vrijdag 27 februari 2015

Turnhout, Begijnhof - Heilige Katharina, Frans II Francken

Op dit ogenblik loopt in het Begijnhof van Turnhout de tentoonstelling 'De andere verbeeld/Verbeeld gevaar'. Onderwerp is hoe 'de andere' door in dit geval katholieken uitgebeeld werd in schilderijen en beelden, en hoe die tezelfdertijd als vijanden en gevaar gezien werden. Bedreigingen werden waren 'de Turk', want moslim, 'de ketter', want afgedwaald van het rechte geloof, of erger nog ongelovig, 'de zwarte' want niet katholiek, en 'de jood', want moordenaar van Christus. In de Begijnhofkerk zie je een aantal 'reclamepanelen' die die uitbeeldingen laten zien, maar eerlijk gezegd, geslaagd en boeiend vind ik ze niet. Er is wel veel uitleg te lezen. Veel interessanter is een bijlage bij de expo: 'Beeldvorming in de religieuze kunst', met behoorlijk wat lezenswaardige teksten die je echter op de tentoonstelling moeilijk kunt verhapstukken.  Maar je moet beginnen in het Begijnhofmuseum, en dat bezit twee artefacten die echt de moeite waard zijn.

De Heilige Katharina, polychroom beeld uit de zestiende eeuw

Er is ten eerste een zestiende-eeuws beeld van de Heilige Catharina van Alexandrië, polychroom bovendien: authentiek zeg maar. Je kunt ernaast de uitleg lezen: haar rechterarm is ze in de loop der tijden kwijtgeraakt, maar in de ontbrekende rechterhand had ze ongetwijfeld het zwaard vast, symbool van haar onthoofding. Aan haar voeten ligt keizer Maxentius, die ze door haar onwrikbaar geloof onverwonnen heeft: zij is als maagdelijke martelares gestorven, haar overwinning is van spirituele aard. Naast hem ligt ook een wiel - dat kun je niet goed zien - waarmee ze gemarteld moest worden. Die Maxentius was een doortrapte sadist: hij liet vier houten raderen maken waaruit messen en stevige spijkers staken, zowat het systeem van 'the iron lady'. Daarvan draaiden er twee naar links, twee naar rechts, en daar moest Catharina dan tussen gaan staan, zodat ze volledig verhakkeld (eigenlijk 'verhakseld') zou worden en een wrede dood sterven. Maar er daalde een engel uit de hemel, hij veroorzaakte een storm en die vernielde de constructie: weg de marteling door de keizer bedacht! Die keert zich dan tot de oude, beproefde methode, en laat haar met het zwaard onthoofden.

Voordien had zij 's keizers vrouw tot het christendom bekeerd, die dan ook door haar man gedood wordt, en daarvoor nog de vijftig geleerdste en knapste koppen van het rijk, die haar in een debat moesten overtuigen haar sektarisch geloof te laten varen, en weer aan de oude goden te offeren, wat het enige was dat Maxentius wilde. Die vijftig vinden de dood op de brandstapel, maar hun lichamen komen redelijk ongeschonden uit het vuur: weer een wonder! De keizer wilde haar niet in zijn bed, hij was niet verliefd op haar, hij wilde gewoon van de nieuwe godsdienst niet weten of horen, want natuurlijk staatsgevaarlijk.

Catharina was ongewoon mooi, erg ontwikkeld ook: zij was opgeleid in de zeven vrije kunsten, kende wat er toen aan wetenschap te weten was: een uitzonderlijke jonge vrouw! En die wordt dan martelares: voorwaar zeer stichtelijk.

Ik haal mijn kennis uit het boek 'Het leven van de heilige Katherina van Alexandrië' een laat-middeleeuws handschrift uit Gouda, dat met de oorspronkelijke tekst en hertaling uitgegeven is in 2011. Daar staat ook in te lezen dat de Heilige Katharina ten gevolge van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) van de Liturgische Kalender is geschrapt: weg Heilige Katharina. De verhalen over haar waren te ongeloofwaardig geworden , het hele verhaal is gefingeerd, en over de persoon van Katherina zelf kan niets bewezen worden, aldus de inleiding van het geciteerde boek. Wat Hoogstraten niet belet zijn hoofdkerk nog steeds aan haar te wijden.

En wat het beeld in deze tentoonstelling betreft: het is Maxentius aan Katharina's voeten die de heiden, de ongelovige verbeeldt.


Rogier van der Weyden, De Heilige Catharina, Kunsthistorisches Museum, Wenen

Van Frans Francken II hangt in het museum een niet zo groot schilderij: De bespotting van Christus door de joden. De man stamt uit een schildersgeslacht dat in de zestiende en zeventiende eeuw in Antwerpen erg actief was. Hij is de derde zoon van Jan I, die overigens van Herentals was. Dit is een schilderij uit het begin van de zeventiende eeuw: Christus heeft de bekende doornenkroon op, zijn handen zijn geboeid, als 'Koning der Joden' heeft hij een rietstengel vast die zijn  scepter moet verbeelden. Achter hem staan Romeinse soldaten, er is een Turk te zien, en natuurlijk joden, de moordenaars van Christus, met werkelijk lelijke, gemene en karikaturale gezichten. Ze bespotten en vernederen hem tot een nietswaardig persoon, maar hij zal nog verder in 'diepten van ellende' moeten afdalen. Merkwaardig vind ik het dat een werk van Jan Francken II, al is hij dan een 'pictor minor' zomaar in het Begijnhofmuseum van Turnhout hangt. Je weet soms niet wat je eigen stad aan kleine schatten bezit.


Frans Francken II, De bespotting van Christus door de joden'

Alleen al de Heilige Katharina en het werk van Francken maakten de voor mij verplaatsing naar het Begijnhof waard. Soms moet je van je eigen provinciestad warempel denken: 'Plus est en vous'. Mooi vind ik dat.

vrijdag 20 februari 2015

In de Bib: Voorlezen in 't Turnhouts

Een week geleden valt mij een eigenaardige vraag toe: of ik in de bibliotheek van Turnhout twee keer twintig minuten in het Turnhouts wil komen voorlezen. Dat is mijn moedertaal, en die beheers ik nog altijd, dus waarom niet? Ironie ook: ik ben altijd leraar Nederlands geweest, en met overtuiging ook, en als ik voor een publiek spreek, is dat ook steeds in het Nederlands geweest. Maar als Turnhout zijn zonen uitzendt, wil ik er best een van zijn.

Moeilijkheid is natuurlijk dat er bijn mijn weten geen geschreven teksten in het 'Turnawts' bestaan. IK krijfg en boek in mijn handen: Stefaan Top, Op verhaal komen, Sagen uit de provincie Antwerpen, uitg. Davidsfonds, 2007. Het staat vol verhaaltjes, ook uit de Kempen, ook uit Turnhout en omliggende dorpen, alleen die staan allemaal in het Nederlands. Dus heb ik er een aantal naar het Turnhouts vertaald. De zinsbouw is in feite geen probleem, maar met de woordenschat is dat al wat anders. In ons dialect ken ik geen woord voor 'buurvrouw', wat overigens een mooi beschaafd woord is. Dat wordt dan 'di van neffen os''. 'Iemand toespreken' bestaat evenmin in mijn moedertaal: dat wordt 'klappen over', 'et emmen over'. Zo wordt me erg duidelijk dat op dat gebied een dialect wel echt arm is. Zo'n vertaaloefening is metterdaad een pleidooi voor Algemeen Nederlands.

En dan de spelling: die moet zo fonetisch mogelijk zijn, maar voor alle klanken bestaan natuurlijk geen lettertekens. Een 'vrouw' wordt heel gemakkelijk een 'vraaw', en ' 's nachts' zonder meer 'snaachs', maar zo simpel is het niet altijd. 'Lopen' in 't Turnhouts? Ik heb ten slotte beslist voor 'loeëpe' als spelling die et best de uitspraak benadert. De korte 'eu' is ook een probleem: ik heb gekozen voor een soort van 'Duitse' spelling: o- umlaut zoals in 'fördern', en dan krijg je bijvoorbeeld 'vör' en dör' voor 'voor' en door'. Maar het blijft een hoogst persoonlijke spelling, en er zijn waarschijnlijk andere mogelijkheden.

