dinsdag 27 mei 2008

Malmédy in Italiê





Ettelijke jaren, toen de kinderen nog klein waren, en zowel in zomer- als in herfstvakanties, gingen we met het gezin naar Malmédy, naar de stacaravan van mijn schoonouders, voor een paar weken of voor een paar dagen. De gemeentelijke camping - ze lag in het gehucht Bevercé, op de Boulevard des Alliés - heette 'La Grotte des Nains', en er liep inderdaad nogal wat jong spontaan leven rond. Maar wij gingen om te wandelen: Bellevaux, Xhoffraix, Robertville en het meer, Waimes en de speeltuin daar waren doelen. Om Ferme Libert niet te vergeten, ook met speeltuin. Kinderen moet je echt wel proberen aan de gang te houden: je kunt allerlei vertellen over wat ze zien, maar in kinderhoofdjes is de honderdste boom gelijk aan de eerste, en bergop is altijd stijgen, klauteren en klimmen. Stap- of wandelliedjes zijn ook probate middelen om beentjes in beweging en de moed op peil te houden. Er zijn er die iedereen kent, rudimentaire gescandeerde zinnetjes zonder werkwoord:

Macadam, macadam
macadam dam dam dam
steenweg, steenweg!

Het tweede geeft al meer blijk van enige taalontwikkeling: een werkwoord, parallelle zinsbouw, trappen van vergelijking, rijm: de literatuur is dan niet meer veraf! Hoeveel kilometers er juist afgelegd zijn, wordt niet gezegd: we wandelden ten slotte geen marathon, we hielden het liever bij de bescheidenheid van de ongewisheid.

Zo gaat het goed,
zo gaat het beter,
alweer een kilometer!

Ook zeer probaat als 'energizer':

We zijn er bijna,
we zijn er bijna,
maar nog niet helemaal!

Je mag daarmee liever niet voor halverwege beginnen, anders krijgen kinderen een te relatief en ontgoochelend begrip van het woordje 'bijna'

Op een zeer zonnige dag heb ik zelf zo'n stapliedje in elkaar geknutseld: de tekst liep zo:


Een beetje opgewekt, een beetje blij,
zo staan de koeien met z'n allen in de wei,
en ze zagen niet, en ze klagen niet,
want het gras dat staat in hopen aan hun zij.


Een paar weken geleden speelde dat liedje door mijn hoofd: Malmédy zit nog altijd in mijn hart en geheugen, en het stadje is zo Belgisch als Turnhout. (Ik ben geen politiek correcte Vlaming, these days.) Ik kende de melodie van dat eerste versje ergens van, maar waarvan? Toevallig ben ik pas veertien dagen in Italië geweest, en ik koop daar, in Siena, een cd die heet: 'Avanti popolo alla riscossa - Antologia della canzone socialista in Italia', met daarop 'La bandiera rossa', waarvan het eerste vers luidt 'Avanti popolo alla riscossa', wat zoveel wil zeggen als 'Komaan mensen, ten opstand!'. Wil de melodie van dat eerste vers toch niet die van mijn eerste vers zijn zeker! Wat je je kinderen nog niet meegeeft, onbewust en onschuldig. Verder in de tekst klinkt het glorieus 'Evviva il socialismo e la libertà, maar daarmee heb ik mijn telgen nooit gehersenspoeld.

Die koeien die niet zagen of klagen heb ik eigenlijk van Vondels 'Wiltzangk'. Hij laat de vrije vogels over zichzelf zeggen 'wij zaaien en wij maaien niet/ Wij teren op de boer'. Zij bezingen met andere woorden hun vrije leven in de natuur. De koeien hebben een gelijkaardig leven, maar achter prikkeldraad: de ware vrijheid luistert naar de wetten, zei ooit een ongetwijfeld geleerd man.

