zondag 7 februari 2016

Caravaggio in het Rubenshuis

Ik gaat naar het Rubenshuis voor de 'nieuwe' Van Dyck, dan nog eventjes het Groot Atelier binnen, want daar hangt een zelfportret van dezelfde schilder, en aan de rechterwand, helemaal van boven in de hoek, eigenlijk best ver weg, zie ik dan een schilderij waarvan ik op het eerste gezicht denk: 'Tiens, een Caravaggio in het Rubenshuis?' En als ik naar het plaatje met uitleg ga kijken, lees ik dat het inderdaad geen Caravaggio is, maar het werk van ene Gerard Seghers. Nooit van gehoord, van Gerard Segers. Dus dat wordt opzoeken: Google en Wikipedia schieten ter hulp. Seghers mag dan nu, zelfs voor geïnteresseerde leken als ikzelf, volkomen onbekend zijn, dat was hij zeer zeker niet in zijn tijd. Hij was Antwerpenaar, heeft geleefd in de eerste helft van de zeventiende eeuw (1591-1651), en was wel iemand toentertijd. Op zeventienjarige leeftijd was hij al meester van de Antwerpse Sint-Lucasgilde - hij was een vroeg talent - , maakte een reis naar Italië, en geraakt daar in de ban van de schilderstijl van Caravaggio: clair-obscur moet hem zeer erg aangesproken hebben.

Zo ook in 'De verloochening van Petrus': dat is uiteraard een nachtelijk tafereel. In het evangelie van Marcus zegt Jezus tegen zijn apostel: 'Voordat de haan twee keer kraait, zul je Me drie keer verloochenen.' Hij (Petrus) barstte in tranen uit.' Zo'n scene is natuurlijk par excellence geschikt om met licht en donker te werken, en dat is wat Seghers als caravaggist hier dan ook meesterlijk doet: een van de omstanders belicht met een kaars waarvan je de vlam niet volledig ziet, het gezicht van Petrus, die daardoor alle aandacht krijgt, en die schrikt van de woorden van de man die hem aankijkt en zegt: 'Jij bent ook een van hen'. Prachtig gemaakt in de stijl van Caravaggio, - je zou denken dat het een werk van hem is - maar een stijl kopiëren is natuurlijk niet bijster origineel.


Gerard Seghers, De verloochening van Petrus

Na 1630 wordt Seghers' werk lichter, en begint hij zeer duidelijk onder Rubensiaanse invloed te werken, wat duidelijk wordt in het schilderij 'Geloof, hoop en liefde'. Zelfs de gezichten lijken voor mij uit de werken van Rubens weggelopen. En weer deze conclusie: prachtig werk in de stijl van Rubens,maar als je zelf Seghers heet, is dat niet bijster origineel.


Gerard Seghers, Geloof, hoop en liefde

Een en ander neemt niet weg dat Seghers na de dood van Rubens (1640) de rijkste en bekendste schilder van zijn tijd was. Maar nu? Vergeten. Sic transit gloria mundi, zeiden de Ouden dan. . . 

De nieuwe Van Dijck in het Rubenshuis

In het Rubenshuis is nog tot 10 februari de nieuwe Van Dyck te bekijken; hoewel, de 'nieuwe' is niet helemaal waar: het werk zal zo'n vierhonderd jaar oud zijn. 'De onlangs ontdekte Van Dyck' is een veel juistere weergave van de feiten, die inmiddels in Vlaanderen alom bekend zijn. Reverend Jamie McLeod koopt voor € 500 een schilderij, gaat er later mee naar het BBC-programma 'Antiques Roadshow - iets als het Nederlandse 'Tussen kunst en kitsch -  en hoort na enig onderzoek dat zijn doek een half miljoen euro waard is. Hij verkoopt het, laat met de opbrengst de klokken van zijn kerk restaureren, en de anonieme koper geeft het in langdurig bruikleen aan het Rubenshuis, een uitermate geschikte plaats voor een Van Dyck.

