zaterdag 11 juli 2009

Tallinn, Estland - de taal - alle dagen


'Broken Line': monument voor de slachtoffers van de ramp met de Estonia


Tekst bij het gedenkteken voor de ramp met de Estonia, in het Ests en het Engels


Kennis van het Ests is niet altijd vereist

Als je heel je leven interesse voor talen hebt gehad en er altijd mee bezig bent geweest, ben je natuurlijk benieuwd naar de taal die de Esten spreken, het Ests dus. Je kunt de taal in het Nederlands ook 'Estisch' noemen, maar dat is minder gebruikelijk.

Estland behoort samen met Letland en Litouwen tot het 'Balticum', maar in dat gebied is het door de taal toch afwijkend: Lets en Litouws zijn effectief Baltische talen, en behoren bijgevolg tot de Indogermaanse talenfamilie. Ests is echter een Fins-Oegrische taal, verwant met het Fins natuurlijk, en van heel ver ook met het Hongaars. Er zijn niet zoveel niet-Indogermaanse talen in Europa (Baskisch is een ander voorbeeld) en ook daardoor zijn de Esten een aparte natie. Maar 'de taal is gans het volk' zeiden wij hier in Vlaanderen in de 19de eeuw al, en de Esten zien dat ook zo: hun taal is een onvervreemdbaar en essentieel kenmerk van hun identiteit. Ze is ooit wel echt bedreigd geweest: ze heeft twee golven van russificatie (eind 19de eeuw, en na de tweede wereldoorlog) overleefd. Op de tweede dag van de Song Celebration wordt trouwens uitsluitend in het Ests gezongen.

De taal klinkt me toch eigenaardig in de oren: om te beginnen snap je er niets van, soms denk je een muzikaal accent te horen, zoals in het Zweeds, dan weer doet ze denken aan Spaans of Italiaans, maar in dat tweede geval niet zo zangerig. Overigens: Esten vinden Italiaans en hun eigen taal de mooiste. Ze praten ook zeer snel, maar dat geldt voor alle vreemde talen die je niet kent, dat is dus een gratuite opmerking.

Maar je probeert toch iets te weten te komen, je zoekt verwantschap tussen woorden: 'maailm' betekent 'wereld', 'maa' staat voor 'land'. 'Maja' betekent 'huis', en misschien hoort dat ook bij de stam 'maa': in een huis wordt ook gewoond, maar zeker ben ik daar niet van, het is enkel een gissing die mogelijk juist is. Of niet. Het Ests vormt samenstellingen zoals het Nederlands, weet Jasper mij te vertellen, en dat klopt dan ook. 'Kauba' staat voor 'handel', bijgevolg is 'Kaubamaja' een 'handelshuis, in de praktijk een grootwarenhuis of winkelcentrum. Een 'meeskoor' is een mannenkoor, in een 'naiskoor' zitten alleen vrouwen.

Dat deeltje 'koor' toont ook een typisch kenmerk van het Ests: de taal heeft veel woorden ontleend aan het Plat- of Laagduits, wat soms erg Nederlands overkomt. Een kelder heet gewoon 'kelder', niet 'keller' zoals in het Hoogduits. En van de torens van de stadsomwalling heet 'Kiek in de kök', wat simpelweg 'kijk in de keuken' betekent (wegens de hoogte van de toren: je kon zo in de keukens van de buurt binnenkijken).
Hun zinnen bouwen de Esten ook zoals wij dat doen: in die zin vindt Jasper de taal niet zo moeilijk; alleen moet hij meer woordenschat gaan verwerven en de werkwoorden correct leren vervoegen, zegt hij.

