zondag 17 november 2019

Jan II Borman - Museum M Leuven

 In 'Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen', jaargang 57, aug/sept 2019 lees ik: '...ende dat hij die beste meester beeldesnijdere es...'. Zo wordt in een contract uit 1513 over Jan II Borman geschreven: als een kunstenaar van tweede garnituur wordt hij door zijn tijdgenoten helemaal niet beschouwd, wel integendeel. De zoon van Jan I Borman leefde van ca. 1460 tot ca. 1520. Hij hoort oorspronkelijk thuis in Leuven, waar hij zijn vak van zijn vader leerde, met wie hij later nog vaak samenwerkte. Leuven verlaat hij voor Brussel, waar hij in 1479 in het ambacht ingeschreven wordt, en hij is er zeker tot 1516 actief gebleven. (OKV, jaargang 57, nummer 4)

Zijn beelden zijn vaak groter dan die van zijn vader: hij heeft niet alleen retabels gemaakt (zijn vader trouwens ook niet).  Het eerste werk dat je van hem ziet is een 'Sint-Hubertus' uit circa 1483. Het is gewoon een prachtig beeld: zijn gezicht is echt naar het leven weergegeven, de plooival van mantel en kleed komt zeer natuurlijk over. Leuk is dat aan zijn voeten een kleine Hubertus geknield zit te bidden, terwijl aan de andere kant het hert zit met de gekruisigde Christus in zijn gewei: de legende moest er natuurlijk ook bij! De polychromie van het beeld is niet origineel: dat is allicht werk van een 19de-eeuwse neogoticus.


Sint-Hubertus, ca. 1483, eikenhout

Hij heeft ook een 'Madonna met kind' gebeeldhouwd, in witte kalksteen; die komt uit de jaren 1480-1490. De audio guide wist me te vertellen dat het beeld 600 kilogram weegt, en dat het waarschijnlijk buiten heeft gestaan. Het is meer dan levensgroot: 192 cm hoog is het. Ik heb best bewondering voor de manier waarop Jan II met zijn materiaal omgaat: de plooien in Maria's jurk zijn zonder meer virtuoos, haar gezicht is bijzonder sereen, en haar haar is met dezelfde virtuositeit zeer levend weergegeven. Aan dit beeld kun je zien dat Jan II Borman zijn métier meer dan grondig beheerste, hij had dat echt in de vingers, hij is een bijzonder kunstenaar. De Italianen waren destijds al volop met de renaissance bezig, die zijn  dus al veel moderner, maar dat wil niet zeggen dat de 'Bormannen' niet ook meer bekendheid en roem waard zijn.


Madonna met kind, witte kalksteen, 192 cm

In een houten 'Madonna met kind' laat Jan II de kleuter die Christus ondertussen geworden is spelen met de pagina's van een dik boek (bijbel, graduaal) waarin Maria probeert te lezen: en dat doen dergelijke ventjes ook wanneer ze voelen dat ze geen aandacht krijgen; psychologisch correct beeld is dit!


Maria met kind - (met Christus als gewone kleuter)

Jan II Borman kan het ook ingetogener: het gezicht van een staande 'Ecce homo) bewijst dat. Christus heeft zijn bespotting en geseling doorstaan, alleen de kruisdood wacht nog op hem. Hoe hij eraan toe is, blijkt wel duidelijk uit zijn gelaatsuitdrukking: aan het einde van zijn krachten is hij met zijn afgemagerd gezicht, open mond omdat hij zo moeilijk aan lucht kan komen, ogen nog nauwelijks open te houden, terwijl hij zijn vernederende doornenkroon nog draagt! Algehele verslagenheid en diepe tristesse spreken uit dit beeld, waaruit als het ware alle leven verdwenen is. Bijzonder expressief is dit beeld, een ander meesterwerk van Jan II Borman.


Ecce Homo

Deze goed gestoffeerde tentoonstelling biedt echter nog meer!

maandag 11 november 2019

Jan I Borman - Museum M Leuven

De stamvader van het beeldsnijdersgeslacht 'Borman' (je leest ook 'Borremans) is Jan I de Oude. Hij wordt geboren rond 1440 en hoort dus nog bij de middeleeuwse traditie. Het jaar van zijn overlijden is ook niet met zekerheid gekend: op 10 september wordt hij nog in het document vermeld, maar op 2 april wordt zijn vrouw weduwe genoemd: in de loop van dat halve jaar moet hij dus gestorven zijn. De streek rond Leuven en Leuven zelf was zijn thuis.

