dinsdag 16 september 2014

De Wintertuin van het Instituut der Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver

Op Open Monumentendag kun je al eens een verplaatsing doen: niet dat er in Turnhout niets loos was - de Stadsboerderij werd officieel geopend, en daar kom ik zeker later nog - maar in Onze-Lieve-Vrouw-Waver was de 'Wintertuin' van het Instituut der Ursulinen open voor het publiek. Daar had ik al wel een paar aantrekkelijke foto's van gezien, er zelf echter nog nooit geweest.

Dat heb ik gisteren dus met bekwame spoed rechtgezet. Ik kom te weten dat deze Sint-Ursulaschool in de negentiende en een eind in de twintigste eeuw een zeer vooraanstaande katholieke meisjesschool is geweest die zich vooral richtte op de dochters van de gegoede klassen, op de aankomende freules van betere stand, zeg maar. Haar faam was wijdverspreid: ook meisjes uit het buitenland, tot Kenia toe, genoten er hun opvoeding.

Om de ouders van dat puikje van een aantal landen te ontvangen 'comme il faut' werd rond 1900 de wintertuin gebouwd: een prachtige, ontzag inboezemende ruimte, met de passende meubels, de juiste, uit de kluiten gewassen kamerplanten, en een versiering om u tegen te zeggen, of eerder 'Uedele': een illustratie van 'noblesse oblige' is het.

Die zaal wordt overspannen door wat je een Romaans tongewelf zou kunnen noemen: het is echter niet van steen, maar van glas-in-lood, en de nodige steun wordt verleend door ijzerwerk, staven e, latten, zoals dat op het einde van de negentiende eeuw mode was. En dat glas-in-lood staat niet vol heiligen en uitbeeldingen van stichtende verhalen, zoals het brave, vrome zusters zou passen, neen, ze hebben gekozen voor de moderne stijl van toen: art nouveau of Jugendstil. Gedurfd en leep van die nonnetjes!

Dat tongewelf moet natuurlijk op de een of andere manier afgesloten worden, wat dit is geen kerk met een hoogaltaar aan de ene, en een orgel en uitgang aan de andere zijde: de kunstenaar die tot op vandaag onbekend is, heeft gekozen voor twee halfroosvensters: 'De ochtend' aan de zuidkant, en 'De avond' in het noorden; het tongewelf daartussen beeldt dan 'De dag' uit. Zo behoort alles waarvoor je naar boven dient te kijken tot hetzelfde kunstwerk: een prachtige oplossing is dat. Bovendien, als de zon schijnt, verlicht die 'De ochtend', wat gewoon schitterend is. 'De dag' baadt dan ook in het licht, en op een heldere dag is ook 'De avond' meer dan goed zichtbaar: een prachtig concept is dat geheel.

'De ochtend' toont een zonsopgang boven een meer, met bergen in de achtergrond, irissen in bloei van voren en een reiger centraal die in zijn bek een eerste vangst houdt: een palinkje of een slangetje. Aan de rand is alles versierd met bloemenmotieven: heel de beeldtaal van de Jugendstil komt aan bod.


De Wintertuin, De ochtend

'De avond' toont hetzelfde meer op het einde van de dag. Alleen de reiger is verdwenen en vervangen door een nachtvogel: een uil komt op de toeschouwer toegevlogen. De irissen hebben ondertussen natuurlijk hun bloemen gesloten.


De Wintertuin, De avond



De Wintertuin, De dag (het tongewelf)

Het tongewelf is versierd met Oost-Indische kerselaar, en zwaluwen in een onbewolkte hemel getuigen van het goede weer.


Zwaluwen in het tongewelf (De dag)

Kamerplanten maken duidelijk dat het hier echt om een wintertuin gaat: grote palmen en dito varens bepalen mee de sfeer van lichtheid.