En ik zat met mijn gezin net zo goed in de natuur, begiftigd of vergiftigd met enige cultuur? Nu met warme herinneringen.

zondag 11 mei 2008

Toertje maken 2






Vandaag weer hoogzomer, bijgevolg tweede verkenning van mijn territorium: via het Bels Lijntje rond het Zwart Water en zo verder naar de Fonteinstraat. Eerste nieuwigheid: het Bels Lijntje heeft een flinke beurt gehad: de inritten zijn betegeld met klinkers, en de hele weg heeft een nieuwe laag asfalt: alles lekker glad voor meer rijplezier. De oneffenheden veroorzaakt door de boomwortels zijn verdwenen. Het is lekker koel op het Lijntje: veel schaduw van veel jong groen. Als je dan op een open plek komt, voel je de warmte meteen op je lijf vallen. Niet zo loodzwaar als in de echte zomer, maar toch zeer voelbaar.

Ik hoor en zie de kievit weer, en ook de snip, die gisteren nog niet te merken was. Maar ik zat toen niet genoeg tussen de natte weilanden, vandaag wel. Achter het Zwart Water, iets ten westen daarvan, liggen twee redelijk grote plassen in de weien. En met de rolstoel kan ik er makkelijk komen als ik voorzichtigjes en niet te snel rijdt. Wat je daar allemaal hoort en ziet: kieviten, snippen, eenden, ganzen - of het Canadese waren, weet ik niet - en ik hoor een vogel zijn naam roepen: de tureluur. Ik had dat geluid nog nooit gehoord, maar je herkent het meteen, zo duidelijk spreekt de vogel. Ik beleef met volle teugen de rijkdom van de natuur. Even later, aan de Geheulse Dijk, het 'suskewiet' van de vinken, en de roep van de koekoek.

Zoals ik gisteren al zei: de wereld is weer begonnen.

Toertje maken





Gisteren, 10 mei, ben ik voor het eerst dit jaar opnieuw een serieuze tocht met mijn scootmobiel, mijn Harley Davidson gaan maken. Veel later dan vorig jaar: toen was het op 8 mei voor het eerst sinds zes weken slecht weer. We hadden toen een echt zomerse april, maar de achtste mei was het slecht: ik moest toen op het Atheneum zijn, en de school had uitgerekend die dag sportdag:pech. Maar dit jaar is de zomer pas begonnen rond 8 mei, wat nog altijd behoorlijk vroeg is.

En ik dus opnieuw de Kempen in. Langs het kanaal, vertrek brug 1, aan verleden brug 3, opgeblazen tijdens de Tweede Wereldoorlog, rechts naar Merksplas, achter de kerk daar naar het Berkelaar, zo naar de Geheulse Dijk, dan naar links de kastelein oversteken, en dan kom je weer naast het kanaal, en dan tot aan brug 2, en zo naar huis. En lange rit, die ik de vorige drie jaren al vaak gescooterd heb. Men vraagt mij wel eens of dat niet vervelend is, of eentonig, steeds dezelfde tochten, elk jaar opnieuw. Maar neen, natuurlijk is dat niet vervelend of eentonig. Gisteren voelde ik mij alsof ik mijn territorium opnieuw in bezit nam: zoals dieren die na hun winterslaap naar buiten komen en de wereld opnieuw gaan verkennen, zo van 'hier ben ik weer'. En ik geniet ervan weer te zien hoe mooi de Kempen wel is, het platteland rond Merksplas en aan het kanaal. Alles badend in een gulle zon, wat wil een mens meer?

Je ziet de wereld na de grijze winter zijn kleur weer aantrekken: brem en boterbloemen a volonté. Die boterbloemen waren al bijna uitgebloeid. En aan brug 3 hebben ze een oude bunker ingericht als vleermuizenbunker: natuurbehoud in Duits beton! De weilanden naast het Berkelaar zijn een gele boterbloemen, in se serre verderop haken de tomatenplanten weer naar boven, de tomaatjes nog klein en groen-geel, de akkers liggen er zwart bij, want pas geploegd, of grijs als de zon er al een tijdje opgestaan heeft, ze liggen te wachten om veld te worden. De natuur in volle activiteit: een prachtig paard met een zeer pril veulentje, maar al zelfstandig; De moeder is ongerust en komt naar me toe: wat is dat voor een rare man met zo'n eigenaardig voertuig, en met een apparaat voor zijn neus: het jong moet beschermd worden. In het kanaal zwemmen jonge eendjes, het terras van de 'Largo' mooi bevolkt: de wereld is weer wakker, hij is weer begonnen.