Het portret is geen uit- en afgewerkt schilderij: het is een zogenaamde ontwerpschets voor een werk waarop zeven Brusselse schepenen of stadsmagistraten staan afgebeeld. Dat grote schilderij is in de vlammen opgegaan tijdens het beruchte bombardement van Brussel in 1695, en daar zat Lodewijk XIV achter, de Zonnekoning. Van dat grote tableau bestaat alleen nog een ontwerpschets, die bewaard wordt in de Ecole Nationale Supérieure de Paris, plus vier ontwerpen van portretten, waaronder datgene dat pas opgedoken is.

Natuurlijk is het ontwerp niet tot in de puntjes verzorgd of af: een schets is per definitie schetsmatig; de kledij van de schepen is zeer oppervlakkig aangeduid: de schilder zal zelf zeer goed genoeg geweten hebben dat die voor hem geen moeilijkheden zou opleveren. Meer aandacht gaat naar het gezicht en het haar van de man, want dat is natuurlijk bij iedereen verschillend. En je krijgt dan het portret van iemand die in de kracht van zijn leven is, zelfbewust, verzorgd van uiterlijk, met een blik die van evenwicht, kalmte en ervaring getuigt, zou ik zeggen. Er is om deze vondst nogal wat te doen geweest om deze Van Dyck, maar hij mag inderdaad best gezien worden.


Antoon van Dyck, Brussels schepen, ontwerpschets


Brussels schepen, detail


Zeven Brussels schepenen of stadsmagistraten, ontwerpschets

Het werkt hangt in het Rubenshuis in de antichambre, vlak bij het Grote Atelier van Rubens. Daar hangt nog een Van Dyck: zijn zelfportret dat lange tijd werd toegeschreven aan zijn leermeester Rubens, maar dat tenslotte van Van Dyck zelf blijkt te zijn.


Deze twee werken, de schepen en het zelfportret, gaan binnenkort naar New York, voor een grote overzichtstentoonstelling rond Anthony van Dyck: Vlaanderen zendt zijn zonen uit, placht men te zeggen. Terecht doen we dat nog.


Antoon van Dyck, Zelfportret (als 19-jarige)

Bron: ook de website van het Rubenshuis

zondag 24 januari 2016

Power Flower in het Rockoxhuis

'Flower Power' bazuinden de hippies op het eind van de jaren zestig uit: liefde en zachtheid stonden voor de macht die de wereld zou veranderen en die de toekomst die zij zich droomden, vorm zou geven! 'If you're going to San Francisco / Be sure to wear some flowers in your hair' kweelde Scott McKenzie in 1967, en het werd een wereldhit. Maar het geloof in 'flower power' heeft maar kort geduurd. De slogan is wel blijven hangen, en de omgekeerde versie, 'Flower Power' is nu de titel van een tentoonstelling in het Rockoxhuis; de ondertitel is 'Bloemstillevens in de Nederlanden', vooral uit de zestiende en zeventiende eeuw.

'Power Flower' zinspeelt ook hier op de macht van bloemen, maar niet op de manier van de hippies. Die bloemenstillevens waren te vinden in de huizen van de elite, de rijken of de machtigen die zo hun status en hun goede smaak duidelijk maakten, of ze ook als relatiegeschenken gebruikten. In de zestiende en zeventiende eeuw waren behoorlijk wat kunstenaars bezig met het genre: de bekendste is wel Jan Brueghel de Oude, ook de Fluwelen Brueghel genoemd. Maar de werken die ik in het Rockoxhuis gezien heb, zijn van schilders van wie ik de naam nog nooit gehoord had. En dat ligt niet aan het feit dat die lui niet konden schilderen, wel integendeel, maar het genre is natuurlijk wel beperkt: het komt eerder over als een kunstambacht dan als echte kunst. Veel variatie biedt het onderwerp ook niet: een ruiker is een ruiker, veel bloemen bij elkaar blijven veel bloemen met elkaar. Toch moet worden gezegd: de nauwgezetheid van die schilders dwingt bewondering af, en de besten bieden ook enige originaliteit.

Over onbekende namen dan: 'Bloemstuk in een nis' uit ca. 1610-1620 wordt in de gids 'ontegensprekelijk het meesterwerk van Osias Beert de Oude' genoemd. Osias wie? Beert de Oude dus, Antwerpen 1580-1623. Wat je meer ziet in die bloemstukken: bloemen uit verschillende seizoenen zitten in hetzelfde boeket: tulpen uit de lente met lelies uit de zomer in dit geval.