Op de tentoonstelling zijn vooral beelden van zijn zoon Jan II te bewonderen, maar je kunt toch ook een goed idee krijgen van het vakmanschap van Jan I. Van diens hand zijn drie fragmenten van een passieretabel bewaard: licht beschadigd zijn ze, kleine of grotere stukken ontbreken, maar je kunt heel goed herkennen wat weergegeven wordt. Het eerste fragment toont Christus die zijn kruis Golgotha op sleurt, Romeinse soldaten dwingen hem de juiste kant op te gaan, maar aan de voeten van Jezus knielt een vrouw met het doek waarmee ze het zweet van zijn gezicht wil wissen: Veronica. Dit beeld geeft best veel informatie: lijden, verlichting van dat lijden, dwingende macht van soldaten en het systeem: het zit er allemaal in.


Veronica wist het zweet van Christus' gezicht

In het tweede fragment is het onvoorstelbare al geschied: Christus is aan zijn kruis gestorven. Maar de gestorven Heiland en het kruis ontbreken, gesneuveld in de loop der tijden: de twee ruiters kijken wel omhoog, net als de soldaat die tussen hen beiden staat. En op de voorgrond valt een vrouw bewusteloos: dat is natuurlijk Maria. Zij wordt bijgestaan door Johannes, de lievelingsleerling van Jezus, en een vrouw van wie het hoofd ontbreekt, mogelijk Maria Magdalena. Een andere heilige vrouw, Martha (?), zit geknield te bidden. Ruiters en soldaat hebben geen oog voor dit leed: voor hen is het lijk van de gekruisigde het belangrijkst. Er zit best veel dramatiek en contrast in dit beeld: Jan I Bormans moet een empathische mens geweest zijn. Toch kon hij een grappige toets niet achterwege laten: op het achterste van het rechtse paard zit een aapje, en of dat een bijbelse betekenis heeft, durf ik te betwijfelen.


De kruisdood

Het derde tafereel is de kruisafneming. Het kruis zelf is terug, maar de rechterarm ontbreekt: die fragmenten hebben in de loop der tijden een en ander meegemaakt. De dode Christus wordt door twee mannen vastgehouden en zachtjes naar beneden gelaten, terwijl Maria haar armen uitstrekt naar haar dode zoon. Weer is het Johannes die Maria assisteert en probeert recht te houden. Van wanneer juist deze fragmenten dateren, weet ik niet, wel dat ze het grondig bekijken echt wel waard zijn.


De kruisafneming

Een 'Aanbidding der Koningen' is een ander beeld uit de laat-bourgondische periode: het is echter niet van Jan I Bormans, maar van een kunstenaar met een noodnaam, van de 'Meester van het Retabel van Rieden'. Rieden is een plaats in Duitsland, niet zo heel ver van Stuttgart. Het komt vermoedelijk uit de jaren 1440-1460. Zeer rustig is dit beeld: de Drie wijzen staan achter Maria, Jozef en het Christuskind. De ouders lijken elkaar teder aan te kijken; het kindje glimlacht voor zich uit. Zijn rechterarm ontbreekt, de linker is aan de elleboog zichtbaar gebroken. Sober is deze beeldengroep, en mooi afgewerkt. Maar geen Borman, hoewel het er zeer verwant mee is. Jan II Borman komt nog aan de beurt in de volgende aflevering.


Meester van het retabel van Rieden: Aanbidding der Koningen

maandag 4 november 2019

Museum M Leuven - De familie Borman, beeldsnijders

Van 'Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen' leer je vaak interessante dingen bij: onder andere dat er in de zestiende eeuw in Leuven en Brussel een beeldsnijdersfamilie actief was die werk van echte topkwaliteit leverde: Borman heette dat geslacht. Er was Jan I, die al op het einde van de 15de eeuw werkzaam was, zijn zoon Jan II die van Leuven naar Brussel verhuisde en die beschouwd wordt als 'de beste beeldsnijder', en zijn kinderen Pasquier (die ook 'Passier' genoemd wordt) en Maria. Van die mensen loopt in Museum M in Leuven op dit ogenblik een tentoonstelling die ik na mijn bezoek formidabel genoemd heb.

