maandag 22 juni 2015

Boones Blijk: bomen in het park

Boones Blijk heeft meer te bieden dan gebouwen, dat mag duidelijk zijn. Het goed werd in de loop van de negentiende eeuw eigendom van de familie Boone: linnen, garen of wol bleken deden die mensen niet, de blekerij was niet langer in bedrijf. Van het domein maakten zij een park, een kleine 'hof van plaisantie' zou ik zeggen. De bourgeois familie Boone kon  zich hier terugtrekken om weg van de stad, in de natuur van de geneugten des levens te genieten.  De bleekvelden, die achter en links van het landhuis lagen, werden voor een deel een prachtig en ruim gazon, met hier en daar een boom of een grote conifeer: stijl heeft een en ander zeer zeker wel.


De vroegere bleekvelden

Er staan in dit park ook een paar indrukwekkende bomen: een staat aan de oever van de grote vijver aan de Elzenstraat. Daar heb ik ooit, in 2010, eens een blogstuk aan gewijd met de titel 'Getormenteerde boom'. Nu ik zelf in het park was, heb ik die boom van dichtbij kunnen bekijken, en ik blijf hem prachtig vinden. Destijds heb ik hem gedetermineerd als 'kleinbladige of winterlinde', maar daar heb ik me vergist: als je er vlak bij en onder staat, zie dat de blaadjes helemaal niet zo klein zijn, en dat het hier dus om een 'grootbladige of zomerlinde' gaat. Natuurlijk is hij aangeplant: in België en Nederland komt hij anders niet zo vaak voor, vertelt mijn 'Nieuwe Plantengids' mij.


De zomerlinde vanaf de schuur


Het bladerdak zoals een groot opengeschoven gordijn

Misschien honderd meter verder, midden in het park en aan de rand van een bosje, staat een majestatische beuk die onze groep bezoekers behoorlijk wat ontzag inboezemde. Een of ander aankomend etser uit welke familie dan ook heeft in de dikke stam het jaartal '1984' gekerfd, zonder dat er overigens initialen bijstaan. Mogelijk een jonge aankomende intellectueel die pas George Orwell gelezen had . . . Ondertussen blijft het wel een monumentale boom: als je de natuur tijd en rust genoeg geeft, zie je voortbrengselen om 'U met een heel grote U' tegen te zeggen.


Monument van een beuk


Sinds 1984 is hij nog gegroeid

In zijn inleiding signaleerde Christian Raskin ons ook dat de blekerij ook op de Ferrariskaarten te zien is. Die zijn getekend tussen 1771 en 1778, en inderdaad, de blekerij staat erop, aangeduid met het woord 'Blancherie'. Je ziet een laan met negen bomen, zou ik denken, die naar het landhuis leidt, en grachten en vijver zoals die nu nog zijn. Die Ferrariskaarten waren of zijn zeer precies, en jawel, 240 jaar later kloppen sommige details nog.


Op de Ferrariskaarten: Blancherie, of Boones Blijk

Wat onze inleider-gids ons ook meedeelde was dat er in de zeventiende eeuw ook blekerijen waren in Haarlem, waar ons goed werd gebleekt. Onze blekerijen zijn van iets later. Toen herinnerde ik me dat ik die Noord- Hollandse bleekvelden toch ooit gezien had, op de Haarlempjes van Jacob van Ruysdael met name. In het Rijksmuseum hangt een Haarlempje, maar het mooiste is dat uit het Kunsthaus in Zürich. Daarop zie je uitgerold linnen waar volop de zonnestralen opvallen: de bleekvelden in het centrum van de belangstelling. Het was dan ook geen onbelangrijke 'industrie': de betere klassen wilden er goed uitzien, net zoals nu alle mensen die het zich kunnen veroorloven.