Hoe dan ook, ik heb een aantal van die verhaaltjes in 't 'Turnawts' omgezet. Als je ze leest, lijkt het wel een soort van Scandinavisch, maar toehoorders verstonden ze zonder meer. De 'sagen' gaan meestal over dwaallichtjes, duivels heksen, onverklaarbare fenomenen die de meest fantastische vertellingen opleveren, ongelooflijk en nu ongeloofwaardig. De bronnen ervan waren zeer oude mensen die het hadden over zaken van voor de Eerste Wereldoorlog of van nog uit een eind in de negentiende eeuw, toen de Kempen niet veel meer was dan zand en bossen, en oud Kastels (bij)geloof. Bovendien konden tamelijk weinig mensen in die tijden lezen of schrijven. In mijn eigen familie, in de rechts lijn, was de eerste die dat kon mijn overgrootvader, en die is geboren rond 1860. De Kempen, Turnhout incluis, was toen een arme streek, in alle betekenissen van het woord.


In Turnhout praten we een variant van het Brabants

Ter lering en vermaak: drie voorbeelden van vertelsels in het Turnhouts:


39 Onbekengde vraaw doe ne vengt snaachs verlore loeëpe

De vaoder van os mô, da was den belleman van de stad en van de notöres. Vruger dejje ze veul verkoeëpe aon tfeld. Ier oep Paopenbrugge was da toen nog allemaol bos, op e ketier va hier zaot al in de bosse.
Vôvô kwam zoeë is van ne verkoeëp trug nör ooës en et wir al donker toen ie dör tbos ging. Toen kwam ie daor een vraaw tege, en die zej: 'Michiel, gaode gè nör ooës?' 'Jao, zej vôvô, en toen zej ze: ' Agge da mèr goe wet.' Zoeë zej ze da. En ik liep en ik liep, zej vôvô, en ik von nieveraans nog de weg, en ik kende di bosse daor toch choed genog. Toen gingek ligge - twas in de zomer - en ik  viel in slaop. En toen ak smorges wakker wir, zat daor vör maai e voggeltsje in nen boeëm te flooëte. En da foggeltsje vloog weg en toen docht ik: ik sal da foggeltsje mèr vollege. En zoeë kwammek trug oep de gujje weg.

Verteld door Gielen T., arbeider, 88 jaar, Turnhout


154 Di van neffen os is een eks

Toenak nog jonk was, wooënde wölli aon de Lemmekezoek in Turnawt. To wooënde neffen os en da was e kaoi vremmes. Me klaai zusterke ee taor erd van afgezing. To aoi daor de kaoi aand over laote valle. En os mô muzze kinneke kooëpe, en dan wir di ok ziek. Ze lag oep een oepkaomerke, ja, ier waast tvengsterke en daor was den trap, en toen was To bè os mô.
Iemaand ooët tpaopeströtje is dan nör de paoters gelooëpe. Nege daoge ging dieë paoter v'rbaai os deur en dan las dieë, want menieër, wölli zèn ieël kattelieke mengse. En toen kreeg maai zusterke e schappelierke en dad ing ie rongd örren als.
Toen To wèr is bè os mô was, zej m'n brurke: 'Gefta schappelierke is ier.' En a stak da ongder den dörpel van dad oepkaomerke. To vulde da en ze begos te schelle en lewaat te maoke, zoeë stakser aanden oep, sè. Toen pakte m'n brurke da schappelierke weg en To vloog de kaomer ooët zongder de trappe te raoke. Booëte ee se lank stön schelle vör tvengster en toen zejjekik: 'To, in Godsnaom, schetterooët. En noeët emme ze nog truggezing. En laoter is se mè 'r doochter in de Gaastestraot gön woeëne.

Verteld door Liza L., huishoudstr, 90 jaar, Turnhout



320 E mèèske daanst metten duvel in de kesnaacht

Deez èècht gebeurd. Kweet ni zjust of da bè vertellingeskes te pas komt. Ieën di in törp mè nen duvel gedaanst aoi. Twas mè ne kesnaacht. Di doochter was in de stad gön diene en daor koste ze tooës gène weg mèr mej. En di zej: 'Ksèn eweg, kchön daanse. Mèr örre vô zej: 'Gaai bleft tooës, mè Kesmis gaode gè ni daanse.' Mèr di doochter zej: 'Ksèn eweg, ksèn eweg, en ik sal daanse, al muttek metten duvel daanse.' En ze ging nör Turnawt. En ne schoëne menieër kwammmer aole, en ze daanste d'rmej en ze vulde ditte en ze zag z'n oeëge en ze zag dattet den duvel was en zaai weg. Da was de betovergroeëtmoeder van een vriengdin va maai, mèr dieë naom gönnek naa ni noeme.
Dadis èècht gebeurd. Dadis èècht waor gebeurd.

