woensdag 1 juli 2020

Helmparelhoen - poelepetaat

Tien dagen geleden waren we in Planckendael, in het continent Afrika: je ziet er allerlei vreemde dieren, mhorgazelles, addaxen, en daar liep dan ook nog een parelhoen tussen. Waarop de vriend van mijn dochter het woord 'poelepetaat' lanceerde. Een wat? Nooit van gehoord, maar voor hem was het een gewoon woord. Het staat zelfs in Van Dale, niet eens met het commentaar 'gewestelijk' of 'Belgisch'. Vooral het laatste deel van het woord doet mij aan stripverhalen denken: Jeroom geeft iemand een flinke loeier tegen zijn kanis, en de tekst luidt dan 'petaat'! Maar neen dus, Van Dale heeft het niet over 'Suske en Wiske': ernstig beweert het woordenboek dat het woord al sinds 1763 tot onze woordenschat behoort, en dat het van het Franse 'poule pintade' komt, wat 'gevlekt hoen' betekent. Overigens wordt het parelhoen ook wel 'stipkip' genoemd. Dat Franse pintade komt dan weer van het Portugese pintada, voltooid deelwoord van 'pintar', schilderen. 'Pinta' is het woord voor 'vlek'. Voor de volledigheid: in het Frans heet een parelhoen 'une pintade'.

Van al dat taalkundig fraais is in 'poelepetaat' niet veel terug te vinden. Het parelhoen dat we in Planckendael gezien hebben, was meer precies een 'helmparelhoen': ook met stippen, maar hij is groter dan zijn Europees familielid. En hij heeft op zijn kop iets dat op een helm moet gelijken.


Helmparelhoenders

donderdag 11 juni 2020

Eugène van Mieghem bij Jakob Smits - 2 - Nog een paar foto's

Laat ik aan deze Van Mieghem-aflevering nog een paar foto's toevoegen, gewoon omdat de tekeningen zo goed zijn.


Havenvrouw, 117 x 160 mm, potlood, uitgewreven kleurpotlood, ca. 1922



De buildrager, 250 x 165 mm, contépotlood


Havenmeisje rustend, 145 x 114 mm, potlood, uitgewreven  ca. 1924


Mijmerend havenmeisje, 132 x 187 mm, pen en inkt, uitgewreven kleurpotlood, lavis op ruitjespapier ca. 1926

Ter verklaring: 'lavis' betekent 'het wassen van tekeningen', en dat is dan weer 'kleuring van tekeningen met verdunde inkt'.

dinsdag 9 juni 2020

Schatten op zolder: tekeningen van Eugène van Mieghem bij Jakob Smits

In het Jakob Smits Museum kun je meer dan eens tentoonstellingen zien die meer dan de moeite van de verplaatsing waard zijn: niet dat je er Picasso, Matisse of Lucian Freud kunt gaan bewonderen, dat nu ook weer niet, maar Kees Verwey heb ik er gezien, interessante expo's over Smits zelf, en nu loopt er 'Schatten op zolder', tekeningen van Eugène van Mieghem, wiens werk ik altijd wel wil gaan bekijken. Smits en Van Mieghem waren vrienden, ook lid van dezelfde kunstbeweging (Eenigen, daarna Kunst van Heden). Vrij recent zijn nog tekeningen van de Antwerpenaar ontdekt waarvan men het bestaan niet kende, en die zo goed zijn dat ze een tentoonstelling verdienen: en die loopt nu, onder de titel 'Schatten op zolder'. Je moet er inderdaad ook voor naar de zolder van het museum, maar laat je niet ontmoedigen, met de lift ben je er zo.

Opvallend is een grote foto van de kunstenaar: ik geloof niet dat ik hem ooit zo gezien heb: dat wordt dus een foto van een foto.


Laat ik vlak daaronder maar een tekening van zijn vrouw Augustine Pautre plaatsen: lang is Eugène met haar niet gelukkig mogen zijn, want ze is vrij jong aan tbc gestorven. Hier tekent hij haar mooi uitgedost, met wintermantel, dikke sjaal en pluimenhoed: arm schijnen de twee toen niet geweest te zijn. Misschien is ze wat mager in haar gezicht, en echt blij en vrolijk geeft hij haar niet weer: de fatale ziekte zal mogelijk toen al haar invloed laten voelen hebben.


Augustine met pluimenhoed, 226 x 199 mm, pen met inkt op bruin papier

Met 'Broer en zus aan de haven' zitten we in het onderwerp bij uitstek van Van Mieghem: de haven en wat daar te zien is en gebeurt. Hij stelt die haven en het leven niet mooier voor dan ze zijn. Grijze lucht, het is kennelijk winter, de kinderen lijken me in de sneeuw te staan, zo warm mogelijk zijn ze ingeduffeld: eerder naturalistisch zou ik dit werk noemen, dat ik best kan appreciëren. Een goede tekening vind ik het.