In Turnhout kwam volgens het geschrift van Marcel Boone (Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout) deze industrie vanaf 1654 tot bloei. Vanaf 1673 moest er geen linnen meer naar Haarlem gestuurd worden, dat dus de concurrentie van onze blekerijen ondervond. Op een Nederlandse website (www.irenemaas.nl/pages/Bleekerij/... ) kun je dan weer lezen dat die blekerijen in Haarlem geïntroduceerd werden door Vlaamse en Brabantse inwijkelingen van na 1585, het jaar van de val van Antwerpen. Maar midden zeventiende eeuw waren de Zuid-Nederlanders die hier gebleven waren, al geduchte concurrenten: de Nederlanden waren twee aparte delen geworden, en dat zie je ook in het verhaal van de blekerijen.


Jacob van Ruysdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden, ca. 1670

En zo kom van een blekerij in Turnhout uit bij die in Haarlem, en kom je van lokale geschiedenis in die van de hele Nederlanden terecht: zo lokaal blijkt het tenslotte niet te zijn. Alles is met alles verbonden, zegt men dan. Of toch veel met veel.

donderdag 18 juni 2015

Leeuwtje van Waterloo

Op het einde van een schooljaar gaan de klassen op schoolreis: dat is nu zo, en vroeger ook. Misschien waren de uitstappen in die tijd meer pedagogisch en educatief verantwoord, hadden ze meer sérieux dan nu, maar eigenlijk weet ik dat niet zo goed.

In ieder geval: op het einde van schooljaar 1954-55 trokken wij, jongetjes van het derde leerjaar naar Waterloo, waarschijnlijk samen met die van het vierde. Waterloo, want er kon altijd bijgeleerd worden, zeker over de vaderlandse geschiedenis. Wij zijn natuurlijk de heuvel opgegaan, hebben het panorama gezien - dat was er toen ook al - en zijn tenslotte bij de souvenirkraampjes aanbeland. Mijn  ouders hadden mij 30 frank meegegeven, wat al best wat geld was in die tijd, maar zo kon ik eens een cola of snoep kopen: het jongetje moest toch voelen dat het een beetje een feestdag was, het moest toch een beetje aan zijn trekken komen, de dag moest voor hem een blije herinnering worden.


Koperen kleinood

Maar aan het souvenirkraampje valt mijn oog op een Leeuwtje van Waterloo: blinkend koper, we hadden net op de heuvel naast zijn heel grote broer gestaan, we waren nog onder de indruk. Eigenlijk: mijn oog viel niet op dat leeuwtje, dat leeuwtje stak zo mijn ogen uit, ik wilde meteen dat beestje hebben. Maar laat het nu net 30 frank kosten, heel mijn kapitaal, goodbye snoep en cola? Ik twijfelen natuurlijk, want ik zou wel flink in mijn  eigen vel snijden. Ik zie me nog onze onderwijzer, de goede meneer Buyens, aankijken, alsof die me raad kon geven, ook niet dus, en heb het dan toch gekocht, echt content. En ik heb er later nooit spijt van gehad: het staat in mijn woonkamer nog altijd goed in het gezicht.

Op de zijkanten van het sokkeltje staat de datum van de slag: links 'XVIII JUIN', rechts 'MDCCCXV', de maand in het Frans en de cijfers op zijn Romeins. Of ik dat toen al kon lezen, is zeer te betwijfelen, maar dat heeft de pret niet gedrukt. En ik kon naar huis met mijn leeuwtje, mijn trofee, fier als een gieter, zoals alleen kinderen dat kunnen zijn.

Laat ik de dag van vandaag (18.06) maar beschouwen als de zestigste verjaardag van 'Mijn Leeuwtje' - met hoofdletters - en dit stukje als een hulde aan het koperen kleinood. En ook als een minieme bijdrage aan de herdenking van deze slag, en overtuigd scanderen: 'Vive l'Empereur'.

En verder: hoe gelukkig kan een kind van acht zijn . . .
En nog: het is inderdaad een blije herinnering geworden . . .