Herentals - het retabel van Crispinus en Crispinianus

Toch ga ik in Herentals beginnen, want in de Sint-Waldetrudiskerk aldaar bevindt zich een retabel van Pasquier; dat wil zeggen: meestal, nu staat het in Leuven op de tentoonstelling. 'Het retabel van Crispinus en Crispinianus' heet het. De vader van Pasquier wordt al de beste kunstenaar van zijn familie beschouwd, maar zijn zoon moet niet echt voor hem onderdoen, vind ik.

Crispinus en Crispinianus, zoals ze in het Latijn heten, waren twee broers uit een voornaam Romeins geslacht. Het waren ook christenen, en om aan de vervolging door keizer Diocletianus te ontsnappen vluchtten zij naar Gallië, naar Soissons (later nog bekend geworden door een vaas), waar zij hun geloof verkondigden en schoenen maakten voor de armen. Ze zijn dan ook de patroonheiligen van de schoenmakers, de leerlooiers en de orthopedisten. (Dat alles leert mij Wikipedia)


Passier Borman, Het retabel van Crispijn en Crispiniaan

Maar ze worden ook in Gallië opgespoord, gevangen en zwaar gefolterd. De eerste beproeving bestaat erin dat ze met schoenmakerspriemen onder hun nagels gestoken werden, zowel bij de vingers als de tenen, en dat doet zeer veel pijn: dat weet iedereen die ooit toevallig eens een splinter onder een vingernagel heeft gekregen! Dat wordt op het linkerluik van het retabel uitgebeeld: centraal de twee lijdende broers die gelaten hun foltering ondergaan, links de twee folteraars die meedogenloos en met onverdroten ijver hun taak verrichten, en rechts een aantal ramptoeristen. Links van achteren staat een soort magistraat toe te kijken of alles volgens de regels verloopt! Zeer levendig heeft Pasquier dat weergegeven: de wrede straf die uit een zieke Romeinse fantasie komt, hoeft verder geen tekening meer!


De eerste foltering: de schoenmakerspriemen

Dat doet allemaal best veel pijn, maar dood ga je daar nog niet van: dat kan dus beter. Ze worden vervolgens overgoten met kokend look - hoe overleef je dat? - en ze worden daarna in ijskoud water gegooid: Romeinen die een beetje sauna uitvinden. Die lui werd ongelooflijke wreedheid toegeschreven, maar de bedenker van dit verhaal had van verschrikkelijke verbeelding ook best veel pap gegeten. In deze scène giet een Romein een of andere vloeistof over de rechtse broer: ofwel is hij daar al verbrand van dat hete lood, ofwel krijgt het er nog een geut van het goedje wij.  Hij kan zijn armen en handen niet meer ten hemel heffen, maar onder deze marteling gedraagt hij zich best dapper: hij moet goddelijke krachten hebben, dat kan niet anders.                                                                                                                                         

De tweede foltering: een bad ijskoud water

Onthoofding betekent het einde van het lijden voor beide broers: de beul heft het zwaard dat hij met een krachtige zwaai op de nek van de laatste broer neer zal laten komen: er spreekt inderdaad nogal wat keihard geweld uit deze houwdegen! De eerste broer ligt daarnaast op de grond, helaas al onthoofd. De magistraat en de ramptoeristen zijn er ook weer: alles gebeeldhouwd zoals het hoort.


Finale foltering: de onthoofding

Natuurlijk gaat het altijd over stichtende onwaarschijnlijke verhalen die niet meer van deze tijd zijn, maar anderzijds is het wel zo dat Pasquier Borman ze met virtuositeit en bravoure vorm kon gegeven: juist daarom is al dat onwaarschijnlijks de moeite van het goed bekijken waard. Wat een kunstenaar moet die man geweest zijn! En al dat kunstigs hangt zomaar in Herentals!

dinsdag 29 oktober 2019

Jan Brueghel I, een uitmuntend tekenaar - III (slot)