Broer en zus aan de haven,181 x 235 mm

Van een totaal andere aard is de 'Duttende ouderling, uit ca. 1908. Hoewel, totaal anders? Hij zal op een of andere manier ook wel in de haven thuishoren, heeft daar naar alle waarschijnlijkheid zijn hele leven hard gewerkt, is nu dicht bij eigen einde gekomen en is moe, heel moe. Zittend op een gewone stoel (die je niet ziet), met zijn handen steunend op zijn wandelstok (denk ik dan) is hij in slaap gevallen: hij slaapt de slaap die hij verdiend heeft. Een prachtige kop vind ik dit, waar alle respect van Van Mieghem voor hem uit spreekt.


Duttende ouderling, 133 x 208 mm, contépotlood op rood papier, ca. 1908

Een zeer grappige tekening vind ik 'Tooghangers' uit ca. 1903. Volgens de catalogus betreft het Café Hulstkamp, van de schoonouders van Van Mieghem: aan de waarheid van de tekening hoeven we dus niet echt te twijfelen. Aan de toog te zien zou ik veronderstellen dat het hier om een echt volkscafé gaat: veel stijl heeft het meubel niet. De klanten horen dan weer tot de betere burgerij: Jan met de pet is nog iemand anders. De man helemaal rechts draagt een gedistingeerde bolhoed, trekt met zijn ogen dicht aan zijn sigaar, en heeft kennelijk al heel lange tijd gelaboreerd aan een respectabel 'tooggezwel'. Zijn vrouw naast hem, de enige vrouw aan deze toog, heeft de allure van een echte matrone, draagt een hoed met een soort van rode pluim op, en staat in dat gezelschap ook maar alleen te zijn. De vierde persoon heeft een hoge hoed op: een stoofbuis zullen de havenarbeiders dat genoemd hebben. Die bolhoed en die hoge hoed passen daar helemaal niet, ze staan in dat milieu als een tang op een varken, zeg maar. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Van Mieghem lekker met dat volkje, deze tooghangers spot: ze horen daar helemaal niet thuis. Maar zelf schijnen ze dat helemaal niet door te hebben: alcohol kan het verstand al beneveld hebben.


Tooghangers, 120 x 200 mm, contépotlood gewreven en gewassen, zwarte en blauwe inkt, rood en bruin potlood, ca. 1903

Van Van Mieghem heb ik al eens meer tentoonstellingen gezien: hij ontgoochelt nooit. Tenminste: mij niet. Gaan kijken 'is not a morl duty', maar je mist wat als je niet gaat. Vind ik.

donderdag 4 juni 2020

Turnhoutse driehoek

Soms moet je echt niet ver gaan om mooie plaatsen te vinden. Een redelijk weids landschap ligt aan de Heizijde: in feite is het een driehoek begrensd door een stuk Heizijde, een deel Elzenstraat en de Dennenstraat, aan de rand van het Vennengebied dus. Als je in de Elzenstraat naar het westen kijkt, merk je dat daar een lichte glooiing in zit, de Dennenstraat ligt iets hoger dan de Heizijde: het land is er lichtjes golvend, niet eentonig vlak en plat. En daar wil je dan foto's van nemen.

Bijvoorbeeld een met de schuur van de Gasthuishoeve erop: die boerderij werd in 1656 door ene Cornelis van Lantschot aan het gasthuis geschonken: het zou mogelijk eerst een lemen hoeve geweest zijn die in de achttiende eeuw door stenen gebouwen werd vervangen.


De schuur van de Gasthuishoeve, ginder beneden

Net zo goed zie je het hoofdgebouw van Boones Blijk, en een klein gerestaureerd gebouwtje dat men in het Turnhouts een 'schob' zou noemen. Wij spraken thuis over 'e schobbeke', maar schop met een 'p' is ook, mogelijk. In het Engels kennen we dat woord als 'shop', en dat is iets heel anders dan de Turnhoutse variant.


Boones Blijk met links het 'schobbeke'

Nog vanaf de Dennenstraat: het weiland met een paar rijen bomen. Het gezicht geeft een gevoel van uitgestrektheid, van vrijheid, tenminste als je het mij vraagt.