Wat de spelling betreft, valt een eigenaardigheid me onmiddellijk op: het Ests kent de regel van open en gesloten lettergrepen niet, voor een lange klinker wordt gewoon het letterteken twee keer gebruikt. 'Pood' is winkel, 'liin' is lijn (zoals in scheepvaartlijn bijvoorbeeld). Dat geeft wel eens eigenaardige woordbeelden op: 'kunstmuuseum' is er zo een. Overigens uit te spreken met een duidelijke 's': het Ests heeft niet zo veel stemhebbende klinkers, vooral niet aan het begin van een woord. Je geld vertrouw je toe aan een 'pank', geld uit de muur halen doe je aan een 'pangaautomaat'. Een 's' en een 'z' met een omgekeerd accent circonflexe erboven staan voor onze 'sj' en 'zj'. 'Massaaz' met dat teken op de 'z' is dan ook onmiddellijk duidelijk. Uitspraakeigenaardigheden zijn niet echt talrijk, dat is voor het overgrote deel zoals bij ons. Sommige klinkers zijn echter duidelijk scherper dan in het Nederlands, voor de korte 'i': 'linn' (voor stad) klinkt zoals wanneer een Antwerpenaar zou zeggen dat hij een 'pintje' gaat 'drinken'. Alle woorden hebben de klemtoon op de eerste lettergreep, daar moet je niet aan twijfelen.

Een paar woordjes die je vaak tegenkomt, die tot de dagelijkse woordenschat horen:

neen: ei
ja: jah
groot: suur, je hoort zo spreken over Suur-Brittannia
klein: väike
keskus: centrum
stad: linn
stadscentrum: kesklinn
thuisland: kodumaa
vaderland: isamaa
vliegtuig: lennuk
luchthaven: lennujaam
straat: tee
dokter: arst (dat zal wel uit het Platduits komen)
kunstenaar: kunstnik (doet nogal aan het Russisch denken, cf. apparatsjik)
zanger: laulik
nieuw: uus
oud: vana
vene: Russisch - 'Vene teater' is dan meteen duidelijk
school: kool

Nog een leuke, voor mij althans: 'noor' betekent jong, 'noorte' jeugd. 'Noortemaailm' dat we heel vaak gezien hebben toen we op onze bus stonden te wachten, is 'jeugdwereld', in dit geval een soort van jeugdcentrum. Een van mijn dochters heet Noortje, vandaar dat 'leuk'. In het Arabisch betekent 'noor' dan weer 'licht'. En nu ik toch bezig ben: als je in een voornamenwoordenboek gaat kijken, vind je dat onze 'Eleonora' in verband gebracht wordt met het Arabische 'Ellinor', wat 'God is mijn licht' betekent. Maar dit is een puur persoonlijk en familiaal uitweidinkje.


Drie telwoordjes:

een - twee - drie: üks - kaks - kolm
Hoe zou je in het Ests zeggen dat iets op 'een twee drie' voor mekaar komt?


Dingen die voor mij essentieel zijn:

rolstoel: rattastool
wandelstok: kaimiskepp


Helaas kan ik in het Ests niet zeggen dat 'ik mijn wandelstok en mijn rolstoel vergeten heb'. Problemi, problemi! Maar ik had iemand bij me die de taal op bevredigende wijze machtig was: allora, niente problemi!

Tallinn, Vrijheidsmonument - nog dag 1


Het gedenkteken: het Vrijheidskruis

alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5357211324516738578" />
Estse Vrijheidsstrijd, met gedicht van Gustav Suits


Korenbloemen: symbool van Estland, hier teken van stil respect

Het Vrijheidsplein in een nieuwer gedeelte van de benedenstad is in volle aanleg: Tallinn maakt zich klaar om in 2011 cultuurhoofdstad van Europa te worden. Ook op andere plaatsen in het centrum wordt naarstig aan de weg getimmerd: de stad wil over twee jaar echt onberispelijk zijn.

