dinsdag 18 juni 2013

Goya: Los proverbios (Art Center Hugo Voeten)

Ik blijf mij erover verbazen dat je in de Kempen etsen van Goya kunt gaan bekijken: de eerste keer was dat in 2004 in het Jakob Smits Museum in Mol (Sluis) met 'Los Desastres de la Guerra', en nu met 'Los Proverbios' in 'Art Center Hugo Voeten' in Herentals. Dat zijn werken van onbetwist topniveau: je zou wel gek zijn zulke kansen voorbij te laten gaan: na Mol ik dus naar Herentals, want als je de eerste tentoonstelling gezien hebt, wil je de twee zeker niet missen. Je weet van te voren dat het zeer de moeite zal zijn.

Er hangen onder ander een aantal etsen uit 'Los Capricios' (De grillen). Als je binnenkomt zie je meteen een zelfportret van Goya, en dat is meteen  een voorbeeld van ironie: hij beeldt zichzelf af als een geslaagd burgerman, met hoge hoed en deftige kledij, maar dt was hij helemaal niet. De burgerij was samen met de kerk een van zijn geliefde mikpunten van meedogenloze spot.


Los Capricios nr. 1: Zelfportret

Ook 'Los Desastres de la Guerra' is met een paar etsen vertegenwoordigd. Nummer 39 laat drie gelynchte soldaten of rebellen zien: naakt zijn, dus onteerd tot en met, gefolterd en zoals de rechtse onthoofd en de armen afgehakt: 'de verschrikkingen van de oorlog' kunnen moeilijk nog indringender weergegeven worden. Overigens ging het om een veldtocht van Napoleon  tegen Spanje, maar je kunt net zo goed aan Syrië denken, of aan eender welke oorlog: anekdotisch is de ets allerminst. Het bijtende sarcasme van Goya blijkt dan weer uit de titel.


Los Desastres 39: 'Grote heldendaad! Met doden!'

Dat sarcasme wordt cynisme in nummer 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf'. Op de voorgrond ligt al een gefusilleerde, tegen een paal wacht de volgende op zijn terechtstelling, en op de achtergrond heeft een derde soldaat dat lot net ondergaan: zijn lichaam is al voorover gezakt, maar het vuurpeloton heeft de geweren nog in aanslag. De moordmachine in volle gang! De houding van de schietende soldaten is zo terug te vinden in Goya's schilderij 'Dos de mayo', dat ook de meedogenloze wreedheid van de oorlog weergeeft.


Los Desastres 53: 'Er was niets aan te doen. Hij stierf.'


Goya: Dos de mayo

De tentoonstelling heet 'Los Proverbios' (De spreekwoorden), een reeks die oorspronkelijk de titel 'Los Desparates' (De dwaasheden) droeg. Kennelijk waren in de eerste helft van de negentiende eeuw in deze etsen spreekwoorden te herkennen, maar over welke spreekwoorden het ging, daar is men nu niet ùmeer zeker van: 'Los disparates' lijkt nu nog zo'n slecht naam niet.

De ets die ook op de affiche van de tentoonstelling te zien is, heeft een dubbele titel: 'Wanordelijke dwaasheid' en 'Dwaasheid van het huwelijk'. Een man met een afzichtelijk gezicht en een vrouw, even schattig en met de borsten bloot, wat in deze tekening en in die tijd redelijk choquant moet zijn geweest, zijn aan elkaar geklonken, ze schijnen niet van elkaar los te kunnen, hoewel ze dat best wel willen. Mogelijk neemt Goya hier de praktijk van koppelaarsters op de korrel, en de bekrompenheid van de katholieke Spaanse maatschappij, waarin uit een huwelijk ontsnappen niet mogelijk was: op het einde van de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende was de Verlichting in het land nauwelijks doorgedrongen. De figuren die staan toe te kijken zijn ook allemaal om ter lelijkst: Goya doet vaak aan Jeroen Bosch, zelfs aan James Ensor denken


Wanordelijke dwaasheid - Dwaasheid van het huwelijk

In 'Que pico de Oro!' zit een papegaai op een houten schutsel, met een boek in zijn linkervleugel: een missaal of iets dergelijks. Van onderen rechts zit een priester vol overgave het dier te aanbidden, de figuren aan de linkerkant kijken even reikhalzend uit naar de vogel met de gouden bek. Eentje draagt een hoed: de betere burgerij neemt even onverdroten aan de aanbidding deel. De kwezelarij van het katholieke geloof wordt hier duidelijk te kijk gezet.


Que pico de Oro! -Wat een gouden bek!

'De waarheid is gestorven ' - die waarheid is een mooie jonge vrouw - klaagt dezelfde leugenachtigheid aan als de goud gebekte papegaai. Wel staat het volk er een beetje onthutst naar te kijken


De waarheid is gestorven

Of nog deze: een bange oude man probeert zijn twee geldbeugels goed vast en bij zich te houden, maar de burgerij die er geldbelust op staat te kijken en zal af zal nemen, laat weten dat verbergen geen zin heeft: het geld zal toch zijn gewone weg gaan, en de oude man bedrogen, uitgebuit en aan zijn lot overgelaten. Een koude, harde, schijnheilige wereld etst Goya. Deze thema's zijn  tweehonderd jaar later nog steeds actueel. En de teken- of etskunst van de Spanjaard is gewoon verbluffend. Niet te missen , noem ik dat.


Waarom ze verbergen?

dinsdag 11 juni 2013

Louvre-Lens: La galèrie du temps - III


Christelijke kunst

Vlaamse Primitieven heb ik in Louvre-Lens niet gezien, maar dat wil niet zeggen dat er geen uitstekende voorbeelden zijn van kunst van het christendom, van 'kerstinede', zoals de middeleeuwer Europa ook wel noemde. Geen grote doeken dus, wel pareltjes van kleinere kunstwerken. Een juweeltje is zeker 'Triptiek: taferelen uit het leven van de Maagd', in olifantivoor, met sporen van polychromie; het komt uit Parijs, en is te dateren tussen 1315-1335. Ik word er bijna lyrisch van, van dit gebeeldhouwd Mariaverhaal.


Triptiek: taferelen uit het leven van de Maagd, Parijs, 1315-1335

Dit ivoren drieluik is natuurlijk niet zo groot: bijna 28 cm hoog, dichtgeklapt 9,2 cm breed, opengeklapt dus bijna 18.5 cm: het heeft een handzaam formaat, zodat je het overal in huis kon zetten, en zelfs mee op reis nemen. Want ik veronderstel dat de lui die zich zo'n object van verering konden permitteren, af en toe ook wel eens van huis moesten: ik denk aan diplomaten, gezanten van vorsten, leden van de hogere clerus. Opmerkelijk ook dat reeds in de veertiende, en zelfs dertiende eeuw, in Europa ivoor bewerkt werd: de aanvoer ervan schijnt na de vierde kruistocht (1203-04) geen groot probleem meer geweest te zijn, al moet het toentertijd toch om een zeer exclusief materiaal gegaan hebben.

Op die kleine oppervlakte is zowat heel Maria's levensverhaal uitgebeeld, of uitgesneden. Links onderaan zie je de geboorte van Christus, met os en ezel, toen al!, centraal de drie koningen, rechts de opdracht in de tempel; centraal op het tweede niveau de dood en graflegging van Maria, centraal boven haar kroning in de hemel. Wat ik er zo groots aan vind, is dat alles zo gedetailleerd en levendig is weergegeven: de kunstenaar moet een nauwgezet en zeer geduldig man geweest zijn, en vooral barstend van talent en metier. Voor mij is deze triptiek een onbetwist meesterwerk!