Palm in de Wintertuin

Die negentiende-eeuwse ursulinen moeten heel goed in de slappe was gezeten hebben: zo'n Wintertuin aanleggen moet toch meer dan een flinke duit gekost hebben. Hij diende dan ook als ontvangstruimte voor vertegenwoordigers van de toplaag van de maatschappij. En om het niet al te benepen te laten overkomen, en ook omdat die lui ervan hielden, was Jugendstil uiterst geschikt: God en al zijn geboden en heiligen kon de joffers beter in de klassen bijgebracht worden. Hier werd een andere schijn hooggehouden, zou je als slecht karakter kunnen zeggen.
Wat niet wegneemt dat de 'Wintertuin' ongemeen mooi is.Dit is meer dan 'Vaut le détour'!

zaterdag 13 september 2014

James Ensor in Mu.Zee Oostende

Natuurlijk kan in een Oostends museum James Ensor nier ontbreken: hij is er niet zozeer met schilderijen, wel met etsen en tekeningen. Vaak laten die het anti-burgelijke, rebelse karakter van de kunstenaar zien, met sarcastische, soms niet altijd even subtiele humor. Voor de liefhebbers: om duimen en vingers van af te likken.

Fors antiklerikaal is 'Les infâmes vivisecteurs': die 'vivisecteurs' blijken geestelijken te zijn, de celebrant heeft daarbij een doodshoofd. Boven dat hoofd halen een dokter en een verpleegster de ingewanden van een Christus aan het kruis uit zijn lichaam: als blasfemie kan er dat al mee door! Uiterst rechts staan 'les bourgeois' het schouwspel gade te slaan. En of dat allemaal nog niet duidelijk genoeg is, schrijft Ensor zijn bedoeling er ook nog eens goed leesbaar bij: 'Imfâmes vivisecteurs / Je vous crache tout / mon mépris à la face'. Virulente godsdiensthaat noemen we dat.


Les infâmes vivisecteurs

Heel grof wordt hij in een ets uit 1889 die België en zijn 'doctrinaire voeding' typeert. De koning, een bisschop, leden van de hogere burgerij en een politieambtenaar of een militair zitten op de rand van een enorme ton gewoon op het onder hen verzamelde volk te schijten, en die drek en viezigheid heten dan 'Alimentation doctrinaire'. De politieman heeft een bordje vast waarop 'service personnel' te lezen is, een burger heeft 'instruction obligatoire' in zijn handen. Maar boven de 'schijters' schijnt de zon. Een overtuigd patriot is Ensor zeker niet geweest.


Belgique en 1889 - Alimentation doctrinaire

Dat ook het leven zoals het reilde en zeilde in zijn eigen omgeving hem niet koud liet, bewijst de ets 'Les gendarmes'. Toen de Engelsen hun vis tegen heel lage prijzen in Oostende probeerden te verkopen, werd de vangst van een Engelse boot door de Oostendse vissers overboord gegooid. Er kwamen rellen van, en de 'gendarmes' chargeerden en openden het vuur: drie doden en negen gewonden. 59 vissers werden door de rechtbank zeer streng gestraft. Dat greep Ensor zo aan dat hij er een ets over maakte: twee omgekomen vissers liggen in een bed bewaakt door gendarmes, de burgemeester houdt de huilende vrouwen buiten en een non bidt voor de zielenzaligheid van de twee mannen. Een illustratie van 'Alimentation doctrinaire', dat van zeven jaar later dateert, is het in feite.


Les gendarmes, 1892, olieverf op paneel

Een van de weinige echte schilderijen in Mu.ZEE Oostende is 'Ma mère morte' uit 1919, terwijl zijn moeder al in 1915 op tachtigjarige leeftijd overleden was. De vrouw is op de achtergrond van het werk te zien: op de voorgrond staan flessen en flacons medicijnen die haar niet hebben kunnen redden. Samen met het heiligenbeeldje rechts van achteren staan zij symbool voor het feit dat geneeskunde en godsdienst tenslotte machteloos zijn tegenover de dood. Tenminste, dat lees je op in de informatieve tekst naast het werk.


