woensdag 24 augustus 2016

Sint-Martens-Latem: Museum Gevaert - Minne

De twee musea gewijd aan Leon en Gustaaf De Smet waren gesloten, en zo kwamen we, Yves en ik, in Sint-Martens-Latem terecht in een eerder klein museum waar we nog nooit van gehoord hadden: het 'Gemeentelijk Museum Gevaert - Minne'. Die Edgar Gevaert was zelf artistiek zeer actief: hij was schilder, dichter, schrijver en componist. Heel bekend is hij er niet mee geworden: zijn naam zei mij helemaal niets. Na de Tweede Wereldoorlog stond hij als overtuigd pacifist via correspondentie in contact met de groten der aarde: een kleine, onbetekenende jongen is deze Edgar Gevaert allerminst geweest. In 1916 trouwt hij met Maria Minne, en dat is de dochter van de wel gerenommeerde beeldhouwer George Minne, wiens werk in het museum uiteraard nadrukkelijk aanwezig is. Maar niet alleen dat van hem: de Latemse schilders, van de eersten tot de lateren,  zijn zeer goed vertegenwoordigd. En verklarende teksten geven onder andere een goed overzicht van de drie Latemse scholen: de eerste die haar weg zoekt in het symbolisme, de tweede in het impressionisme, en de derde in het expressionisme. Dan zijn we al na de Tweede Wereldoorlog.

In dit museum kun je niet om het werk van George Minne heen. 'De baadster' uit 1899 zou ik een bijna typisch Minne-beeldje noemen. Bijna, want meestal zijn zijn beelden ingetogener, vaak in zichzelf gekeerd, en dat is hier wel niet het geval. Zijn baadster beeldhouwt hij heel open; ze is wel geconcentreerd op wat ze gaat doen, namelijk te water gaan. Een elegant beeld is het.


George Minne, De baadster,1899

'De knielende van de fontein' is zo'n beeld dat ik dan typisch Minne vind: een jongen (jonge man) zit geknield aan een fontein (of elders) en schijnt zich uit de wereld teruggetrokken te hebben: zijn hoofd geneigd, niemand aankijkend, zichzelf beschermend met zijn armen voor zijn lichaam en zijn handen op zijn schouders. Niet voor niets is hij naakt: anders zou dit gebaar veel minder effect en zin hebben. Kwetsbaar, tenger en teer is dit beeld, en ingetogen.


George Minne, De knielende van de fontein, 1898

Met Leon De Smet zitten we in de Tweede Latemse School, volop in het impressionisme, zoals 'Het roze huis' (1909) daarvan getuigt.  Je zou kunnen zeggen dat het werk bijna pointillistisch is. Het gaat duidelijk om de kleuren: takken van een groene boom links en een donkere rechts hangen als een gordijn voor het roze huis links en voor het Romaanse kerkje van Afsnee, dat zelf ook weer donkerder is. Door de blaadjes van beide bomen speelt het licht op de voorgrond. Zo krijg je een verglijden en samenspel van tinten: een tot blijheid stemmend schilderij. Ik heb nog een andere, literaire reden waarom dit schilderij me aanspreekt: Dat roze (heren)huis is dat van Cyriel Buysse, die kennelijk ook goed wist waar het goed toeven en wonen was.


Leon de Smet, Het roze huis, 1909

Permeke hangt er ook: hij verbleef in Sint-Martens-Latem van 1909 tot 1912, en vertrekt daarna naar Oostende. Na de Eerste Wereldoorlog schildert hij expressionistisch, zoals ook 'Het echtpaar' uit 1925, dat dus lang na zijn  Latemse periode ontstaan is. De man zit met zijn handen in zijn hoofd  op een stoel: is hij moe, heeft hij zorgen? De vrouw staat er naast hem eerder onbewogen bij, maar blij en optimistisch ziet zij er ook niet uit. De hoekige stijl is zeer herkenbaar, het hoofd van de vrouw zo groot als haar romp: dit is een Permeke ten voeten uit. Hoewel: blauw, oker, wit, schakeringen van grijs: zoveel opvallende kleuren gebruikt hij zelden..