Een deel van dat Vrijheidsplein (Vabaduse väljak) is wel al af: daar staat fonkelnieuw het indrukwekkende Monument voor de Estse Vrijheidsstrijd de esplanade te domineren. Die vrijheidsstrijd is meer bepaald de Onafhankelijkheidsoorlog van 1918-1920: de Esten wonnen die tegen het bolsjewistische Rusland en de Baltische Duitsers. Al voordien, op 24 februari 1918 had Estland zijn onafhankelijkheid uitgeroepen. Die dag is trouwens de nationale feestdag. Na die overwinning werden zowat overal in het land monumentjes opgericht, maar een groot nationaal gedenkteken was er niet. De tweede wereldoorlog verhinderde de oprichting ervan, en tijdens de Russische bezetting tot 1991 was daar natuurlijk ook geen sprake van. Maar na de herwoonnen onafhankelijkheid in dat jaar dook het idee weer op, en het werd ook gerealiseerd: een groot Vrijheidskruis is op 23 juni van dit jaar ingehuldigd. Toen wij er op de 1ste juli waren, stond het er dus welgeteld een week. Het is een hoog kruis, sober, zonder versiering, zonder melodramatische halfgeklede treurende vrouwen, niet triomfalistisch, niet tegen iemand gericht, het is echt een gedenkteken dat symbool staat voor het voorbije leed en voor de waarde van de soevereiniteit van het land. Aan de voet van het kruis liggen behoorlijk wat korenbloemen als stille hulde aan wie voor die waarden gestreden heeft en gesneuveld is. Je wordt er behoorlijk stil van. Het monument is de vergrote stenen weergave van de belangrijkste Estse medaille: beroemde dragers ervan zijn onder anderen Koning Albert I van België en Winston Churchill.

Wat me opvalt aan het natiegevoel van de Esten: het is echt doorleefd, maar zonder triomfalisme, zonder dat je als buitenstaander het gevoelen krijgt dat de Esten zich beter voelen dan de anderen, ze staan open voor iedereen; ze moeten eigenlijk wel, het land is zo klein. Maar de natie is zeer groot: dat hangt niet samen met een formidabel aantal landgenoten, maar met de diepte en de inhoud van het natiegevoel.

Dat gewaarworden en vaststellen vind ik erg de moeite om mee te maken, zeer bijzonder is dat..

vrijdag 10 juli 2009

Tallinn, Estland - dag 1


Stadstoren met een opmerkelijke naam: 'Kiek in de kök'


Russisch-orthodoxe kathedraal: 'Aleksander Nevski


Mozaïek in de voorgevel van 'Aleksander Nevski'


'Pikk Hermann', of Lange Herman, 45,6 meter hoog


Estse vlag bovenop 'Pikk Hermann'

De 30ste juni om kwart voor negen (20.45 uur) vertrek ik in Zaventem naar Tallinn, Estland, waar Jasper zijn laatste jaar burgerlijk ingenieur heeft gedaan. Ik kom er pas de volgende dag aan, dat wil zeggen om tien over middernacht, want
Estland ligt in een andere tijdzone: GMT plus 1 uur. Redelijk oostelijk zit ik dus, en behoorlijk noordelijk: Tallinn ligt iets noordelijker dan Stockholm. Het voordeel daarvan in dit seizoen is dat het er maar twee uren per nacht echt donker is: van half twaalf tot een uur of twee. Het noorderlicht krijg ik echter niet te zien: je kunt niet alles hebben.

Waarom nu, op het einde van het academiejaar naar Tallinn? Jasper had me de film van de 'Zingende Revolutie' doorgestuurd, vorig jaar in december al, en daarop was ook de 'Song Celebration' te zien, een immens zangfeest dat maar om de vijf jaar plaats heeft, en daar wilde ik per se bij zijn. Maar daarover later meer. En Tallinn ook om zoonlief te bezoeken. En omdat hij gezegd had dat de stad mij wel zou bevallen: ze doet aan Brugge denken, had hij me verteld, en Brugge, daar heb ik meer dan een boontje voor. Tallinn was vroeger ook een Hanzestad, net zoals Brugge overigens. En dat heeft een band geschapen, zoals zal blijken.

We komen in de vroege uurtjes in onze kamer aan: die is in het Akadeemia Hostel, een modern gebouw, waar bij voorkeur studenten logeren. Het bulkt niet van de luxe, maar het is nieuw en piekfijn in orde, met douche en sanitair en het nodige comfort. Bovendien is de prijs erg democratisch: waar kunnen we nog beter zijn?

Woensdagochtend wordt de eerste kennismaking met 'Vana Tallinn' (de Oude Stad), waar torens van kerken en van stadsmuren prominent opvallen: die bepalen de skyline van de stad. Maar we moeten eerst door het Tammsaare Park, genoemd naar de Estse schrijver Anton Hansen Tammsaare (1878-1940), die er ook een imposant standbeeld heeft. Zijn portret staat ook op de biljetten van 25 kroon: de Esten zijn zich erg bewust van hun verleden, en eren dan ook de mensen die in dat verleden belangrijk zijn geweest en die dat nu nog zijn. De oude stad kom je binnen via 'Viru gate', of wat er nog van rest: twee zijtorens van de versterkte poort staan links en rechts van de straat. Die heet in het Ests 'Viru tee'.