Osias Beert de Oude, Bloemstuk in een nis, ca. 1610-1620

Een bloemstuk van vader en zoon is zeer indrukwekkend: de makers zijn Jan Brueghel de Oude en Jan Brueghel de Jonge: 'Bloemen in een vaas' komt uit ca. 1620. En hier ook weer het onnatuurlijke samenbrengen van bloemen die niet tegelijkertijd bloeien: dat stoffeert het schilderij natuurlijk veel meer, en vooral, laat zien hoe bedreven de kunstenaars wel niet zijn. En beneden, voor de vaas een paar kevertjes en een paar afgevallen bloemen, want het leven is vergankelijk, laten we dat niet vergeten.


Jan Brueghel de Oude en Jan Brueghel de Jonge, Bloemen in een vaas, ca. 1620

Nog twee nobele onbekenden: Balthasar van der Ast (een Hollander, 1593/4-1657) en Jacob van Hulsdonck (Antwerpen 1582-1647). Van der Ast etaleert zijn vakmanschap met verschillende bloemen, links van de voet van de vaas ligt een takje lelietjes-van-dalen, vlak ervoor vergeet-me-nietjes en rechts ervan een hagedis en een krekel. Decoratief tot en met is het.


Balthasar van der Ast, Bloemen in een Wanli-vaas, 1624?


Van Hulsdonck houdt het bij rozen: witte roze en rode, en een egelantier. Je krijgt zo geen uitspatting van kleuren, maar veel meer harmonie: dit werk schreeuwt niet om aandacht, er gaat daarentegen rust van uit.


Jacob van Hulsdonck, Een glazen roemer met rozen en een egelantier, na ca. 1640

Jan Davidz. de Heem, nog zo'n onbekende, heeft les gekregen van Van der Ast. Hij is geboren in Utrecht in 1606, kwam later naar Antwerpen en stierf daar ook in 1683. Volgens de gids bij de tentoonstelling was hij 'de meest gewaardeerde stillevensschilder van zijn tijd'. Weer zien we verschillende bloemen, maar in de ruiker, tussen de bloemen zitten ook een sprinkhaan, een atalantavlinder, rupsjes een kruisspin en andere insecten. Zo wordt het schilderij ook een zoekplaatje. Ik kan me goed voorstellen dat de zeventiende-eeuwse eigenaar van dit werk zijn bezoekers uitdaagde om al die diertjes te zoeken en te vinden, dat er wedstrijdjes werden gehouden, dat er gelachen en gediscussieerd werd, dat zo'n bloemenstilleven aanleiding was tot gezellig sociaal contact, en dat de eigenaar op die momenten behoorlijk trots op zijn bezit en smaak moet zijn geweest.


Jan Davidz. de Heem, Bloemen en insecten, ca. 1660-1665

Rachel Ruysch (Den Haag 1664 - Amsterdam 1750) is de enige schilderes op 'Power Flower'. Ze kwam uit een min of meer bevoorrecht milieu: haar vader was een beroemd botanicus, wat ze schilderde, kreeg ze dus dagelijks voor ogen. Heel fris is dit boeket niet meer: voor de vaas liggen al een paar geknakte bladeren en een rode bloem die ook haar beste tijd heeft gehad. In het midden trekken drie witte rozen alle aandacht, en vlak daarboven prijkt een oranje gerbera. En dan daar weer boven zie je een afgesneden stengel: voor mij is dat een 'memento mori', bloemen zijn niet eeuwig, maar wij ook niet. Zij haalde de gezegende leeftijd van 86 jaar, en er wordt van haar verteld dat ze tot haar 84ste bleef schilderen. Ze heeft dan ook nog haar 10 kinderen opgevoed. Opmerkelijk, maar zoals gezegd, arm was ze zeker niet.