Ma mère morte, 1919, olieverf op doek

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen bezit de grootste verzameling van de werken van Ensor, maar wat hier in Oostende getoond wordt, mag meer dan best wel gezien worden: het is een onvermoede schat, die de schilder duidelijk als rebel laat zien.

donderdag 11 september 2014

Leon Spilliaert in Mu.ZEE Oostende

In Mu.ZEE Oostende hangen naast heel wat Ensors ook een aantal interessante werken van Leon Spilliaert, de tweede grote schilder uit de kuststad. Zeer intrigerend is 'De blauwe teil', een werk uit 1907. Die teil staat op een donkere achtergrond, een tafel allicht. Ze staat niet netjes in het midden ervan, maar op de bovenste helft: een beetje vreemd is dat. Volgens het verklarende bord naast het werk weerspiegelt ze het maanlicht: ze licht mooi en duidelijk op. Verder lees je dat Spilliaert wegens zijn toen fragiele gezondheid vaak in de kamers van zijn eigen huis ronddoolde, wat dan resulteerde in stillevens, waaronder 'De blauwe teil'. Het is een stil en prachtig werk: je kunt er moeilijk niet onder de indruk van zijn, van deze in de donkerte licht weerkaatsende waskom, ze is ook zo puur en precies weergegeven, teder zelfs, zou ik durven zeggen. Een schilderij is het niet: het informatiebordje deelt mee 'Gewassen Oost-Indische inkt, aquarel en kleurpotlood op papier'. Ik vind het echt een ongelooflijk mooi werk: het is maar een teil, maar o zo indrukwekkend weergegeven!


De blauwe teil, 1907, 63 bij 48 cm

Een ander, maar dan zeer bekend werk van Spilliaert is 'De duizeling' dat in de tekst ernaast ook de eigenaardige titel 'Tovertrap' heeft. Het is ook getekend met gewassen Oost-Indische inkt en kleurpotlood op papier. ('Gewassen' betekent aangelengd met water, zodat er meer grijs mogelijk wordt.) Een vrouw tracht zich staande te houden op een zeer steile trap met hoge treden en zonder leuning: het lijkt meer op een toren, die geen houvast biedt. Er staat heel veel wind: zij probeert wijdbeens staande op twee treden de kracht van de wind te trotseren, haar bovenlichaam neigt naar achteren, haar sjaal wappert daarbij met volle kracht van haar weg.


De duizeling -Tovertrap, 1908

Je kunt de vrouw ook in detail bekijken en fotograferen: het is wel klein, maar dan zie je de angst in haar ogen, en een open gillende mond: ik had deze tekening nog nooit van zo dichtbij bekeken, maar nu heeft ze voor mij haar volle betekenis. De vrouw bevindt zich in een hachelijke situatie, en zich is zich daar heel goed bewust van.


De angstige vrouw in de strakke wind

Wat ook opmerkelijk is: zij staat bijna helemaal naar boven, maar waar die trap naartoe leidt, of wat er op de top van de toren te vinden is, dat blijft allemaal in het ongewisse. Je zou antwoorden: nergens naartoe, of niets. Een optimistisch werk is het alleszins niet. Spilliaert was dan ook eerder een zwaarmoedig mens. Maar hij kon het wel doeltreffend verbeelden, dat zeker.

donderdag 4 september 2014

't Is nazomer

Na een natte augustus, waarvan Frank De Boosere steevast wist te melden 'te fris voor de tijd van het jaar', begint september met de zon in de lucht: kindertjes alom en scholieren kunnen hun pret niet op. En ik ook niet: na een behoorlijk lange tijd kan ik weer eens naar het Vennnengebied scooteren, want ik wil natuurlijk weten hoe er dat na deze onzomer bij ligt. Voornoemde weerman heeft het over deze periode met de term 'nazomer', terwijl ik altijd geweten heb dat de eigenlijke zomer tot 21 september duurt, en nazomer iets voor oktober is, als de  herfst al echt bezig is.


