vrijdag 24 juni 2016

Sint-Martens-Latem: een bocht in de Leie en een beeld

Naar Sint-Martens-Latem zouden we gaan, Yves en ik, want daar waren een aantal interessante musea, wat op het eerste zoeken eerder tegenviel. Het Museum Dhondt-Dhaenens heeft wel een vaste collectie, maar die is wegens tijdelijke tentoonstellingen niet altijd te bezichtigen. Ook niet toen wij er aankwamen. Het Museum Gustaaf De Smet gaat pas in oktober opnieuw open, en dat van Leon De Smet is gesloten omdat de eigenaar ervan op pensioen is gegaan: niente musei per noi!

Wij dan maar naar het centrum van de gemeente, Italiaans gaan eten, wat typisch Vlaams is, en naderhand even gaan vaststellen of de Leie nog wel open is, en stroomt. En jawel, de natuur is zichzelve nog! Achter het gemeentehuis komen we aan een bocht in de rivier, die meteen duidelijk maakt waarom Sint-Martens-Latem meer dan een paar kunstenaars heeft aangetrokken en voorgebracht: 'pittoresco' noemen ze dat in Italië, wat wij letterlijk vertaald hebben als 'schilderachtig'. De Engelsen zeggen 'picturesque', wat letterlijk 'beeldig' is. Dan is 'schilderachtig' toch sterker, vind ik.



A bend in the river (V.S. Naipaul): schilderachtig

Vlak bij die bocht ligt een indrukwekkend en eerder volumineus beeld:het is een werk van de Kortrijkse beeldhouwster Ann Deman, en stelt een vrouwenlichaam voor dat wel door de Aarde gebaard lijkt: het is een sterke vrouw die daar geboren wordt, met de rondingen die daarbij horen, zacht en sterk is ze tegelijk. Ik heb zo het idee dat de vruchtbare Aarde hier het leven geeft aan het symbool van de vruchtbaarheid, dat is dus dubbelop. Bovendien ligt ze vlak naast de rivier, die toch ook voor de vruchtbaarheid van het land zorgt. De plaats van het beeld kan niet beter gekozen zijn. De titel van het werk is niet verrassend 'Moeder Aarde I'.






Ann Deman, Moeder, Aarde I - ode aan de vruchtbaarheid

Er hoort nog een citaat van Henry Moore bij: 'Zo roepen bijvoorbeeld ronde vormen voorstellingen op van vruchtbaarheid en rijpheid, waarschijnlijk omdat de aarde, de vrouwenborst en de meeste vruchten rond zijn en op grond van onbewuste ervaringen deze betekenis als achtergrond bezitten.' (Website Sint-Martens-Latem)

Het beeld van Ann Deman is in zijn eenvoud niet mis te verstaan. Zoals ik al zei: zeer indrukwekkend!

donderdag 23 juni 2016

Hoogstraten: de wandtapijten in de Sint-Katharinakerk (2)

De gravin, Elisabeth van Culemborg, liet natuurlijk het verhaal van haar patroonheilige in de wandtapijten uitbeelden, en dan gaat het over de Heilige Elisabeth van Hongarije of van Thüringen. Zij werd geboren op 7 juli 1207, was een echte koningsdochter, een prinses dus, en door andere adellijke huizen kennelijk zeer begeerd. Al in 1208 stuurt paltsgraaf Herman I een gezant naar Hongarije om over een huwelijk tussen zijn zoon, ook een Herman, en Elisabeth te onderhandelen. Met goede afloop overigens, want in 1211 verhuist Elisabeth naar Duitsland om daar verder opgevoed te worden en voorbereid op haar huwelijk: het kind was dus vier jaar. Haar aanstaande sterft echter wanneer zijn nog maar negen is, maar geen nood: haar nieuwe bruidegom, Ludwig, is de broer van de overleden kandidaat, en met hem trouwt ze als ze vijftien is. Drie kinderen heeft ze van hem, maar het derde, en tweede dochter, wordt geboren wanneer Ludwig in Italië al aan de pest gestorven is, onderweg op een kruistocht naar het Heilig Land. Na dit ontijdige overlijden wordt ze door haar schoonbroer verjaagd, en hij neemt haar ook haar kinderen af. Voordien had zij in Thüringen tijdens een uitbraak van de pest zoveel mogelijk de noden van de bevolking gelenigd. Alleen gevallen treedt ze in in het klooster van Eisenach, en laat in Marburg een ziekenhuis bouwen, waar ze dag in, dag uit zieken verzorgt. Ze overlijdt op 27-jarige leeftijd: doodgewerkt had ze zich. In 1235 wordt zij door paus Gregorius IX heilig verklaard. Overigens is het aan haar te danken dat zovele ziekenhuizen 'Sint Elisabeth' heten: zo is er een in mijn eigen Turhnout, en een in Herentals.


