donderdag 15 januari 2009

Wandtapijt: De intrede van Christus in Brussel in 1889


Handgeklost wandtapijt, 2008, wol en zijde, ca. 252 x 430 cm, vervaardigd doorde Firma Gibau


Christus in triomf


Het vaandel van de 'doctrinairen'


De gevelde tamboer-majoor

zaterdag 10 januari 2009

Weekendje Raveel: 2, Machelen-aan-de-Leie, zondag


Het lam treurt geduldig naar zijn ultiem geluk op de slachtbank


De groep van de bisschoppen


Onopvallend museum

Na het grafische werk in Herentals volgt de tentoonstelling Ensor-Raveel in Machelen- aan-de-Leie: aan dit evenement is nogal wat ruchtbaarheid gegeven, en het Raveelmuseum is voor mij altijd de moeite waard: het is vandaag de vijfde keer dat ik het bezoek. Raveels werk trekt mij altijd, en als er een min of meer goede gelegenheid is, ga ik er naartoe, vandaag dus met Dieuwertje en haar vriend Jan, en zoon Jasper.

Gisteren in Herentals was er in de Lakenhal nog een tentoonstelling: een over het Raveelmuseum zelf, dat in 1999 opende; het ontwerp is van architect Stéphane Beel. In de kleine brochure bij de 'dubbelstentoonstelling' staat: 'Het gebouw is sterk aanwezig zonder zich op de dringen. Het lijkt op een natuurlijke manier te zijn ingebed tussen de betonmuurtjes, de huizen, de koeren en de tuintjes'. Wij komen dus in Machelen aan, auto geparkeerd, ik in de rolstoel, Dieuwertje mij duwen, wij komen in de Gildenstraat aan het museum, ik tegen Dieuwertje: 'Hier is 't', waarop zij: 'O, ik had het niet eens gezien'. Best wel een compliment voor het werk van Beel en de typering ervan in de brochure het museum is echt onopvallend in het 'dorpsschap' opgenomen. Het gebouw past bovendien perfect bij het werk van Raveel: licht, lucht en ruimte spelen in allebei een prominente rol, en alles is niet eentonig op een aantal verdiepingen te zien, een hellend vlak voert naadloos naar boven, en tegen de wanden van die 'traphal' hangen ook werken.

Ensor-Raveel confronteert een aantal werken van beide kunstenaars met elkaar: in het begin hangen ze daar allebei met een zelfportret met verwijzingen naar Rubens: Ensor met een bloemenhoed, Raveel met een plechtige handtekening (Roger Henri Kamiel Raveel) en de naam van het werk: 'In het licht van het Rubensjaar'. Het doek toont een zelfbewuste Raveel met breedgerande, suggestieve Rubenshoed , die met een eerder afstandelijke, onderzoekende blik de toeschouwer meet, en tezelfdertijd de dimensie heeft van 'wij weten het wel, ons maken ze niks meer wijs'. Noch bij Ensor, noch bij Raveel kunnen we ons in de zeventiende eeuw wanen. Ensors 'Christus bedaart de de storm' hangt tegenover de 'Opgang' van Raveel: verwant door een draaiende ritmische beweging. 'Na de storm' van Ensor krijgt het antwoord van Raveel, heel duidelijk in een vraag gegoten: 'Kun je nog volgen, James?' Zeer subtiel ook de tekening 'De daken van Oostende' (Ensor) en 'De dingen in maart' (Raveel), en ijl dorpsgezicht uit 1948. En je ziet mooie dingen zonder meer: Ensors 'Gezicht op Mariakerke', zijn 'Dode moeder' tegenover Raveels 'Herinnering aan het sterfbed van mijn moeder', waarbij beiden door eenvoudige plastische taal en gebruikmaking van zo weinig mogelijk middelen een maximum aan effect en impact sorteren.