De weidsheid van de Kempen: begin van de Geheulse Dijk, Merksplas

Maar als ik door veld en weiland dokker, moet ik toegeven dat Frank gelijk heeft: het hoogseizoen is duidelijk al voorbij. Je merkt dat aan alles: je ziet of hoort nauwelijks vogels. Geen kieviten, geen snippen, geen grutto's, geen tjiftjafs, geen merels: die lijken allemaal met vakantie. Een kraai hier en daar, en een zeldzame meeuw, dat is alles. Kwakende kikkers die overtuigend laten horen dat ze willen paren, zijn ook verdwenen: dat alles maakt de natuur bevreemdend stil. Ik merk dat tal van bomen al bladeren hebben losgelaten, en een keer hoor ik een eikel op de weg vallen: dat is al meer herfst dan nazomer. En een schuwe eekhoorn glipt vliegensvlug weg, ergens naast het Bels lijntje: die is mogelijk zijn wintervoorraad aan aan 't leggen. Het jaar is nog niet doodziek, maar het loopt op zijn einde.

Bloemen zijn er evenmin veel: hier en daar wat boerenwormkruid, en een klein bloempje dat ik nog niet kende: vijfvingerkruid, dat 10 tot 20 cm hoog kan worden en bloeit van juni tot augustus. Op 2 september staat het er toch ook nog.


Bescheiden, maar heel geel: vijfvingerkruid

Ik zie dat de maïs al goed van hoogte is - dat is bijna rijp - en rijd voorbij een dode boom die me met zijn skelettige takken doet denken aan David Caspar Friedrich: alleen is de achtergrond mooi blauw, een unheimische sfeer van verval of dreiging is er niet bij.


Maïs, dode boom en blauwe lucht

En dat het bijna herfst is, bewijzen ook de paddestoelen die ik op vele plaatsen tegenkom. Je hebt ze in allerlei soorten: jammer dat ik ze niet kan benoemen. Daar zou je kenner of 'fungioloog' moeten zijn, maar in die richting beperkt mijn ervaring zich tot 'pizza ai funghi', en dat zijn niet de funghi die ik hier in het Vennengebied zie. Wat wel een voordeel is: als je al een aantal jaren geregeld in dit gebied rondrijdt, weet je ze wel staan, dat wel.



Niet-gedetermineerde paddenstoelen.

Aan de uitkijktoren op het Bels Lijntje heb je een prachtig gezicht op de Grote en Kleine Klotteraard. Een kleine deeltje van dat ven ligt aan de andere kant van het Lijntje: dat lag er altijd een beetje vergeten of verwaarloosd bij, het stelde eigenlijk ook niet zoveel voor. Maar nu is de Vlaamse Overheid dat kleine stukje ven ook aan het fatsoeneren: natuurinrichting ook voor de minste plassen, zullen we dat maar noemen. Het zal meer leven de kans geven zich ook daar te ontwikkelen. Wat te waarderen is, natuurlijk.


Het kleinste deel van de Kleine Klotteraard in 'restauratie'

De volgende dag (3 september) blijkt dat niet alle vogels verdwenen zijn. In het Ezelsven aan de Geheulse Dijk - officieel heet dat ven niet zo, dat is eigen naamgeving - zie ik een reiger op zoek naar voedsel: zo'n vogel spotten is altijd een belevenis waar deze burger blij van wordt.


Reiger op zoek naar voedsel in het Ezelsven

Die reiger is het mooie slot van twee dagen genieten van de nazomer in ons eigen Vennengebied. Mooi toch? Meer moet dat niet zijn.

zondag 17 augustus 2014

Poperinge: Talbot House - de executiepaal

In 1965 - toen ik nog postzegels verzamelde - is er een zegel uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Talbot House in Poperinge. De post stuurde toentertijd ook foldertjes mee, waar je die zegels in kon bewaren, en waarin ook uitgelegd werd waarom ze verschenen: informatie over het Talbot House kon je daar dan natuurlijk ook in lezen. Die zegel heb ik altijd onthouden, en als je dan bijna vijftig jaar later in  Poperinge bent, bezoek je natuurlijk dat huis, zeker in 2014.