Even kunstzinnig is een deel van een retabel uit Bourgondië, ook uit de veertiende eeuw, waarin Maria de centrale plaats inneemt tussen de twaalf apostelen. Het werk geeft blijk van dezelfde liefde voor het detail als de 'Triptiek'. Beide werken zijn mooie schoolvoorbeelden van gotische kunst: er spreekt een enorm vakmanschap uit.


De twaalf apostelen met in het midden Maria met kind

Een fragment van een Antwerps retabel uit het begin van de zestiende eeuw toont dan weer 'De bewening van Christus'. Op de tweede rij keert Johannes zijn hoofd af, hij kan het kennelijk niet aanzien; Maria heeft zich van rouw in haar kleren verborgen terwijl zij de levenloze arm van haar zoon vasthoudt, zich zo blijkbaar overtuigend van zijn dood. Van de twee andere figuren is zijn de wanhoopt en de radeloosheid af te scheppen. Zeer expressief is het tafereel: een topstuk alweer.


De bewening van Christus, Antwerpen, 1500-1520

Alleen al voor deze drie kleine artefacten is het bezoek aan Louvre-Lens zeer aanbevelenswaardig. Als je bedenkt dat al het tentoongestelde uit de depots van het grote Louvre komt, wordt duidelijk dat daar ongelooflijk veel bij elkaar zit: onvoorstelbaar rijk moet dat museum zijn. Geen slecht idee is het daarom om die rijkdom met enige afwisseling in het noorden van Frankrijk toegankelijk te maken: je valt van de ene verbazing in de andere bewondering!

vrijdag 7 juni 2013

Louvre-Lens: La galérie du temps - II


Heel langzaam kom je dichter bij West-Europa en loop je in de richting van onze tijdrekening, van het jaar nul. Uit Syros (de Cycladen, Griekenland) is er een beeld dat voorstelt 'Naakte vrouwelijke afgod met de armen over elkaar: godin?' Het komt dus uit een gebied waar we meer mee vertrouwd zijn, maar waar we zeker niet alles van weten, getuige de vraag in de benaming van het beeld. Het komt dan ook uit het derde millennium v.C., uit 2.700 tot 2.300 v.C. Het hoofd doet me denken aan Minoïsche beelden die ik verleden najaar op Kreta gezien heb, maar het begin van die beschaving is dan weer 400 à 500 jaar later te situeren.

Met een majestatisch beeld van keizer Marcus Aurelius (161-180) maken we een grote sprong in de tijd en zitten we meteen na Christus. Hij staat er inderdaad echt imperiaal bij, tegelijkertijd macht uitstralend en eerbiedig respect inboezemend. De beeldhouwer wist ongetwijfeld zeer goed wat er van hem verwacht werd: hij had voorgangers en voorbeelden genoeg.


Keizer Marcus Aurelius

In het Romeinse Rijk steken ook andere godsdiensten de kop op: de Romeinen probeerden vaak goden van vreemde oorsprong in hun eigen beschaving te integreren. Een voorbeeld daarvan in de Mithrascultus: hij is uit het verre Perzië geïmporteerd. Mithras werd als 'Sol invictus' (de onoverwinnelijke zon) vereerd, vaak ook werd er een stier geofferd. Die godsdienst was vooral zeer populair in het leger, en bovendien was hij in de eerste eeuwen na Christus een belangrijke concurrent van het opkomende christendom. Wat me overigens herinnert aan onze leraar geschiedenis, Didier Bergen, van wie ik me de uitspraak herinner dat het niet veel gescheeld had of we hadden hier allemaal vlijtig de zonnecultus gevierd. Wat we nu in feite ook doen, maar niet op de manier die Mythras welgevallig zou geweest zijn. In Louvre-Lens zie je een prachtig 'Reliëf dat Mithras verbeeldt, de Iraanse Zonnegod die de stier offert'. Het werk komt uit de tweede eeuw, het komt van het Capitool in Rome.