Maar het nec plus ultra ven deze tentoonstelling is voor mij Ensors 'De intrede van Christus in Brussel in 1889', dat wordt geconfronteerd met Raveel 'De schilderijenoptocht van 1978 te Machelen-aan-de-Leie'. De echte Intocht in Brussel hangt er natuurlijk niet: die hebben we in 1997 verkocht aan het J. Paul Getty Museum en hangt nu in Los Angeles in de vernieuwde gebouwen van het museum dat het sindsdien niet meer verlaten heeft. Wel is er een wandtapijt te zien, de exacte kopie van 'De intocht' op ware grootte: het is een doek/wandtapijt waar je een uur voor kunt zitten en nog niet alles gezien hebben. Het wandtapijt zelf is uit 2008, handgeklost , materialen wol en zijde, gemaakt door de firma Gibau. Het laat een carnavaleske pseudo-Palmenzondagintocht zien, een bittere satire op de negentiende eeuw als je het mij vraagt, met maskers, zotskoppen en marotten, doodskoppen, vervormde gezichten, alle elementen uit Ensors beeldtaal. Centraal op het doek is Christus op zijn ezel te zien, wel goed zichtbaar, maar niet triomfantelijk, wel als het ware opgenomen in de massa. Boven hem een lange banier met het opschrift 'Vive la sociale' en links van hem een ruitvormige vlag met de tekst 'Fanfares doctrinaires': ideaal en realiteit worden op wrang botsende wijze samengebracht. In het midden op de voorgrond lijkt een slapende bisschop te liggen - de man draagt een mijter - maar hij blijkt de tamboer-majoor van de optocht te zijn. 'De intrede van Christus...' is werkelijk fascinerend, een reuze zoekplaat waarop je van alles en allerlei types kunt herkennen, een topstuk op deze tentoonstelling.

Tegen dit doek/wandtapijt plaatst de curator 'De schilderijenoptocht van 1978 te Machelen-aan-de-Leie', waarop Raveel zichzelf en een paar groten uit de schilderkunst citeert: je ziet het fameuze 'witte vierkant', een man in gestreepte kledij die een doek draagt waarop nog beeldkenmerken van Raveels werk (de stippellijn, de betonnen paal, een 'Man met emmer', en rechts iemand die een Mondriaan draagt, daarachter dan weer een Giotto, en tussen beide een eerder Raveels werk: zowat heel de picturale poetica van raveel is hiet te zien. In die zin zijn Ensors 'Intrede' en Raveels 'Schilderijenoptocht' duidelijk weergaven van beider wereldvisie.

Er is duidelijk een link te leggen tussen de 'Intrede' en Raveels 'Het lam treut geduldig naar zijn ultiem geluk op de slachtbank': ikheb al eens gezegd dat dit een moderne interpretatie is van vanEycks 'Lam Gods', maar het is net zo goed scherpe kritiek op de godsdienst: alleen de naam van het werk al! Centraal het lam: evenmin triomfantelijk, maar zoals men van dat dier kan verwachten duidelijk schaapachtig. Rechts van het lam de groep van de bisschoppen: ook duidelijk parodiërend.

Ten slotte Ensor en Raveel in een genrestukje: ensor noemt het 'De dronkaards', Raveel 'De drinkers van Ensor'. De Oostendenaar toont een stukje miserabilisme uit de negentiende eeuw, Raveel hertaalt dat in zijn eigen uitdrukkingswijze: de linkse man heeft een streepjespak aan, Ensors affiche die de verkoop van een 'Hofstede' aankondigde is vervangen door het zwart omlijste witte vierkant, en heel de tekening heeft veel meer strepen gekregen.


Weekendje Raveel: zeer vruchtbaar was het, en mooi om zien hoe de opvolgers in feite altijd op de schouders van de voorgangers staan, om verder te zien, of om hun tijd of taal toe te voegen.