Jan Brueghel hield zich niet al te vaak bezig met godsdienstige onderwerpen: ik heb het wel gehad over Christus die door Satan bekoord werd, maar talrijk zijn andere religieuze voorstellingen niet. Wel zijn er een paar over de stigmatisering van de Heilige Franciscus. Aegidius Sadeler II maakte de prent naar de tekening van Jan: hij heeft op het einde van de 16de eeuw ook in Rome verbleven, waar hij Jan Brueghel ontmoette en verder contact met hem had. In een imposant landschap kijkt het kleine figuurtje dat Franciscus is naar de zonnestralen die van achter een wolk tevoorschijn komen, en die de stigmata lijken te veroorzaken: God zelf schijnt die rechtstreeks te verlenen en aan te brengen. Geen wonder dat Franciscus in volle overgave zijn armen spreidt. In de linkerbenedenhoek zit een niet nader te omschrijven dikke man, maar duidelijk zal zijn dat de gewone weldoorvoede sterveling een hevig contrast vormt met de veel fijnere Franciscus.


Aegidius Sadeler II naar Jan Brueghel, De Stigmatisering van de Heilige Franciscus, ca. 1604

En laten we nu eventjes naar de Ardennen gaan, want daar heeft Jan ook gezeten, in Spa meer bepaald. Deze tekening is voor mij ook jeugdsentiment: in de jaren 60 brachten we een drietal jaren na elkaar de kermisweek door in Spa, in Spaloumont/Sol Cress, een huis van de katholieke ziekenkas of vakbond was dat. Spa voerde al vanaf de zestiende eeuw bronwater uit, maar daar is hiervan niets te merken. Maar mensen genoeg, daar op de Grote Markt, en huizen die in een stad passen: het zijn zeker geen nederige boerenstulpjes.


Jan Brueghel, Uitzicht op Spa in oostelijke richting vanaf de Grote Markt, 1612

Een van de mooiste tekeningen van deze tentoonstelling vind ik 'Brug over een rivier': je zou verleid worden om te denken dat dit tafereel ook in de Ardennen te situeren valt, maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn. De ruiter die aan zijn overtocht begint, lijkt door een vrouw uitgewuifd te worden, en allicht wenst ze hem een voorspoedige reis. Onder de brug vaart een bootje naar een stad in de achtergrond, of vaart er net van weg. In een bootje aan de oever zitten twee mensen rustig te vissen: 'über alle Gipfeln ist Ruh' lijkt het wel, overdag dan, want de nacht is nog veraf. Heel fijn is het centrale deel van deze tekening uitgewerkt, en mooi ingelijst door de boompartijen links en rechts: evenwicht, rust en kalmte, zo komt dat bij mij over. Prachtig werk, vind ik het.


Jan Brueghel, Een houten brug over een rivier, ca. 1604-05

Wil je eens werk zien van topkwaliteit, van een Brueghel, maar niet van Pieter senior, Dan kun je het Snijders-Rockoxhuis niet links laten liggen, zou ik zeggen. Nog tot 26 januari 2020 is 'Jan Brueghel I, een uitmuntend tekenaar' open. Niet te missen, maar dat had je al begrepen.

maandag 28 oktober 2019

Jan Brueghel I - een uitmuntend tekenaar - II

Een afdeling van de tentoonstelling heeft de titel 'Rivier- en dorpsgezichten': daarmee gaf Jan Brueghel een deel van het dagelijkse leven in de 17de eeuw weer. Het eerste riviergezicht heet 'Kanaal met zeilboten en vee'; uit 1620 is het. Het zou kunnen dat deze waterweg het Willebroekkanaal is, tussen 1550 en 1561 gegraven om Brussel met Antwerpen en de Schelde te verbinden (dat lees ik in de gids). Als je goed kijkt, zie je in het kanaal drie boten varen, en aan de linkeroever zie je er nog eens drie aangemeerd liggen: de waterweg werd inderdaad goed gebruikt. Links onderaan gaat een kudde koeien te water: of die daar kunnen oversteken weet ik niet, misschien komen ze daar alleen maar drinken. Een beetje hoger dan de kudde kun je de eerste huizen van een dorp zien, en op de rechteroever lopen eerst twee mannen (de linkse draagt zelfs een zwaard), en een paar meter achter hen loopt een derde: alle drie dragen ze een fatsoenlijke hoed: van iets betere stand lijken zij te zijn.


Jan Brueghel, Kanaal met zeilboten en vee, 1620

In de vorige tekst (over Sint-Maarten) ging het over de schrijnende armoede van Jan Brueghels tijd. Natuurlijk hadden de meesten het toen niet breed, wel integendeel, maar 'Molen aan een drukke rivier' laat zien dat er toch economische activiteit was: die molen heeft pas gedraaid, want twee voerlieden staan met paard en kar te wachten om het meel te vervoeren: vraag is alleen wie kon zich dat meel, dat brood veroorloven. En die boten blijven daar natuurlijk ook niet de hele dag liggen. Naast een behoorlijk arme laag van de bevolking zullen er meer gefortuneerden geweest zijn, denken we maar aan Rubens.


Molen aan een drukke rivier, 1620 

De 'Dorpsstraat' uit het eerste decennium van de 17de eeuw vind ik echt een aantrekkelijke tekening: je ziet twee rijen huizen, zoals het een straat betaamt, je ziet volk lopen, boodschappen doen allicht, diverse rijtuigen, een dorpspomp: er is nogal wat leven in de 'dorpsstraat'. Maar het leukste van allemaal: in al die drukte heeft een kar zijn linkerwiel verloren: as gebroken naar alle waarschijnlijkheid. Het paard staat ernaar te kijken: veel meer kan het niet doen. Twee mannen doen hun best om te herstellen wat te herstellen valt: ze zitten in een precaire situatie: geen wegenwacht om naar te bellen, ook geen gsm om mee te bellen. Gelukkig was de tijd toen minder gehaast, maar vervelend was het alleszins. Maar kar of auto: er is niets nieuws onder de zon!


Jan Brueghel, Dorpsstraat, begin 17de eeuw

Door die tekeningen kom je langzamerhand de zeventiende eeuw binnen: voor een gratis tijdreis zorgt Jan Brueghel. Het is zonder meer leuk je voorouders op een zeer geslaagde tekening zo bezig te zien. Tenminste: dat vind ik.

zondag 27 oktober 2019

Jan Brueghel I - een uitmuntend tekenaar - I

De naam Brueghel is dit jaar meer dan eens in de aandacht geweest: Wenen, Bokrijk, de Koninklijke Bibliotheek/Bibliothèque Royale (afgekort KBR): er viel aan Brueghel niet te ontsnappen. Toch niet aan Pieter Brueghel de Oude; maar er is ook Pieter Brueghel de Jonge, en Jan Brueghel de Oude, zonen van de eerste. Pieter de Jonge heeft vooral werken van zijn vader gekopieerd, voor zover ik weet althans, Jan de Oude, ook bekend als de Fluwelen Brueghel, is een meer oorspronkelijke kunstenaar. Hij tekende, schilderde, was vaak medewerker van Rubens, en werd naast Pieter Pauwel beschouwd als een der beste kunstenaars van zijn tijd. Van die Jan loopt nu in het Snijders-Rockoxhuis tot 26 januari 2020 de tentoonstelling 'Jan Brueghel I, een uitmuntend tekenaar'. En er hangt wel wat op die expo: zo'n 70 werken: over de natuur, over rivieren, verkeer van die tijd, een paar religieuze werken (Sint-Franciscus die de stigmata ontvangt): je kunt je ogen er de kost geven, met nagerecht erbij.

Op een tekening uit 1595 tekent Jan een klein dierenparadijs: beren zijn er te zien, drie herten, vier konijnen en een leeuw. Op de kleine foto is het wel een beetje een zoekplaatje: de beren zitten links op de voorgrond, de herten tussen de twee bomen op de voorgrond, de konijnen tussen beren en herten, de leeuw links naast de linkse boom: hij loopt de helling op. Het is zo'n beetje 'Vrede op aarde aan de dieren van goede wil!' wat je hier ziet: de realiteit wil wel eens anders zijn, zoals ik al zei: een klein dierenparadijs. Het is overigens bekend dat Jan Brueghel op grote schilderijen van Rubens verantwoordelijk was voor 'alle dieren, groot en klein'. Hij schilderde graag dieren, zomaar, en hij kon dat. Opvallend is ook dat in deze tekening van bomen, die niet wandelen of kunnen gaan lopen, behoorlijk wat beweging en ritme zitten: levendig werk is het. Jan, die deze tekening gemaakt heeft op zijn Italiëreis, nam tekeningen van zijn  vader mee op die reis, en links onderaan staat te lezen: 'Bruegel inuen 1554 Roma': zo vader, zo zoon.