Verder in het centrum zien we de Sint-Nicolaaskerk (Niguliste Kirik). De kerk wordt al vermeld in 1315, en is opgericht voor de Duitse kooplui die in de 13de en 14de eeuw in groten getale naar Tallinn kwamen. Sint Nicolaas is niet alleen een kinderheilige, hij is ook de patroon van kooplui en zeelui, vandaar. In het begin van de 15de eeuw kreeg de kerk haar laatgotische uitzicht. Nu, na de brand in 1982, is ze nog alleen in gebruik als concertzaal en museum: ook dat zegt iets over de Esten. Ze zijn laat tot het christendom bekeerd (11de-12de eeuw) en hadden voordien een animistische natuurgodsdienst. Ook nu nog is het karakter van Estland niet doordrongen van godsdienst, integendeel het interesseert ze niet echt, of zelfs echt niet. It's no issue, zoals ik een vriendin van Jasper hoorde verklaren. Ze kunnen zonder.

Toch zijn de gebedshuizen legio in Tallinn. Bijzonder is wel de orthodoxe 'Aleksander Nevski katedraaal': die is redelijk kort geleden opgericht (1894-1900) voor de Russen die toen in de stad en het land verbleven. Maar die kathedraal is ook een statement: hij staat pal tegenover wat nu het parlement is (uit 1920-1922). Voordien was daar de
zetel van de Provinciale Regering (onder de Zweden), het was het politieke centrum van de bovenstad (Toompea): de tsaar wilde door de locatie van Aleksander Nevski eens en voor altijd duidelijk maken wie het er voor het zeggen had. De kerk is rijkelijk versierd en moet zeer interessant zijn voor mensen die Russisch kunnen lezen en verstaan, maar daar ben ik helaas niet bij. Iconen en een iconostase ontbreken natuurlijk ook niet. Een pope van rond de veertig houdt achteraan in de kerk een beetje een oogje in het zeil: deze sacrale plek zal, als het aan hem ligt, niet ontheiligd worden. Het gebouw wordt wel eens als suikerzoet omschreven, maar toch maakt het behoorlijk wat indruk: dat zal ook zeker wel de bedoeling van de tsaar geweest zijn. Boven de poorten zijn echt wel fraaie mozaïeken te bewonderen, je kunt niet anders dan ze mooi vinden.

Zijsprongetje: die Aleksander Nevski wordt zowat beschouwd als de stichter van het Russische Rijk. Hij versloeg in 1240 de Zweden op de Neva (vandaar zijn naam 'Nevski') en twee jaar later de Teutoonse ridders, waardoor hij de grenslijn tussen katholiek en orthodox geloof vastlegde. In de orthodoxe kerk wordt hij als heilige vereerd; ook de kathedraal van het Bulgaarse Sofia heet 'Alexander Nevski'.

Oorspronkelijk katholiek, daarna lutheraans is de Toomkirik, de Domkerk, of de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ze heeft een eerder donker interieur, fotograferen is alweer niet toegelaten; aan de muren hangen talrijke wapenschilden van adellijke, Duitse of Zweedse geslachten: zo opzichtig heb ik dat in andere kerken in Europa nog niet gezien.

Maar genoeg kerken nu: laten we de stadsmuren maar eens bekijken, en de torens ter verdediging en versterking van de stad. 'Pikk Hermann' (Lange Herman) steekt er letterlijk en figuurlijk bovenuit. Met zijn 45,6 meter is hij de hoogste verdedigingstoren in Estland: op zijn top wappert tegenwoordig altijd de Estse vlag. Hij ligt vlak bij het parlementsgebouw, vormt het hoogste punt van 'Toompea' (de bovenstad) en beheerst dus ook de benedenstad (All-Linn). Dat onderscheid was in vroegere tijden zeer belangrijk: in Toompea woonden alleen de adel en de hogere clerus, daar was het centrum van wereldlijke en geestelijke macht, in de benedenstad woonden kooplui en handelaren en de kleinere burgerij. Het antagonisme tussen de twee stadsdelen moet ooit zeer fel geweest zijn: de burgerij groeide en nam in belang toe, de heren van de Domberg probeerden door nachtelijke raids hun positie te verdedigen. In 1454 was de ruzie zo hevig en angstaanjagend dat een muur tussen de beide stadsdelen opgetrokken werd: de 'Muur van Haat'.