-

woensdag 7 januari 2009

De koperen passer en ms: ook een belevenis


Een gebrekkelijke: hoe is die daar geraakt?


ms-patiënt in rolstoel en volle glorie

Je bent met pensioen, maar je wilt je niet afsluiten van de wereld, je wilt gewoon leven, ook en zeker met ms, aandoening die ik een tijd geleden heb aangeduid als 'mijn blijvende metgezel die ik best goed ken en kan verdragen'. Anderen vinden mijn metgezel kennelijk eerder hinderlijk, en staan er huiverig tegenover als ik hem naar een gezelschap meebreng, heb ik drie dagen geleden vastgesteld.

Het lidmaatschap van 'De koperen passer' zei me wel iets: het is een culturele vereniging voor gepensioneerde heren (geen mannen, heren!) die jaarlijks 10 tot 12 activiteiten inricht. Een aantal ex-collega's zijn er lid van, en ik had laten verstaan dat me dat ook wel interesseerde. Sta ik drie dagen geleden op de nieuwjaarsreceptie van mijn oude school bij de collega die al heel wat koperen cirkeltjes getrokken heeft (beste wensen uitwisselen, dat ook zeker!) en die heer weet me te zeggen dat mijn opname in 'De koperen passer' te moeilijk is vanwege mijn ms, en dat ik daarom helaas geen lid kan worden. De heer drukt nog de hoop uit dat ik daar begrip voor kan opbrengen, waarop ik prompt, klaar en duidelijk 'Nee' zeg, en hem meteen uitleg dat ik alleen iemand nodig heb die een rolstoel kan of wil duwen (maar dat is misschien niet aan heren besteed, daar moeten mannen voor komen, en mogelijk is dat in dat milieu een problematische zaak). Ik vervolg mijn pleidooi pro domo, zeggende dat ik vrij beweeglijk ben, dat ik trappen kan doen, dat mijn toestand beter is dan twee, drie jaar geleden. Maar de heer luistert in feite niet echt, blijft bij zijn standpunt dat het te moeilijk zou zijn (wat mij betreft niet, maar dat is in dezen een detail) en daarmee eindigt het dovemansgesprek.

Ik probeer 's avonds dit gesprek te plaatsen, te begrijpen. Ik weet niet wie deze beslissing genomen heeft, de heerlijke ex-collega of een aantal doorluchtigheden samen, maar ik kan er niet bij hoe iemand die 35 jaar of daaromtrent onderwijs heeft gepresteerd, een dergelijke boodschap in alle ernst kan overbrengen. Schiet niet op de pianist horen we dan te allen kant, maar als hij zo schabouwelijk speelt, dan moet iemand anders hoogdringend 'Das Wohltemperierte Clavier' gaan interpreteren. Maar verder: ik ben nu zot van glorie omdat heren (van stand ongetwijfeld) voor mij de beslissing hebben genomen, zodat ik niet eens zelf hoefde te denken of rimpels kon veroorzaken op het watertje van hun gladde vereniging. Het ergste echter is: ik ben letterlijk verontwaardigd. Ik zei al: ms mijn blijvende metgezel, alsof het een vriend was, zei mijn buurvrouw tijdens de lessen Italiaans. Ja, zij heeft het precies begrepen: niet een vriend, maar een deel van mezelf, iemand aan wie ik veel waarde hecht, ook aan de manier waarop ik met hem omga. Maar dat valt kennelijk buiten het gebied van de kleine cirkeltjes van 'De koperen passer': de heren willen met een essentieel deel van mijn zijn niet geconfronteerd worden. Toch kan ik me echt niet voorstellen dat ms de ware reden van mijn weigering was, het gaat mijn begrip te boven. Tegenwoordig hoor je in verband met gehandicaptenbeleid vaak de term 'inclusie' als een zeer nastrevenswaardig doel, en terecht. Niet voor alle heren, godbetert. En in het echte leven hoor je dan weer over 'discriminatie op grond van een handicap': zonder meer ongeoorloofd. In het echte leven dus...