Mithras offert de stier

Ook het christendom krijgt in het rijk voet aan de grond, en heeft ten slotte de 'sol invictus' verslagen. Een prachtig bewerkte sarcofaag, ook al uit de tweede eeuw, getuigt van dat nieuwe geloof. Hij is met florale motieven versierd,  en ook drie apostelen zijn erop afgebeeld. Een bewijs ervan dat niet alleen de lagere klassen of eenvoudige mensen door de nieuwe boodschap werden aangesproken en geïnspireerd: je moet al behoorlijk in de slappe was zitten eer je je zo'n sarcofaag kan permitteren. En: zoals de oude Egyptenaren bijzonder veel aandacht en zorg besteedden aan de tocht naar de andere zijde, de vroege christenen deden dat net zo goed. De essentie verandert niet zo veel, lijkt me.


Sarcofaag uit de tweede eeuw: bloemen- en plantenmotieven en drie apostelen.

dinsdag 4 juni 2013

Eugène Dodeigne: drie beelden

Ben ik een tiental dagen gelden in Lille, zie ik daar op de Place de la République een mooie, ronde fontein met in het midden een groep van drie beelden: ik vind er wel wat aan. Stevige, stoere beelden zijn het, eerder ruw uit steen (arduin) gehouwen. Ze komen mij eerder bedachtzaam en ingetogen over: het lijken wel rouwenden. Wie de maker is, kan ik echter niet achterhalen: nergens in de buurt van de fontein staan naam of titel van het werk vermeld. Maar origineel zijn ze wel: als je die stijl gezien hebt, herken je hem zo weer.


Place de la République: fontein met drie beelden.

Twee dagen terug loop ik met een van mijn dochters in het Middelheimpark van het nog frisse zonnetje te genieten en de beelden nog eens te bekijken. En daar zie ik de stijl van de Place de la République terug: geen twijfel mogelijk dat is van dezelfde kunstenaar! 'De drie staanden' heet deze groep, en de naam van de beeldhouwer kun je natuurlijk ook lezen: hij heet Eugène Dodeigne. Nooit van gehoord, maar daar is iets aan te doen. Ik zie het resultaat van dezelfde werkwijze, weer drie mensen, alle drie even groot nu, weer in zichzelf gekeerd, bedachtzaam, alsof ze rouwen. Opvallend zeer verwant met het groepje in de fontein van Lille, dat trio. Beeldhouwer bovendien geïdentificeerd.


Eugène Dodeigne: De drie staanden (Trois figures debout), 1978

Thuis googel natuurlijk je 'Eugène Dodeigne', en wat blijkt: de man is in 1923 in België geboren, in Sprimont, in de provincie Luik, maar hij leeft en werkt al sinds 1950 in Bondues, en dat is dan weer in Frankrijk, 8 kilometer ten noorden van Lille. De plaats behoort tot 'la communauté urbaine de Lille'. Zijn beelden op de Place in de stad heten 'Groupe des trois', uit 1976/79. Overigens heeft Dodeigne nu de Franse nationaliteit, al woont hij dan vlak bij de grens.

In het Middelheim staat er nog een beeld van hem: De geknielde figuur. Het kleiner dan de andere, maar is uit hetzelfde materiaal gehouwen, en het inspireert kinderen duidelijk tot artistiek imitatiegedrag.


E. Dodeigne, De geknielde figuur

Je kunt zijn werk vinden op behoorlijk wat plaatsen in West-Europa: ook in Zwolle, in het Kröller-Müller Museum in Otterlo, Utrecht, Hannover, Luik, Londen en zelfs Oslo: gewild is hij wel, Dodeigne. En verwonderlijk vind ik dat niet: hij heeft een eigen duidelijk en originele stijl ontwikkeld,zijn beelden doen je opkijken en toekijken, en ze maken echt indruk op je. Ik mag hem wel, Eugène Dodeigne.

zaterdag 1 juni 2013

Louvre-Lens: La galérie du temps - I

Naar Louvre-Lens wilde ik ook per se: als je zo vlakbij bent, mag je de kans niet missen. Het museum is pas geopend (12.12.12!), en het heeft vanaf het begin een meer dan goede pers gehad: ik dus benieuwd. Lens ligt zo'n 30 kilometer voorbij Rijsel, en als je erheen rijdt, kom je onverwacht, maar logisch, in het landschap van Zola's Germinal: al dan niet spaarzaam begroeide 'terrils' ('steenbergen' in goed Nederlands) getuigen daarvan. Dat het weer ook nogal somber is, maakt dat je je bij wijze van spreken in het milieu van de negentiende-eeuwse mijnwerkers voelt. Allicht is dat ook een achterliggende gedachte geweest bij de stichting van Louvre-Lens: laten we die oude, dode mijnstreek eens wat opvrolijken, laten we er een aantrekkingspool vestigen waar kunst- en cultuurliefhebbers op afkomen, en zo de streek nieuw leven inblazen. Een nieuw en licht gebouw werd aan de rand van de stad (Lens-Ouest) opgetrokken: het contrasteert scherp met de sombere donkerte van de strijd voor het barre bestaan van vroeger.


Het Louvre-Lens

Dat licht treft je ook als de eerste permanente tentoonstelling binnengaat: in een grote, uitnodigende galerij kun je 'La galérie du temps' gaan bekijken. Zeer hoog is die ruimte niet, maar wel behoorlijk lang, en het is ongelooflijk wat er allemaal binnenstaat.


Uitnodigende entree

Die eerste permanente opstelling - om de vijf jaar komt er een andere, en elke tentoonstelling wordt geregeld een beetje gewijzigd - heet dus 'La galérie du temps': ze begint in omstreeks 3.500 jaar v.C., bij het ontstaan van het schrift, en duurt tot 1850 van onze jaartelling, de tijd toen de mijnbouw en de industrialisering in dit deel van 'le Nord' tot ontwikkeling kwamen. Dat beslaat een duizelingwekkende periode van bijna 5,5 millennia!

Het eerste artefact dat mij treft, is een Sumerisch kleitablet van 3.500 v.C.: het is nog niet in echt spijkerschrift 'geschreven', maar de eerste sporen ervan zijn wel al op te vinden: in het vakje links van het midden. Cijfers werden er kennelijk ingedrukt (de rondjes en andere uithollinkjes) en het bericht was ook nog erg pictografisch, maar je staat er bij het allereerste begin van het schrift. Ik kan daar gewoon ontroerd van geraken: zomaar een van de allereerste uitingen van schriftelijke beschaving staan te bekijken!


Sumerisch kleitablet, 3.500 v.C. 

Het echte spijkerschrift komt er pas driehonderd jaar later, en dat kun je dan weer zien op een volgeschreven tablet: het zou een brief zijn van een moeder aan haar zoon. Het spijkerschrift is overigens in 1802 door Georg Friedrich Grotefend ontcijferd.


Brief in spijkerschrift

Van zowat duizend jaar later is een beeld van Gudea, prins van de staat Lagasj, ook in Mesopotamië, in het huidige Irak. Heel groot is het niet, zo'n 70 cm, maar de vorst is met de verschuldigde eerbied en statigheid gebeeldhouwd: hij bekleedde dan ook ongeveer alle functies tegelijk. Zo'n prins was opperbevelhebber, hoofd van justitie en leider van de openbare werken. Bovendien - niet het onbelangrijkste - was hij de bemiddelaar tussen de goddelijke wereld en die van de mensen. Je steekt wat op, in zo' museum!


Gudea, prins van Lagasj, omstreeks 2120 v.C.