Constant Permeke, Het echtpaar, 1925

Een klein stukje literatuur hangt er ook nog te lezen:


Richard Minne, een Gentenaar die liever op het land en tussen zijn geiten zat, zoekt 'bij zijn peeën geluk'. Hij was een van de dichters van het tijdschrift ' 't Fonteintje', en vond het kleine geluk dichtbij al groot genoeg. Een ten onrechte vergeten dichter is hij, zeker weten.

En zo blijkt het 'Gemeentelijk Museum Gevaert - Minne' een onverwachte openbaring te zijn. Het is een bezoek meer dan waard: allen daarheen!

dinsdag 23 augustus 2016

Sint-Catharinakerk Hoogstraten: armleuningen van het Groot Gestoelte

Het 'Groot Gestoelte' in de kerk van Hoogstraten is niet alleen de moeite voor de 'zitterkens' of de misericordes die de kanunniken een steun waren als ze lang rechtop moesten staan, ook de armleuningen tussen de stoelen zijn zeer kunstig: die hebben namelijk ook allemaal een beeldje ter versiering. Een aantal ervan hebben te maken met kerk en godsdienst, een aantal andere ook niet. Kerk en geloof worden voorgesteld door een vrouw met een kelk in haar rechterhand en met haar linker houdt ze de bijbel vast: verklaard glimlachend zit ze daar.  Een mooie allegorische voorstelling is het.


Allegorische voorstelling van de Kerk

Een andere vrouw laat haar linkerhand op een doodshoofd rusten, terwijl ze in haar andere hand een zandloper heeft: de vergankelijkheid van het leven opnieuw allegorisch voorgesteld. In die tijden leefde het idee 'memento mori' nadrukkelijk, en natuurlijk wordt er in een kerk aan herinnerd: zorg dat je je voorbereidt voor de ultieme rekenschap die je binnenkort af zult moeten leggen. Zeer ernstig en zorgelijk kijkt deze vrouw, je kunt ze haar voorhoofd zien fronsen.


Memento mori

Maar het kan ook iets luchtiger: een aap die een appel vasthoudt stelt Adam voor. Adam als aap. Natuurlijk, je moet wel een aap zijn als je ook nog bijt van Eva's appel, dat zal de redenering wel geweest zijn.


Adam als aap

En het kan zelfs frivool: een zeemeermin, naakt tussen de verzamelde kanunniken, kamt haar haar, maar dan op een manier dat de kunstenaar haar borstjes vooruit kan laten steken. Grapjas, moet die beeldhouwer geweest zijn. En of er tussen de eerwaarde geestelijken nooit ruzies zijn geweest over wie naast de meermin mocht zitten? Het beeldje spreekt niet, en mijn verbeelding lijkt niet helemaal onschuldig, geef ik toe.


De kokette zeemeermin

Een beeldje toont een ambachtsman, een timmerman lijkt het wel. Hij hanteert in ieder geval een schaaf: dit wordt beschouwd als het zelfportret van Albrecht Gelmers, de kunstenaar die al dit fraais gemaakt heeft. Dat is dus ook een manier om je handtekening bij een kunstwerk te zetten.


Albrecht Gelmers


De beeldjes op de armleuningen zijn juweeltjes, niet zo groot, maar minutieus uitgewerkt, met zin voor detail en humor. Heel fijn en mooi zijn ze. En zo kun je in het Groot Gestoelte ontdekkingen blijven doen. Een 'Fundgrube' is het, zoals heel de kerk in Hoogstraten. Het mooiste museum van de Kempen noem ik het.