Ik denk gewoon dat ik niet in het plaatje pas dat de heren graag van zichzelf zien: ik loop nooit netjes in het pak, stijlrijke regen- of wintermantels zijn niet aan mij besteed, ik ben mogelijk te casual. En de kleren maken de heren, zoals de volksmond zegt, en puik uitgedost van cultuur gaan genieten geeft toch een sfeertje van zelf verklaarde upper middle class luxury? O Wonne, o Seligkeit! Walter van den Broeck heeft het in een van zijn toneelstukken over het fenomeen 'schijtkonterij', een volks woord dat met enig misprijzen het fatsoenlijke 'snobisme' plastisch uitdrukt. En inderdaad, bij dergelijke heren hoor ik niet thuis.

Ik kan gewoon niet geloven dat ms de ware reden is: zo lomp kunnen mensen met enige ontwikkeling toch niet zijn? De heren hebben me mogelijk hun echte waarheid niet verteld: mocht dat zo zijn - wat ik niet zeker weet, en wat die waarheid dan ook zij - dan heeft er iemand in mijn gezicht staalhard staan liegen, wat bij mij in een even groot misprijzen resulteert als de weigering omwille van ms.

'De koperen passer' liet zich voor zijn naam inspireren door die van de drukkerij van Plantijn in de zestiende eeuw: die heette 'De gulden passer', of 'Officina Plantiniana'. Ik weet zeker dat het gedrukte woord ondertussen tot veel vrijheid heeft geleid, maar in alle herenhoofden is dat begrip toch nog niet even krachtig doorgedrongen.

Ik had het in feite kunnen weten: koper is niet echt een edel metaal, koper is vals goud.

maandag 22 december 2008

Weekendje Raveel: 1, Herentals, zaterdag


een zelfportret in profiel voor de leegte van een rechthoek in perspectief


toen zat zij aan een tafel

Zaterdag en zondag voor Kerstmis heb ik me op een weekendje Raveel getrakteerd. Dat begon in eigen streek, in Herentals met name, waar in Hotel Le Paige grafisch werk van Raveel tentoon gesteld werd: kleurenlithografieën, kleurenzeefdrukken, kleurenhoutsneden en gewoon ook etsen, een overzicht, een staalkaart als het ware van het werk van de kunstenaar van 1965 tot 2002, van vroeger tot zeer recent dus. Ik kende er al heel wat van, maar er waren best ook dingen bij die ik nog nooit gezien had en zeer de moeite waard waren. Zo bij voorbeeld een werk dat in de beste Raveelse traditie heet 'Toen zat zij aan een tafel; een zelfportret in profiel voor de leegte van een rechthoek in perspectief', een tweeluik uit 1999. Of etsen met gedichten van Roland Jooris of Rutger Kopland, of 'Thuis' uit hetzelfde jaar, en dat in feite een bibliofiele uitgave is van en met het gedicht 'Thuis' van Hugo Claus.

Ook opvallend is de kleurenets 'Het lam treurt geduldig naar zijn ultiem geluk op de slachtbank' uit 1988, een citaat uit eigen werk, het schilderij dat een moderne interpretatie is van Van Eycks 'Lam Gods', en dat meteen een brug slaat tussen de schilderkunst uit de vijftiende en die van de twintigste eeuw.

Ten slotte twee voor mij indrukwekkende kleurenhoutsneden: 'De redenaar' uit 1983 en 'Zelfportret en een abstractie' uit 1989. En die kleuren zijn zoals in Raveels schilderijen: primair en opvallend. De afbeeldingen zijn op het eerste gezicht realistisch, maar het eerste gezicht is nooit genoeg bij Raveel, en altijd oppervlakkig: de redenaar (blauwpaarsig) staat bijvoorbeeld hoog boven zijn publiek (zwart-wit), ziet er veel groter uit dan zijn massa vage, schematische toehoorders (in die zin is het werk een commentaar op een bepaald soort politiek) en hij heeft een bijzonder grote en geprononceerde (roodbruine) geheven linkerarm waarmee hij dreigend schijn uit te halen om zijn publiek een flinke slag te geven. Een sterk werk, als je het mij vraagt.