Jan Brueghel, Boslandschap met een familie van beren, herten en andere dieren, ca.1595

Nog een boslandschap, maar nu een met mensen in plaats van dieren. Hoewel, geen echte mensen: links zie je twee kleine figuurtjes. Dat is Christus, met aureool, die door Satan in bekoring gebracht wordt. Na zijn doop bracht Christus 40 dagen vastend in de woestijn door, waarop de duivel hem uitdaagde: als jij God bent, verander dan de stenen die hier liggen in brood, en je zult geen honger meer lijden. Satan is hier een oud mannetje met wandelstok en pinnemuts die Jezus gewoon een brood aanbiedt: hij heeft meer weg van een doorgeschoten kabouter dan van de baarlijke duivel. De figuren van Christus en Satan zijn door Cok aan de tekening toegevoegd. Onderaan staat nog een tekst in het Latijn, die in vertaling luidt: 'De mens zal niet alleen van brood leven, maar van elk woord dat uit Gods mond komt (Matt 4:4)'. Door dit werk is de stamvader van de Bruegheldynastie ook een beetje aanwezig op deze tentoonstelling.


Hiëronymus Cock (Antwerpen 1518-1570) naar Pieter Brueghel: Landschap met de verzoeking van Christus, ca. 1554, Ets en gravure

Veel volk op de voorgrond in de volgende tekening: Sint-Maarten is in het dorp aangekomen! Hij zit te paard natuurlijk: centraal in de linkse groep mensen bevindt hij zich. Uit zijn houding blijkt dat hij zijn mantel in tweeën aan het snijden is, om een deel aan een van de dorpelingen te geven. Maar kennelijk heeft niemand van hen het te breed: iedereen lijkt de gelukkige wel te willen zijn. Eigenaardig is wel dat Sint-Maarten door zoveel mensen omringd wordt: gewoonlijk zie je de Heilige met een arme dompelaar. Het huis met verdieping en zolderverdieping daar nog boven is een voorbeeld van vergane glorie: de bouwheer ervan moet ooit een  iemand geweest zijn die goed in de slappe was zat, maar dat is voorbij. Het huis is duidelijk op zijn  retour, om het zomaar te zeggen. Deze tekening zegt ook iets over het leven en de levensomstandigheden in het begin van de 17de eeuw.


Jan Brueghel, Dorpsstraat met Sint-Maarten, ca. 1603-1605

Een zeer verwant schilderij komt uit 1611: veel meer mensen zijn  te hoop gelopen, er staat een paard links en een centraal (dat is Sint-Maarten), het huis op de voorgrond is lager geworden, het is nu veel duidelijker een straat, een weg die naar de bossen toeloopt: verwant schilderij dat wel, maar toch erg verschillend. Dergelijke taferelen met Sint-Maarten waren in die tijd erg populair: 'omdat ze aandacht vroegen voor de grote armoede en ziekten die de maatschappij teisterden' zegt het gidsje dat de tentoonstelling verklaart.


Jan Brueghel, Sint-Maarten geeft een deel van zijn mantel weg,1611

Maar er was nog veel meer: zie volgende tekst!






dinsdag 22 oktober 2019

Hoogstraten, Sint-Katharinakerk, glas-in-loodramen

Gisteren had ik nog eens kerkwacht in de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten: ons erfgoed mee bewaken noem ik dat. Nog nooit had ik al geprobeerd foto's te nemen van de gebrandschilderde ramen, denkend dat me dat toch nooit fatsoenlijk zou lukken. Tot gisteren: ik wilde het toch eens proberen, je weet maar nooit.

In het hoogkoor stellen zeven ramen de zeven sacramenten voor: zo hoort dat in een kerk. Die glas-in-loodramen komen al uit 1531-1533, en zijn het werk van Antonis Evertsoen van Culemborg ( de eerste gravin was overigens ook van Culemborg). Ze zijn zeer kunstig vervaardigd, duidelijk in de nieuwe renaissance stijl, al zijn de onderwerpen dan uiteraard religieus. Op de eerste foto zie je Christus aan het kruis, geflankeerd door Maria en Jezus' lievelingsleerling, Johannes. Boven het kruis is renaissance architectuur te zien. Onder de 'C' en de 'I' kun je merken in welk jaar dit raam gemaakt is: Anno 1531. Bijna 500 jaar oud, dus.