Verteld door Jef V., arbeider , 76 jaar Vorselaar


Een kennis uit het publiek wil me dat elders nog eens laten voorlezen: het heeft sommigen dus wel aangesproken. Zich uit nostalgie laten onderdompelen in vroeger, in zaken die steeds meer verdwijnen, daar houden de mensen van. Alleen zou er dan een opname van gemaakt moeten worden: niet voor mijn stem of eigen eer en glorie, maar omdat er zo een heel klein stukje erfdeel bewaard kan worden. Denk ik dan.

maandag 9 februari 2015

Geel-Bel - Oberon en/in Sint-Lambertus

Zelfs als je van Turnhout bent, kom je niet vaak in Bel, een gehucht van Geel: ik was er tot gisteren nog nooit geweest. Gisteren wel dus: het strijkkwintet 'Oberon' trad er op, en een van de vijf musici is een oud-leerling van mij, en zelfs als leraar op rust vind ik dat daar bij hoor te zijn. Het was overigens een zeer fijn concert. Op het programma onder meer een 'Quintetto' van de mij onbekende componist Louis Théodore Gouvy (1819-1898) met daarin een 'Andantino con moto' met heel wat emotie, gemoedsbeweging dus. Overigens had Hector Berlioz, toch niet een van de minsten, veel respect voor deze Gouvy. Verder twee tango's van Astor Piazzola, waaronder 'Adios Nonino', het werk dat Maxima tijdens haar huwelijksmis tot tranen toe roerde; dat werd als bisnummer nog eens gespeeld, niet op een bandoneon dus, maar met twee violen, een altviool, een cello en een contrabas komt dat zeker even diep binnen. Van Nicolas De Cock, een van de twee violisten, hoorden we een 'Tango', gecomponeerd voor de vijftigste huwelijksverjaardag van zijn ouders, en een String Quintet' in vier delen, met een sterk 'Scherzo'. Het was meer dan een fijn en geslaagd concert, het was een belevenis.


Strijkkwintet 'Oberon', met Martje Hermans aan de contrabas

De Sint-Lambertuskerk, waar het concert plaatsvond, is geen wonder van religieuze architectuur (het is een neogotisch gebouw). Het heeft wel een merkwaardig orgel uit de 18de eeuw: dat is al iets voor een Kempisch gehucht, maar het interieur zelf is eerder gewoontjes. Het is de toren die de aandacht verdient: die is van rond 1500, in zogenaamde Kempisch baksteengotiek. Een spits heeft hij niet, maar authentiek is hij wel, en als 'Kempisch' in dit geval mag betekenen stoer en sterk, nou, dat is hij zeker wel. En sober, zeer sober, mag je wel zeggen. Ik probeer me voor te stellen wat zo'n imposant gebouw moet betekend hebben eind van de 15de, begin 16de eeuw: een krachtige mijlpaal in het landschap, 'a landmark' zoals de Engelsen zeggen, waar de onwrikbare waarheid werd verkondigd. Hoewel, dat begon er in die tijd om te spannen, maar ook in de Kempen? Wat wat stond er aan huizen in het gehucht Bel rond die kerk: waren dat schamele boerderijen, hutten van betere kwaliteit of was het leven van de gewone 'Bellenaar' nog meer precair? Ik vermoed dat de levenskwaliteit van de gewone man/vrouw niet zo verschrikkelijk hoog kan geweest zijn, en dan zo'n toren! Hoe moeten die mensen zich gevoeld hebben?


De toren van de Sint-Lambertuskerk



Zonder spits

Deze toren doet me denken aan die van de Sint-Dimpnakerkin Geel-Centrum. Die is even stoer en nog massiever, maar de witte speklagen en de pinakels zorgen voor enige lichtheid en versiering, maar een spits staat er evenmin op. Hij is trouwens gebouwd vanaf 1489, maar hij is nooit afgeraakt. Maar de twee torens schijnen wel een beetje familie van elkaar.