De zegel voor het Talbot House

Poperinge ligt op iets meer dan twintig kilometer ten zuiden van Ieper, maar in de Groote Oorlog in ieder geval achter het front, en in 1915 openden twee Britse legeraalmoezeniers, Philippe Clayton en Neville Talbot, er een ontspanningsplaats voor hun soldaten: op het uithangbord staat te lezen dat het een 'Every-Man's Club' is: officieren, onderofficieren en gewone soldaten waren er welkom, wat opmerkelijk is omdat het klassengevoel in de Engelse maatschappij toen nog zeer levendig was. Je kunt er je een idee vormen van de rust die de moe gestreden soldaten er genoten: achter het huis ligt een mooie tuin, die - zoals uit foto's blijkt - er nu veel beter uitziet dan tijdens de oorlog. Het achterste vertrek is een ruimte met veel licht: ik kan me indenken dat het de mannen op zomerse dagen plezier gedaan zal hebben.


Klasseloos maatschappijtje

Op het bureau van een van de medewerkers hangt een affiche waarop de Britten gesommeerd worden 'to 'Join Your Country's Army!' for 'God Save The King', maar je kunt niet zeggen dat het huis en wat er te zien is een verheerlijking is van militarisme en heroïsch patriottisme.


Wervende affiche

In een aanpalend hopmagazijn kun je een tentoonstelling zien over het leed dat de Groote Oorlog bij de soldaten aangericht heeft, met foto's van brieven, de verwoestingen en andere ellende, maar net zo goed een Duitse staalhelm die broederlijk naast een bescheidener Brits exemplaar ligt.

Op het einde van de rondgang vraagt 'a genuine English woman' of je thee wil, en als je ergens thee wil drinken, dan hier natuurlijk. Die vrouw werkte daar vrijwillig, net zoals Belgische, Nederlandse, Franse en Australische mensen dat doen. Zij houden Talbot House en de herinnering levend. Overigens: voor de serie 'In Vlaamse Velden' zijn hier opnamen gemaakt.


Talbot House


Ontspanningsruimte met piano

Wat je in Poperinge zeker ook niet mag vergeten zijn de dodencellen en de executieplaats en -paal. Die bevinden zich op de binnenplaats van het stadhuis: de twee cellen zijn in al hun desolaatheid gereconstrueerd, met graffiti uit '14-'18 nog op de muren, en de executiepaal staat op de binnenkoer. Het is natuurlijk niet de authentieke paal: het betreft een metalen geverniste exemplaar, met er vlak achter een muur, speciaal gebouwd voor dit gedenkteken: dit alles is niet echt groot of sensationeel, maar net daardoor maakt het veel indruk.

Ten minste vier militairen - een andere bron heeft het over acht - zijn hier geëxecuteerd: de oudste was 31 jaar, een onderluitenant die ter dood veroordeeld wegens desertie: ondanks het feit dat hij leed aan 'shell shock', werd hij na onderzoek terug naar het front gestuurd, met de ondertussen bekende afloop. De jongste was 17: hij komt uit Jamaica, neemt vrijwillig dienst - op zijn 16de - in een vooral uit zwarte soldaten bestaand regiment: dat wordt als werkeenheid ingezet, maar bij een levering van munitie loopt het voor de jongen toch mis. Hij wordt ter dood veroordeeld (desertie) op 19 september 1917, en geëxecuteerd de volgende ochtend om 10 over 6. De kapitein van het vuurpeloton schrijft als laatste aantekening in zijn verslag: 'Sentence duly carried out at Poperinghe Town Hall at 6.10 am on september 20th 1917."


De executiepaal

Links op de muur achter de executiepaal staat een gedicht van Erwin Mortier:

Licht, grauw licht.

De sleetse nacht
barst in me open en versterft.

Mijn handen rond het glas -
mijn laatste.

De priester met zijn god,
de dokter met zijn opium.

Moeder van god.

Ze zal nu opstaan, haar voeten
warmen aan de kolen.

Ze zal zich omdraaien in de lakens.