De Heilige Elisabeth van Hongarije geeft een melaatse een bad, ca. 1480


Het kan niet anders of Elisabeth van Culemborg moet een zeer gelovige vrouw geweest zijn: zij zat vooral achter de bouw van de grafkerk. Zij wilde eigenlijk een vijfbeukige kerk, maar daarvoor volstonden zelfs haar financiële middelen niet, en bijgevolg werd de Sint-Katharinakerk tot iets bescheidener. Maar dat het verhaal van Elisabeth van Hongarije haar sterk aangesproken moet hebben, daar bestaat geen twijfel over. Of zij zelf zo hulpvaardig was, en de nood van de bevolking in haar graafschap metterdaad lenigde, daar heb ik helaas nergens iets over gelezen.


Elisabeth van Culemborg

De reeks wandtapijten over het leven van de Heilige Elisabeth is altijd compleet gebleven (bij Antonius is dat niet het gevel). Dat maakt dat je haar leven gewoon chronologisch kunt bekijken, van haar geboorte  tot haar verering als heilige. En het is ook makkelijker er foto's van te nemen: in dat deel van de kerk hangen nauwelijks gebrandschilderde ramen, en heb je dus geen weerspiegeling.

In het eerste tafereel is Elisabeth nog wat we vroeger een 'busselkind' noemden, maar toch wordt er al onderhandeld ver haar toekomst als toekomstige bruid van de paltsgraaf. Helemaal links houdt een hofdame het wiegje vast met baby'tje Elisabeth erin, haar gekroonde moeder luistert naar het gesprek van de gezant uit Duitsland en een van haar raadsleden: de vrouwen spreken duidelijk niet, en eigenlijk kijkt niemand naar het kleine kindje.


Mannen onderhandelen, vrouwen kijken luisterend toe

Volgend bedrijf van wat eigenlijk toch een drama is: wanneer ze vier jaar oud is, wordt Elisabethje in een huifkar gezet, en vertrekt ze naar Duitsland. Haar moeder, de koningin, neemt roerend afscheid van haar, maar haar kind is ze wel kwijt. Dat moeder en kind uit elkaar getrokken werden, diende een hoger, dynastiek belang, en gevoelens van pijn en smart, tja, die gaan wel over.


Vertrek van de vierjarige Elisabeth

Maar ze wordt ten slotte toch de echtgenoot van paltsgraaf Ludwig,de broer van wie het eigenlijk had moeten zijn, en die sterft ook voortijdig aan de pest, ver weg van huis dan ook nog. Maar zij blijkt een sterke vrouw te zijn, en helpt waar ze kan, en laat zich niet op haar stand voorstaan: op een volgend tafereel voert ze een voetwassing uit, zoals Christus bij het Laatste Avondmaal: woorden wekken, maar voorbeelden strekken.


De voetwassing door Elisabeth

Een sterke geest in een zwakker lichaam, dat zal zij geweest zijn, deze heilige. In dit werk van driehonderd jaar na haar dood is het God zelf die haar van achter een wolk tot zich roept: een leven van deugd en goedheid wordt door de Almachtige beloond, en zo hoort het ook, vonden alle mensen toen.


God de Vader roept haar tot zich

En algauw wordt zij een heilige op wie vele mensen een beroep doen: zijn is de patrones van Hongarije, van de caritas, van verplegenden en van nog wat meer. En het laatste tafereel toont mensen die van heinde en verre naar haar toestromen: haar dienstbaar leven heeft de mensen vertrouwen gegeven, als er iemand is die hen kan helpen, dan zij wel.