Sint-Dimpna in Geel, zonder spits

Zo ga je naar een concert in Geel-Bel, en je krijgt er zomaar een interessante toren bij. Mooi toch!

vrijdag 6 februari 2015

De zee - salut d'honneur Jan Hoet - 2 - zeeschappen

Zeeschappen

Negentiende-eeuwse schilders lieten zich natuurlijk ook niet onbetuigd als het over zeegezichten ging, vooral als ze er vlakbij leefden en werkten, zoals James Ensor: je kunt je eigenlijk niet voorstellen dat hij hier zou ontbreken. Een 'Grote marine' uit 1885 is best indrukwekkend: een immense regenbui drenst op de zee neer. Grijs weer, denk je dan, maar wat een kleuren heeft hij in dit 'on-weer' gestopt: blauw, grijs, grijzig wit, gelig wit, veel schakeringen van bruin: ik heb zelden zo'n levendige plensbui gezien.


James Ensor, Grote Marine, 1885

Prachtig is ook 'Christus bedaart de storm', uit 1891. Het scheepje met Christus en de apostelen is gevat, gevangen zou ik zeggen, in een omcirkelende beweging: de golven stuwen van rechts van onderen naar omhoog, gaan dan over in de wolken, waaruit dan de regen neerstroomt vlak voor het scheepje, weer rechts van onderen, en zo is de cirkel gesloten: wat een kleurenspel alweer, wat een beweging en leven in dit schilderij. Stellen dat Ensor een zeer groot kunstenaar was, is een open deur intrappen, maar dit zijn in ieder geval meesterwerken om u tegen te zeggen.


James Ensor, Christus bedaart de storm, 1891

Een rustige, vlakke zee met een staalblauwe hemel is interessant voor de gemiddelde toerist maar echt niet voor een schilder: hij heeft niet veel aan die eentonigheid, er moet wat actie te zien zijn. Het hoeft niet altijd een storm te zijn: een driegende wolk en genoeg wind die een beetje spectaculaire golf veroorzaakt, volstaan om de om de kracht van de natuur uit te beelden en de eigen schilderkunstige capaciteiten in de verf te zetten. Dat wist ook Gustave Courbet toen hij in 1869 in Normandië 'La vague' en een aantal ander zeeschappen maakte. Met goed gevolg, zoals 'La vague' laat zien.


Gustave Courbet, La vague, 1869

Zeeschap met mensen

Schilders willen ook wel kalme zeeën op het doek brengen, en dan worden de kleuren zachter, schitterend licht wordt veel belangrijker, en om het helemaal idyllisch te maken voegen ze een aantal mensen toe, bij voorkeur, zoniet uitsluitend naakte vrouwen.Dat doet bijvoorbeeld Theo van Rijsselberghe met 'De baadsters' uit ca. 1920. Deze Gentenaar heeft behoorlijk wat pointillistisch werk op zijn actief, en kon zodoende het licht echt mooi vatten: zijn schilderijen stralen, geven je inderdaad een licht gevoel. Voor dat licht heeft hij drie reizen naar Marokko ondernomen, en na 1905 was hij in Zuid-Frankrijk en aan de Côte d'Azur actief. Echt pointillistisch zijn 'De baadsters' niet, maar de blikkerende golfjes doen er toch nog aan denken. De paradijselijke naakten zijn dan weer goed duidelijk, pour le besoin de la cause... Idylle, paradijs, vrijheid en veel licht roept het doek op. Romantisch, zeker niet echt realistisch, maar vlak na WO I was dat allicht een verademing.


Theo van Rijsselberghe, De baadsters, ca. 1920

Een wulpser, maar tezelfdertijd kuis naakt is van de voor mij tot toen onbekende Félix Vallotton: 'Baigneuse assise sur un rocher'. Je zou nog kunnen denken aan 'De kleine zeemeermin' uit Kopenhagen, die zit ook op een rots, maar deze baadster, van wie je alleen de achterkant ziet, een derrière om meer dan een keer u tegen te zeggen, straalt duidelijk meer zinnenprikkeling uit.


Félix Valloton, Baigneuse assise sur un rocher, 1910

Zeeschap - foto

'De zee' heeft ons een mooie 3de februari bezorgd, en bovendien maakte het weer er een stralende winterdag van. Wat kan een mens zich meer wensen?


Zo zag de zee er toen uit

donderdag 5 februari 2015

De zee - salut d'honneur Jan Hoet - 1

De tentoonstelling 'De zee' in Oostende is de laatste waaraan Jan Hoet als curator heeft meegewerkt: die wil je dan wel eens gaan bekijken. Helaas heeft hij het eindresultaat en de opening niet meer mogen beleven: hij stierf al in februari 2014. Philip van den Bossche, directeur van het Mu.ZEE, heeft zijn werk dan voortgezet, en de tentoonstelling kreeg terecht de ondertitel 'salut d'honneur Jan Hoet'. En een indrukwekkend eerbetoon is het inderdaad geworden.