De echte bronzen, Frankrijk aanbrullend

dinsdag 16 juni 2015

Boones Blijk: gebouwen en meer

'Boones Blijk' ken ik al vanaf mijn heel vroege kinderjaren, begin jaren 50 is dat. Hoewel 'kennen' in dit geval een groot woord is: ik wist waar het lag, want we fietsten er vaak met de familie voorbij, op weg naar het 'Zavelkot', in de buurt van het Peerdsven. Maar op Boones Blijk was ik tot voor zondag nog nooit geweest: het is een privédomein. Toen ik dan via 'Het Bezemklokje' de gelegenheid had het te bezoeken, was ik er als de kippen bij: die kans mocht ik zeker niet laten schieten.

Christian Raskin, een telg uit de familie Boone, gaf in de kapel een omstandige en interessante inleiding over blekerijen, het proces van het bleken en het belang van Boones Blijk voor de Turnhoutse tijknijverheid, schetste de geschiedenis van Boones Blijk en de opeenvolgende bezitters ervan - het domein was niet altijd van de Boones, en nu trouwens ook niet meer. Leerzaam over de lokale geschiedenis was het alleszins.

Die kapel zelf was voor mij al de eerste verrassing: ik wist niet dat die er was, je ziet ze trouwens vanaf de Heizijde, noch de Elzenstraat staan. Ze is nog redelijk recent gebouwd, in 1904, door een diepgelovige Boone overigens. Als kapel wordt ze ondertussen niet meer gebruikt.


De kapel uit 1904

Het interieur is, laten we voorzichtig zijn, niet zo bijzonder, maar een hangt nog wel een plaasteren bas-reliëf dat een kruisafneming voorstelt. Het doet barok aan, maar ik vermoed dat het waarschijnlijk eind negentiende-eeuws, begin twintigste-eeuws is. En van plaaster of gips: op een aantal plaatsen is de verf beschadigd, en dan komt er gewoon wit tevoorschijn.


De kruisafneming

De Turnhoutse blekerij begon als in 1654 te werken, maar de man die ze tot haar grootste bloei bracht was Dominicus Vermanden (1704-1799). Hij is ook de man die in 1740 het landhuis bouwde. Dat is natuurlijk in de loop der jaren gerestaureerd, delen ervan zijn ook verdwenen, maar het gebouw ziet er grosso modo nog uit zoals meer dan twee eeuwen geleden.


Het landhuis, oorspronkelijk uit 1740

Vermandens bedrijf werd als zeer belangrijk beschouwd: hij slaagde er in 1752 van keizerin Maria-Theresia een sauvegarde te verkrijgen, dat wil zeggen dat bij gewapende conflicten zijn blekerij ongemoeid gelaten moest worden, want ze stond onder de hoogste bescherming. Het originele wapenschild dat die sauvegarde officieel bekrachtigt hangt in de hal van de villa; aan de toegangspoort van het domein is in 2001-02 een kopie bevestigd.


Het originele wapenschild

Christian Raskin wist ook met enige terechte trots te vertellen dat het dakruitertje, de windwijzer daarop en het klokje erin nog uit 1740 zijn, origineel dus! Die windwijzer is een pelikaan die in zijn borst pikt om zo met zijn bloed zijn jongen te eten te geven: Dominicus Vermanden moet een zeer gelovig man geweest zijn.


Dakruitertje uit 1740, met voedende pelikaan

De grote schuur is ook best indrukwekkend: vrij recent is die nog geretaureerd, en dat is een goede zaak. Ze heeft overigens een prachtig dakgebinte waardoor je kan vaststellen dat ze een zeer respectabele leeftijd heeft.


De onlangs gerestaureerde schuur


Zeer respectabel dakgebinte

Sinds het jaar 2000 is Boones Blijk eigendom van Joep de Jong, van de 'Koninklijke Drukkerij Em. de Jong' uit Baarle-Nassau. Die man moet ten eerste bedankt worden voor het openstellen van zijn domein, en ten tweede voor het feit dat hij de bezoekers - en dat waren er meer dan 80 - ook twee brochures kon meegeven: de 'Bijdrage tot de Geschiedenis der Blekerijen te Turnhout' door Marcel Boone uit 1952, en de 'Sauvegarde voor de Bleekerij Vermanden te Turnhout en andere oorkonden', dat geschreven is door Louis Boone (s.d.) Die twee werkjes heeft De Jong speciaal voor dit bezoek herdrukt, wat ik genereus vind, en het bezoek nog meer dan zeer geslaagd maakte.