maandag 5 mei 2008

Brussel '58



Standaard Luik is dit jaar na 25 jaar onderbreking op nieuw nationaal voetbalkampioen, de inflatie rijst de pan uit, Brussel-Halle-Vilvoorde blijft een heikel probleem: dat alles weet op dit ogenblik iedereen in België. Maar in het nieuws zijn het allemaal maar details: wat er te weten is dezer dagen en maanden is de vijftigste verjaardag van Expo, met berichten erover, duiding, prullaria, een gerestaureerd Atomium, en veel nostalgie dienaangaande. Of misschien wel met een poging om je in die tijd te verplaatsen en hem proberen te begrijpen.

Ik vond 58 een bijzonder jaar, veel herinneringen hangen er aan vast, juist door die Expo. Op 17 april van dat jaar werd hij geopend, maar de eerste steenlegging presteerde de jonge, toen nog ongetrouwde Koning Boudewijn (le roi triste) al in 1955. Dan moeten de plannen toen al ongeveer volledig uitgetekend geweest zijn, denk je verder. En het eerste ontstaan van die plannen nog vroeger. En inderdaad, gisteren het Atomium bezoekend, verneem ik dat de Brussels burgemeester Joseph Van De Meulebroeck (1944 - 1955) als eerste met die dromen rondliep, op het einde van de jaren 40 al. Ergens in Woluwe zou de wereldtentoonstelling plaatsvinden, in '55 of '56. Het is 58 geworden, op de Heizel.

Van die Van De Meulebroeck had ik nog nooit gehoord, daar was ik toen te jong voor. Hij schijnt een fatsoenlijke Vlaamse naam te hebben, maar voor een autochtoon oor ontbreekt er een 'natuurlijke' 'n' voor de 'broeck', en Joseph wijst ook nogal duidelijk op enige verfransing. Zijn opvolger, Lucien Cooremans, herinner ik nog goed als Nederlandsonkundig. De expo was een franskiljonse bedoening, leer je naderhand.

Overigens was het organiseren van wereldtentoonstellingen een nationale traditie, om niet te zeggen een nationale hobby. Op wikipedia vind je een lijst van wereldtentoonstellingen in Nederland en België, van het jaar 1883 tot 1958. In Nederland zijn er twee geweest, telkens in Amsterdam, in 1883 en 1913, in België hebben er dus twaalf plaats gehad, in Brussel, Antwerpen, Gent en Luik. Die van Antwerpen 1930 en Brussel 1935 zijn nog niet helemaal vergeten.

Maar 1958 Frans of Nederlands, wat vroeger de 'Brusselse olievlek' heette en nu B-H-V, dat deed er toentertijd officieel niet toe. Wat ik wel belangrijk vind, waar ik met enige trots en bewondering op terugkijk, is dat het land kort na de bevrijding in '44 en de wapenstilstand in '45 niet bij de pakken ging zitten, daarentegen de handen uit de mouwen stak en aan de ploeg sloeg, en kennelijk met geloof en optimisme aan de wederopbouw begon, en daarbij ook nog onmiddellijk een grote kers op de taart wilde: de economie moest aangezwengeld worden, investeerders van overal gelokt, een grote visitekaart moest wereld getoond worden, dus nog eens een wereldtentoonstelling. En dat lukte, zoals gebleken is. Toegegeven, allemaal of voornamelijk in het Frans, maar de restauratie van' la Belgique à papa' is niet meer uit de verf gekomen. Het Noorden des lands werd zelfbewuster, welvarender, assertiever ook, minder plooibaar ook grimmiger.