Er zijn werken te zien van heel veel kunstenaars, en niet van de minsten, binnen- en buitenlandse, oudere en modernere tot hedendaagse. Een zeer kleine ets is het oudste werk dat ik er gezien heb: de Engelsman William Blake (°1757), dichter-schilder-etser, geeft daarin mensen weer die aan het strand bezig zijn: een vissersboot meert aan, een herder staat met iemand te praten. Klein, maar fijn juweeltje is het.


William Blake, Menselijke activiteiten aan het strand

Van een andere Engelsman, William Turner, hangt er 'Three Seascapes', uit 1827 of daaromtrent. Hij schildert drie keer de zee, de bovenste is zo goed als inktzwart, en twee keer de lucht, dat zijn de bredere, lichtere delen. Voor Turner was dit een manier om erachter te komen wat hij het meest geslaagd vond om verder te gebruikten. Overigens, het gaat natuurlijk over de zee, maar het werk doet mij denken aan de grote doeken van Rothko; in ieder geval komt het zeer modern over, al is het dan bijna tweehonderd jaar oud.

Overigens bis: het Engels heeft het woord 'landscape'' ontleend aan het Nederlandse 'landschap'. En als het dan over de zee ging, hebben ze er gewoon en nogal logisch 'seascape' voor gevonden. Wij kennen geen 'zeeschappen', wij doen het met 'zeegezicht' of 'marine'. Taal is een wonderlijk verschijnsel: je gaat ergens leentjebuur spelen, en met dat leenwoord word je dan creatiever dan in de oorspronkelijke taal. Ik zou 'zeeschap' een prachtig woord vinden, bij de weg (by the way).


William Turner, Three Seascapes, ca. 1827

Nog uit de Angelsaksische wereld, maar uit ons zeer recente verleden: Roy Lichtenstein met een werk uit 1964 dat hij 'Gullscape' noemt, 'Meeuwschap' dus. In de popart zitten we hier. Het lijkt op een tekening uit een of andere strip, met nogal grote raster op goedkoop krantenpapier afgedrukt, maar dat is bedrieglijk: wat hier schijnt te gebeuren is het lanceren boven zee van een zware raket, met achterlating van veel uitlaatrook, en tot schrik van vijf meeuwen die zich uit de voeten maken. In het midden van de jaren 60 was de koude oorlog aan de orde van de dag, en een dergelijk beeld was dan ook niet zo wereldvreemd: angst was toen net zo goed een deel van de westerse mentaliteit. Voor mij is het een symbolisch, symptomatisch beeld van die tijd. Ik houd wel van dergelijke kunst.


Roy Lichtenstein, Gullscape, 1964

Helemaal bij de tijd zijn we met een schilderij van Thierry de Cordier: Mer du Nord, Etude n° 1, 2011. Van de Cordier heb  ik al meermaals schilderijen gezien, onder andere op de Grote Permeke Retrospectieve in 2012, en om het voorzichtig te zeggen: enige somberte is hem niet vreemd. Dit vind ik een zeer overtuigend schilderij: veel zwart en donkerte springen onmiddellijk in het oog, maar net zo goed de haast volledig witte horizon, en het licht dat centraal blinkt en weerkaatst. Als je er voor staat, lijken die golven echt te bewegen, te wiegen, zo goed en levendig heeft de Cordier dat geschilderd. Het deed me spontaan denken aan een beroemd vers: ''t zijn weiden als wiegende zeeën': die wiegende zeeën heeft Cordier weergegeven. Een topstuk op deze tentoonstelling, deze Noordzee


Thierry de Cordier, Mer du Nord, Etude n° 1, 2011, 120 x 150 cm

Deze vier werken overspannen zo'n kleine 250 jaar kunstgeschiedenis: De zee 'met haar eindeloze deining' (Willem Kloos, Frederik van Eeden) heeft in die tijd kunstenaars steeds beziggehouden en geïnspireerd. de negentiende en de twintigste eeuw waen op dat gebied niet anders, zoals zal blijken uit het werk van andere grote schilders.

vrijdag 16 januari 2015

Jan Wierix, tekenaar en etser

Jan Wierix heb ik leren kennen, nou ja, werk van hem gezien op, de tentoonstelling over Rubens in Bozar, 'Sensatie en sensualiteit': daar hingen een aantal etsen van zijn hand naar het werk van de Vlaamse barokmeester. En zo heeft hij ook meegeholpen aan de verspreiding van het werk van Rubens in Europa: en ets is gemakkelijk te reproduceren en je kan ze overal mee naartoe nemen. Wierix werkte dan ook voor of in Rubens' atelier. De man is in 1549 in Antwerpen geboren en in 1620 in Brussel gestorven, wanneer renaissance naar barok evolueert.