Pelgrims bij het graf van sint Elisabeth

Daarmee eindigt het tweede stichtelijke verhaal dat de wandtapijten uitbeelden. Elisabeths leven was alles behalve een lachertje, maar eind goed, al goed: God heeft haar in zijn  hemelen opgenomen, bovendien werd zij snel tot de eer van het altaar toegelaten, en begon zijn voor allerlei smekelingen veel te betekenen. E si nin è vero, è ben' trovato.

** Bron (partim): toespraak van Yvan Maes de Witte, tijdens de 'plechtigheid' van 4 juni 2016

dinsdag 21 juni 2016

Hoogstraten: de wandtapijten in de Sint-Katharinakerk (1)

Op zondag 4 juni ll., om 4 uur na de middag, had er in de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten een min of meer plechtigheid plaats 'ter ere' van de twee wandtapijten die de kerk rijk is. 'Plechtigheid' is een slecht gekozen woord: het was ook geen inhuldiging, want ze hangen daar al langer, geen wijding of zegening, want die waren niet van toepassing. De notabelen van het stadje waren er, de kerkwachters, de pastoor, vrienden van de kerk: niet overrompelend veel volk, maar toch meer dan voor een ouderwets lof toen het Roomse leven nog rijk was en de Kerk veel te sterk om goed te zijn.

Het ging over de wandtapijten, zoals gezegd. Ze hangen nu in nieuwe, goed verlichte kasten, achter versterkt glas, ze zijn nog eens gestofzuigd, en weer in al hun glorie te bekijken en te bewonderen. Veel weten we niet met zekerheid over deze artefacten: om te beginnen niet waar ze vervaardigd zijn of door wie, evenmin wie ze ontworpen heeft. Pieter Coecke, de leermeester van Pieter Brueghel, is een mogelijke kandidaat: hij is de waarschijnlijke ontwerper van het grote glas-in-loodraam dat 'Het laatste avondmaal' voorstelt, en dat een ander pronkstuk van de kerk is. Bovendien was Albrecht Gelmers, de maker van het meesterlijke koorgestoelte, net als Coecke lid van de Antwerpse Sint-Lucasgilde, en is het meer dan goed mogelijk dat beide heren elkaar kenden en dat ze het met elkaar wel eens over de in opbouw zijnde kerk van Hoogstraten gehad hebben. Dat is allemaal mogelijk, maar niet met documenten of anderszins te bewijzen. Beredeneerd giswerk blijft het, meer niet, helaas.



De lijfspreuk van De Lalaing- Van Culemborg: 'Voor mijn geen andere meer'

De wandtapijten zouden door de eerste graaf van Hoogstraten, Antoon de Lalaing, in 1540 aan zijn echtgenote, Elisabeth van Culemborg, geschonken zijn. Ze hingen achter het nieuwe koorgestoelte, ter verwarming van de kanunniken tijdens de diensten , zeg maar. Maar ze zijn ook niet altijd naar waarde geschat: in 1903 werden ze 'verfrommeld van de torenzolder gehaald, maar pas in 1911 gerestaureerd'! In 1990 hebben ze nog eens een grondige beurt gehad, zodat dit jaar stofzuigen volstond.

Het grafelijke echtpaar koos voor de wandtapijten de verhalen van hun patroonheiligen: voor hem was dat Antonius Abt, ook wel Antonius de Kluizenaar genoemd, in de volksmond Antonius met zijn varken. Hij werd in 251 in Egypte geboren, en stierf in 356, in de leeftijd van 105 jaar. Hij leidde een kluizenaarsleven vol ontberingen en duivelse bekoringen. Op zijn vijfenzeventigste trok hij zich met een aantal kluizenaars in een oase terug. Ik heb nog iets nieuws geleerd over zijn varken: ik heb altijd gedacht dat Antonius door de duivel bekoord en belaagd werd in de gedaante van een varken, maar dat blijkt kennelijk een misvatting van mij geweest te zijn. Antonius en zijn gezellen zochten op straat naar eten, samen met een varken, dat hetzelfde deed. 'Gelijk aan de minsten van de mijnen', zoals dat dan heet. Uit dat verhaal komt dat varken bij menig beeld en op menig schilderij van deze volksheilige.