Mik niet op mij jongens,
Mik op het witte

linnen op mijn borst

Licht, grauw licht
etst woorden, schrale

woorden in de wanden

maandag 11 augustus 2014

Veurne: poëtisch en prozaïsch

De hoofdkerk van Veurne, de Sint-Walburga, heeft geen toren, de Sint-Niklaaskerk,eventjes verder,  wel: die is 48 meter hoog. Het onderste deel ervan, dertiende-eeuws, is bijna nog romaans: weinig vensters, en de twee blinde ramen hebben wel spitsbogen, maar nog zeer bescheiden. Daarboven staat wat in de veertiende eeuw bijgebouwd is: daar zie de gotiek veel duidelijker. Aan de rechterkant eindigt het iets lagere torentje waar de wenteltrap in zit in een gotische spits. De spits van de grote toren zelfis sinds het midden van de negentiende eeuw verdwenen.


De toren van de Sint-Niklaaskerk

Nu heeft de 'Duitse' dichter Rainer Maria Rilke (geboren in Praag) in augustus 1906 enkele dagen in Veurne verbleven. De toren van de Sint-Niklaaskerk heeft hem geïnspireerd tot het gedicht 'Der Turm', dat hij in juli 1907 in Parijs geschreven heeft. Mooi is dat dat vers beneden aan de rechterkant van de toren te lezen is, in het Duits.

Het is een best moeilijk gedicht, ik moest het meer dan eens aandachtig lezen. Rilke heeft het over wat zijn beklimming van de toren bij hem wakker roept, losmaakt, hoe hij zich daarbij voelt. Hij vertrekt bij het 'Erd-Innere', Heeft het over beken die langzaam 'der Dunkelheit entsprungen sind', maar hoger 'nimmt dich aus der engen Endung / windiges Licht. Fast fliegend siehst du hier / die Himmel wieder,'... Het is in feite een religieus gedicht: van 'Erd-Inneres' tot aan 'die Himmel'. Niet eenvoudig, maar wel mooi.


R. M. Rilke, Der Turm, 1907

Het siert de Veurnse vroede vaderen dat ze deze tekst aan de kerktoren gehangen he: niet elke plaats in Vlaanderen kan zeggen dat ze een van de grootste dichters uit de wereldliteratuur een paar dagen onderdak heeft verleend.

Echter, ook in Veurne kun je niet altijd in hogere sferen vertoeven, ook niet als je beneden aan de toren staat: vlak onder 'Der Turm' richt de stad zich met een laconieke, droge mededeling tot iedereen die Nederlands kan lezen. Ter overweging: hoe kan iemand van de toren voorwerpen naar boven gooien?
De combinatie van de twee teksten zullen we dan maar typisch Vlaams noemen...


Ambtenarees, begin 21ste eeuw

zondag 10 augustus 2014

Poperinge: Sint-Bertinuskerk, biechtstoel en preekstoel

In Poperinge wilde ik ook eens gaan kijken, want daar staat het Talbot House. Nu is de stad niet zo groot: zo'n 20.000 inwoners, waarvan er meer dan 13.000 in Poperinge zelf wonen, de andere in de deelgemeenten. Toch word je verrast als je de plek binnenrijdt: het eerste wat je ziet is een behoorlijk indrukwekkende kerk, de Sint-Bertinuskerk. Overigens heeft de stad er zo nog twee om u tegen te zeggen: de Sint-Jans- en de Onze Lieve-Vrouwkerk; alle drie zijn het voorbeelden van kustgotiek.


De Sint-Bertinuskerk

De kerk is gebouwd in de vijftiende eeuw, de toren pas helemaal afgewerkt in de achttiende. Ondertussen had ze de beeldenstorm over zich heen gekregen: die was overigens losgebarsten in Hondschoote, een stadje vlak bij Poperinge, nu net over de 'schreve' in Frankrijk. Het moet er zeer gewelddadig en uiterst vernielzuchtig aan toe gegaan zijn, met de woeste furie van de eerste echte ontketende rebellen tegen de Spaanse overheersers. Van het originele kerkmeubilair en de beelden en schilderijen is niets overgebleven. Maar na de overwinning van de contrareformatie is dat met bekwame ijver verholpen.