Rachel Ruysch, Vaas met bloemen, Vaas met bloemen, 1700

'Power Flower' vind ik een tentoonstelling zeer de moeite waard om te bezoeken. Het zijn allemaal genrestukken, maar zeer goed gemaakt, af en toe een zoekplaatje en wat symboliek erbij. Iets waar wij, Vlamingen en Hollanders, vroeger kennelijk zeer goed in zijn geweest. Het is zeker niet het slechtste idee die kunstenaars eens uit de vergetelheid te halen en opnieuw onder de aandacht te brengen.

dinsdag 19 januari 2016

Jan van Eyck - Florent van Ertborn

Op de tentoonstelling 'Power Flower' in het Rockoxhuis word je voor een paar schilderijen verwezen naar 'Het Gulden Kabinet', waarin veel werken van het grote gesloten Antwerpse Museum voor Schone Kunsten getoond worden. Het gaat onder andere over een klein schilderijtje van Jan van Eyck: 'Madonna bij de fontein' heet het, en het komt uit 1439, twee jaar voor de dood van de schilder. Ik zou denken dat het ongeveer de afmetingen van een A4'tje heeft, een pruts in vergelijking met het Lam Gods. Maria met kind staat voor een rijk brokaatweefsel dat twee engelen ophouden. Er zijn nogal wat bloemen op te vinden, maar het gaat niet om die bloemen zelf. Op het grasveldje bloeien lelietjes-van-dalen, viooltjes en vergeet-me-nietjes, en die hebben allemaal een symbolische betekenis. De lelietjes-van-dalen staan voor de onbevlekte ontvangenis, de viooltjes voor de nederigheid en de vergeet-me-nietjes voor trouw en oneindige liefde: allemaal zaken of deugden die in het katholicisme bijzonder belangrijk zijn, of zeker waren. Voor de middeleeuwer was dit werk veel meer dan een mooi geschilderd stukje: de symboliek bracht hem ook bij de kern van zijn geloof. Maria kijkt overigens met veel tederheid naar haar Christuskind, zoals alleen een jonge moeder naar haar boreling dat doet. Het kindje omarmt zijn moeder, al is het nog zo klein. Mensgeworden hemelse liefde is de duidelijkste boodschap van dit werkje.

Maar het is ondertussen wel een prachtig: minutieus, haarfijn en trefzeker gemaakt. het is geen miniatuur, daarvoor is het schilderijtje dan weer te groot, maar het doet me er toch aan denken. Van Eyck beheerste zijn vak volkomen: zelfs in dit kleine doekje bewijst hij zijn grootmeesterschap. Op mijn foto zijn fragmentjes van de tekst op de oorspronkelijk lijst te lezen: IOH(ANN)ES DE EYCK ME FECIT ... ANO 1439.


Jan van Eyck, Madonna bij de fontein, 1439

De 'Madonna bij de fontein' is in 1838 in Antwerpen terechtgekomen. Toen heeft Florent van Ertborn het gekocht van de pastoor van Dikkelvenne, dat nu een deelgemeente van het Oost-Vlaamse Gavere is. Nu wonen er iets meer dan 2.000 inwoners. Ik heb het dorpje is bekeken op de Ferrariskaart - dat is wel 70 voor 1838 - maar het stelt haast niets voor, en toch hangt daar in de jaren 30 van de negentiende eeuw een authentieke Van Eyck: opmerkelijk is dat toch. En hoe komt Van Ertborn aan de weet dat dat werk daar te vinden en te kopen is, in een tijd waarin de communicatiemiddelen helemaal niet te vergelijken waren met wat wij nu kennen. Weer een groot vraagteken. En Van Ertborn koopt het schilderijtje dan, in een tijd lang voor de heropleving en herwaardering van de Vlaamse Primitieven: de man moet echt wel een neus voor kwaliteit gehad hebben, tegen de toenmalige mainstream in. Hij was dan ook kunstverzamelaar, die zijn collectie later aan het Antwerpse museum schonk, en daar waren ook werken bij van Van der Weijden, Memlinc en Jean Fouquet: een kleine jongen was deze Florent echt niet.


Florent van Ertborn op twintigjarige leeftijd

In Antwerpen is er een Van Ertbornstraat: ze loopt achter de Vlaamse Opera en komt uit op de Rooseveltplaats, in het centrum van de stad dus. En dat heeft deze man wel verdiend: tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, van 1817 tot1828 was hij burgemeester van de stad, nadien gouverneur van de provincie Utrecht: hij was wel iemand, deze man. Na de onafhankelijkheid van België haalde hij bij de gemeenteraadsverkiezingen nog eens de meeste stemmen voor het burgemeesterschap (206 van de 316 stemmen), maar hij weigerde het ambt: hij was dan ook een uitgesproken orangist. In 1823 had hij trouwens het Nederlands als enige taal voor het stadsbestuur afgekondigd. Een straatnaam verbergt soms een zeer interessant stukje geschiedenis.