dinsdag 9 juni 2015

Turnhouts op zijn best

Ga ik in de Gasthuisstraat - de grootste winkelstraat van de Kempen? - een textielwinkel binnen en vraag er naar onderhemden. Waarop de zeer inheemse verkoopster totaal complexloos: 'Leefkes?' Ja, daar was ik  naar op zoek. 'Ongderleefkes' had ze ook kunnen zeggen, dat is ook perfect Turnhouts. Die taal kun  je dus nog in de Gasthuisstraat horen, met haar voor de rest blitse winkels en dito jonge verkoopsters die allicht geen dialect mogen spreken.

Van een van mijn kinderen heb ik voor 'onderhemd' het woord 'marcellekes' geleerd: een in mijn oren denigrerend woord dat ik voor mijn vijftigste of daaromtrent nooit gehoord had. Dan ga je zoeken waar dat woord vandaan komt. En bij 'www.vlaamswoordenboek.be' vind je  iets: in het Frans heet zoiets 'le marcel'.

'Volgens de legende zou het marcelleke zijn naam te danken hebb en aan de bokser Marcel Cedran. Meer dan waarschijnlijk is de naam ontstaan in de 19de eeuw wanneer de 'Etablissements Marcel' het kledingstuk'in serie fabriceerden.'

Tenminste: dat zegt de website 'vlaamswoordenboek' erover.


E leefke

Als je 'leefke' zoekt, kom je uit bij een voornaam: het schijnt een neiuwe meisjesnaam te zijn. In mijn 'Woordenboek van voornamen' uit 1981 komt hij inderdaad niet voor: hij heeft dan ook helemaal niet de traditie en geschiedenis van een Turnhouts 'leefke'.

woensdag 27 mei 2015

Rubens privé - II - Het Pelsken en Onze-Lieve-Vrouw

Het schilderij waar naar aanleiding van 'Rubens privé' opnieuw onderzoek over gedaan is, en wordt nogal wat over geschreven is, want het schilderij bleek erotischer dan wat men nu ziet, is natuurlijk 'Het Pelsken', dat op de tentoonstelling overigens niet te zien is, maar wel een reproductie op ware afmetingen: 176 x 83 cm. Het hangt nu in het 'Kunsthistorisches Museum' in Wenen, maar het is geschilderd op een aantal aan elkaar gezette panelen: Rubens schijnt zeer zuinig op zijn materiaal geweest te zijn, en hij wilde zo weinig mogelijk verloren laten zijn. Het gevolg is dan weer dat het werk te kwetsbaar is geworden voor enig vervoer, dus doen we het is met een grote reproductie. Daar zijn een aantal dunne stokken op te zien die de verschillende panelen van het werk aanduiden: het zijn er zes. 'Het Pelsken' hing in de slaapkamer van het nieuwe echtpaar en is het priveeste schilderij van Rubens, als ik dat zo mag uitdrukken. Na zijn dood kwam het aan zijn vrouw toe, en het is pas na haar dood in 1658 dat het in andere handen kwam. Wat meer dan begrijpelijk is.


Het Pelsken, eigenlijk: Helena Fourment in een bonten mantel, ca.1628

Een ander schilderij, dat daar sterk mee contrasteert - de ene lieve vrouw is de andere niet - dateert uit 'circa 1628', tenminste toen schijnt Rubens het afgewerkt te hebben. Hij was er jaren eerder aan begonnen en heeft het dan laten staan: het gaat over 'De boodschap aan Maria', ook bekend  als 'De Annunciatie'. Het hangt in het atelier in het Rubenshuis: een groot, kleurrijk doek is het, met het licht op de essentie: de engel Gabriël die neerdaalt en de opkijkende Maria aankondigt dat zij de Moeder Gods zal worden. Dat Maria een eenvoudige vrouw is, wordt duidelijk in de rechterbenedenhoek: daar staat een naaimandje en ligt een slapende poes. Er zit best wat dynamiek in deze 'Boodschap'.