maandag 22 augustus 2016

Sint-Katharinakerk Hoogstraten: de nieuwe glasramen

De Sint-Katharinakerk van Hoogstraten kan prat gaan op een aantal mooie glas-in-loodramen: je hebt die uit het hoogkoor die de zeven sacramenten uitbeelden - uit de zestiende eeuw zijn die - , in de noorderkruisbeuk 'Het Laatste Avondmaal', ontworpen door Pieter Coecke van Aalst, de leermeester en later schoonvader van Pieter Bruegel de Oude, en er zijn zo nog een aantal oudere, maar kleinere. Maar de kerk heeft ook twaalf recentere glasramen: die worden dan de 'nieuwe glasramen' genoemd.  Ze zijn  allemaal gewijd aan het leven van Christus: het onderwerp van het eerste is het doopsel van Jezus, dat van het laatste zijn verheerlijking. In het tweede tot het zesde worden parabels uitgebeeld, in het zevende tot het elfde vijf wonderen die hij verricht heeft.
Ze zijn gemaakt door Marc De Groot uit Edegem, die op 5 oktober 1975 800 werkdagen kreeg om ze te voltooien: ze zullen dan ergens in het jaar 1978 geplaatst zijn, neem ik aan. Ze zijn geconcipieerd in een totaal andere stijl dan die uit de zestiende eeuw, dat spreekt vanzelf natuurlijk, en ook zeer de moeite waard, en mooi.

In 'De zaaier' pikt onderaan een vogel zaad weg, andere zaadjes zijn tussen de distels gevallen, maar bovenaan dragen twee vrouwen, lijkt het mij, de garven naar binnen. En binnen, dat is hier de hemel, en de zaaier is natuurlijk Christus. Maar alleen het zaad dat op goede grond valt, draagt vrucht: de hemelse zaligheid als je de boodschap van Christus ter harte neemt. De inhoud is wat hij is - we zijn tenslotte in een kerk - maar ik vind de uitwerking best wel goed: het werk laat gewoon veel wit, het is geen volgestouwd horror vacui, er kan veel licht naar binnen. En over het kleurengebruik ben ik ook zeer te spreken: het blauw is zeer mooi, en de combinatie met geel en witachtige tinten geeft het raam iets opwekkends, bijna vrolijks. Ik zou nog denken dat de kunstenaar het begrip 'blijde boodschap' heeft willen weergeven.


Marc De Groot, De zaaier

Uit dezelfde landbouwsector komt 'het onkruid onder de tarwe': niet verwonderlijk als het over parabels gaat die tweeduizend jaar geleden ontstaan zijn. Onderaan op het glasraam wordt het onkruid door twee mensen verbrand, van boven dragen twee engelen de tarwe naar binnen in de schuur, en Christus zit toe te kijken of alles verloopt zoals het bedoeld was. Niet moeilijk om hier hemel, hel en de goddelijke rechter in te zien. Overigens, en dit terzijde: ik wist niet eens dat 'Het onkruid onder de tarwe' een parabel was. Ik kende 'Onkruid onder de tarwe - Proeve van taalzuivering' als het boek van H. Meert, in 1941 uitgegeven door Brepols, Turnhout. We hebben het ooit in huis gehad, maar waar het gebleven is, dat weet ik niet. Maar dankzij de nieuwe glasramen: weer iets bijgeleerd.


Het onkruid onder de tarwe

Na twee parabels, nog twee wonderen, te beginnen met de 'wonderbare visvangst'. Schitterend kleurgebruik vind ik weer: veel blauw, dat me steeds aan Chartres doet denken, hoewel het geen Chartres-blauw is: men is er nog nooit in geslaagd dat te reproduceren, heet het dan. En weer die combinatie met wit en lichtgeel: prachtig vind ik het! In het scheepje staat Christus die Petrus zegt dat hij voortaan mensen zal vangen. Ook Johannes en Jacobus zijn aan boord, en samen met Petrus zijn zij Christus' grootste apostelen, naar verluidt.