Het pronkstuk van Expo 58 is ongetwijfeld het Atomium: inmiddels is het tot een nationaal monument uitgegroeid, je associeert het gebouw dadelijk met België, Brussel en Expo 58. Na 58 stond het interieur van de gewaagde constructie in de loop der tijden langzaam ter verkommeren, het werd een beetje aftands en onderkomen, en de bollen hadden hun zilverglans in 2005 al lang verloren. Maar vorig jaar eindelijk werd de restauratie voltooid: en nu glimt het Atomium als vanouds. Ik weet het al staan van in 58, heb er toentertijd vlak bij gestaan, maar ik was er nooit binnen geweest. In 58 waarschijnlijk wegens te duur voor de portemonnee van een eenverdiener, en naderhand, ja, hoe loopt zoiets? Maar gisteren heb ik ons nationaal monument dus bezocht, samen met mijn drie dochters. Als gehandicapte mag je er zelfs gratis in, wat terecht is, want wie echt niet uit zijn rolstoel kan komen en rechtop gaan staan, of toch nog een beetje lopen, heeft aan zo'n bezoek niets. Met de in 1958 snelste lift ter wereld ga je in 22 seconden van de eerste naar de bovenste bol, zo'n 100 meter hoog. Je krijgt een weids panorama, je ziet Mini Europa echt heel mini zijn, je herkent het Koning Boudewijnstadion, de basiliek van Koekelberg, de kerk van Laken, maar om scherp in de verte te kijken hing er nog te veel nevel in de lucht. Maar warm was het er wel, in de bovenste bol. Vader had het nogal eens over de 'bollenwinkel' als hij het monument bedoelde. Dat woord heeft hij waarschijnlijk gehaald uit het volkse lied over 'de dochter van Marie Planché, van voren bollenwinkel en van acht'ren staminee'. Die tekst ken ik verder niet, maar het zou me niet verbazen als die eerder van dubbelzinnige inhoud getuigt. Altijd een grapjas geweest, vader.

Mijn kinderen zien Expovoorwerpen, maar kopen niets, tenzij ansichtkaarten. Ze vinden de mokken wel iets hebben, en de badges, maar de mini mini-atomiumpjes zijn stinkend duur: ze zetten de prijzentraditie van 58 voort. We zoeven omlaag, naar ons vertrekpunt op de begane grond. Van daar kunnen we met de roltrap nog vier bollen gaan bekijken, maar je wordt wel gewaarschuwd: er zijn ook 80 treden omhoog en 186 omlaag te stijgen en te dalen. Maar ik doe, zonder rolstoel, ik kan dat wel aan, denk ik. En je komt op een roltrap in een van de buizen, lekker warm alweer, en een mooi gezicht in feite, maar in de bollen valt het een beetje tegen: paneeltjes over de wereldtentoonstelling, maar weinig echte wetenschap te ontdekken. Je kunt niet alles hebben.

Lichamelijk heb ik het ook overleefd: wel moe natuurlijk, en dat voelde ik wel tot 's avonds laat, maar vandaag is die pijn al lang geleden. En ik ben na vijftig jaar eindelijk in het Atomium geweest: ik heb een vaderlandse en historische plicht volbracht. Voldaan kijk ik dus terug op een welbestede dag.

vrijdag 18 april 2008

Abdul in de Priba


Jaren ongeteld al ga ik winkelen in de Priba, het warenhuis op mensenmaat in de Korte Gasthuisstraat, pal in het centrum van Turnhout. Jonge mensen van Turnhout zelf, of inwijkelingen van welke aard ook, kijken onbegrijpend als je het over de Priba hebt: zo heet het daar al lang niet meer. Maar veertig jaar geleden nog wel, en het woordgebruik krijg je er bij mijn generatie niet uitgesleten. Naderhand heette het daar de 'kleine GB', ter onderscheiding van de 'Maxi GB' aan de Ring, waar dagelijks een hoogmis met talloze celebranten ter grotere eer en glorie van het kapitalisme wordt opgedragen: megalomanie op zijn Kempisch. Overigens heet die zaak nu 'Carrefour', want in Franse handen geraakt, en nu dus met dito naam. 'Priba' is overigens ook Frans, en niet zomaar een woord: het is de vereenvoudigde spelling van 'prix bas' die je daar maar hoeft te betalen. In Malmédy was er indertijd nog een 'Nopri': 'nos prix' werden ook verondersteld laag te zijn, ten minste dat was de boodschap. Die Nopri heeft nu het kleed van 'Aldi' aangetrokken.