Er staat een prachtige barokke biechtstoel uit het einde van de zeventiende, begin van de achttiende eeuw. In de begijnhofkerk van Hoogstraten zijn er ook twee mooie in dezelfde stijl en uit dezelfde tijd, maar die van Poperinge is een de van mooiste die ik ooit gezien heb: hij is bijzonder groot, kosten noch moeite schijnen gespaard te zijn om de zegenrijke kracht van de oude godsdienst te illustreren en de kerkgangers hun plaats in de wereld in te boezemen.


De indrukwekkende biechtstoel

Het is een prachtig voorbeeld van beeldhouwwerk en houtsnijkunst. Om te beginnen vallen de vier beelden op: uiterst links en rechts staan twee engelen, in het midden Sint-Pieter en Maria Magdalena met een doodshoofd in haar armen; overigens staan ze in Hoogstraten allebei ook zo afgebeeld, maar hier heeft Petrus geen sleutels bij zich. De schedel is dan weer het symbool van boete en inkeer. Boven de stoel van de biechtvader hangt een duif, de Heilige Geest, die zijn genade en inspiratie in de geestelijke uitstort, opdat hij rechtvaardig zou oordelen en straffen. Helemaal van boven bekroont een borstbeeld van Christus het geheel. Op barokke wijze is de rest van de façade versierd met levendig houtsnijwerk: het kan niet op! In een lijstje naast de biechtstoel legt een tekstje uit met welk gevoelen men te biecht hoort te gaan, en wat de beelden betekenen: 'De mens moet meewerken en zijn zonden belijden (engelen wijzen de weg) en ze betreuren (de wenende Petrus en Maria Magdalena)'. Zo verneem je nog eens iets.

Een ander prachtig artefact is de preekstoel, nog barokker dan de biechtstoel. Hij is uit 1710 en komt van het klooster van de dominicanen uit  Brugge, maar pas in de negentiende eeuw kocht de kerk hem van een Brugse timmerman. Drie heilige domicanen schragen de preekstoel: Hyacinthus Odrowac van Krakau, een Pool, Dominicus van Guzman, de stichter van de orde, en Thomas van Aquino, voor mij de bekendste van de drie.


De preekstoel


Drie belangrijke dominicaanse heiligen als dragende figuren


Dominicus van Guzman

De stichter staat natuurlijk in het midden: hij leefde wel vijf eeuwen voor dit beeld gemaakt werd, maar hij staat er in alle barokke heerlijkheid zijn geloof te propageren. Hij houdt een prachtige monstrans in zijn rechterhand, met een penning van de gekruisigde Christus in het midden, en centraal op zijn bovenkleed stelt een stralende zon het licht van de roomse godsdienst voor. Het gezicht in die zon doet mij dan wel aan het mannetje in de maan denken, maar in 1710 was dat voor de mensen allicht anders. Met deze preekstoel hebben de Brugse dominicanen een zeer nadrukkelijke hulde aan hun orde en zichzelf gebracht en de onomstotelijke waarheid van het katholieke geloof geponeerd. Ik kan mij niet van het gevoelen ontdoen de dat beeldhouwers hun werk met veel plezier gepresteerd hebben.

De achterkant van zo'n preekstoel is niet zo belangrijk, zou je denken, maar daar is bij wijze van spreken evenveel tijd en moeite in gestopt. Twee heiligen vrouwen bewaken beneden de trappen, en de buitenzijde van de trapleuning is een bas-reliëf met links en rechts een leeuwenkop, putti of kleine engeltjes en de nodige paternosters. Tijd dat die makers gehad moeten hebben, en lonen die nooit erg hoog gelegen kunnen hebben.;; Maar het levert wel iets werkelijk kunstigs op.


De trapleuning

Eigenlijk komt dit uit een tijd die Wannes van de Velde in een lied benoemt als 'toen was de kerk om goed te zijn nog veel te sterk'. Goed dat die toestand ondertussen veranderd is, maar even goed dat je de getuigenissen van die tijd nog kunt bekijken!