De wonderbare visvangst

Ten slotte nog een mirakel waarmee Christus de dood verslaat: de opwekking van Lazarus. Dit raam is van onderen is donkerder dan de andere: Lazarus staat dan ook op uit het graf, en overwint door Christus zijn sterfelijkheid. Rechts zit Martha van haar verbazing te bekomen, en boven het hoofd van Jezus schijnt een volle, overtuigende zon: ik ben het licht zegt de Christus Redemptor. En hij heeft verder ook het probleem van de dood opgelost: 'wie gelooft in mij, zal leven, ook al is hij gestorven'. En mensen sterven nu eenmaal niet graag, dus de boodschap sloeg wel aan.


De opwekking van Lazarus

In deze nieuwe glas-in-loodramen worden alleen christelijke (of katholieke) geloofspunten verkondigd, en daar heb ik echt niet veel mee. Maar je kunt ondertussen wel erkennen dat die verhalen op zichzelf 'mooi' zijn, en dat de verbeelding er van tot 'mooie kunst' kan leiden. Zoals de verklanking ervan: anders kun je de Mattheuspassie gelijk ook wel overboord gooien. In het Meer van Gennesaret bijvoorbeeld, dat van de wonderbare visvangst.

zondag 7 augustus 2016

Wenduine: l'Oeuvre du Plein Air

In Wenduine, op een pleintje in de Coppietersstraat, valt mijn oog op een beeld dat meer kwaliteit heeft dan het niveau 'dertien in een dozijn'. Op de sokkel hangt ook een plaquette die er wat meer informatie over geeft. De tekst luidt: 'A / Jules Carlier / Président / De l'Oeuvre Du Grand Air / Ses Amis / Du Comité Central Industriel / De Belgique / 1913'. Helemaal in het Frans, van Nederlands geen spoor te bekennen. Het jaartal verklaart veel: 1913, toen de mentaliteit van 'la Belgique sera latine ou elle ne sera pas' nog lang niet dood was: dat zou nog wel een paar decennia duren, maar dat terzijde.

Maar nog blijft de vraag: wie was Jules Carlier, wat was het werk 'du plein air'? En dan brengt het internet de oplossing: Carlier (1851-1930) was een industrieel en liberaal politicus uit Bergen (Mons), hij is onder andere vicevoorzitter geweest van 'Conseil Supérieur de l'Industrie et du Commerce', en later secretaris generaal van de 'Comité Central Industriel': a captain of industry, zoals de Engelsen zeggen. Niemand kent zijn naam nu nog, maar in zijn tijd was hij een zeer belangrijk man. Geïnspireerd door het Engelse voorbeeld van 'A Day in the Country' richtte hij het 'Oeuvre du Plein Air': zwakke en arme kinderen, ook wezen, konden een vakantie doorbrengen in open lucht. In Wenduine was 'Villa Maison du Grand Air' de plaats waar de kansarme kinderen vanaf 1902 terecht konden. In 1962 werden de activiteiten gestaakt, en de 'villa' werd in 1985 afgebroken. Het beeld van het meisje en de jongen dat er stond, werd naar de Coppietersstraat verplaatst.


Plaquette voor Jules Carlier en zijn 'oeuvre du plein air'

Het beeld stelt een kinderpaar voor, een meisje en een jongen, in de kledij die ze droegen in de 'Villa'. Het komt eerder 'miserabilistisch' over: de gezichten van beide kinderen zijn in de eerste plaats meelijwekkend, er is geen spoor van een vrolijke kindertijd in te bekennen. Zij legt haar armliefdevol op de schouder van de kleinere jongen, die zijn pet beleefd in zijn linkerhand houdt. Met haar rechterhand houdt zij een brief op: is dat een bedelbrief, zijn ze daarom zo gedwee, is de jongen daarom blootshoofds?