Antonius' wandtapijt is eigenlijk een stripverhaal avant la lettre, zoals er in vroegere tijden wel meer werden gemaakt: het doet mij nog denken aan 'La Tapisserie de la Reine Mathilde', waarin verslag wordt gedaan van de inval van de Normandiërs in Engeland en de slag van Hastings uit 1066. Maar hier zijn we vijfhonderd jaar later, gaat het over een heilige, en wordt een stichtelijke verhaal voor in een kerk verteld.

En dat verhaal wordt levendig in beeld gebracht. Al op zeer jonge leeftijd wordt Antonius - ik schat het ventje een jaar of zeven, acht - door zijn ouders de kerk binnengeleid: hij gaat een paar treden op, naar het hoofdaltaar hoogstwaarschijnlijk. Zijn vader steunt hem met een hand in de rug, zijn moeder schijnt me een gelukzalige glimlach te hebben. En de kleine Antonius zelf? Die heeft al het teken van zijn toekomstige heilige status: een aureool! Een beetje voorbarig misschien? Allicht, maar een stichtelijk verhaal verdraagt een beetje aanzetten van de werkelijkheid wel, zeker als het een hogere waarheid dient.


De heilige is spe wordt de kerk binnengeleid

Wanneer hij zich dan nog zijn twintigste in de woestijn terugtrekt, overvallen bekoringen en ontbering hem: dat wordt wel zeer plastisch uitgebeeld, in een beeldtaal die doet denken aan Jeroen Bosch. Die was in 1516 gestorven, ongeveer 20 jaar voor het ontstaan van de wandtapijten, en zijn werk had overal te lande en daarbuiten veel indruk gemaakt: dat was dan ook erg bekend bij andere kunstenaars, en nog al wat kunstenaars werkten in  de traditie van Bosch. Vier monsterlijke duivels belagen Antonius: twee sleuren aan zijn armen, zodat zijn schouders uit de kom dreigen te schieten, de duivel achter hem steekt hem met een drietand in zijn nek, de linkse demon (een met een olifantenslurf!) legt aan om hem met zijn stok op zijn hoofd te slaan: helse pijnen zijn natuurlijk het resultaat. Aan zijn rechterkant staat een stier zij dij te pijnigen! Wie dan nog niet heeft begrepen hoe groot de macht van het kwaad is, mag als reddeloos verloren beschouwd worden. Eigenlijk ook wel mooi hoe de psychische pijnen van het kluizenaarsleven zeer concreet en tekenend worden weergegeven.


Antonius door helse pijnen geplaagd

Helemaal alleen kan Antonius dat leven als kluizenaar vanaf zijn twintigste toch niet geleid hebben: op zijn 75ste neemt hij afscheid van zijn medebroeders, om zich in een oase in de woestijn terug te trekken, en daar met een aantal broeders een gemeenschap te stichten. Met een innige omhelzing neemt hij afscheid van de gezellen die hij achterlaat. En eventjes over de kwaliteit van het wandtapijt: opmerkelijk hoe de kleren van de geestelijken natuurlijk in plooien vallen! Hier zijn geen knoeiers aan het werk geweest, zoveel is zeker!


Afscheid op zijn vijfenzeventigste

In die oase leeft Antonius nog 30 jaar, en hij sterft er op de leeftijd van 105, in een geur van heiligheid, zoals dat dan heet en zoals we mogen aannemen. Dat blijkt ook uit het laatste tafereel: de overleden Antonius ligt opgebaard, zijn broeders zitten bedroefd rond hem. Aan zijn hoofd zit er een ingetogen te bidden en te 'lezen', naast hem steekt een andere hem een brandende kaars in zijn handen, aan het voeteneinde brengt een derde nog een kaars. Daarmee is het aardse verhaal van Antonius natuurlijk afgerond, maar niet het godsdienstige: in 1540, zowat 1200 jaar na zijn dood, wordt hij nog steeds zeer ijverig vereerd. En veel later ook nog, dat zal bekend zijn.

En ondertussen: hoe meer ik nauwkeurig naar de wandtapijten kijk, hoe kunstiger ik ze vind. Ik kan me indenken dat zo'n tapijt maken omslachtiger en moeilijker is dan een schilderij scheppen, maar als ik dan de natuurlijkheid van die werken zie, kan ik niet anders dan er veel bewondering voor hebben. Hoogstraten mag met recht en reden trots zijn op dit belangrijk stuk erfgoed. Ze kunnen er daar beter zuinig op zijn!