De boodschap aan Maria, 1628, 310 x 187,6 cm

Het deed me denken aan een andere Rubens die ik in de kathedraal gezien heb: 'De tenhemelopneming van Maria', luisterrijk,feestelijk en triomfantelijk. De kleuren vind ik hier nog indrukwekkender, en wat dynamiek betreft: er loopt een boog van linksonder, waar hij vertrekt bij het hoofd van een apostel die zijn armen ten hemel heft, tot boven het hoofd van Maria, waar het hemelse licht rond straalt. Tezelfdertijd loopt een verticale lijn vanaf de armen van dezelfde apostel via Maria de hemel in: door die compositie wordt Maria als het ware de hemel ingezogen. De nodige engelen, putti en mensen maken het wonder nog levendiger. Dit is wel barok op zijn allerbest. Ik houd niet zo van barok in dienst van de contrareformatie, maar dit schilderij is een zeer overtuigend kunstwerk, dat staat buiten kijf. Je moet er wel voor naar de kathedraal, in het Rubenshuis is het niet te bewonderen.


De tenhemelopneming van Maria, 1626-27, 490 x 325 cm

In het atelier hangt nog een portret dat niet zozeer in 'Rubens privé' thuishoort, hoewel: het is een beeld van zijn toen zeer jonge en meest begaafde leerling Antoon Van Dyck. Het dateert uit ca. 1617, toen Van Dyck (°1599) zo'n 18 moet geweest zijn. Door clair-obscur en een zeer witte kraag krijgt het gezicht alle aandacht: zich kennelijk van zijn waarde bewust kijkt de jonge leerling-schilder de toeschouwer allesbehalve timide aan. Een bescheiden indruk geeft hij niet: hij heeft een erg succesvolle carrière als portretschilder gehad, maar dat kon hij toen nog niet weten natuurlijk.


Portret van Antoon van Dyck, ca. 1617, 354 x 250 cm

'Rubens privé' toont werken van de schilder die hij voor zichzelf maakte, en  die je niet zo vaak ziet: het blijkt dat hij zijn geliefden met hetzelfde bekwame vakmanschap afbeeldde als zijn werken waar hij veel geld mee kon verdienen. Zij moeten hem na aan het hart gelegen hebben, en hijzelf moet een echt wel gevoelig man geweest zijn. Dat laatste wisten we al langer, ook al afficheerde hij zich graag als de succesvolle schilder-diplomaat. 'Rubens privé' is een tentoonstelling die de geïnteresseerde niet mag missen. Om het even contrareformatorisch uit te drukken: dat zou echt zonde zijn.

donderdag 21 mei 2015

Rubens privé - I - en ook een beetje Rembrandt

Op de tentoonstelling 'Rubens privé' in zijn eigen Rubenshuis is best wel veel moois te zien: schilderijen van familie en vrienden, portretten van Isabella Brant en Helena Fourment, alleen of met kinderen, groepsportretten van de meester met geleerde vrienden, en zelfportretten: alles wijst op een gelukkig privéleven van een geslaagd kunstenaar en zijn hoge sociale positie. Toch zijn er werken die voor mij meer opvallen dan andere.

Dan denk ik in de eerste plaats aan het portretje van zijn eerste dochter met Isabella Brant, de toen vijfjarige Clara Serena. De achtergrond heeft Rubens vaag gehouden, en haar kraag en jurkje zijn  ook niet echt uitgewerkt: zo gaat alle aandacht naar het gezichtje en de ogen van Clara. Zij is een zeer mooi meisje, ze heeft stralende ogen die de toeschouwer - in de eerste plaats haar schilderende vader - open en klaar en vrij aankijken, ze kan zich duidelijk nergens beter op haar gemak en veilig en geborgen voelen dan bij hem. Zoals de mensen wel eens zeggen: je zou ze zo opeten. De liefde van de vader voor zijn kind licht door heel dit portret. Wat een aandacht heeft hij ook aan haar kapsel besteed, hoe het licht daarop speelt! Prachtig meesterwerk is het, en niet voor niets is dit het 'uithangbord' van 'Rubens privé'.