Het behoeftige kinderpaar


Het opmerkelijke van de zaak is dat de naam van de beeldhouwer niet genoemd wordt, zelfs niet op de site van het Onroerend Erfgoed, terwijl dit beeld toch een evocatie van een tijd is: zeer negentiende-eeuws komt het mij over, het doet me denken aan de tijd van paternalistische liefdadigheid, toen er organisaties bestonden zoals de Turnhoutse 'Weldadigheidskring', of aan de sfeer die hangt over 'Oliver Twist'. Op dezelfde site leer ik wel dat het om een bronzen sculptuur gaat, en in ambtenarees worden ook de 'Juridische gevolgen' medegedeeld: 'op dit moment is dit object niet beschermd, maar wel vastgesteld'. Dat ze van die bescherming dan maar snel werk maken: het beeld roept een tijd op, en de herinnering daaraan moet niet verdwijnen.

vrijdag 5 augustus 2016

Cassel: Musée de Flandre

Op de Grand' Place van Cassel vind je het 'Musée de Flandre' in een prachtig zestiende-eeuws gebouw, het 'Hôtel de la Noble-Cour', in Vlaamse tijden het 'Grote Landhuys' genoemd. De gevel is een voorbeeld van volbloed renaissance.


Renaissance: het Landhuys, nu Hôtel de la Noble-Cour

Het bevat een mooie verzameling Vlaamse meesters en Vlaamse kunst die de eigenheid van de streek illustreren. Een van de eerste beelden die je ziet is 'Het schijtmanneke', een terra cotta beeld uit de zeventiende of achttiende eeuw: het stelt gewoon een man voor die op de wereld zit te schijten, iemand die schijt heeft aan alles. De arm die hij nodig heeft om zijn gat af te vegen ontbreekt, maar zijn fecale productie is onder hem duidelijk te zien. Dit is overigens het enige kunstwerk in het museum dat geen Franse naam heeft: schijten kan kennelijk alleen in het Nederlands!


Het Schijtmanneke, anoniem, Vlaams

Een van de pronkstukken is het werk van een anonieme Vlaamse primitief, dat ooit nog in de kerk van Dendermonde gehangen heeft. Het komt uit het einde van de vijftiende eeuw, en wie Joos vanden Damme was is mij volslagen ongekend, maar om zo'n werk te laten schilderen, moest je behoorlijk goed in de slappe was zitten, zoveel is wel zeker. Van onderen op het schilderij kun je de nodige informatie in het Middelnederlands lezen: 'Hier es begraven joos vanden damme galouts zone die / starf int jaer duyst vierhondert vier ende tachtentich den / zestienden dach van meye God hebbe zijn ziele Amen'.


De maagd met schenker Joos vanden Damme

Maar het is niet allemaal anoniem en Vlaams: grotere namen en een echt grote kunstenaar zijn ook vertegenwoordigd. Ik had nog nooit een werk van Pieter Coeck in het echt gezien (behalve het glas-in-loodraam in Hoogstraten, waar hij het ontwerp voor gemaakt heeft), maar hier in Frans-Vlaanderen kom ik hem dan eens 'in levende lijve' tegen: God de Vader, geholpen door twee putti, ondersteunt zijn gestorven zoon, terwijl de Heilige Geest als duif vanuit de hemelen toekijkt: religieus werk, dat wel, maar ook renaissancistisch.