Tweemaal het weiland met bomenrij

Toen het gezin Van Bourgognie-Dierckx nog op het einde van de Fonteinstraat woonde, vlak bij deze Turnhoutse driehoek, maakte we met de kinderen geregeld wandelingen: een daarvan heette 'de kleine driehoek', een andere 'de grote driehoek'. De eerste liep over de Dennenstraat, de andere over de Langvenstraat. Die straat buigt na een tijdje naar rechts, en daar staan twee rijen beukenbomen in het bos: zonder meer prachtig vind ik dat. Dertig jaar later wil ik daar nog altijd foto's van nemen. Overigens heb ik daar ooit eens een foto genomen van mijn kinderen, die met zijn vieren een dunne, kromme tak boven hun hoofd houden. Natuurschoon is niet altijd alleen maar natuurschoon.


 De beuken in de Langvenstraat

In een bocht van de Koekhovenseweg, of op het einde van de Geheulse Dijk - we zijn dan in Merksplas - staat een schuur die een aantal jaren geleden wat herstellingen heeft ondergaan, wat gefatsoeneerd is. Gerestaureerd is een te groot woord, maar het gebouw ziet er goed uit. Nu is het merkwaardige dat die schuur mij altijd aan Guido Gezelle doet denken. Een negentiende-eeuwse West-Vlaming in het Kempense landschap van de eenentwintigste-eeuw? Het verband graag! Dat zit in het gedicht 'Terug' van Gezelle: daarin heeft hij het over de ouderlijke hoeve in Wingene, en over zijn ouders. Het vers dateert van 28 januari 1897, toen de dichter op een paar maanden na 67 was: puur herinnering is het van een oude man die zijn kinderjaren en zijn ouders nog eens voor zijn geestesoog laat verschijnen.
Dat gedicht begint zo:

                                     Scheef is de poorte, van
                                             oudheid, geweken;
                                     zaâlrugde 't dak van
                                             de schure; ...

Als het dak van deze schuur bekijkt, zie je meteen wat 'zaâlrugde' betekent. Geslaagd poëtisch beeld is het.


Zaâlrugde 't dak van de schure ...

Natuur is niet eendimensionaal: herinneringen en lectuur maken ze levendiger, maken dat je er ook op andere manieren van kunt genieten. Waar we natuurlijk niet tegen zijn, o nee!

vrijdag 29 mei 2020

De pelikaan van Boones Blijk

Als je vaak naar het Vennengebied scootmobielt, kom je in de Elzenstraat voorbij Boones Blijk, een goed dat ik al ken van in mijn kinderjaren, en dat er nu bijzonder goed uitziet: de mensen die er wonen, onderhouden het zoals het hoort en het kleine domein verdient dat ook: 'noblesse oblige' denken we dan. Maar als je wat nauwlettender toekijkt, ontdek je toch nog zaken waarvan je je afvraagt: 'Wat staat daar, wat is dat daar op dat dak?' Een houten constructie is dat, met een leien dakje erboven, en onder dat dakje hangt klokje. Na enig zoekwerk in de 'Bijdrage tot de Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout' van Marcel Boone, uit 1952, blijkt dat dat klokje gegoten is in 1740, en dat het bewaard is gebleven: dat kleine ding is dus 280 jaar oud. De eigenaar van toen, Dominicus Vermanden, een man uit Antwerpen, liet vanaf 1739 nieuwe gebouwen zetten: het hoofdgebouw op Boones Blijk dateert dus uit zeg maar 1739-1745. Marcel Boone noemt de constructie op het dak een klokkentorentje, ik zou het eerder een bescheiden dakruiter noemen, zoals je er meer en grotere ziet staan op menige kerk en kapel.



Het hoofdgebouw (de villa) met de dakruiter


De dakruiter met zijn raadsel

Maar wat mij meest van al intrigeerde, was het metalen sierstuk boven op het dak. Wat stelt dat voor? Met een beetje fototoestel kun je dat dichterbij trekken, en dan wordt een en ander al vlug duidelijk: het is een pelikaan die zijn jong aan het voeden is, dacht ik bij de eerste oogopslag. Mis, Toon, dat is niet een jong, het zijn er drie. De eerste twee zijn duidelijk zichtbaar, het derde zit grotendeels verborgen achter de metalen staaf die de windwijzer, want dat is het, recht houdt. En dat is natuurlijk een puur christelijk beeld. Pelikanen, zo werd geloofd, prikken in hun borst om met hun bloed de jongen te voeden. De realiteit is echter: tijdens de broedperiode krijgen pelikanen een rode vlek op hun borst. In hun bek of krop bewaren ze het rode halfverteerde voedsel voor hun jongen. Allemaal rood: de associatie met bloed is snel gelegd. En de verbinding met Christus ook: die heeft zijn bloed (en leven) gegeven om de mensheid te redden. Beide gevallen zijn voorbeelden van zelfopoffering. En zo is de pelikaan een symbool voor Christus geworden.