Clara Serena Rubens, 1616

Maar zijn kleine schat zou geen lang leven beschoren zijn: ze stierf al op twaalfjarige leeftijd aan de gevolgen van de pest die rond en kort na 1620 in Antwerpen woedde. Toch bestaat er nog een portret van haar, meer dan hoogstwaarschijnlijk ook van haar vaders hand, uit 1623. Rubens zou dat na haar dood als herinnering aan haar geschilderd hebben. Het werd in 2013 door Sotheby's verkocht, ook al omdat eraan getwijfeld werd of Rubens inderdaad de schilder zou zijn. Maar na grondige restauratie en onderzoek, wordt het werk nu toch aan hem toegeschreven: ogen, mond en zelfs haar gelijken zo op die van Clara uit 1616 dat het haast niet anders kan dat hijzelf het geschilderd heeft. Bovendien wordt ook de hand van de meester in het doek herkend. Wetenschap 'verklaart' de kunst in dit geval.


Portret van een jong meisje (Clara Serena?), links de nieuwe, gerestaureerde versie, rechts de oude

Met zijn broer Filips had Rubens een bijzonder hechte band: tijdens het verblijf van de schilder in Rome had hij nog een tijd bij hem gewoond. Terug in Antwerpen werd Filips stadssecretaris, wat hij bleef tot aan zijn vroege dood in 1611. Kort daarna maakte Rubens dit portret van zijn broer, dat zoals bij Clara Serena een herinnering aan hem moest blijven.


Filips Rubens, ca. 1611-1612

Van Rubens zijn maar vier zelfportretten bekend, en drie daarvan hangen op de tentoonstelling. Het bekendste is natuurlijk dat uit 1630, toen hij 53 jaar was.
De man stelt zich hier voor als een schilder-diplomaat die het gemaakt heeft: met en breed gerande hoed, teken van welstand, in zwart jasje met witte kraag, nog een bewijs van hetzelfde. Hij kijkt de toeschouwer zelfbewust aan, een beetje minzaam, zou ik zeggen, zorgen zijn compleet afwezig. Men zegt wel eens dat hij er geen 53 uitziet, maar zo'n zelfportret is ook zowat het visitekaartje van een man van stand zoals hij: hij kan zich natuurlijk zo flatteus mogelijk voorgesteld hebben. Bovendien trouwt hij in dat jaar ook met zijn tweede vrouw, Helena Fourment, die overigens slechts zestien was, maar van een verblindende schoonheid (het mooiste meisje van Antwerpen), en een en ander zorgde voor hernieuwd huwelijksgeluk: niet vreemd dat dat hij er zo sereen evenwichtig uit ziet.


Zelfportret, 1630

Acht of negen jaar later blijkt de tijd dat toch zijn werk gedaan te hebben: de tekenen van rijkdom en stand zijn nog allemaal aanwezig: zijn rechterhand rust nu ook nog op een rapier, een scherp gepunt en scherp zwaard, zijn linkerhand zit in een luxueuze handschoen, materieel gaat het hem nog altijd voor de wind. Maar de huid van zijn gezicht is slapper geworden, en zijn blik heeft iets weemoedigs, iets droevigs: hij  voelt kennelijk dat hij over hoogtepunt heen is, dat ook hij de weg van alle vlees zal moeten gaan. 'Keeping up appearances' en zich flatteus voorstellen is er in zijn gezicht en blik niet meer bij. Die eerlijkheid maakt het schilderij ook zo menselijk: hier maken de kleren de man niet meer.