Die haat is inmiddels al lang verdwenen: 's avonds zie ik op tv nog een documentaire over de Estse identiteit, ook al als voorbereiding op het grote zangfeest dat zondag plaats heeft. Ze zijn daar trots op, de Esten. Estland mag dan wel een klein land zijn, als natie is het veel groter dan zeg maar mijn eigen België. Esten geloven in zichzelf, zijn trots op wie en wat ze zijn als eindelijk onafhankelijk land. Maar natie waren ze al lang voordien.

Zo kunnen we terugblikken op een welbestede dag: ik heb veel geleerd en veel gezien. Alles was nieuw, en ook weer niet. Estland is Europa, door zijn verleden en door zijn heden: de kennismaking kon niet mooier zijn. Jasper is mijn uitstekende gids: hij heeft hier een jaar gestudeerd en verbleven, hij kent het een beetje goed, hij biedt mij allerlei interessants aan, hij staat zelf open om van alles te gaan bekijken en te verdiepen. Bovendien kent hij een aardig mondje Ests, hij redt zich in de landstaal aardig, en woorden die hij niet kent, vraagt bij gewoon. Bovendien bestuurt hij mijn rolstoel met vaardige hand, en dat is niet simpel in het Tallinn met zijn boven- en benedenstad, zijn voetpaden die niet echt op rolstoelgebruikers berekend zijn, en zijn straten die nog slechter zijn dan de Turnhoutse Otterstraat of Grote Markt. Maar dat hoort bij de middeleeuwse authenticiteit: in Brugge word je ook gemakkelijk door elkaar geschokkeld. De verstandhouding tussen vader en zoon is opperbest. Komt daar nog een stralend zomerweer bij (zon in overvloed, rond de 27-28 graden): wie kan zich meer wensen?

Op een van de uitkijkpunten vormen we nog een neologisme: een 'dakgootfotograaf', voor iemand die zittend op de rand van de muur niet anders dan meer muur en afvoerpijpen lijkt te fotograferen. God weet wat heeft hij in de kijker gehad dat aan onze aandacht ontsnapt is: je kan niet alles gezien hebben.

woensdag 20 mei 2009

Dam tegen exoten


Canadese gans: onbeschaamde exoot in Vlaanderen, ook in de Kempen


Reuzenbalsemien: overvloed in Wallonië


Halsbandparkiet: te talrijk rond Brussel


Ik heb het een tijd geleden - verleden jaar in september - eens over de reuzenbalsemien gehad, plant die ik met mijn wankennis toen aanzag voor rozemarijn. Inmiddels ben ik mijn plantenkennis bij aan het spijkeren: ik zie al het verschil tussen smeerwortel en herderstasje, en vanmiddag heb ik stijve klaverzuring geïdentificeerd, gedetermineerd, zoals dat in vaktermen heet. Die groeide onbeschaamd en onschuldig onder mijn neus, op mijn terras, dicht bij wat ik 'mijn landerijen' noem: een strook grond van zo'n 30 cm breed en 5/6 m lang.

Maar vandaag kwam ik de reuzenbalsemien tegen in mijn krant, in een artikel getiteld 'Dam tegen exoten'. Wat blijkt immers? Vooral sinds WO II zijn een aantal uitheemse planten en dieren in onze streken terechtgekomen, ze tieren er welig of planten zich vrolijk en vlijtig voort, zo een bedreiging vormend voor inheemse soorten. Maar, volgens het bericht: 'Uitroeien is ook duur. Het Waals gewest verwijdert langs de Ourthe over 150 kilometer de reuzenbalsemien en de reuzenbereklauw. Dat kost respectievelijk 709 en 256 euro per kilometer. En het moet herhaald worden om effectief te zijn'.