De pelikaan die zijn drie jongen voedt

De nieuwe eigenaar van de blekerij, Dominicus Vermanden, maakte zo onmiddellijk duidelijk dat hij een goed katholiek was: dat was zonder twijfel nodig voor een toentertijd succesvol zakenman, want we zijn midden achttiende eeuw, in de toen ongetwijfeld stille Kempen. En de weergave van de legende, een relict nu, trotseert kennelijk ook de tijd. Eerlijk gezegd, dat had ik op Boones Blijk niet verwacht. Laten we het maar charmant noemen.

zondag 5 april 2020

Zonder en toch met kleinkinderen

Coronacrisis: je mag de deur niet uit, tenzij om eten te gaan kopen. Gaan wandelen mag wel: bij mij is dat scootmobielen, en dan geraak je vanzelf een eind verder. Zomaar autorijden kun je beter ook niet doen: alleen echt noodzakelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Naar mijn kleinkinderen rijden, die allemaal in Antwerpen wonen, is ten eerste al verboden, en ten tweede mag je geen generaties vermengen: diep is dus de eenzaamheid, woehoe!


Nona, een week voor Corona

Op de woensdagochtend van de eerste week lock down krijg ik om drie over negen telefoon van Nona, mijn oudste kleindochter: vijf en een half is ze. Ze denkt aan opa, die wil ze nog wel eens horen. Ik pluk een tekening van de computer en wil die haar sturen, maar ze is te klein: de moeite niet. Teken dan zelf iets, zegt mijn Noortje, Nona's mama. En zo gebeurt: maar eerst stiften gaan kopen, en daarna kleurpotloden. En ik konterfeit een groot huis, met een vijvertje ervoor, een reiger in de vijver, en een meisje dat met een hondje naar huis loopt.

Daarop  antwoordt Nona met een zelfgemaakte tekening: ze ziet me zwemmend in de blauwe zee, duidelijk een zwembril op, want grote ronde 'glazen'. Rechts boven schijnt de zon zoals dat hoort, links boven grote regenwolken waar immense regendruppels uitvallen, een vliegende vis is evenmin aan haar fantasie ontsnapt, en de zon op de regen tovert een regenboog te voorschijn. Kniesoor die vindt dat er iets niet klopt. Mij noemt ze 'Opa Noot', dat vindt ze leuk: die domme opa's toch! (Zo had ik mezelf genoemd in mijn tekening voor haar.) Quarantaine belet ons niet vrolijk contact met elkaar te hebben, tot blijdschap van mezelf, Nona en haar ouders.


Opa Noot zwemmend

De andere kleinkinderen hebben natuurlijk ook recht op tekeningen of ingekleurde tekenplaten: die kun je gemakkelijk van het internet plukken. Mil krijgt ingekleurde Bumba's, met verkeerde kleuren, Chinese namen (Bing Bong Woe Lie en zijn broer Bing Bong Wie Loe) en andere verzinsels die niet in het verhaal kloppen, (weer die domme opa toch!), en natuurlijk komt er weer een eigen werk van Mil terug: de jonge ingenieur in spe zoekt het in de robotica: een metalen menselijke figuur ontspruit uit zijn verbeelding, drie rode harten maken een en ander gevoelig, en de tekst is overrompelend: Dieuwertje heeft gevraagd wat Mil nog wilde schrijven, heeft dat dan voorgeschreven en kleinzoon lief heeft de hoofdletters foutloos gekopieerd! Alweer vrolijk contact, tot blijdschap van mezelf, Mil en zijn ouders!


 Liefhebbende robot


Mil, 5 april 2020

Als alleenstaande ben je dezer dagen echt wel alleen, en na drie weken begint dat te wegen. Maar een mens zoekt andere wegen en manieren van contact. Tekeningen maken en kleurplaten inkleuren zou je nog bezigheidstherapie kunnen noemen, maar het is veel meer dan dat: het is vooral een warme dialoog waarmee we uitdrukken dat we elkaar graag zien. Zonder corona hadden we dat niet bedacht! Wat zei die filosoof weer? Elk nadeel heb se voordeel! Kijk eens aan!