Drie weken later kom ik hem een tweede keer tegen op de tentoonstelling 'Renaissancetekeningen' bij 'Mayer van den Bergh in Antwerpen: daar is hij vertegenwoordigd met drie tekeningen, waarvan er een als affiche voor de expositie gebruikt wordt. Dat is 'Het atelier van Apelles', die beschouwd wordt als de grootste schilder uit de Oudheid. Apelles schildert de maîtresse van Alexander de Grote, wordt daarbij verliefd op haar, waarop Alexander haar aan Apelles schenkt: zelf had hij genoeg aan haar levensechte naakt. Het aapje links naast Alexander is een symbool voor onkuisheid, maar dat beestje is geketend: de grote veroveraar houdt zijn driften in bedwang! Mooi verhaaltje is het alleszins, en een prachtige tekening.


Jan Wierix, Het atelier van Apelles

De Oudheid is een bron van inspiratie voor tekenaars in de renaissance, maar natuurlijk ook de bijbel en het scheppingsverhaal. 'God schept de dieren' is erg mooi: zo'n onderwerp stelt de tekenaars in staat een aantal verschillende dieren naar het leven tekenen en zijn kunst en vaardigheid te demonstreren. In 'Het atelier van Apelles' wordt de minnares van Alexander als Venus afgebeeld, naakt natuurlijk, maar 'God schept Eva' geeft Wierix dezelfde gelegenheid. In een idyllisch landschap kijkt God kennelijk tevreden naar zijn prille schepselen: we zijn duidelijk in het Aards Paradijs.


God schap Eva

Een zeer geslaagde tekening is ook 'Adam en Eva in het Aards Paradijs': het is kort voor de zondeval, Eva houdt Adam de appel al voor, de slang heeft zich al rond de boom van de kennis van goed en kwaad geslingerd, maar Adam heeft nog niet gebeten, het kwaad is nog niet geschied. Het gaat Wierix hier niet zozeer om de zondeval, maar om het Paradijs: heel veel dieren beeldt hij af, en die leven allemaal in harmonie met het mensenpaar. je ziet een struisvogel, een dromedaris, parende konijnen, een everzwijn, een giraf, al dan niet zeer correct getekend. Links van Adam zit een aap, symbool van onkuisheid, uiterst rechts zie je een eenhoorn de tekening binnenstappen, en die is dan weer het symbool voor de maagdelijkheid. Weer laar Wierix zien wat hij allemaal vermag, maar aap en eenhoorn geven het werk toch ook een gelaagdheid.

Alleen die drie tekeningen maken 'Renaissancetekeningen' al de moeite waard.


Adam en Eva in het Aards Paradijs

Vroeger gebeurde er ook af en toe wel eens iets uitzonderlijks, gebeurtenissen die in onze tijd ook nog de tv-journaals halen. Zo strandden op 22 en 23 november 1577 drie potvissen in het Zuid-Hollandse Ter Heyde. Toen ook voor Wierix belangrijk genoeg om de jammerlijke dood van de dieren met een ets te vereeuwigen: het dagelijkse leven, althans uitzonderlijke gebeurtenissen daarin, waren voor Wierix even veel waard als klassiek mythologie en bijbelse onderwerpen.