Op het einde van mijn bezoek sla ik nog een praatje met Denie Avonds van de vzw Ter Vesten, vereniging die samen met cc 't Schaliken deze tentoonstelling in Herentals heeft georganiseerd. Ik heb het over Turnhout waar ondanks De Warande dergelijke dingen niet te zien zijn. Ik heb Eugène van Mieghem voor een paar jaar in Hotel Le Paige gezien, en dit jaar (2009) is het nog de beurt aan Felix de Boeck en Herman Brood, en ik verbaas me daarover. Maar mijn gesprekspartner legt het me uit: Hotel Le Paige werkt zo veel mogelijk in de breedte, en daardoor worden er vaker bekendere namen geafficheerd, en Turnhout werkt schijnbaar meer in de diepte.

Dan moeten we nog weten dat die breedte relatief is: ik ben er wel voor van Turnhout gekomen, maar meneer Avonds vertelt me dat hij echt blij is dat de tentoonstelling, die vier weken duurde, duizend mensen of iets meer naar Herentals lokt. Ik vind dat niet zo heel veel, in feite is dat eerder jammer: Ter Vesten en Herentals verdienen beter.

dinsdag 2 december 2008

Moeder en Wannes



De betreurde meester

Het is al meer dan een maand geleden (10 bovember) dat het 7-uur-journaal het overlijden van Wannes van de Velde meedeelde. Onverwacht toch wel: hij had zijn kanker toch overwonnen, hij was wel niet veel meer in het nieuws, maar dat was niet abnormaal, en ik behoorde niet eens tot zijn verre entourage. Maar het was wel even schrikken.
Het bericht deed mij onmiddellijk aan moeder denken: ze was van niemand grote fan, maar voor Wannes had ze een boon, en een lied hoorde ze bijzonder graag: 'Mijn mansarde', vooral de twee versjes waarin hij zingt: 'en als niet regent, zit ik droog / op mijn mansarde'. Ze vond dat uitgesproken grappig, komisch naar haar hart. Ik zie haar glimlach zo weer voor me, een warme herinnering is het geworden. Zo sterft er iemand 25 jaar na je moeder, en zij sterft een beetje opnieuw. In mij dan toch.

Overigens is 'Mijn mansarde' volgens mij een van zijn beste liederen. In feite is het een redelijk romantische tekst (in de literaire betekenis van het woord): het gaat over een voorbije idyllische wereld die nooit bestaan heeft zoals in het lied, en die plaats moet maken voor 'de vooruitgang, die is zo wreed / die houdt geen rekening met een keet / als mijn mansarde': vreselijk origineel is het thema niet. Het lied dateert uit de jaren 70, staat op de lp 'Ne zanger is een groep' uit 1976. Misschien is het iets ouder, maar het komt ongetwijfeld uit Wannes' beginjaren. Het zit vol van de mentaliteit van wat toen nog 'Agalev' heette. Dat heet nu luidkeels 'Groen!', met uitroepingsteken, zoals Vera Dua dat toen aankondigde. Anders GAan LEVen moest kennelijk met meer lawaai.


Maar in zijn tekst ontpopt Wannes zich tot een echte dichter. Leuke strofen:

'Er zijn geen 'beetles' en geen 'stones' / en ook geen plaatjes van 'Tom Jones' / op mijn mansarde'

''k Heb gene radio of tv / 'k Lees geen gazet of illustree / op mijn mansarde
'k veeg d'informatie aan de kant / want ik vind sport niet interessant / op mijn mansarde'

En dan vooral (met beeld en al):

'Ge drinkt er stilte on the rocks / ver van de bassen van den box / op mijn mansarde'.

En het moet gezegd: in Wannes' zijn rauw Antwerps klinkt het beter dan in 't Nederlands. 'Het Antwerps is de Wannes-taal geworden', zei Jean-Pierre Rondas terecht op de afscheidsplechtigheid in de Roma, op 23 november.

Een ander lied dat moeder ook wel kon smaken: 'Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten'; het staat op dezelfde lp. Hij heeft het over een stalleke in 't Palestijns gebied, de Drie Koningen die in onze tijd beter de Drie Commando's zouden heten, en de moeder van het kinneke die in het midden van die hoop zucht: 'Mijne zoon wordt over twintig jaar soldaat'. Wanhoop, onmacht en troosteloosheid hebben bij Wannes geen grote woorden nodig. Eenvoud ging voor alles, maar 'simpelheid' kun je hem niet verwijten.

Het minst 'Wannesse' lied is misschien 'Ik wil deze nacht in de straten verdwalen' / Dans cette nuit j'ai envie de me perdre'. Titel en tekst tweetalig, want het was lied voor 'Brussels by night', de film van Marc Didden. Zo vrolijk kom je Wannes niet vaak tegen: en moeder hield daar ook van, al was ze bedlegerig en gekluisterd aan haar rolstoel. Maar dromen kon ze toch. Dank zij Wannes onder anderen.

Erratum: 'ik wil deze nacht...' is niet geschreven voor de film van Marc Didden, maar voor 'Home sweet home' van Benoît Lamy die helaas in april 2008 overleden is. Het was zijn eerste langspeelfilm en hij gaat over het dagelijkse leven in een Brussels bejaardentehuis, waar de bewoners zich aan eerder 'militaristische' regels te houden hebben en met laakbare neerbuigendheid behandeld worden. 'Brussels by night', uit 1983, is een zwarte, eerder depressieve stadsfilm, en de muziek daarvoor werd dan werd geschreven door Raymond van het Groenewoud. Dat kwam ik overigens te weten in een aflevering van 'Belpop' op Canvas. Van het Groenewoud is ook geen kleine jongen, en ere aan wie eer toekomt.

dinsdag 18 november 2008

Belevenis



De locus delicti



Van kapitaal belang

Zeg ik vandaag na de Italiaanse les tegen Ulrike, mijn buurvrouw met wie ik het best goed kan vinden: 'Ik heb verleden woensdag iets moois beleefd op de universiteit van Maastricht, in de Faculteit Geneeskunde'. Prachtige captatio benevolentiae, al zeg ik het zelf, dus hier volgt het verhaal.

Mijn schoonbroer, Luc Snoeckx, die er prof fysiologie is, had me een tijdje geleden gevraagd of ik bereid zou zijn in Maastricht als proefpatiënt te fungeren voor een aantal artsen in spe, die er door gerichte, logische en verstandige vragen achter moesten komen welke ziekte ik had. Afgelopen week had de 'proof of the pudding' plaats. Wij, mijn schoonbroer en ikzelf, om half negen 's ochtends naar professor Jan Lodder, die me briefte en ook probeerde uit te vinden hoe ik tegenover mijn ziekte stond: ms heet ze, de kwaal. Om negen uur kwamen de eerste twee studenten binnen voor een deel opleiding in anamnese. Professor Lodder leert dat aan met levensechte, voor de student onbekende patiënten: het waren telkens duo's (drie dus) die ik een uurtje (een lesuur van vijftig minuten) voor me had, en die me dus met vragen konden bestoken. Hij noemde dat een zeer arbeidsintensieve procedure: hij steekt daar zelf veel tijd in, in de interviews, in patiënten die verschillende ziekten 'vertegenwoordigen', in de evaluatie van het gesprek, maar, en dat is het grote voordeel waar hij het om doet, de studenten leren er zeer veel mee: zij stellen de vragen, het is hun eigen zelf ervaren, en dat blijft natuurlijk langer bij, maakt een diepere indruk.