woensdag 25 maart 2020

Tweede coronawandeling in het Vennengebied

Voorlopig vind ik verplicht thuisblijven niet zo erg, ik zeg wel: voorlopig! Ik verveel me niet: krant lezen, met Italiaans bezig zijn, sudoku's oplossen, eens kijken wat de computer aan nieuws te bieden heeft. Het is wel zo dat je vooral je ogen en je hersenen aan het werk zet: helaas ligt sporten buiten mijn bereik. En dan word je op het einde van de dag een beetje suf, en verlang je naar enige frisheid. De natuur is gelukkig niet helemaal tegen de Kempen en zijn bewoners: stralend blauwe lucht, vandaag was de wind ook wat minder actief: tijd om de beentjes los te gooien: dat wil zeggen ik loop tien meter naar mijn scootmobiel en vervoer me alweer naar het Vennengebied. Ik zou eigenlijk ook naar het Prinsenpark willen, en naar Wortel Kolonie, maar dan moet ik daar eerst met de auto naartoe rijden, en dat is zoals iedereen kan horen en weten niet de bedoeling. En laat ik het Vennengebied vooral ook niet ontrouw worden!

Naar het Peerdsven wil ik eerst: ik wil wel eens zien hoe vol dat ven in de loop van de voorbije regenperioden is gelopen. En jawel hoor, letterlijk boordevol. En rustig en glad ook, want de wind raakt het wateroppervlak niet: strakblauw uitspansel boven even blauw water, eenvoudig Kempisch, en laat ik dat nu mooi vinden!


Het Peerdsven

Dan neem je de Langvenstraat noordwaarts, en voor je het goed merkt, zit je in Merksplas, op de Geheulse Dijk. In die omgeving wordt geregeld in de bossen gewerkt: exoten uitdunnen en verwijderen, de bossen gezond houden, heet dat. En daar zie je dan zeer duidelijk de gevolgen van de overvloedige regenval van de afgelopen tijd: een behoorlijk uitgedund stuk grond is een stuk water geworden, zo was de toestand verleden jaar nog niet. Het grondwater staat op peil, denk ik dan.


Nieuwe plas naast de Geheulse Dijk

Nog een eind verder kom ik aan een drasland dat ik 'Ezelsven' noem. Dat heet eigenlijk niet zo, maar toen ik daar zo'n 10 jaar geleden kwam, stonden op dat weiland altijd een drietal ezels. En naast Koeven en Peerdsven vond ik Ezelsven best passen. Alleen is het zo dat die ezels de laatste jaren ook niet meer te zien zijn. 'Panta rhei', niet blijft hetzelfde, zelfs niet in het Vennengebied. Op dat grasland is onbestendigheid troef: in de lange, hete zomers staat dat gebiedje zo 'droog als e nötje', zoals een fatsoenlijke Turnhoutenaar zou zeggen, maar na de winter is het Ezelsven een pleisterplaats voor meeuwen, Canadese ganzen, grutto's, kieviten en eenden: daar kan behoorlijk wat leven te horen en te zien zijn.




Twee gezichten op het Ezelsven

Kokmeeuwen zitten er veel, maar ik heb een eenzaat gefotografeerd. Van achteren zaten er heel veel: dat hoor ik aan hun lawaai. Mijn Natuurgids beschrijft ze als zeer luidruchtig, en inderdaad, dat zijn ze: als ze ruzie maken maken ze geluid van jewelste, zodat ik op bepaalde ogenblikken dacht dat ik een troep chimpansees in volle conflict bezig hoorde! Van de Kempen naar Centraal Afrika: een kleine stap voor deze mens!


Kokmeeuw, met zwarte kop

En nog een dier, een diertje zeggen we beter: een kuifeend, een paar dus, gespot op het Peerdsven. Met enige moeite kun je de kuif van het mannetje opmerken, van het vrouwtje zegt men dat ze een rudimentaire kuif heeft: die is dan ook niet te zien. Het geluid dat ze maken wordt beschreven als 'gewoonlijk zwijgzaam': het moeten niet allemaal kokmeeuwen zijn.


Een koppeltje kuifeenden

Laat ik besluiten met een stukje flora. Op de Geheulse Dijk was een grachtkant helemaal begroeid met hondsdraf: vanaf april bloeit die, hij is er dit jaar dus vroeg bij. Ooit, in het eerste jaar middelbaar moesten we voor biologie een herbarium bij elkaar zoeken: 15 bloemen moesten we determineren. Hondsdraf was er daar een van, bij mij toch, en herderstasje, en smalle weegbree. In de 6de Latijnse was dat, in het schooljaar 1959-60, voor mevrouw Van Overloop. Een mens onthoudt al eens iets. Onderwijs dient wel eens ergens toe.


Hondsdraf, vroeg dit jaar

En binnenkort kunnen we luid en duidelijk zingen:

'Die winter is vergangen,
ik zie des meien schijn...'

We hadden er slechter voor kunnen staan.