Broeders bewijzen Antonius de laatste eer

** Bron (partim): de toespraak van Yvan Maes De Wit, tijdens de 'plechtigheid' in de Sint-Katharinakerk op 4 juni 2016

donderdag 12 mei 2016

Kunstzinnige landbouw

In de tweede week van mei was het dan eindelijk zover: de lente breekt uit, met meteen zomerse temperaturen. Naar buiten wil ik, naar buiten willen alle mensen. Het bracht me een liedje in gedachten, ooit nog door Wim Sonneveld gezongen, maar reeds in het interbellum alom gekend geworden door Louis Davids. Het refrein gaat zo:

                               Wij gaan naar buiten
                               Waar de vogeltjes fluiten
                               Waar de koetjes zoetjes loeien
                               De prinsessenboontjes groeien
                               Waar al je misère verdwijnt

Dat was de stemming verleden week: je wilt inderdaad de kieviet, de snip en de grutto weer horen en zien, en je wilt het prille groen van de boomblaadjes bekijken, de voorjaarsbloemen zien bloeien. De geboorte van het nieuwe leven wil je meemaken, zeker na een half jaar thuiszitten.

En je stelt vast de boer niet gewacht heeft tot die warme meiweek: die is al eerder aan de slag gegaan, dat bewijst het landschap. En die landbouwers leggen vaak mooie plaatjes neer, zoals dat van een precies aangelegde, nog kale akker: met veel zin voor meetkunde en evenwijdigheid is hier gewerkt.


Landbouwkunst achter het Zwart Water

Ondanks het natte voorjaar ligt het hooi al te drogen, als het al niet binnengehaald is: achter de vaart, richting Merksplas is een boer bezig zijn gemaaide gras mechanisch om te keren, zodat het echt goed droog hooi kan worden: zijn dieren zullen tenminste niet van de honger onderkomen.


Hooi omkeren

In Beerse, aan De Huffelen zijn ze al iets verder: het gemaaide hooiland wordt eerder oppervlakkig geploegd: 'frezen' heet dat vertelt vriend Vic me, want wat weet ik als stadsmens over het boerenbedrijf? En ook dat geeft mooie effecten: zwarte aarde waar het land al gefreesd is, groenachtig geel waar de stoppeltjes er nog staan. Dit is geen natuur in de enge zin van het woord, dit is cultuurlandschap, en door de verschillende kleuren is dat ook best mooi.


Gefreesd en niet gefreesd: zwart en geelachtig groen.

Naast de weg van de verdwenen Brug III naar Merksplas bemest een boer zijn  land: beren is dat, zeggen wij, of gieren en begieren. Wat de tractor voorttrekt, is in elke geval een gierkar. En wat die uitspreidt, maakt het land vruchtbaar.


Tractor met gierkar


De uiterste gunst van 't vee

Over die gier en dat gieren bestaat een waanzinnig smakelijk gedicht van de Nederlander Habakuk II de Balker, pseudoniem van H.H. ter Balkt (gestorven 9 maart 2015). De man was allesbehalve een prutser: hij heeft een paar zeer waardevolle prijzen gewonnen. Het gedicht heet

                Ode aan de gierpomp

                De gierpomp is van groen geweest ijzer, hij heft
                opzij van de meststal zijn lelijke tronie
                levert zoetstof en specerij voor de grond.

                Vrolijk vloekende driekleur wappert goedgemutst
                zijn kruidige geur boven 't schuw reservoir
                dat de uiterste gunst bewaart van 't vee.

                Ja als een waaier ja groen als jade, Japans
                zal straks de schuimende gier uit de trechter
                wuivend op de weide toestromen, de heel gulzige eter.

                Ha! De bourgondische gier in zijn kakstoel op wielen
                houdt weldra zijn intocht, goudregen strooit hij
                voor het dunne gras voor de verpauperde halm

                die eieren versmaadt, hoe mooi groen ook; uitbundig
                juicht hij de gierkar toe op zijn triomfreis,
                beide bleek van de winter nog: Leve de gier!