Ik kan me daar iets bij voorstellen: verleden jaar in augustus heb ik met mijn zoon een rolstoelwandeling langs de Warche gemaakt (Malmédy, richting Robertville) en die reuzenbalsemien stond daar overvloedig prominent te groeien en te bloeien. Ze zullen er een hele klus aan hebben, onze Waalse landgenoten. In Vlaanderen heb ik de plant nog niet gezien, maar dat hoeft niets te willen zeggen.

Ook de Canadese gans is zo'n ongewenste gast: ze hebben het dier 'aangepakt' en proberen uit te roeien, met verontwaardigde reacties van publiek, Vogelbeschermng en Gaia. Die vechten niet voor 'Eigen natuur eerst'. Mooi is ook het geval van de halsbandparkiet. Uit een Brusselse volière werd in 1974 een groep losgelaten, en die plant zich in de parkbossen rond de hoofdstad voorspoedig verder.'De krijsende holenbroeder pikt de nestgelegenheid van 'autochtone' (sic) vogels in' alarmeert het artikel. De toestand lijkt om een weldoordachte en maatschappelijk gedragen vogelpolitiek te vragen! Onze eigenste mus tsjilpt een zucht van verlichting. Heel grappig toch: de halsbandparkiet, van oorsprong uit Australië, is in België de Marokkaan in onze vogelfauna. Maar de beestjes laten het er niet bij zitten: ze komen op tegen discriminatie en vragen stemrecht. Problemi, problemi!! Misschien ruimt de winter, als die eens zeer streng is, ze wel op.

Eigenlijk heb ik het voor de halsbandparkiet: samen met mijn broer heb ik ze nog gekweekt toen wij op gewone grasparkietjes uitgekeken waren: wij wilden het grootser en 'excelsior'. Wij hebben ze ook nooit losgelaten: als er in Turnhout nog rondvliegen, komen ze niet van ons.

Aan ons zal het niet gelegen hebben dat 'de opmars van uitheemse soorten die schade aanrichten (de zogenaamde 'invasieve exoten' of 'aliens') de Belgische mens nu zorgen baren. Met het oog op de verkiezingen een strijd: vogels, zeker vreemde, buiten!

dinsdag 19 mei 2009

Turnhout en de verlichting


Lijdend voorwerp van heiligschennis

Niet de verlichting op de terreinen van KVK Turnhout, ook al zal die in de tweede klasse van de nationale voetbalcompetitie ongetwijfeld de Kempen met volle kracht voor diepe duisternis behoeden, niet de verlichting van Philips Lighting, want daar zijn de laatste maanden meer dan een paar lampjes uitgegaan, wel het verlichte Turnhoutse denken van tegenwoordig.

Het gaat zo: na een nachtje stappen is een leerling van het Atheneum redelijk geladen, en hij wil een en ander lossen. Vraag echter is: waar in godsnaam? Gelukkig is hij vlak bij de Sint-Pieterskerk, en hij geeft zich over aan een partijtje wildplassen, zodoende eeuwenoude kerkmuren en dito patrimonium besproeiend. Helaas, hij wordt op heterdaad betrapt, en het gedeeltelijk vloeibare incident bereikt de stedelijke goegemeente, die geschokt reageert. Kreten als heiligschennis, gebrek aan opvoeding en beschaving zijn niet van de lucht, maar de oorzaak is even snel gevonden: 't is er natuurlijk weer een van Tattenejem, vroeger bekend als de 'Commejèn', de Ecole Moyenne. De verlichting komt wel uit Frankrijk, maar de taal is niet helemaal meegekomen. Maar ondertussen: een schande is het toch wel, als je je zo laat gaan, zoveel zal duidelijk zijn.

Een week later overkomt een leerling van het Sint-Jozefscollege krek hetzelfde, de goegemeente hoort er weer van en is weer klaar met gevat commentaar: 'Tja, de jongen zal het niet op kunnen houden hebben'. En de wildplas wordt met de mantel der liefde bedekt.

En mop natuurlijk, maar zoals Luc de Voldere het ooit stelde: literatuur liegt de waarheid. Goede verhaaltjes ook.

zondag 10 mei 2009

De pilaarbijter


Lees ik eergisteren een artikel in het Nederlandse 'Trouw' over 'De pilaarbijter'. De journalist ziet in het houtsnijwerk van de Bavokerk in Haarlem de voorstelling van een eigenaardig mannetje, hij weet echt niet wat of wie er uitgebeeld wordt. Gelukkig komt er een vrouw naar hem toe die hem vertelt dat het om een pilaarbijter gaat. De man kent ook het woord niet, kan ook nog 'kwezel' aan zijn 'vocabulaire' toevoegen - zo noemt hij dat, woordenschat is allicht te gewoon en te duidelijk - en wordt zowat lyrisch: wat kan taal mooi zijn, bedenkt hij euforisch. 'Het lijkt wel of ze, om extreme situaties uit te kunnen drukken, over haar eigen grenzen reikt, diep in het onderste van de kan' holt hij verder.

Rustig rustig, schrijverd, denk ik dan. Want de woorden 'pilaarbijter' en 'kwezel' zijn bij ons gewoon gemeengoed. Dat ze dat in het Nederland van boven de grote rivieren niet meer zijn, is jammer, maar alleen maar logisch. Want die pilaarbijter uit Haarlem dateert zeker uit de tijd toen de Bavokerk nog katholiek was: het gaat ten slotte om een middeleeuws gebouw dat pas later, maar toch ook al in de 16de eeuw aan de nieuwe godsdienst gewijd werd. En protestantse kerken hebben niet de traditie van weelderige versiering, laat staan van een mannetje dat letterlijk in een pilaar bijt. Dat kan alleen van katholieke oorsprong zijn: protestanten zijn veel ernstiger, in de kerk wordt niet gelachen. Gewone katholieken lachen al wel eens met zichzelf, die nemen de godsdienst niet tot 'over de grens' au sérieux, het mag zeker geen manie worden. Vandaar dat komische mannetje, met een nadrukkelijke paternoster bungelend aan zijn zij, zijn tanden letterlijk stuk bijtend op een steenharde zuil. Ik krijg helaas de afbeelding niet gedownload.

Een pilaarbijter is ook terug te vinden op 'De spreekwoorden' van Brueghel: helemaal links onderaan vind je hem. In het Duits heet hij 'ein Pfeilerbeisser', en de verklaring bij het figuurtje luidt 'ein bigotter Mensch', een schijnheilige huichelaar.


Pieter Brueghel: Nederlandse spreekwoorden

Het doek hangt in de 'Gemäldegalerie' in Berlijn, vandaar dat Duits. - Het begrip 'pilaarbijter' doet me danken aan de Farizeeër die vooraan in de synagoge God staat te danken omdat hij niet is zoals de tollenaar achteraan in dezelfde ruimte, zich bewust van zijn tekortkomingen.


'De pilaarbijter' in een kopie van Pieter Brueghel de Jonge

Dat Nederlanders dit woord niet meer kennen duidt op cultuurverschil: Vlaanderen is tot voor kort overwegend katholiek gebleven, en de woordenschat van rijke Roomse oorsprong is hier nog niet vergeten. Wij doen dan ook niet spetterend enthousiast over woorden die we nog kennen. In Nederland zijn die sinds de invoering van het protestantisme verloren gegaan, terwijl de nieuwe godsdienst zelf, om eventjes kort door de bocht te gaan, in oorsprong een uiting van purisme is die vaak tot geïnstitutionaliseerde pilaarbijterij heeft geleid.

'Pilaarbijter' is ook de naam van een Belgisch bier dat zichzelf afficheert als 'bier met een ziel': de brouwer heeft de essentie van het woord met enige humor volkomen begrepen. Overigens staat Brueghels pilaarbijter op de affiche duidelijk te pronken. In 't Vlaams: schol!

zondag 3 mei 2009

Hugo van der Goes - De dood van Maria


Hugo van der Goes: De Dood van Maria


De Aanbidding der Wijzen

Op dit ogenblik loopt er een fantantische tentoonstelling over Karel de Stoute in het Groeningemuseum in Brugge. De man was de laatste hertog van Bourgondië: zijn dochter Maria heeft hem opgevolgd, maar als zij in 1482 op 25-jarige leeftijd sterft, is het ook gedaan met de droom van een groot Bourgondisch rijk: wij komen vanaf dan onder Habsburgse heerschappij. Vijf jaar heeft Maria geregeerd, een zwakke nabloei van wat haar vader Karel voor ogen had. In 1477 sneuvelt hij voor de poorten van Nancy in een veldslag die zijn raadgevers hem afgeraden hadden: de hertog wilde niet op de nodige troepenversterkingen wachten, trok toch ten strijde, de overstoutmoedige, en hij schiet er het leven bij in. De wolven hebben zich naar het schijnt nogal aan zijn lijk te goed gedaan: een eerder onterend einde voor de Napoleon van zijn tijd. Maar stinkend rijk was hij bij leven wel: al die 'Pracht & Praal in Bourgondië' is nu dus in Brugge te zien, met daarbij de 'Burgunderbeute', de fabelachtige schat aan kunstwerken die de Zwitserse eedgenoten in 1476 de hunne mochten noemen na de veldslag bij Grandson, aan het meer van Neuchâtel. Getuigen van en 'producten' die het gevolg zijn van een ongelooflijke, niet te vatten rijkdom: onvoorstelbaar, als je het zelf niet gezien hebt. Verbluffend gewoon.

Een schilderij dat je op die tentoonstelling ook kunt zien, is 'De dood van Maria' van Hugo van der Goes. Het hangt trouwens permanent in het Groeningemuseum, en nu is het in de tentoonstelling opgenomen. het is een werk waar ik een bijzondere voorliefde voor heb, het trekt me letterlijk aan, het zuigt telkens mijn aandacht naar zich toe. Dat komt vooral door het kleurgebruik: centraal op het doek ligt Maria in een blauw kleed op haar sterfbed, boven haar verschijnt in een aureool Christus, die een lichter blauw kleed draagt, de twee engelen naast hem zijn ook in het blauw, en de apostel links vooraan heeft net zo goed een blauw kleed: de hemelkleur is zowat overal. Die drie blauwe vlakken (boven,midden, onder) vallen zo op dat ze als magneten werken. Het is natuurlijk geen eentonig werk: het hoofd van de stervende Maria ligt op een wit kussen, haar hoofddoek is wit, haar gezicht daarin natuurlijk bleek, en aan haar linkerhand staat Petrus als priester uitgedost, ook in het wit, alles centraal op het schilderij. Rood is in de kapmantels van Christus en een aantal apostelen redelijk prominent zichtbaar, zodat je zou kunnen zeggen: het is een blauw-wit-rood werk, hoofdzakelijk toch. Afgezien van het sterke coloriet is er behoorlijk wat emotie te merken: de apostelen verslagen en verdrietig, de ernstige Petrus die een kaars laat aansteken om ze aan Maria te geven, Christus die met open armen de ziel van zijn moeder te ontvangen, Maria zelf die verlangend naar boven lijkt te kijken.

In februari ben ik in Berlijn in de 'Gemäldegalerie' geweest, en daar hangt een verwante Van der Goes: De Aanbidding der Wijzen. Heel herkenbaar is dezelfde meester aan het werk: Maria centraal weer in het blauw met wit hoofddoek, het bleke Christuskind op een wit doek op haar schoot: Van der Goes wist waar hij mee bezig was, wist hoe hij de aandacht moest trekken. Andere dan religieuze schilderijen ken ik van hem niet, maar in de vijftiende eeuw zijn dergelijke onderwerpen natuurlijk niet echt ongewoon. Bovendien lees ik in de catalogus van de tentoonstelling dat de schilder zich op het hoogtepunt van zijn carrière aansloot bij een kloostergemeenschap die nauwe banden had met de 'devotio moderna', en dat hij zijn laatste jaren doorgebracht heeft in het 'Rooklooster' in de nabijheid van Brussel.

Die catalogus stelt wel eventjes iets voor: je haalt er de hele 'Burgunderbeute' mee in huis, en je steekt nog eens wat op. Niet te missen, de tentoonstelling en de catalogus.