Drie gestrande potvissen in Ter Heyde, 1577

Ik neem aan de specialisten Jan Wierix natuurlijk kennen; voor de geïnteresseerde leek die ik ben, is dat wel anders. Veel namen van kunstenaars uit Antwerpens Gouden Eeuw zijn voor het grote publiek inmiddels totaal onbekend, terwijl hun werk toch van hoge kwaliteit getuigt. Het geeft je er een idee van hoeveel mensen toentertijd creatief bezig moeten geweest zijn, en hoe weinig wij daar op dit ogenblik over weten. Daarom, Jan Wierix, blij dat ik je leren kennen heb.

maandag 22 december 2014

Pieter Pauwel Rubens: geweld en elegantie

In Bozar loopt nog tot 4 januari een prachtige tentoonstelling: 'Sensatie en sensualiteit, Rubens en zijn erfenis'. het gaat dus niet allen over de Vlaamse barokkunstenaar, maar zeker ook over de invloed die hij op anderen heeft gehad tot 400 jaar na zijn dood. Daar is dan Kokoschka een voorbeeld van. Er zijn behoorlijk wat werken van Eugène Delacroix, van Engelsen zoals Reynolds , Lawrence en Constable, een van Murillo: Rubens heeft wel heel wat betekend, en niet ten onrechte als je zijn eigen werk bekijkt.

In de eerste zaal, gewijd aan 'Geweld' kan je niet naast een prachtige Rubens kijken: het is best een groot doek (256 bij 324 cm), en het hangt dwars in de zaal. Het meesterlijke schilderij heet 'Jacht op leeuw, tijger en luipaard',  uit 1617. Het is een doek waarmee Rubens zijn meesterschap etaleert: hoe je op leeuwen en tijgers tegelijk kunt jagen is mijn een raadsel. Maar dat doet niet ter zake, in deze afdeling  'Geweld', hier meer bepaald geweld tussen mens en dier.
De hevige dynamiek spat van het doek, mensen en dieren zijn in een hectisch en wervelend  gevecht verwikkeld, maar de dieren geven zich niet zomaar gewonnen. Alles is beweging hier, met in het centrum een tijger die een jager in zijn schouder bijt en hem van zijn verschrikt paard tracht te sleuren, twee zwarte ruiters die hem met het zwaard proberen te ontzetten, een ruiter in het rood die met zijn lans probeert aan te vallen: hier gebeurt een en ander.

De wervelende beweging spreekt me zeer aan, maar het kleurgebruik is van dezelfde hoogstaande kwaliteit. Rood, zwart, grijs, blauw, wit, bruin en huidskleur: het coloriet heeft dezelfde beweeglijkheid als het gevecht zelf. En dan de accurate correctheid waarmee deze scène geschilderd is: die bijtende tijger is zonder meer een meesterstuk, die spant voor mij de kroon. BBC-documentaires van David Attenborough kunnen dat niet beter in beeld brengen. Helaas duurt de tentoonstelling nog maar tot 4 januari: als je dit werk later nog wil zien, moet je naar Rennes, want daar hangt het in het Musée des Beaux-Arts. Maar het zou ongetwijfeld de reis waard zijn.


Jacht op leeuw, tijger en luipaard, 1617

Een fantastisch dubbelportret is dat van 'Marchesa Maria Grimaldi en haar dwerg', ca. 1606. Het is vooral de bedoeling de schoonheid van de dame te benadrukken, en waarschijnlijk daarom staat de dwerg naast haar als scherp contrast: moeders mooiste kun je hem niet noemen. Zij zit in een prachtige jurk, een staatsiekleed, ten troon, en haar zeer blanke hoofd trekt alle aandacht. Ze draagt een grote, witte kraag die ongelooflijk fijn en gedetailleerd geschilderd is: het is moeilijk daar niet van onder de indruk te zijn. Twee lichtstralen vallen net op kraag en hoofd, zij wijzen waar je naar moet kijken. Dat melkwitte gezicht contrasteert ook met de getaande huid van de dwerg: alleen werklui en mensen die op het land werkten hadden dat, haar 'lelieblanke' huid bewijst haar voortreffelijkheid. Zonnebanken waren er toen nog niet: overigens zouden zij totaal geen klanten uit de hoger standen hebben gehad. Maar deze marchesa en haar dwerg: een mooi schilderij is het wel.


Marchesa Maria Grimaldi en haar dwerg, 1606.

Naast 'Geweld' en 'Elegantie' zijn er nog vier afdelingen op 'Sensatie en sensualiteit': Macht, Wellust, Compassie en Poëzie. In al deze aspecten heeft Rubens zich uitgeleefd en is hij een inspiratiebron voor andere, voor latere schilders geweest. Maar wat deze tentoonstelling mij heeft duidelijk gemaakt is dat Rubens meer was dan de schilder van de contrareformatie en het gezag: hij was een ongelooflijk groot kunstenaar: hij blijft verbluffen.