Bronnen:
Wikipedia (Van Ertborn)
Bezoekersgids 'Het Gulden kabinet'
Bezoekersgids 'Power Flower'

donderdag 19 november 2015

Anselm Kiefer: Die Buchstaben

Op 29 oktober heeft de Universiteit Antwerpen aan de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer de titel van doctor honoris causa verleend, voor algemene verdienste, zoals dat heet. Tegelijkertijd werd ook een opmerkelijk werk van de kunstenaar geïnstalleerd in het oude Raamtheater: Die Buchstaben (De Letters) heet het.

Het vult de lege zaal bij wijze van spreken volledig, het komt er prachtig tot zijn recht: je kunt er omheen lopen, het van alle kanten bekijken, het zelfs vanaf de eerste verdieping nader bestuderen, het kon niet beter tentoongesteld worden. 'Die Buchstaben' bestaat uit een oude, grote drukpers en twee zetmachines, en uit dat geheel groeien loden zonnebloemen waarvan de bloeitijd al voorbij is. De zaden zijn eruit gevallen, op de grond terecht gekomen natuurlijk, maar daar zijn ze al veranderd in loden letters. Die kunnen dan weer gebruikt worden om nieuwe woorden, teksten, boeken te drukken, zodat eigenlijk een soort van perpetuum mobile gesuggereerd wordt. En dat is een zeer treffende metafoor: ideeën worden door de boekdrukkunst verspreid, die genereren weer nieuwe ideeën, en zo verder, zonder einde, tenminste zolang onze beschaving of de mensheid bestaat.

Kiefer werkt wel meer met zonnebloemen, lees ik, maar dat uitgerekend die bloemen uit de drukpers te voorschijn komen, is weloverwogen: ze zijn groot, geel als ze bloeien, hebben een lichte, vrolijke kleur, de zon gelijk natuurlijk. Het is niet voor niets dat Van Gogh ook met zonnebloemen bezig was. Hier zijn ze van lood en eerder zwart, maar ze zijn vruchtbaar geweest: de pitten zijn letters geworden, en die zorgen voor Verlichting met een hoofdletter!


Die Buchstaben vanaf de eerste verdieping

De Verlichting kwam er pas meer dan driehonderd jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst, maar al sinds Gutenberg werden teksten en kennis veel makkelijker en op veel grotere schaal verspreid dan voordien. 'Buchstaben' hebben een ongelofelijk belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van onze beschaving, door onderwijs, opvoeding, door wat men in  het Engels met een woord aanduidt als 'education'.


Letter geworden zaden


Uitgebloeid, maar vruchtbaar geweest

In  de zaal hangen ook drie grote doeken waarop Dorische zuilen te herkennen zijn, de oudste Griekse zuilen dus. daardoor slaat Kiefer een brug naar de oorsprongen van onze beschaving, naar de Grieken die een van de eerste bruikbare alfabetten hebben ontwikkeld en waarvan we de Latijnse versie nog altijd gebruiken.


Griekse zuilen

In de toegangsruimte zie je om te beginnen een citaat van Hermann Hesse uit 'Narziss und Goldmund'. Hoewel Narziss niet veel om letters geeft, laat Hesse antwoorden dat God daarmee de wereld schreef. Wat natuurlijk doet denken aan het evangelie van Johannes dat begint met 'In den beginne was het woord'. Iets verwants lees je in het kleine bezoekersgidsje: een citaat van Kiefer zelf luidt 'Het is zoals in de kosmos. Er is altijd constructie, vernietiging en reconstructie. Alle sterren zullen ooit sterven en andere worden geboren. Zo is het altijd. Wie is daar verantwoordelijk voor? Wie veroorzaakte dat vanaf het begin?' Metafysische vragen zijn dat, en die interesseren deze kunstenaar kennelijk ook.


Hermann Hesse: 'Letters? Daar schreef God de wereld mee.'