Maar ik sta dus vandaag, of zit in mijn elektronische rolstoel (zoals dat ding pretentieus genoemd wordt) aan te schuiven bij een kassa in de Priba: een vrouw voor me, weinig artikelen op de band, een vluggertje wordt het. De caissière (die dragen naamplaatjes) heeft een curieuze achternaam: Shaf. Mijn filologenhart klopt iets sneller, want waar komt die naam vandaan? Misschien Zweeds of Skandinavisch, en hij zou dan overeenkomen met het Nederlandse 'schaaf'. Wie weet? Als iemand in Vlaanderen 'bril' kan heten, en nog minister worden op de koop toe, waarom dan geen caissière van vreemde oorsprong met de naam 'schaaf'. Onwetenschappelijk linguïstisch denken, de fantasie zonder controle op een holletje.

Ik ben aan de beurt en vraag logischerwijze aan de dame waar haar achternaam vandaan komt. Met mijn voornaam heet ik 'Rim' zegt ze, en 'Shaf' en ikzelf komen uit Syrië. In best goed Nederlands vertelt ze dat, onwetend mijn Zweedse droom aan diggelen smijtend. Ik had beter moeten kijken: voor een Noord-Europese is ze veel te bruin, ze had hooguit een Italiaanse kunnen zijn. En die heten Scifo of Sciavo, niet Shaf.'O, uit Syrië,' antwoord ik, 'bij ons op school werkt een Syriër, hij geeft 'Islam', hij heet Abdul Shattour'. 'Ja, die ken ik.' 'Dat verbaast me niks, hij is ook een echt expansieve man.' En na wat vriendelijke small talk scooter ik naar huis.

Kom je Abdul toch niet tegen in de Priba, zomaar in het midden (enfin, op het einde) van de week. Ik zie hem nog wel eens, op school. Hij is een minzame man, heeft mij met rolstoel en al meermaals thuisgebracht, is in Westmalle actief in het voetbal, was ooit Syrisch international, heeft Engels gestudeerd, tolkt voor het gerecht in Turnhout, ondertitelt Arabisch voor de VRT, in een woord hij is een Johannes Factotum, een bezige bij.

In de Priba werken wel eens meer allochtonen: er is een zwarte vrouw geweest, die ik daar nu niet meer zie, er is een donkerbruine Indische die perfect Aantwaarps spreekt, een Nederlandse met waarschijnlijk Indonesische roots die de mooie naam Irene Flink draagt, en die haar taak zeer vriendelijk verricht. 't Zonnetje van de Priba, denk ik wel eens. En kennelijk discrimineert de Priba op dat gebied niet. Wat leuk is, voor een klein grootwarenhuis. Het geeft de burger moed.

woensdag 16 april 2008

Culinaire geneugten


Eens per jaar gaan we met zijn drieën uit eten: Cees, Vic en ik. Cees nodigt uit, want hij is pas jarig geweest, de twee anderen geven hem twee boeken: gedichten van Brecht in een tweetalige editie (faciliteiten voor een Nederlander als het ware), en 'Het land van aankomst', wat Cees als Nederlander zeker interesseert, want hij woont al zo'n twintig jaar in België, in Rijkevorsel meer bepaald. Vic en ik zijn autochtonen: hij uit Hoogstraten, ik uit Turnhout. Twee raszuivere Kempenaars en eentje van de eerste generatie: een voorspoedige mix. Wij vieren onze jaren: Cees, 74, iets ouder, maar uitmuntend, Vic 64 en ik, nog eventjes 60, oudere medioren, zeg maar. In 'De Farmasie' pleisteren wij, op de Antwerpse Steenweg in Vosselaar, vlak bij Janssen Pharmaceutica, van waar het restaurant zijn naam betrekt (maar dan eigenzinnig gespeld, om te tonen dat ze toch origineel zijn), en mogelijk ook motilium en immodium. Hoewel: de spijzen van De Farmasie maken deze medicijnen volstrekt overbodig, voor ons is het inmiddels een huis van vertrouwen geworden. Niets dan lof.