Pieter Coecke van Aalst, De Heilige Drievuldigheid

Van Coeckes leerling en latere schoonzoon, Pieter Bruegel de Oude hangen er ook een drietal etsen: onder andere 'De heks van Mallegem' of 'De keisnijder', waarover Leen Huet het in haar biografie 'Pieter Bruegel, de biografie' het ook heeft. Op een redelijk chaotisch markttafereel wordt een viertal mannen de schedel gelicht: bij een wordt er een bierkan in leeggegoten, bij een tweede uit een soortement koffie- of theepot een andere, voor mij onbestemde vloeistof, de meest linkse wordt verlost van een knoert van een gezwel, en in een opengebroken eierschaal is de chirurgijn nog aan het snijden terwijl allerlei balletjes - het lijken wel knikkers - uit het hoofd van de patiënt rollen: dat zullen dan wel kleine gezwellen zijn, durf ik te veronderstellen. Allerlei figuren dringen zich zo dicht mogelijk bij het gebeuren, een aantal misvormde vogels doen iet of wat aan Jeroen Bosch denken, onder een tafel zit een man met zijn mond door een hangslot het zwijgen opgelegd te stelen uit een mand met vruchten: het is een chaos van je welste. Een bespotting van bijgeloof en onbekwame heelmeesters lijkt het me. De heks van Mallegem zelf staat aan de eerste tafel een man zijn opengesneden hoofd vast te houden. En dat het dorp waar alles zich afspeelt 'Mallegem' heet, spreekt boekdelen.


Pieter Bruegel de Oude, De heks van Mallegem.

Veel 'rustiger' is de gravure van Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: iedereen is wel naarstig aan het werk, maar het land wordt klaargemaakt voor de oogst: de mensen planten en zaaien, ze houden zich met gewone, dagelijkse zaken bezig.


Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel: De vier jaargetijden, De lente

Van Joost de Momper II krijg je er nog een 'Landschap' bij: hij is niet meteen wereldberoemd, maar toch een verdienstelijk landschapsschilder.


Joost de Momper II, Landschap

En zelfs werken uit de recente tijden zijn aanwezig: onder meer een doek van Thierry de Cordier (° in Ronse) : In het Frans heet het 'Verdure folle n° 1', in het Nederlands 'Groen nr 1'. Een onstuimig werk lijkt het me, een uitbarsting van een paar kleuren die heel veel leven suggereert. Ik kan het wel appreciëren.


Thierry de Cordier, Verdure folle n°1

Om je bezoek af te sluiten ga je in de toegangshal helemaal naar achteren: daar heb je vanaf de Casselberg - want dar sta je - een prachtig uitzicht op de Frans-Vlaamse vlakte. Want het moet worden gezegd: dit museum is zeer de moeite waard, en dit Frans-Vlaanderen is een zeer mooie streek. Volgend jaar ben ik er weer, want er valt daar nog meer te ontdekken!


Uitzicht vanaf de achterkant van het 'Musée de Flandre'

dinsdag 2 augustus 2016

Vlaanderen en Vlaams in Frankrijk: Cassel

Poperinge is een grensgemeente: Frankrijk is er dichterbij dan Nederland bij Turnhout. Natuurlijk ga je dan ook naar dat gebied dat nu Frans-Vlaanderen heet. Cassel is dan de eerste bestemming: ik was er ooit al geweest, 33 jaar geleden, en ik heb er geen slechte herinnering aan. Als je op de Grand' Place komt, stel je meteen een soort van tweeslachtigheid vast: je ziet dat het Vlaanderen is geweest, maar ook dat het nu duidelijk bij Frankrijk hoort, en Frankrijk is. Nederlands, of de taal die ze daar 'Vlemsch' noemen, hoor je nergens. Toch hebben een paar horecazaken op de markt Vlaamse namen: er is een 'Keizer Karel' bijvoorbeeld. En het stadje komt ook manifest op voor zijn Vlaamse identiteit, maar in het Frans dan: boven een winkel waar je allerlei uiteenlopende zaken kan krijgen, hangt een opmerkelijk opschrift, dat besluit met 'Vivre la Flandre'.


Een aan de post, toch een officieel gebouw, wappert een heuse Vlaamse Leeuw, een officiële Belgische zowaar: geel veld, zwarte leeuw, met rode klauwen, zodat onze drie landskleuren er netjes inzitten. Dat geeft de burger moed, zo ver weg van de eigen haardstee!


Ils ne le dompteront pas!

En af en toe zie je nog sporen van het voorbije Nederlandstalige karakter van de streek, boven de deur van een kapel, of in de collegiale kerk van Cassel.


Moeder van bermhertigeyd b.v.o.