Na het Midden-Oosten zie je voorwerpen en beelden uit de Egyptische beschaving, onder andere vier zogenaamde 'canopen' of 'canopische vazen': dat zijn recipiënten waarin de Egyptenaren de ingewanden van hun doden bewaarden. In dit geval zijn prijken op de deksels koppen van de vier kinderen van de god Horus: het zal bekend zijn dat in faraonische tijden zeer veel zorg aan de afgestorvenen en hun leven in hun hiernamaals werd besteed, aan de belangrijksten onder hen althans. Die canopen zijn dan ook redelijk groot, en met de nodige eerbied versierd, met uiteraard een godenkop erbovenop.


Vier canopen

Zo kom je heel langzamerhand iets dichter bij het begin van onze tijdrekening; hoewel, het is nog wel een eindje. Uit de periode van het Egyptische 'Nieuwe Rijk', een grote bloeiperiode, komt een eerder klein beeld van Tui, priesteres van de godin Min, godin van de vruchtbaarheid. Het is gemaakt van Afrikaans zwarthout en boterboomhout, en dat 'Afrikaans' is niet onbelangrijk: dat Nieuwe Rijk kende een grote expansie, en heel Nubië werd toen ingelijfd. Natuurlijk kwamen er dan ook nieuwe grondstoffen. En zoals blijkt werden er mooie en geraffineerde beelden van gemaakt: dat gezicht, die houding, dat haar...


Tui, priesteres van Min, godin van de vruchtbaarheid - rond 1400-1350 v.C.

In de 'Galérie du temps' heb ik nu een derde van de tijd afgelegd: Europa komt eraan. En dat heeft ook heel wat te bieden!

dinsdag 28 mei 2013

Lille: Traits de génie

Je verblijft een week in 'Floréal - Le Panoramique' in Mont-Saint-Aubert, vijf kilometer ten noorden van Doornik, en die stad heb je op drie dagen al een beetje grondig bezocht. Het weer nodigt niet uit tot natuuruitstappen, maar Lille is vlakbij, en daar moet toch wel een en ander te zien zijn. Gevolg: een trip naar het dichtbije buitenland dringt zich op.

Veel scootmobieleren laat ook in Rijsel de regen niet toe, maar er is een wel 'Palais des Beaux Arts'. Daar loopt de tentoonstelling 'Traits de génie', een naam met een subtiele woordspeling, want 'trait' betekent zowel 'lijn' of 'streep' als 'kenmerk, karaktertrek'. Je krijgt dus geniale tekeningen te zien, van onder anderen Dürer, Michelangelo en Rafael: niet de kleinste jongens, zeg maar.

Van Dürer hangt er een 'Portret van een jongeman' van wie ik me de naam niet meer herinner. Hij kijkt open en rustig, maar ook zelfbewust de wereld in: dit is geen middeleeuwer meer, hier zie je een renaissancemens. En de kunstenaar was zich even goed bewust van zijn waarde: in de linkerbenedenhoek tekent hij goed leesbaar met 'Albrecht Dürer'.


Albrecht Dürer, Portret van een jongeman

Hetzelfde geloof in de mens en zijn waarde vind je bij Jacopo da Pontormo, Florentijns kunstenaar uit de eerst helft van de zestiende eeuw. Die man heb ik leren kennen in 'De Pont' in Tilburg, waar van Bill Viola een videofilm werd getoond die gebaseerd was op Pontormo's 'Het bezoek van Elisabeth aan Maria'. Hier zie je een studie waarin hij de schoonheid en de kracht van het menselijk lichaam oproept: drie fors gespierde mannen nemen alle mogelijke twijfels weg.


Jacopo da Pontormo, Drie mannelijke figuren

De man die mij in 'Traits de génie'  het meest aanspreekt, is Rafael, van wie er ook meer tekeningen te zien zijn. Kon die man tekenen! Je zou zeggen dat dit geen geniale trekken meer zijn, dat veel is meer dan dat. Alweer een prachtig portret van een jonge man, maar nu alleen het hoofd, veel meer close-up dan bij Dürer, met bijgevolg meer aandacht voor de uitdrukking van 's mans gezicht. Heel zacht komt dat me over, en tezelfdertijd zie je dat die jongen zeer goed weet wat hij wil: meesterlijke tekening!