In 2008, zeker om deze tijd van het jaar praat je dan over 1958, zijdelings over de Expo, maar over de culinaire gebruiken van toen. Cees heeft onlangs voor het eerst Vlaamse stoemp gegeten, savooipuree, waar obligaat ook een paar spruiten in zitten, herinnert Vic zich, en bij voorkeur ook nog stukjes spek. Andere verleden gewoonten komen ter tafel, zoals warm eten uit een en hetzelfde bord (ieder zijn bord natuurlijk): eerst soep, dan aardappelen met groenten en vlees, daarna de pap. Meestal was dat pudding (vanille of chocolade, ofwel 'gele of shoekelatte), smoelpap (griesmeel, in het Frans 'semoule'), of havermoutpap, bij ons thuis door mijn vader 'motsekletpap' genoemd: dat woord (van eigen makelij?) moet uit de oorlog dateren, toen de haver niet zo goed bewerkt of gepeld werd, zodat je de kleine vliesjes uit die pap op het puntje van je tong moest leggen en ze zonder speeksel te produceren toch beschaafd moest wegspugen, ongezien maar hoorbaar op tafel. 'Tuffen' heette dat ook, en dat woord is een pracht van een exacte klanknabootsing. Een 'motseklet' is Kempisch voor het Franse 'une motocyclette', en als de motor daarvan aanslaat hoorde je ook een herhaald puffend, tuffend geluid. Smoelpap was dan weer zo'n lelijk woord dat dat toetje (die term bestond toen ook nog niet in Vlaanderen)zeer zelden opgediend werd. Labbonen (lab met een b, en niet, zoals ik altijd gedacht heb, met een p)heb ik nooit gegeten: die werden ook 'boerentenen' genoemd, en de ingebeelde geur alleen al van die lichaamsdelen was mij veel te veel. Ik ben altijd nogal taalgevoelig geweest, stel ik vast. Een viesneus, zo kun je het ook noemen.'Motsekletpap' ging er wel in: lekker smeuïg was die. En je beleeft vijftig jaar later evenveel genoegen aan de etymologie van het woord als toentertijd aan het gerecht. We keuvelen en kouten, ondertussen genietend van een rundscarpaccio, een ossenhaas of een succulente steak, met pepersaus of béarnaise, en met crème brulée na: 'The times they are a'changing' zong Bob Dylan al: zijn gelijk is groter dan hij weet.

Lezen hadden we in '58 ook al geleerd, en ik las alles wat onder mijn handen kwam, tot de tekstjes en drukseltjes op jam- en mayonaisepotten toe: 'zwijgt en eet' kreeg zo toch enige verlichting. Maar we lazen ook boeken, jeugdboeken, vaak van Nederlandse schrijvers, want Vlaamse in die tijd?... In zo'n Hollands boek las ik op mijn tiende of mijn elfde dat een 'boterham uit het vuistje' voor een keer wel eens kon. Waar hebben ze het over, dacht ik. In de loop van het verhaal bleek dat een boterham uit een bord gegeten werd, met mes en vork, in dat buitenlandse milieu. Wij maar warm eten alles uit één bord, maar over de grens, nee hoor. Mijn eerste cultuurschok was dat. Later heb ik mijn geboortejaar (1947) levendig herkend in 'De avonden' van Gerard Reve: reële typering van een tijd die nog zo in mijn geheugen zit. Maar die Nederlandse kinderen van toen gingen naar de HBS: de Hogere BurgerSchool. Wat ook zeer raar was: waarom geen atheneum, lyceum of college? Anders waren die, die van over de grens. Athenaeum en gymnasium heb ik pas later leren kennen.

Maar 'er kwamen andere tijden'. Dorpen zoals Turnhout en Hoogstraten werden groter, Nederlanders kwamen hier naartoe, en niets menselijks is ons nog vreemd. Ten minste: dat zouden we willen denken. Het etentje van en met Cees was heerlijk.