Voor ze begonnen zei de prof telkens: 'We gaan dat hier doen op socratische wijze', zo gelijk appellerend aan hun verstand. En die studenten deden dat goed: ik heb geen enkele domme vraag gehoord, als ik me daar een oordeel over mag permitteren, en ze hebben allemaal, en vrij snel, de juiste aandoening gediagnostiseerd. Ik zag ze nadenken, met zichzelf overleggen, hoorde ze doordacht en overwogen vragen stellen. Ze spanden zich in, net zoals professor Lodder, die bijstuurde en meer informatie gaf waar nodig en nuttig, zonder bevoogding en betutteling, en met veel contact met die studenten.

Ik maakte dat zelf allemaal als patiënt mee, en naderhand was ik er over verwonderd dat ik me zoveel, en zelfs kleine feitjes, over mijn ziekte kon herinneren. Het gaat natuurlijk niet over het begin van een voorbijgaande griepaanval, en ik ben tot de conclusie gekomen dat ik mijn blijvende metgezel goed ken, en dat ik hem ook best kan verdragen: hij is een deel van mezelf geworden.

En waarom doe ik dat allemaal? Zeer prozaïsch zou ik kunnen zeggen 'omdat Luc het me gevraagd heeft', en dat is ook wel zo. Maar als je daar zit, wil je natuurlijk het beste van jezelf geven. Ik zat als leraar op rust voor studenten, en ik wilde het die jongelui (22-23 jaar) niet moeilijk maken, want dat deed ik vroeger op mondelinge examens ook niet: ze hadden mijn sympathie, en ik mijn hart supporterde ik wel voor ze. En ik vond het ook wel fijn dat ik, al is het maar zo weinig, iets aan hun opleiding heb bijgedragen. En, zoals ik naderhand vaststelde, ik heb dat ook gedaan uit solidariteit met toekomstige ms-patiënten, hoe gering mijn bijdrage ook was. En gaandeweg, zeker in het derde interview, voelde ik me ook losser worden, wat zich uitte in mijn tussenkomst in de discussie over het gebruik van bètaferon, toen ik mezelf hoorde zeggen dat de graad van beschaving van een samenleving kan gemeten worden aan datgene wat ze over heeft voor de zwakkeren. Het leraarschap in mij is niet meer uit te roeien. De prof zei dan dat artsen, wanneer ze de eed van Hypocrates zweren, zich verbinden tot werken voor het belang van de individuele patiënt, en niet voor de maatschappij in haar geheel. Bètaferon toestaan kost heel veel: toen ik er vier en een half jaar geleden mee begon, kostte het medicijn per maand € 925, maar ik moest maar € 10 betalen. 925 maal 12 is € 11.100, dat is bijna een half miljoen oude Belgische frank per jaar. Dat was het kostenplaatje vier jaar geleden, en zoals gezegd, ik gebruik het al bijna vijf jaar. Op die momenten prijs je je gelukkig dat in Europa sociale zekerheid geen leeg begrip is: zonder was ik allang failliet geweest, en was de ziekte behoorlijk erger geworden. Zoals iemand onlangs zei: 'We are not a nation of individuals', wat bij ons, in Begië en Nederland, toch maar blijkt.

Na twee sessies voelde ik me al best moe, en ik prees me gelukkig dat er nog maar een uurtje zou volgen. Moe, want ik had er ook heel wat emotionele energie in gestopt: het ging over mij, en ik was erg betrokken, als proefpatiënt, maar ook bij de studenten en de prof. Het was een nuttige en waardevolle ochtend en ervaring, voor de studenten en voor mij. Zoals ik in de titel van dit stukje al zei: een belevenis met een grote b.