Rafael, Portret van een jongeman

Met 'De Heilige Familie' zoekt Rafael zijn inspiratie in de bijbelse geschiedenis: de invloed van de kerk was niet zomaar ineens verdwenen. Maar de middeleeuwse sfeer is toch voor een groot deel weg: het is dan de Heilige Familie wel, maar deze tekening druipt niet van godsvrucht en eerbiedwaardige vroomheid, neen, zes mensen zitten gezellig bij elkaar te 'buurten', de kleine Jezus vlak voor Maria en Jozef besteedt ook al zijn aandacht aan het ventje. De vrouw links van Maria heeft haar eigen zoontje, dat al wat ouder is, ook meegebracht. Zij schijnt aan het gesprek deel te nemen, terwijl haar ventje met een hond bezig is, maar ook de toeschouwer aankijkt, zo van 'zie ons hier bezig'. Die tweede vrouw en haar zoontje zouden Elisabeth en de kleine Johannes de Doper kunnen zijn, maar dat is maar een idee van mij.

Rafael heeft een alledaags tafereel getekend, het plechtige sacrale is eruit verdwenen, van de heiligen heeft hij gewone mensen gemaakt, en daardoor is dit een zeer natuurlijk werk: iedereen zou zo'n onderonsje kunnen meemaken. Topwerk vind ik het.


Rafael, De Heilige Familie

Zeer mooi vind ik ook het portret van een jonge jongen met hoed. Het is van Carlo Dolci, iemand waar ik nog nooit van gehoord had. Hij blijkt een Florentijns barokkunstenaar geweest te zijn, en hoort helemaal in de zeventiende eeuw thuis. Dit werk lijkt mij nog zachter dan Rafaels 'jongeman', maar Dolci's jongetje is dan ook veel jonger. Toch kan ik me niet van het gevoelen ontdoen dat Dolci Rafaels werk zeker gekend heeft: de twee portretten zijn zo verwant!


Carlo Dolci, Jongen met hoed

Een tekening van een Fransman valt op: Jacques-Louis David met 'De eed van de Horatii'. Het schilderij met die naam (uit 1785) is een zeer bekend voorbeeld van het neoclassicisme: de Fransen gaan terug naar het heldhaftige Rome. Het werk past een beetje in een tijd van nakende revolutie, maar volks doet het niet echt aan. Het is echter Frans, en we zijn in Lille: 'un trait de grandeur française' mag hier dan wel doorsijpelen.


Jacques-Louis David, De eed van de Horatii

Kom ik tijdens dit bezoek een klas van de tekenacademie uit Mol tegen, die de verplaatsing speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt hadden: dat is pas de ware tekenspirit! En bij hen ook Alma, die ik al een paar jaar niet meer gezien had, en met wie het praten zeer prettig was, daar in Rijsel. Het toeval is gelukkig de wereld niet uit!

donderdag 2 mei 2013

En we stegen met een zucht...

Je 65ste verjaardag is bijzonder, heb ik altijd gevonden: je organiseert een etentje voor kinderen, familie en enkele vrienden en het wordt een gezellige avond. Obligaat en gemeend worden geschenken aangedragen: boeken en wijn. Mijn kinderen hadden er zich vanaf gemaakt met een envelopje met inhoud, dat wil zeggen een bon voor een ballonvaart! Ze weten dat dat al lang een gekoesterde wens van me is, en net nu, nu er al jaren geen sprake meer over geweest is, willen ze me de lucht insturen: mooi mooi mooi vindt vader dan!

In 2013 is het nog niet zo vaak ballonweer geweest, en voor begin juni moest ik door de hemelse sferen gezweefd hebben. Maar dan brengt eind april de oplossing, en de 28ste is het zover, oorspronkelijke plaats van afspraak: Hoogstraten. De wind zat echter verkeerd, en het werd opstijgen in Brasschaat, vanaf een grasveld in de straat genoemd 'Hemelakkers'. Dat kan alleen maar voorbeschikt zijn, het toeval bestaat niet! Toch niet voor ballonpiloten, mag men hopen. Bekwame ballonexperten maken het luchtvaartuig klaar voor 'take off', en om tien voor zeven zien we de grond onder ons langzaam verdwijnen.


Schaduwsilhouet van een vertrekkensklare ballon (fotograaf uiterst links)

Zeven passagiers en een piloot zitten in de mand, en we vliegen over de westelijke Noorderkempen. Mensen uit de streek hebben het over Gooreind, Wuustwezel en Achterbroek: niet dat we die dorpen allemaal echt goed zien, maar de juiste richting wordt aangeduid, een mens wil tenslotte weten waar hij uithangt. Het schietveld van Brasschaat Polygoon is het eerste landschap dat ieders aandacht trekt, hoewel er weinig aan te zien is: er wordt kennelijk nog altijd vrolijk op los geschoten, de begroeiing is zeer summier.


Centraal: het kale schietveld van Polygoon

Gelukkig geldt dat niet voor de rest van dit stuk Kempen: veel bosgebied, veel plassen en vennen, heel veel landbouwgebied. Van zo hoog ziet de wereld er inderdaad mooi uit: de weilanden lentegroen, akkers geploegd en geëgd, grijze grond heeft plaatsgemaakt voor verse zwarte, de bomen beginnen blaadjes te krijgen. Nooit gedacht dat ik het doorbrekende voorjaar vanaf dit standpunt zou bekijken: het heeft meer dan iets.


Weilanden en geploegde en geëgde akkers


Waterpartij, bossen en ballonschaduw

Het was die dag niet echt warm, maar daar voel je nauwelijks iets van: je vaart zo snel als de wind waait, en die voel je dus niet. En je leert waarom dergelijke ballons alleen vliegen tot twee uur na zonsopgang en vanaf twee uur voor zonsondergang: dan is de aarde nog niet, of niet meer zo opgewarmd dat er thermiek zou kunnen zijn, want dan kan varen met die tuigen behoorlijk hachelijk worden, het is een kwestie van veiligheid.

Tegen het einde van de tocht krijgen we nog een gezicht op het kasteel van Loenhout: een achttiende-eeuws gebouw waarvan ik het bestaan niet eens kende. Classicisme zoals het hoort!


Het achttiende-eeuwse kasteel van Loenhout

Landen doen we ten slotte op een weiland iets voorbij het dorp van Loenhout: voor Hoogstraten zat de wind niet oostelijk genoeg, dat hebben we dus rechts laten liggen. Maar de toren van dat 'stadje met smaak' (os Katrien, zoals een Hoogstraatse hem benoemde) hebben we wel gezien. Die landing was overigens perfect: zachtjes zette de piloot zijn ballon neer, niks verder glijden, geen mand die omkiepert, iedereen gaaf en gezond weer op aarde. In geen tijd wordt ballon en alles wat erbij hoort weer ingepakt, we worden nog gedoopt - een scheut cava over je hoofd - omdat we onze eerste ballonvaart gepresteerd hebben, en we worden teruggebracht naar de Hemelakkers, waar we in meer dan een opzicht vandaan kwamen.


Opgeruimd staat netjes

Met een zucht stijg je in het liedje 'tot boven in de lucht'. Tot in de stratosfeer zijn we niet geraakt, maar volgens het getuigschrift dat je ook nog krijgt, blijken we tot op 730 m hoog geweest. Dat document houden we met de verschuldigde piëteit bij: opdat het nageslacht opdat onze koene, dappere en moedige prestatie nooit zou vergeten, dat spreekt. En dat het mooi en de moeite was, dat moeten ze er ook bijvertellen!