dinsdag 8 april 2008

Lazarus



Het gedicht






Lazarus is zoals bekend de man die door Christus uit de doden werd opgewekt, en wiens naam redelijk vaak kon aangetroffen worden: nomen sit omen, wie uit de doden opstaat
leeft eeuwig. De mirakelman is een veel bekender voorbeeld. Maar je hebt de Gare Saint-Lazare in Parijs, een kathedraal Saint-Lazare in Autun (Bourgondië), met een zeer beroemd tympaan dat het Laatste Oordeel voorstelt, en een handtekening van de kunstenaar draagt: 'Gislebertus hoc fecit', in de jaren 1130-1135 moet dat geweest zijn. In de beste middeleeuwse traditie weten we verder niets over hem. In het Nederlands leeft de naam op een meer prozaïsche manier verder: vroeger werd hij geassocieerd met melaatsen en melaatsheid (een lazarushuis is of was een leprozerie), tegenwoordig kun je je lazarus drinken, maar net zo goed werken. Als dat nog niet duidelijk genoeg is, spreekt men van het apelazarus: niet erg vriendelijk kun je iemand toevertrouwen dat hij 'het apelazarus kan krijgen'. Gezelle wist het al: de tal taal is wonderzoet / voor wie haar geen geweld aandoet.

Maar Lazarus is ook de naam van de dichteres van een sonnet met als onderwerp het Vrijheidsbeeld in New York. Emma Lazarus heet ze voluit, geboren in The Big Apple in 1849, er gestorven op de leeftijd van 38 jaar in 1887. Zij stamde uit een Portugees-Sefardische familie die al een aantal generaties in Amerika woonde. Ze was een ontwikkelde vrouw: al zeer vroeg studeerde zij Amerikaanse en Europese literatuur, en ze kende verscheidene talen, waaronder Duits, Engels en Italiaans. Ze was niet echt 'Mieke van de bakker'. Als joodse is zij bovendien een bekende voorloper van de zionistische beweging: ze had het al over het oprichten van een joods thuisland 13 jaar voordat Herzl de term 'zionisme' begon te gebruiken.

Zij schreef dus ook dat gedicht voor, of over het Vrijheidsbeeld, en ze noemde dat vol negentiende-eeuwse 'pomp''The New Colossus'.


Ze heeft het over het verschil tussen de Oude en de Nieuwe wereld, stelt de USA voor als een zeer gastvrij land, het beloofde land zonder meer, dat zich zal ontfermen over de armen, verworpenen, over allen die naar vrijheid verlangen. Een machtige vrouw met een toorts zal de gouden poort naar geluk en voorspoed verlichten. De Oude Wereld wordt aangemaand zijn gedateerde bombast bij zich te houden; zij vervangt die ondertussen door nieuwe pracht, praal en staatsie. Want het nieuwe, jonge vaderland had een nieuwe mythologie nodig, nieuwe kolossale verhalen die voor de eeuwigheid bedacht moesten zijn. En zo zegt zij het dus:

Not like the brazen giant of Greek fame,
With conquering limbs astride from land to land;
Here at our see-washed, sunset gates shall stand
A mighty woman with a torch, whose flame
Is the imprisoned lightning, and her name
Mother of Exiles. From her beacon-hand
Glows world-wide welcome; her mild eyes command
The air-bridged harbor that twin cities frame.

"Keep ancient lands, your storied pomp!" cries she
With silent lips. "Give me your tired, your poor,
Your huddled masses yearning to breathe free,
The wretched refuse of your teeming shore;
Send these, the homeless, tempest-tost to me,
I lift my lamp beside the golden door!".



De beroemde tiende en elfde verzen zijn in 'the statue's museum' te bekijken, terwijl ik altijd gedacht heb dat 'give me the poor ...' op de sokkel van het beeld waren te zien. Maar ik hoop het over afzienbare tijd daar met mijn eigen ogen te lezen: ik wil eens op Ellis Island staan, bij het Vrijheidsbeeld en de verzen erover. Ik wel eens gestaan hebben op de plek waar duizenden immigranten de VS binnenkwamen. Ze kwamen uit Oost-Europa, behoorlijk wat joden bij voorbeeld, maar in Antwerpen vertrokken met de Red Star Line natuurlijk ook veel landgenoten en tal van andere Europese nationaliteiten. En de Italianen uit Lucania, Calabrië en het arme 'Mezzogiorno' emigreerden net zo talrijk uit de laars. Carlo Levi vertelt erover in 'Cristo si è fermato a Eboli'. Indrukwekkend.

En als je een diepgravend boek over migratie en haar gevolgen wil lezen: Paul Scheffer, Het land van aankomst. Aanbevolen. Vooral als je wilt zien dat 'alles' niet zo simpel was of is als volksmenners zouden willen wensen.