Zo kan ik het helaas niet verwoorden. Leve de lente!

woensdag 11 mei 2016

Jacht op de fuut

Af en toe zie je op het Kempisch kanaal, de vaart dus, een vogel ziet die er niet te vaak voorkomt. Een paar jaar geleden heb ik eens een aalscholver bezig gezien: ik wilde er natuurlijk een foto van nemen, maar zoals gezegd, hij was bezig. Dat betekent: op voedsel jagen. Daarvoor maakt de vogel een duik, op zoek naar vis en ander eetbaars, en waar die dan weer bovenkomt, is compleet onvoorspelbaar. De longinhoud van een aalscholver is niet zo klein, en zijn snelheid en beweeglijkheid onder water moeten best goed zijn. Die foto heb ik bijgevolg nooit genomen.

Verleden zaterdag spotte ik een fuut, en die had ik op de vaart ook nog nooit gezien. Die zou ik toch wel op de gevoelige plaat vastleggen: dat was mijn vaste wil en overtuiging. Maar ook een fuut hapt niet naar libellen en andere insecten boven het wateroppervlak: hij is net zo goed als de aalscholver een duiker. Hij is echter kleiner, dus kan minder lang onder water blijven, hoopte ik dan maar. Dat viel toch nog tegen. Mijn fuut poseerde niet, en kopje onder gaan doet hij vliegensvlug. Na meer dan een paar pogingen heb ik het dan maar opgegeven.

Toen ik anderhalf uur later terugkwam van De Huffelen in Beerse, was hij er nog: op de nieuwe kom lag nu zijn duikgebied, driehonderd meter dichter bij Brug II dan bij onze kennismaking. En ik weer trachten, pogen en proberen. Eerste succes: foto van waar hij een tiende van een seconde nog was!


Net gemist

Maar kennelijk had zijn lange jachtpartij hem toch vermoeid, want hij bleef langer aan de oppervlakte. Hij zwemt dan wel traagjes rond, maar zo'n groot probleem is dat niet. En weer twee successen: een foto min of meer in profiel, en een 'en face'.


In profiel


En face

Wereldschokkend is dit allemaal niet, maar mij maakt het blij als ik erin slaag zo'n watervogel in zijn jacht op voedsel, zo'n 'stukje natuur' kan vastleggen. Scootmobieluitstap geslaagd, vind ik dan!

dinsdag 10 mei 2016

Hoogstraten, Bourgondië en Henegouwen

Ik loop wel eens vaker in de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten rond, en nog heb ik ze niet helemaal gezien: geregeld ontdek ik er iets waar ik voordien achteloos aan voorbijgelopen was. Het interieur van de kerk is dan ook bijzonder rijk: voor mezelf noem ik de kerk wel eens het mooiste museum van de Kempen, en daar is geen gebrek aan eerbied mee gemoeid, wel integendeel. Zo merkte ik onlangs een glas-in-loodraam op waarop twee edelen uit illo tempore: Jasper van Culemborg en Johanna van Bourgondië. Die laatste kende ik niet, haar echtgenoot ook niet zo dadelijk, maar als ik mijn naam zie, of eentje die er zeer sterk op gelijkt, is mijn nieuwsgierigheid gewekt. Zij blijkt dan een dochter te zijn, een van de vijf kinderen van Antoon van Bourgondië - die draagt zelfs mijn voornaam! - en dat is dan weer de zogenaamde Groot-bastaard van het gelijknamige hertogdom. Hij was de tweede zoon van Filips de Goede en een van zijn maîtresses, en een halfbroer van Karel de Stoute, de opvolger van Filips de Goede. Der langen Rede kurzer Sinn: het zijn niet zomaar landjonkertjes en kleine baronnetjes die in Hoogstraten destijds de dienst uitmaakten: de lui waar ik het over heb, zijn de top van het hertogdom, hoog verheven boven het middeleeuwse grauw en opulent rijk, dat is ook wel zeker.