'Die Buchstaben' is maar één kunstwerk, maar het is zo'n sterke metafoor, je kunt er zoveel vragen bij stellen, het zet je zo aan het denken dat het zonde zou zijn het werk niet gezien te hebben. Heel erg warm aan te bevelen!

vrijdag 13 november 2015

In de Fabiolazaal: Uitverkoren

In de Fabiolazaal is op dit ogenblik de laatste tentoonstelling te zien in de reeks 'De Modernen'. En het wordt echt wel de allerlaatste: de zaal, die eigendom is van de provincie, wordt verkocht. Geen schilderijen meer in de Fabiolazaal, en dat is zeer jammer, want de tentoonstellingen waren stuk voor stuk meer dan de moeite waard, en ik geloof dat ik ze allemaal gezien heb. Het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen zal een nieuwe stek moeten zoeken om, zolang de restauratie van het grote gebouw duurt, delen van haar grote collectie aan de goegemeente te tonen. Ik mag hopen dat de zoektocht naar een nieuw onderkomen al begonnen is, en vooral dat die niet te lang aansleept.

Deze laatste tentoonstelling heet 'Uitverkoren': een veertigtal mensen, bekende en onbekende Vlamingen, mochten uit de werken van de negentiende en twintigste eeuw hun geliefkoosd stuk kiezen en met enig commentaar tentoonstellen. Bij de veertig gelukkigen lees je namen als Bernard De Wulf, Adriaan Raemdonck, Johan Bonny en Thomas Leysen, maar net zo goed die van gewone, geïnteresseerde bezoekers zoals Paul de Roy, Cil De Vylder en Linde en Lieve Ruwet. Al die mensen hebben een zeer aantrekkelijke verzameling schilderijen en beelden samengebracht: het is een echt zeer geslaagde tentoonstelling geworden, ik was er zeer opgetogen over.

Van James Ensor, van wie het Antwerpse Museum een heel aantal werken bezit, zijn er vier doeken te bewonderen. Thomas Leysen koos voor 'Schilderend geraamte' uit 1896. Ensor heeft wel eens meer macabere maskers en gelijkaardige onderwerpen uitgebeeld, en dat is hier niet anders. Behalve van de kale schedel is van het geraamte niets te zien: een goed uitgedoste burgerman staat voor zijn ezel, kijkt meer naar de toeschouwer dan naar wat hij aan het schilderen is. Helemaal van onderen komt een masker piepen, in de linkerbenedenhoek nog een doodshoofd met een plumeau tussen zijn tanden, boven op de ezel een derde schedel,  rechts boven op een kast een vierde, weer met een plumeau. Je ziet een hoofd met een hoge hoed, en zo eentje ligt omgevallen achter de ezel: de dood is wel zeer nadrukkelijk aanwezig in dit schilderij, en het burgerlijk fatsoen ligt om. Voor de rest hangt heel het atelier vol met schilderijen van Ensor. Het is alsof Ensor het aloude adagium 'Vita brevis, ars longa' heeft willen bewijzen: hij zal wel verdwijnen, maar zijn werken blijven. Ik kan mij daarbij niet van het gevoelen ontdoen dat de schilder een lange neus heeft willen trekken naar het eindige leven, naar dood en sterfelijkheid. Het past wel in het beeld dat ik van de man heb.


James Ensor, Schilderend geraamte, 1896

Een andere opvallende Ensor is 'Val van de opstandige engelen', uit 1889. Als de kleuren erbij pasten, zou je denken dat er een geweldige storm aan de gang is, en in zekere zin is dt ook wel zo. De hemel schijnt in ieder geval in brand te staan. Een leger gewapende en godsgetrouwe engelen sluit links en rechts de verdoende engelen in: ze zijn naakt en weerloos, en reddeloos verloren. In het midden zie je er nog eentje vallen. Geweld wordt hier uitgebeeld, en met wat voor een geweld moet Ensor dit ook geschilderd hebben: de heftigheid spat gewoon van het doek. Een machtig werk is dit, dat ik van tevoren nog niet gezien had. Dat was ook een van de pluspunten van de reeks 'De Modernen': je kon er vaak iets nieuws ouds ontdekken.