De kruisdood, 1531

Niet al deze ramen dateren uit de zestiende eeuw: in de loop der tijden hebben ze een en ander geleden, zodat een aantal in de negentiende eeuw gerestaureerd diende te worden. Een mooi voorbeeld daarvan is het raam met op het onderste deel het eerste grafelijke echtpaar: Antoon de Lalaing en zijn vrouw Elisabeth van Culemborg. Het is zeker dat zij dat zijn dat omdat onder de graaf zijn wapen prijkt (rood met witte ruiten), en achter hem staat zijn patroonheilige, Sint-Antonius. Wie de kerk bekostigd had, wilde natuurlijk voor eeuwig en drie dagen zichtbaar blijven: ze hadden ongetwijfeld hun trots en 'noblesse oblige' zullen ze ongetwijfeld gedacht hebben. Hoe zou je zelf zijn. Op de onderste rand van het raam staan de namen van de restaurateurs: ene Cauwenbergh en J.B. Capronnier. 1861 kun je rechts onderaan ook lezen: dat is natuurlijk het jaar van de restauratie.


Antoon de Lalaing en Elisabeth van Culemborg

Laten we er nu maar eens een sacrament bijhalen: het huwelijk. Een gemijterde bisschop met baard legt de handen van bruid en bruidegom in elkaar. Hij is in het blauw, zijn getuige staat achter hem; zij heeft een rijke bruidsjurk aan: groenig, met nogal wat versieringen. Ook achter haar staat en getuige, en dan nog een jonge vrouw die de sleep draagt. Het zijn duidelijk geen twee paupers die vanaf dat ogenblik hun leven samen willen leiden. En allicht hebben zij de bisschop horen zeggen: 'Wat God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden.' (Marcus 10:9)


Het huwelijk

Velen van ons zijn in hun jonge jaren ooit wel eens te communie geweest, en dat sacrament staat er ook bij, alleen heet dat nu de eucharistie. De kerk heeft haar woordenschat opgefrist: een mis heet nu een viering. Het akeligste dat ik ooit gehoord een gelezen heb, was een 'begrafenisviering': om gillend de kerk uit te stormen, denk ik dan. Voor zo'n woord moet je geloof wel heel vast zijn! Weer een bisschop reikt een oudere man de hostie aan. De kunstenaar heeft achter het altaar zelfs een schilderij geconstrueerd: een Mariaboodschap zie je, de engel Gabriël komt haar zeggen dat zij Gods zoon zal baren.


 De communie

De kleuren in deze ramen zijn best geslaagd, vooral het blauw vind ik erg treffend. Het is jammer dat de taferelen zo hoog hangen, maar met een beetje verrekijker zou je kunnen zien dat op de achtergrond van de hoofdtaferelen delen van steden en gebouwen te zien zijn, dieren en voorbijtrekkende reizigers: er is bijzonder veel zorg besteed aan deze kunstwerken.

Als je de kerk verlaat, zie je een recent glas-in-loodraam: het Lam Gods staat op het boek met de zeven zegels, waarvan je er maar zes ziet: de steunbalk midden in het raam verbergt er een. Aan weerszijden van het Lam en eronder zie je de vier symbolen van de evangelisten: rechts de adelaar, links de engel, en eronder de stier en de leeuw. Uiterst links en rechts staan een man en een vrouw: zij stellen de mensheid voor. Helemaal van boven zijn de werktuigen van de kruisiging weergegeven: een ladder, een doornenkroon, een leeg kruis, hamer en trektang, de schandpaal waaraan Jezus gebonden was tijdens zijn bespotting.
Dit is werk van Jan Willemen, en het is geïnstalleerd in 1980, heel recent dus. In de maand juli heb ik in Limburg muurschilderingen gezien - als je de kerk verlaat - die steeds het Laatste Oordeel uitbeeldden: in Hoogstraten wordt niet met de eeuwige straf van brandende pek en verdoemenis gedreigd, maar we zijn hier ook een paar eeuwen later.


Jan Willemen, Het Lam Gods, 1979-80

Wil je nog dergelijke ramen zien in de kerk van Hoogstraten: in de noorder- en zuiderzijbeuk zijn er nog van die moderne, die best het bekijken waard zijn. Dat geldt trouwens voor heel de kerk van Hoogstraten, maar dat heb ik al meermaals gezegd.