Zelfportret, ca. 1638-1639

Waar Rubens maar vier zelfportretten heeft geschilderd, zijn er dat bij zijn jongere tijdgenoot Rembrandt (1606/7- 1669) veel meer: honderd geschilderde en twintig geëtste heeft hij op zijn actief. En ze verschillen nogal wat van die van de Antwerpenaar: het zijn dan wel allebei schilders, maar duidelijk met een verschillende persoonlijkheid. Rubens heeft zich nooit al schilder afgebeeld: steeds toont hij zich als de gentleman van stand. Niet zo Rembrandt: een zelfportret uit 1661 laat hem als schilder zien. Zijn witte muts kan de vergelijking met de zwierige, elegante hoed van Rubens niet doorstaan, en zijn kleding is verder best sober. Werkkledij is het ook niet helemaal, maar de Nederlander houdt zich ver van opschepperij: zijn kunstenaarschap is voor hem de essentie, lijkt me.


Rembrandt, Zelfportret, 1661

Het laatste zelfportret van Rubens deed me wel aan Rembrandt denken, aan het doek 'Rembrandt als de apostel Paulus', ook uit 1661. Hij was toen 53, met grijzend haar aan de slapen: hij ziet er zo oud uit als Rubens toen die al tien jaar ouder was. Hij kijkt ook niet echt vrolijk en enthousiast de wereld in: mistroostig en gelaten komt hij me over. Hij heeft in zijn leven heel wat te verhapstukken gehad, en dat zie je aan de man. Maar een zeer eerlijk en menselijk portret is het echt, en dat maakt de twee schilders hier wel zeer verwant.


Rembrandt vind ik over het algemeen warmer en gevoeliger dan Rubens, maar 'Rubens privé' laat ook het intiemere leven en de gewone, diepe gevoelens van de mens zien, en dat maakt het beeld dat ik van Rubens had vollediger, nuanceert het. Als je dat van een tentoonstelling opsteekt, vind ik die dan ook uitstekend geslaagd. Niet te missen, zeggen we dan.

zondag 17 mei 2015

'Tour de France' in de Fabiolazaal - III

Wat je in de Fabiolazaal wel eens meer ziet: niet alleen schilderijen maar ook beeldhouwwerken, in deze tentoonstelling zeer opvallend werk van Ossip Zadkine en Auguste Rodin.

Ossip Zadkine

Zadkine is net als Marc Chagall geboren in Vitebsk (Wit-Rusland): hij leefde van 1890 tot 1967. De twee kunstenaars waren tijdgenoten: Chagall is van 1887, en stierf in 1985. franktrijk, en meer bepaald Parijs was in de eerste decennia een ware aantrekkingspool voor jonge kunstenaars, en het is dan ook geen wonder dat ze allebei in de Lichtstad beland zijn. En ze hebben ook beiden hun stempel op de moderne kunst gedrukt. Een mooi voorbeeld van Zadkines werk is het 'Vrouwentorso' uit 1928, dat het Antwerpse museum al in 1933 heeft aangekocht. Net zoals de Venus van Milo heeft het beeld geen armen, maar daar houdt de gelijkenis wel op. De vrouwelijke vormen zijn tot hun essentie gereduceerd, maar toch is dit beeld, uit lavasteen gehouwen, sterk in zijn eenvoud en komt het zeer harmonieus over.


Ossip Zadkine, Vrouwentorso

In een gouache, verworven in 1953, zijn Kaïn en Abel in een verbitterd gevecht gewikkeld: de eerste, in woede ontstoken en uit jaloezie omdat zijn offer door God niet aanvaard werd en dat van zijn  broer wel, slaat hem in tomeloze razernij dood: de eerste broedermoord in de geschiedenis, zoals wel gezegd wordt. Zadkines gevecht is in ieder geval indrukwekkend, dat is het minste wat je ervan kan zeggen.


Ossip Zadkine, Kaïn en Abel

Zadkine zelf vertelde dat zijn werk het eerst in België en Nederland erkenning kreeg. Hij was er zo dankbaar voor dat hij de beeldengroep 'de ellende van Job' aan het museum schonk: in 1936 is dat gebeurd. Jammer genoeg is deze groep niet op 'Tour de France' te zien: het zou er zeker niet misstaan hebben. Redeloze wanhoop en totale verslagenheid druipen van de beelden. De bron van mijn feitenkennis is een brochure die ik op de tentoonstelling gekocht heb: 'Franse Kunst in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, Dossier' uit 2005. Een zeer informatief werk over de band tussen de Franse kunst en het Antwerpse museum, zijn kunstliefhebbers-maecenassen en de aankooppolotiek van de instelling. Maar dat terzijde.