In de kerk: op een gedenkplaat van het overlijden van iemand uit een vooraanstaand (adellijk) geslacht staat de tekst: 'Tak plooyt nooyt'. 'Tak' is allicht de familienaam: de naam komt nog voor in Vlaanderen, maar voor zover ik weet met 'ck': Tack. De man (zullen we aannemen) is gestorven op 3 oktober 1922: tenminste de wapenspreuk van de familie was nog in het Nederlands.


Tal plooyt nooyt

Maar meer dan relicten zijn dat niet. Hoewel, sinds 1978 zendt Radio Uylenspieghel vanuit Cassel uit in de volkstaal, en die is ook in 'onze' Westhoek te beluisteren: zoals ik al zei: men komt uit voor zijn Vlaamse identiteit, en men doet ook moeite om het oude 'Vlemsch' voor compleet uitsterven te behoeden.
Dat onze taal, of een vorm daarvan, in Noord-Frankrijk nog niet helemaal van de kaart is verdwenen, is eigenlijk een wonderlijke zaak. Cassel maakt al van 1678 deel uit van Frankrijk (Vrede van Nijmegen), vanaf dan was Frans de officiële taal, en zoals geweten, Parijs met zijn centralistische politiek heeft nooit veel opgehad met regionale talen: ook het Bretoens, het Occitaans en het Duits in de Elzas moesten vele toontjes lager zingen. En denk eens aan België: hoe hebben de vertegenwoordigers van de Vlaamse Beweging in de 19de en 20ste niet moeten vechten voor erkenning en gelijkwaardigheid. Tijdens de Wereldtentoonstelling van '58 was er zelfs een speciale 'Vlaamse' dag! Onze francofone taalimperialisten waren even onverbiddelijk als die van Frankrijk. Gelukkig is dat niet meer zo, En nu hoor je Liesbeth Homans een taal spreken waarvan alleen zij denkt dat het Nederlands is. Leve de emancipatie en de autonomie!

maandag 1 augustus 2016

De lieftallige Eva van Lucas Cranach de Oudere

Een maand of zo geleden was in in het Rockoxhuis voor 'Eten met Clara Peeters', een zeer mooie tentoonstelling overigens. Ik loop nog even in 'Het Gulden Kabinet' binnen, en zie daar een schilderij dat er voordien niet hing; het staat trouwens ook niet in de catalogus. Ik vermoedde wel dat van een van de twee Cranachs kon of moest zijn, maar kon nergens bevestiging vinden, ook niet na mijn vraag op facebook. Tot vandaag: in een facebookbericht van Nicolaas Rockox heet het dat 'de lieftallige Eva van Cranach de Oudere ons verlaat': ze is aan een restauratie- en conservatiebeurt toe met het oog op de opening van het vernieuwde Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Opnieuw hangt ze niet meer te verleiden in het vroegere huis van de burgemeester.

Wat het schilderij zelf aangaat: mij komt het altijd over als wilden de schilders van die tijden eens een lekker naakt produceren, maar daarvoor dan vooral een aan de godsdienst gerelateerd onderwerp kozen, voor de veiligheid allicht. En Eva zelf die had natuurlijk nog geen kleren, zij was de eerste vrouw. Pracht van een alibi: je was het geloof trouw, en je schilderde een blote vrouw!

'Lieftallig' wordt ze genoemd: en jawel, je zou ze van geen kwaad verdenken! En twijfel of schrik voor de zonde staan ook niet van haar gezicht af te lezen: ze is de onschuld zelve. En terecht, want ze heeft nog niets verkeerds gedaan. Die slang en die appel zijn van nader belang: die zijn slechts dekmantel (hoewel dat woord hier slecht gekozen is). Het is wel een zeer mooi schilderij: frêle, zacht, en lichaam dat als het ware oplicht, zeer zeker alle aandacht naar zich toetrekt. Goed gedaan, oude Lucas!


De lieftallige Eva van Lucas Cranach de Oude