James Ensor, Val van de opstandige engelen, 1889

Om in Oostende te blijven: ook Spilliaert hangt er, met 'Meisjes op een duin'. Het werk doet me nog denken aan 'De duizeling' uit 1908, maar het is lang niet zo wanhopig. Maar de meisjes staan ook op een hoogte, kijken hier uit over de zee, staan wel bij elkaar, maar hebben zeker geen oogcontact. Van de rechtse waait het haar wat weg, niet zoals de sjaal in 'De duizeling', maar verwant ermee is het wel. Beiden staan hoog en droog, de verre leegte van de zee wordt gesuggereerd, de nabije kleine afgrond net zo goed, zie ik dan. Met zijn tweeën eenzaam en van de wereld af. Een werk dat optimisme uitstraalt is het voor mij zeker niet: Spilliaert was dan ook niet de vrolijkste Frans denkbaar. Maar indruk maakt hij wel.


Léon Spilliaert, Meisjes op een duin

Voor mij drie hoogtepunt uit 'Uitverkoren', maar er waren er nog. En niet te missen tentoonstelling is het geworden, zeker weten.

woensdag 4 november 2015

Allerheiligste nazomer

Er zijn van die dagen waarvan je zou willen dat ze nooit voorbijgingen: Allerheiligen 2015 was er zo een. Niet dat er mij een zeer groot geluk is overkomen, niet dat er weer een Berlijnse of andere muur gevallen is, dat de wereldvrede uitgebroken is, neen, gewoon, of eerder ongewoon, omdat het weer zo lekker was. Dat vroeg om een tochtje naar het Vennengebied, misschien het laatste dit jaar.

En dan gaat het eerst naar de uitkijktoren aan de Klotteraard. Bij helder weer heb je er altijd mooie gezichten, het tochtje naar boven loont altijd de moeite. Ik heb er al vaak gestaan, maar deze eerste november was wel heel speciaal. Daarboven waait het wel altijd - je staat dan ook op een hoogte van 12 meter - maar ditmaal was het anders: geen zuchtje wind was er te voelen, er was niet de minste luchtverplaatsing, de blaren aan de bomen kregen een dag respijt, die hoefden vandaag niet te vallen. Letterlijk bladstil noem je dat.

Net zo het wateroppervlak beneden: roerloos, geen rimpeltje dat een golfje zou kunnen verraden, een mooi egaal ven lag er beneden, glad als een spiegel waarin de bomen aan de oever zichzelf konden monsteren, hun bladverlies konden inspecteren. Om dat laatste gaven de naaldbomen dan weer niet veel.

En licht dat ieler en tengerder werd, waziger in de verte, toch al wat stervend in deze tijd van het jaar, dat wel. Maar echt om van te genieten was de wereld, zoals hij zich gedroeg!


De Kleine Klotteraard met verschuivend blauw



Idem, tweede versie

Een klein deeltje van de Kleine Klotteraard ligt aan de andere kant van het Bels Lijntje - de vroegere spoorlijn sneed het ven meedogenloos in tweeën - en daar kun je de zon na de middag steeds volop en overvloedig in het water zien schijnen, ook wanneer ze niet meer zo hoog aan de hemel staat als in volle zomer. En de zon in 't water laten schijnen: een mens apprecieert dat!



De zon in 't water laten schijnen

Doordat de bomen al stevig dunner in het blad zitten, kun je aan de overkant van de Steenweg op Baarle-Hertog het Zwart Water net zo glad zien liggen: in de zomer is dat nauwelijks het geval. Zoals algemeen geweten: elk seizoen heeft zijn charmes.


Het Zwart Water


Waterspiegeling


Berk in herfstkleuren vanaf de uitkijktoren

De Geheulse Dijk, eventjes voorbij de Nieuwe Bossen - op Merksplas ben je dan al - is een van de fotogeniekste plaatsen van het Vennengebied: je hebt er uitgestrekte weilanden en akkers, afgeboord met de bomen die vlak achter het Zwart Water staan. Als de zon dan laag genoeg staat, krijg je uitgelengde schaduwen van een boom waarvan het bladerdak doorzichtig geworden is: hij neemt een groot deel van het weiland voor zich


Geheulse Dijk: uitgelengde schaduw

Vroeger zegden de mensen dat met Allerheiligen de chrysanten op het kerkhof afvroren. Dit jaar was dat niet het geval: goedgunstige weergoden hebben op een november alle heiligen verslagen, en bovendien allerlei natuurschoon geboden! Wat goed is voor 's mensen humeur!