Ossip Zadkine, De ellende van Job

Opvallend is ook een schilderij van Valentine Henriette Prax (1897-1981), een andere kunstenares van wie ik nog nooit gehoord had. Zij blijkt dan de vrouw van Ossip, Zadkine te zijn: zij trouwen in 1920. Volgens Wikipedia speelt mythologie een grote rol in haar werk, en dat is kennelijk ook het geval in 'Antiek visioen', dat evenwel al in 1935 aan het museum geschonken is door de 'Vrienden van de moderne kunst'. Je ziet op de achtergrond een witte, Griekse tempel, een blauwe zee, op de voorgrond links een groep mannen, rechts een aantal vrouwen. De leider van die mannen stuurt twee steigerende paarden naar de vrouwen, die zich angstig proberen te beschermen. Het zou nog leuk zijn de mythe te vinden waarop dit doek teruggaat, als er die al is, want het is, zoals de titel zegt, een visioen. Kleurrijk is het schilderij alleszins, maar echt vrolijk is het tafereel niet. En er blijven onbeantwoorde vragen.


Valentine Henriette Prax, Antiek visioen

Auguste Rodin 

Het meest indrukwekkende beeld van de tentoonstelling is voor mij ongetwijfeld 'Pierre de Wissant' (Burger van Calais) van Auguste Rodin, dat al sinds 1908 deel uitmaakt van de collectie. Pierre de Wissant is maar een van de zes figuren die samen de beroemde beeldengroep 'De burgers van Calais' vormen.

Hoe zat dat ook weer precies met 'die burgers? Het verhaal zelf speelt zich af in 1347, wanneer Calais zich na een beleg van elf maanden moet overgeven aan de Engelsen. Zes belangrijke burgers willen zich opofferen zodat de stad zelf gespaard zou worden. Ze brengen Eduard III de sleutels van de stad, met de strop al rond hun nek. Maar de koningin is zo geraakt door het gebaar van de zes, dat ze erin slaagt haar man te overtuigen hun leven te sparen. Een voorbeeld van moed en zelfopoffering, dat dan nog goed afloopt. Pakkend is het wel.

Het beeld 'De Burgers van Calais' was een opdracht van de toenmalige burgemeester van de stad: hij wilde dat daarmee hulde gebracht werd aan de inwoners van de stad. En Rodin kwam dus uit bij verbeeldde dus het heldhaftige verhaal van de zes mannen uit de Honderdjarige oorlog. Antwerpen heeft een figuur ervan: Pierre de Wissant. Hij, al een oude man, is wanhopig, wendt zijn hoofd af, houdt zijn rechterarm omhoog, als wilde hij zeggen 'wat doet het er allemaal nog toe?', nu de strop ook al op mijn linkerschouder ligt. De tragische  situatie is inderdaad bijzonder efficiënt uitgebeeld.


Auguste Rodin, Pierre de Wissant

De volledige beeldengroep is op een aantal plaatsen te bewonderen, in de eerste plaats voor het stadhuis van Calais, maar ook in België, met name in het 'Musée Royal de Mariemont', en dat is in Henegouwen niet zo ver van Bergen en La Louvière. Maar het staat wel op een sokkel,  wat indruist tegen de bedoeling van Rodin: hij wilde dat het op de grond stond, 'tussen het publiek', want die burgers wilden zelfs het hoogste offer brengen voor het volk, zij voelden zich allesbehalve verheven. Pas vanaf 1924, zeven jaar na de dood van de beeldhouwer, staan in Calais de burgers gewoon op de grond. Zoals het volgens Rodin hoort.


De burgers van Calais, in Mariemont