Ik ben als klap op de vuurpijl nog met meer taalkennis teruggekomen: een 'opstoot' is typisch Vlaams, ik zou eerder zeggen typisch ms. In Nederland heet dat dan weer verergering of aanval. Exacerbatie mag ook, maar dat klinkt mij te medisch en te Engels. Dat geldt ook voor andere ziekten, wat mij betreft. Alle gekheid op een stokje: grensoverschrijdend aan gezondheidszorg meewerken, gewoon prachtig. Toch?

dinsdag 11 november 2008

Dieuwertje en Skepp



Dieuwertje, 9 juni 2007


Normaal

December is vandaag begonnen, er wordt al zeer opzichtig naar kerst verwezen: warenhuizen willen hun stocks verkopen en geven tot 30 % vermindering, de waanzin zet weer zoetjes aan, de decadente overvloed zal weer allerlei vormen krijgen.

Niet zo een maand geleden, begin november dus. Te koop toen: zeeën van chrysanten. Lang geleden waren ze alleen maar wit: de 'eigentijdse' kerkhoven mogen best wat kleur hebben, want te grijs en doods, dat gaat niet meer op de 'begraafparken'. Alsof het ondergrondse pretparken zijn, waar gezamenlijk menige 'danse macabre' wordt opgevoerd. Terug naar het onderwerp: begin van die maand november vertelt mijn dochter Dieuwertje me een eigenaardig verhaal over een droom van haar.

In die droom zit ze in een stoel, of ligt ze nog in bed, en haar bompa, mijn vader dus, komt de kamer binnen en zegt haar dat hij gewoon eens een goede dag komt zeggen. Ons Dieuwertje vindt dat lief, 'Maar,' vervolgt Bompa, 'ik moet nu gaan'. 'Ga maar,' antwoordt zij, waarop bompa: 'We zullen elkaar nog wel zien'. De volgende ochtend bel ik haar met het bericht dat vader/bompa die nacht overleden is. Dat was de 16de september 2005, vader was de 91 zeven weken voorbij, en zijn jongste kleinzoon werd uitgerekend die dag 19 (die zat in Frankrijk, en die heb ik pas een dag later op de hoogte gebracht). Om tot die droom terug te komen: was die voorspellend? Of een droom die veroorzaakt wordt door naaste verwantschap? Dieuwertje zat er ook van te kijken, 'Je zou nog gaan denken dat er iets is', zei ze, en ze heeft enig opperwezen en al zijn heiligen echt niet met de paplepel meegekregen.

Ik vertel dat verhaal een tijdje later aan een vriend, die lid is van SKEPP, een Belgische onafhankelijke sceptische vereniging, voluit Studiekring voor de Kritische Evaluatie van Pseudowetenschap en het Paranormale. Het is meer dan een mondje vol, het klinkt allesbehalve charlantannerig, heilige ernst bezielde de stichters, onder wie de professoren Vermeersch en Van Bendegem, iedereen mag rustig weten waar de wind vandaan komt. Die vriend luistert dus naar mijn verhaal, stelt me een paar vragen, en besluit dan dat het hier om toeval en psychologische processen gaat.

Want wat hadden we die week nog gedaan? De 13de, op een dinsdag, was ik met Dieuwertje en Noortje naar Amsterdam gereden, gewoon eens gezellig uit met twee dochters. Ongetwijfeld heb ik toen over vader/bompa gepraat, want hij was er niet goed aan toe, zijn leven was af aan het lopen. Mijn dochters zullen er toch wel mee bezig geweest, de volgende dagen. En even ongetwijfeld is dat een meer logische verklaring voor Dieuwertjes droom: toeval, zei mijn vriend, maar er kwam toch iets meer bij kijken, al was dat zeker niet paranormaal.

Wat het dan precies wel was: 'There are more things between heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy'. Zei de grote bard, in het begin van de zeventiende eeuw. En hij heeft nog gelijk.