Jasper van Culemborg en Johanna van Bourgondië (glas-in-loodraam uit 1975-77, vervaardigd door Jan Willemen naar een ontwerp van Jan Huet)

In het hoogkoor kun je zeven glas-in-loodramen bewonderen, gewijd aan 'De zeven sacramenten'. Het uiterst rechtse (aan de zuidkant) is gewijd aan het Heilig Oliesel, en onderaan zie je dan graaf Antoon de Lalaing en Elisabeth van Culemborg, de eerste graven van Hoogstraten, de kinderen van Jasper en Johanna. Dat Antoon en Elisabeth uitgerekend daar te zien zijn, is geen toeval: zij hebben de kerk laten bouwen als grafkerk, en het Heilig Oliesel komt natuurlijk vlak voor de dood, het is als het ware de verzekering voor de toegang tot de hemelse zaligheid. Die Antoon de Lalaing was ook niet een edelmannetje van dertien in een dozijn: hij was achtereenvolgens kamerheer van Filips de Schone, van de jonge Karel van Luxemburg, die de latere Keizer Karel zou worden. In hetzelfde jaar, 1510, werd hij lid van de Grote Raad in Mechelen, in 1516 werd hij verkozen tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies, in 1522 aangesteld als stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland. In 1518 'promoveerde' de heerlijkheid Hoogstraten tot graafschap, en Antoon en Elisabeth kregen de titel graaf en gravin, 'voor bewezen diensten, van zowel Elisabeth als Antoon'. Overigens was De Lalaing niet echt een Kempenaar, wat al uit zijn naam blijkt: hij was van Henegouwen. En of hij (en zij) met de gewone Hoogstraatse mens veel contact heeft gehad, valt sterk te betwijfelen: als het grafelijke echtpaar in hun kerk de mis wilde bijwonen, reden zij, zeer waarschijnlijk in een koets, vanaf hun kasteel via de Lindendreef  naar hun bestemming (zowat een kilometer), en daar namen ze dan plaats in hun eigen kapel, zodat ze zeker niet met het vulgum plebs in aanraking dienden te komen.


 Antoon de Lalaing en Elisabeth van Culemborg (glas-in-loodraam Van Antonis Evertsoen van Culemborg, 1531-33)

 Ik heb me wel eens vaker afgevraagd hoe een kerk van dergelijke afmetingen en met zo'n toren in een klein Kempisch dorp terecht kon komen, want al was Hoogstraten al vanaf 1208 'stad en vrijheid', ook in het begin van de zestiende eeuw was het niet veel meer dan een halte- en overnachtingsplaats op de grote weg tussen 's Hertogenbosch en Antwerpen of Leuven. Maar als je dan al die hoge functies van de eerste graaf op een rijtje ziet, en de verloning die daar  ongetwijfeld mee samenhing, dan begrijp je wel dat dit dit exploot voor hen echt mogelijk was. Overigens was het vooral de gravin die de kosten droeg. Ze wilde zelfs een vijfbeukige kerk laten bouwen, maar dat bleek dan haar middelen te overstijgen, zodat ze het maar bij drie beuken heeft gehouden.


Het wapenschild van Antoon en Elisabeth op hun graftombe

De kerk heeft heeft inmiddels toch al vijf eeuwen overleefd: zelfs de ontploffing van de toren en verdere vernietiging op het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft haar niet blijvend klein gekregen. Als een feniks is zij uit haar as herrezen. Hoewel, 'feniks': dat komt hier uit een verkeerde mythologie, denk ik dan, totdat mij duidelijk wordt dat deze vogel vaak als symbool voor Christus gebruikt wordt. Aanpassen is een christelijke deugd.

Ondertussen is het wel zo dat iedere Hoogstratenaar trots is op zijn kerk en toren, en meer Kempenaars met hen. Terecht, zeg ik dan maar: ze stelt wel wat voor, de Sint-Katharinakerk.


104,70 meter hoog


De toren van het Hof van Hoogstraten, 16de-eeuwse residentie van Antoon de Lalaing

Bronnen, partim:
Wikipedia
De Sint-Katharinakerk van Hoogstraten, uitgave van de Koninklijke VVV Hoogstraten vzw, 2008


vrijdag 29 april 2016

Curzio Malaparte: Kaputt, bourgogne en meer

Ik heb pas de roman 'Kaputt' van Curzio Malaparte gelezen, een meesterwerk over de Tweede Wereldoorlog. Kom ik in het derde deel van het werk, 'De honden', een enthousiaste lofprijzing op rode bourgogne tegen. Natuurlijk treft me dat, wat normaal is als je zelf de naam van de wijn draagt. Daarom hier in extenso het citaat:


