zondag 28 augustus 2011

Inlands torenalpinisme

Noord-West-Vlaanderen laat me niet los: half augustus rijd ik er weer naartoe, met twee van mijn kinderen, de oudste en de jongste: ik wil ze laten zien hoe mooi de  streek wel is. En zelf wil kerk en toren van Oostkerke eens goed bekijken, want daar heb ik nog niet voor gestaan. Als we in het dorp aankomen, blijkt een rommelmarkt uitgegroeid te zijn tot een soort Vlaamse kermis: Schotse doedelzakmuziek bonkend gestut door een volwassen Turkse trom, springkasteel en ijs voor de kleintjes, bier en andere lafenis voor de groten. Het dorp is te hoop gelopen en zelfs de zon schijnt!


De toren van Oostkerke

Die grote kerk en toren domineren natuurlijk het kleine dorp: het is echt wat de Engelsen noemen 'a landmark'. Je kunt de toren opgaan, maar feest of niet, de kerk zelf geraak je niet in. Ze zijn een beetje bijbelvast daar in Oostkerke: hun kerk zal geen blasfemische rommelmarkt worden! Ik dan maar naar boven, zo'n 33 meter hoog. De toren zelf ziet er behoorlijk nieuw uit, maar dat kan in feite niet anders: hij staat er nog maar van 1954 opnieuw, toen de heropbouw van de opgeblazen kerk (1944) voltooid was. Massief is hij, hier en daar wel een spitsboog, maar romaanse rondbogen overwegen toch: in de dertiende eeuw hadden we hier het hoogtij van de pure gotiek nog niet. En echt dikke steunberen heeft de toren: macht en kracht straalt hij uit.

En dan naar Damme, daar staat ook een kerk met een toren. Ik was gewaarschuwd dat het toch een beetje eng en moeilijk zou zijn, maar dat valt allemaal best mee, en we geraken toch weer boven, ik en mijn twee gezellen-afstammelingen.

  

Toren van Damme: de laatste trap en de galmgaten

Natuurlijk ga ik niet alleen naar boven om daar geweest te zijn, je gaat ook naar boven voor het uitzicht en om naar beneden te kijken, zoals elke torenalpinist. En van daar boven kun je nog de sporen van de verdedigingswerken zien. Die zijn in 1616 gebouwd, tijdens het Twaalfjarig Bestand: de Zuidelijke Nederlanden - wij dus - moesten verdedigd worden tegen de Noordelijke, en Damme lag, en ligt, natuurlijk vlak tegen de grens. Het geeft ook wel aan wat de Spanjaarden met dat Twaalfjarig Bestand van plan waren: zich versterken, en de gehate calvinisten buiten houden. Het Zuiden zou katholiek zijn en blijven. Geen wonder dat de Tachtigjarige Oorlog pas in 1648 met de Vrede van M√ľnster (of Westfalen) ten einde was. Damme werd een garnizoenstad van de Spanjaarden, en het werd versterkt met een bolwerk in de vorm van een zevenpuntige ster, een beetje in de aard van de bouwsels van Vauban, maar die komt pas later. Maar de grachten van die omwalling en de vorm van de versterking kun je makkelijk herkennen.


Een van de zeven punten van de ster ter verdediging.

Damme moet vroeger veel groter geweest zijn dan nu: zou het kunnen dat het groene weiland voor de gracht vroeger volgebouwd was? Zeker weet ik het natuurlijk niet, maar het zou kunnen.

En dan nog eens naar Lissewege, het witte dorp. Ik wil mijn kinderen de schuur van Ter Doest laten zien, en de kerk plus toren uiteraard ook. En daar zie ik dan wat ik met enige zelfspot 'inlands torenalpinisme' genoemd heb. Je kunt het zo gek niet bedenken of het bestaat, ook dat inlands torenalpinisme, uitgerekend in het vlakste deel van het vlakke Vlaanderen.


Inlands torenalpinisme, maar dan echt gemeend

Tegen de oostelijke wand van de toren bekwaamt een vrouw zich in het bewegen langs en op die wand: zijwaarts in beide richtingen, af en toe om haar eigen as rondjes maken, ze lijkt er behoorlijk bedreven in. Maar klimmen doet ze niet. Voorlopig wil ze niet 'excelsior' of 'hosanna in den hoge'.

In toeristische brochures heet zoiets waarschijnlijk 'Vlaanderen, altijd verrassend!' Of is dat Holland? Maakt niet uit, het is vlak, bij de grens.



Geen opmerkingen: