens ook niet meer. Leerzaam over de lokale geschiedenis was het alleszins.
Die kapel zelf was voor mij al de eerste verrassing: ik wist niet dat die er was, je ziet ze trouwens vanaf de Heizijde, noch de Elzenstraat staan. Ze is nog redelijk recent gebouwd, in 1904, door een diepgelovige Boone overigens. Als kapel wordt ze ondertussen niet meer gebruikt.
De kapel uit 1904
Het interieur is, laten we voorzichtig zijn, niet zo bijzonder, maar een hangt nog wel een plaasteren bas-reliëf dat een kruisafneming voorstelt. Het doet barok aan, maar ik vermoed dat het waarschijnlijk eind negentiende-eeuws, begin twintigste-eeuws is. En van plaaster of gips: op een aantal plaatsen is de verf beschadigd, en dan komt er gewoon wit tevoorschijn.
De kruisafneming
De Turnhoutse blekerij begon als in 1654 te werken, maar de man die ze tot haar grootste bloei bracht was Dominicus Vermanden (1704-1799). Hij is ook de man die in 1740 het landhuis bouwde. Dat is natuurlijk in de loop der jaren gerestaureerd, delen ervan zijn ook verdwenen, maar het gebouw ziet er grosso modo nog uit zoals meer dan twee eeuwen geleden.
Het landhuis, oorspronkelijk uit 1740
Vermandens bedrijf werd als zeer belangrijk beschouwd: hij slaagde er in 1752 van keizerin Maria-Theresia een sauvegarde te verkrijgen, dat wil zeggen dat bij gewapende conflicten zijn blekerij ongemoeid gelaten moest worden, want ze stond onder de hoogste bescherming. Het originele wapenschild dat die sauvegarde officieel bekrachtigt hangt in de hal van de villa; aan de toegangspoort van het domein is in 2001-02 een kopie bevestigd.
Het originele wapenschild
Christian Raskin wist ook met enige terechte trots te vertellen dat het dakruitertje, de windwijzer daarop en het klokje erin nog uit 1740 zijn, origineel dus! Die windwijzer is een pelikaan die in zijn borst pikt om zo met zijn bloed zijn jongen te eten te geven: Dominicus Vermanden moet een zeer gelovig man geweest zijn.
Dakruitertje uit 1740, met voedende pelikaan
De grote schuur is ook best indrukwekkend: vrij recent is die nog geretaureerd, en dat is een goede zaak. Ze heeft overigens een prachtig dakgebinte waardoor je kan vaststellen dat ze een zeer respectabele leeftijd heeft.
De onlangs gerestaureerde schuur
Zeer respectabel dakgebinte
Sinds het jaar 2000 is Boones Blijk eigendom van Joep de Jong, van de 'Koninklijke Drukkerij Em. de Jong' uit Baarle-Nassau. Die man moet ten eerste bedankt worden voor het openstellen van zijn domein, en ten tweede voor het feit dat hij de bezoekers - en dat waren er meer dan 80 - ook twee brochures kon meegeven: de 'Bijdrage tot de Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout' door Marcel Boone uit 1952, en de 'Sauvegarde voor de Bleekerij Vermanden te Turnhout en andere oorkonden', dat geschreven is door Louis Boone (s.d.) Die twee werkjes heeft De Jong speciaal voor dit bezoek herdrukt, wat ik genereus vind, en het bezoek nog meer dan zeer geslaagd maakte.
dinsdag 9 juni 2015
Turnhouts op zijn best
Ga ik in de Gasthuisstraat - de grootste winkelstraat van de Kempen? - een textielwinkel binnen en vraag er naar onderhemden. Waarop de zeer inheemse verkoopster totaal complexloos: 'Leefkes?' Ja, daar was ik naar op zoek. 'Ongderleefkes' had ze ook kunnen zeggen, dat is ook perfect Turnhouts. Die taal kun je dus nog in de Gasthuisstraat horen, met haar voor de rest blitse winkels en dito jonge verkoopsters die allicht geen dialect mogen spreken.
Van een van mijn kinderen heb ik voor 'onderhemd' het woord 'marcellekes' geleerd: een in mijn oren denigrerend woord dat ik voor mijn vijftigste of daaromtrent nooit gehoord had. Dan ga je zoeken waar dat woord vandaan komt. En bij 'www.vlaamswoordenboek.be' vind je iets: in het Frans heet zoiets 'le marcel'.
'Volgens de legende zou het marcelleke zijn naam te danken hebb en aan de bokser Marcel Cedran. Meer dan waarschijnlijk is de naam ontstaan in de 19de eeuw wanneer de 'Etablissements Marcel' het kledingstuk'in serie fabriceerden.'
Tenminste: dat zegt de website 'vlaamswoordenboek' erover.
E leefke
Als je 'leefke' zoekt, kom je uit bij een voornaam: het schijnt een neiuwe meisjesnaam te zijn. In mijn 'Woordenboek van voornamen' uit 1981 komt hij inderdaad niet voor: hij heeft dan ook helemaal niet de traditie en geschiedenis van een Turnhouts 'leefke'.
Van een van mijn kinderen heb ik voor 'onderhemd' het woord 'marcellekes' geleerd: een in mijn oren denigrerend woord dat ik voor mijn vijftigste of daaromtrent nooit gehoord had. Dan ga je zoeken waar dat woord vandaan komt. En bij 'www.vlaamswoordenboek.be' vind je iets: in het Frans heet zoiets 'le marcel'.
'Volgens de legende zou het marcelleke zijn naam te danken hebb en aan de bokser Marcel Cedran. Meer dan waarschijnlijk is de naam ontstaan in de 19de eeuw wanneer de 'Etablissements Marcel' het kledingstuk'in serie fabriceerden.'
Tenminste: dat zegt de website 'vlaamswoordenboek' erover.
E leefke
Als je 'leefke' zoekt, kom je uit bij een voornaam: het schijnt een neiuwe meisjesnaam te zijn. In mijn 'Woordenboek van voornamen' uit 1981 komt hij inderdaad niet voor: hij heeft dan ook helemaal niet de traditie en geschiedenis van een Turnhouts 'leefke'.
Abonneren op:
Posts (Atom)