Wijngaard in Bourgondië

'Geen enkele wijn is zo aards als rode bourgogne: in het zachte schijnsel van de kaarsen en in de witte weerkaatsing van de sneeuw had hij de kleur van de aarde, die purperen en gouden kleur van de heuvels van de Côte de'Or bij zonsondergang. Zijn adem was diep en geurde naar gras en bladeren als een zomeravond in Bourgondië. En geen enkele wijn gaat zo goed samen met het vallen van de avond, en is zo bevriend met de nacht als de Nuits Saint-Georges: zelfs zijn naam is nachtelijk, diepzinnig en bliksemend als een Bourgondische zomeravond. Hij glanst bloedrood op de drempel van de nacht als het vuur van de zonsondergang op de kristallen rand van de horizon. Hij ontsteekt rode en blauwe schijnsels in de purperkleurige aarde, het gras en de bladeren van de bomen, die nog warm zijn van de smaken en de geuren van de wegstervende dag. Bij het vallen van de nacht kruipen de wilde dieren diep weg in hun holen in de grond: het everzwijn nestelt zich met een onstuimig vertrappen van bladeren; de fazant met zijne korte, geruisloze vleugelslag zweeft in de schaduw die al over de bossen en weilanden hangt; de lenige haas glijdt over de eerste manestraal als over een strakgespannen zilveren koord. Dit is het tijdstip voor de bourgogne. Op dat moment riep in die winternacht, in dat vertrek dat door de naargeestige weerkaatsing van de sneeuw beschenen werd, de diepe geur van de Nuits Saint-Georges bij ons de herinnering op aan zomeravonden in Bourgondië, lome nachten op de grond die nog warm was van de zon.'


Gebottelde zon

Het was mij in de eerste plaats om de lof op de wijn te doen, maar het is ondertussen veel meer geworden. Aan de stijl, de beelden, de kleuren, de associaties van Malaparte voel je duidelijk dat hij echt plezier beleeft aan het schrijven, dat hij je echt kan meenemen in de wereld die hij oproept. En dat is niet typisch voor dit kleine fragment uit 553 bladzijden, zo schrijft hij gewoon. Op het einde beschrijft hij in een afschrikwekkend apocalyptische stijl en breed episch de bombardementen van de geallieerden op Napels, 1943 zijn we dan, en het effect is hetzelfde: alsof je er zelf middenin zit.


Deportatie uit het getto van Waschau


In het boek is Malaparte oorlogscorrespondent aan het oostelijk front: Finland, Lapland, Oekraïne, Polen en Warschau en het getto, Roemenië en Moldavië. Hij is zowat een 'embedded journalist' bij de Duitse Wehrmacht, maar tezelfdertijd ook Italiaans diplomaat. In die laatste hoedanigheid ontmoet hij, en tafelt hij met ambassadeurs, gouverneurs-generaal van de bezette gebieden en hun eega's, en hoewel die ook zeer katholiek of protestants zijn, zet hij ze tegelijk neer als immoreel, keiharde, cynische en decadente lui, die zich  ondanks alle oorlogsleed verlustigen in hun luxueuze en superieure positie. Het bourgognefragment komt aan het einde van een lang diner in Helsinki, weg van het strijdgewoel: oorlog wordt schijnbaar op een andere planeet gevoerd. Opmerkelijk de dissociatie tussen de oorlog en het wegkijken ervan door de mensen die zelfde 'Befehlshaber' zijn. Daarom ook heet het boek 'Kaputt': Europa, de Europese beschaving ligt aan scherven, is ten onder gegaan, is 'kaputt'. Dat woord verklaart hij zelf nadrukkelijk nog voor de inhoudstafel van het boek: 'Kaputt', van het Hebreeuwse Kopparoth, (slacht)offer, of het Franse Capot, vernietigd, gebroken. - Meyer, Conversationslexikon, 1860

Malaparte zat eigenlijk in een precaire situatie: zijn vader was een Duitser, zijn echte naam was Kurt Erich Suckert, zijn moeder een rijke Italiaanse met de naam Pirelli. Zijn pseudoniem betekent 'het slechte deel', en hij heeft dat gekozen als contrast met 'Bonaparte'. De mensen die naar beneden getrapt kunnen worden, hebben inderdaad het slechte deel.

Mijn  volgende Malaparte wordt 'La pelle', in het Nederlands 'De huid'. Benieuwd wat dat gaat worden. Maar ik heb er goede hoop op.


Curzio Malaparte